Jolande uit Beijerse

Gemeenten zouden de jeugdzorg goedkoper en beter regelen. Het tegenovergestelde is gebeurd. Wat ging er mis? Lees meer

De gemeenten zouden jeugdzorg dichterbij, efficiënter en uiteindelijk ook goedkoper gaan regelen. Het tegenovergestelde gebeurde: het aantal zorgaanbieders is gestegen van 120 in 2014, naar zo’n 6.000 nu. En inmiddels ontvangt één op de tien Nederlandse kinderen een vorm van jeugdzorg.

 

In de zomer van 2020 was voor veel gemeenten de maat vol. Ze gaven zoveel geld aan jeugdzorg uit, dat zij het financieel niet meer konden bolwerken. Den Haag moet met meer budget over de brug komen, luidde de boodschap.

Maar is geld het enige probleem? Onder de werktitel "Jeugdzorg in het Rood” doet Follow the Money onderzoek naar de geldstromen in de jeugdzorg. In deze gids loodsen we je langs de belangrijkste bevindingen.

82 artikelen

Jolande uit Beijerse © Fenna Jensma

‘We moeten kijken met de blik van een jongere om te begrijpen hoe onrechtvaardig het jeugdbeschermingsrecht voelt'

Afgelopen vrijdag maakte het kabinet bekend dat er in 2030 een einde komt aan gesloten jeugdzorg. Hoogleraar jeugdstrafrecht Jolande uit Beijerse pleit al decennia voor herziening van het systeem, dat volgens haar al lang niet meer functioneert zoals de wetgever het in 1905 bedoelde. ‘We ontnemen een kind zijn vrijheid omdat er geen passende hulp beschikbaar is.’

Tijdens een verrassingsbezoek aan de justitiële jeugdinrichting in Spijkenisse in november 2018 spreekt een groepsleider Jolande uit Beijerse aan. Ze is daar als lid van de Commissie van Toezicht. De groepsleider vraagt de jurist of zij misschien even wil praten met de 15-jarige Jack. Die had net gehoord dat hij na 66 dagen vast te hebben gezeten nog drie maanden naar een gesloten jeugdzorginstelling moest. 

De jongen was geflipt. Hij had zijn straf toch al uitgezeten? Hij mocht toch naar huis? Na wat doorvragen vermoedt Uit Beijerse dat de rechter een ‘machtiging gesloten plaatsing’ voor de jongen heeft afgegeven. Maar de tiener wist daar niets van. Later bleek dat de rechter hem hier wel over had gehoord, tijdens zijn strafzaak. Maar dat was langs Jack heen gegaan.

Een gesloten plaatsing om hem te helpen? Voor Jack was dat opsluiting en opsluiting is straf, geen hulp

Een andere rechter deed uitspraak in Jacks strafzaak. Deze rechter wist niet dat zijn collega al een civiele beschikking voor een gesloten plaatsing had afgegeven. Jacks gezinsvoogd was niet aanwezig bij de uitspraak en die avond ook niet bereikbaar. Zijn advocaat wel, maar die had het Jack telefonisch ook niet kunnen uitleggen. Uit Beijerse hield Jack voor dat die drie maanden gesloten waarschijnlijk bedoeld waren om hem te helpen. Maar dat ging er niet in bij de tiener: opsluiting is opsluiting en dat is straf, geen hulp. 

Niet voor niets begon Jolande uit Beijerse op 10 juni 2022 met dit verhaal haar oratie als hoogleraar justitiële jeugdinterventies aan de Erasmus School of Law, onderdeel van de Erasmus Universiteit Rotterdam. De praktijk is gedurende haar hele carrière een rijke voedingsbodem geweest voor het wetenschappelijke werk van de hoogleraar. In Jacks voorbeeld komen alle aspecten van Uit Beijerses leerstoel –  justitiële dwang en drang bij jeugdigen –  samen: het nauwe verband tussen jeugdstrafrecht en jeugdbeschermingsrecht, de rechtspositie van kinderen bij een gesloten plaatsing en de verhouding tussen gesloten jeugdhulp en justitiële jeugdinrichtingen. 

‘Jongeren hebben met al die systemen te maken. Dat zie ik al jaren in mijn onderzoek, maar ook in mijn nevenfuncties als rechter-plaatsvervanger en toezichthouder bij een justitiële jeugdinrichting,’ zegt Uit Beijerse. ‘Ze krijgen in hun jeugd te maken met een overheid die ingrijpt, via dat jeugdbeschermingsrecht. En later, als ze via het strafrecht met justitie in aanraking komen, gaat men opnieuw kijken hoe die jongeren weer op het rechte pad te krijgen zijn. Er is geen inzicht in hoe die systemen verband houden met elkaar. Ik wil onderzoeken hoe we jeugdstrafrecht en jeugdbeschermingsrecht beter op elkaar af kunnen stemmen.’

De blik van een 15-jarige

In haar onderzoek stelt ze de ervaringen van jongeren nadrukkelijk centraal. ‘Uiteindelijk gaat het om de blik van die 15-jarige jongen,’ zegt ze. ‘Door zijn ogen moeten we naar het jeugdbeschermingsrecht kijken, want hij laat ons zien hoe onrechtvaardig dat voor hem voelt. Met deze blik is de wet in 1905 ook geschreven.’

Uit Beijerse doelt hiermee op de Kinderwetten uit 1905. Tot eind negentiende eeuw was er nog geen jeugdbeschermingsrecht. Als kinderen verwaarloosd, mishandeld, uitgebuit of aan hun lot overgelaten werden, kon de staat niet ingrijpen in het ouderlijk gezag. Dat kon alleen via het strafrecht, dus als vader of moeder een strafbaar feit had gepleegd met of tegen het kind. Er waren wel particuliere heropvoedingstehuizen, maar daar konden pa en ma hun kinderen op ieder moment weer ophalen. 

Dat moest anders. Zwervende, bedelende kinderen waren niet los te zien van hun situatie thuis, meende hoogleraar strafrecht Gerard Anton van Hamel. Daarom moest strafrecht bij jonge overtreders altijd een opvoedend karakter hebben, meende hij. Het was immers voor kinderen nog niet te laat, doeltreffend optreden kon ‘dieper verderf’ voorkomen. 

Vanuit die gedachte boog de Nederlandse Juristenvereniging zich in 1895 over de vraag of het strafrecht aangepast moest worden, en zo ja, hoe. ‘Deze juristen besloten dwangopvoeding in te voeren,’ zegt Uit Beijerse. ‘En om die goed te laten functioneren, moest ontzetting uit de ouderlijke macht mogelijk zijn.’

Van Hamel richtte in 1896 Pro Juventute op, een verzameling particuliere verenigingen. Als alternatief voor vervolging leverde Pro Juventute een voogd. ‘Ging een kind de fout in, dan nam zo’n voogd niet alleen het kind, maar het hele gezin onder zijn hoede. Om te voorkomen dat het kind de cel in moest.’ 

Minister van Justitie Pieter Cort van der Linden zette in 1905 de ideeën van de juristen om in de Kinderwetten, die de overheid de mogelijkheid bood direct in te grijpen wanneer ouders hun taak als opvoeder verzaakten. De wetten legden de basis voor het huidige jeugdbeschermingsrecht en het jeugdstrafrecht, stelden het belang van het kind voorop en gaven in het jeugdstrafrecht heropvoeding voorrang op vergelding. 

De minister heeft nog overwogen om ook de berechting van jeugdstrafzaken aan een civiele rechter over te laten, blijkt uit de Kamerstukken van destijds. Daar zag men toch maar van af, want: ‘... men vergeet dat juist die formaliteiten de waarborg zijn voor grondig onderzoek en tegen overijlde inbreuk op de persoonlijke vrijheid. En de persoonlijke vrijheid is voor jeugdige delinquenten even heilig als voor volwassenen.’

Niet een kinderwet maar drie

De liberale minister van Justitie Pieter Cort van der Linden diende in 1905 drie wetten in.

De Civielrechtelijke Kinderwet verlaagde de grens voor meerderjarigheid naar 21 jaar, verving de vaderlijke macht door ouderlijk gezag en maakte beëindiging van ouderlijk gezag mogelijk zonder dat ouders strafrechtelijk veroordeeld waren. De minister vond ouderlijk gezag een grondbeginsel dat de staat moest eerbiedigen. De overheid mocht daar grenzen aan stellen als er sprake was van misbruik of verwaarlozing. Als een kind daardoor de criminaliteit in werd gedreven, had een civielrechtelijke aanpak de voorkeur. 

In de Strafrechtelijke Kinderwet legde de overheid aparte jeugdsancties en procedureregels vast voor kinderen die verdacht werden van een misdrijf. 

In de Kinderbeginselenwet werd vastgelegd dat rijks- en particuliere opvoedingsgestichten de opvoeding van de ouders konden overnemen.

Zeventien jaar later werden de Kinderwetten herzien. Naar voorbeeld van het patronaat van Pro Juventute werd een minder ingrijpende civielrechtelijke maatregel ingevoerd: de ondertoezichtstelling van een gezinsvoogd, die erop gericht was het kind in het gezin te begeleiden en het ouderlijk gezag te handhaven. Ook kwam er in 1922 een kinderrechter, die verantwoordelijk was voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling. 

Lees verder Inklappen

Anno 2022 haalt de overheid jongeren thuis weg via een uithuisplaatsing en kan ze hen ook ‘gesloten’ zetten. ‘Dat is vrijheidsbeneming. Daar praten we nu veel te makkelijk over, vind ik’, zegt Uit Beijerse. ‘Zelfs maar een paar weken opgesloten zitten kan een gamechanger zijn voor jongeren. Er moeten dus goede waarborgen zijn dat zij niet onnodig hun vrijheid verliezen. Daar ontbreekt het nu aan.’

Ze trekt de vergelijking met het jeugdstrafrecht. ‘Voor een jongere die een ernstig strafbaar feit heeft gepleegd en in voorlopige hechtenis verblijft, onderzoekt de jeugdreclassering hoe hij zo snel mogelijk weer naar huis kan en met welke begeleiding. Na een crisisplaatsing in gesloten jeugdzorg is hulp niet op korte termijn beschikbaar. Ook bij de zitting zijn er verschillen. Een strafzitting duurt toch zeker een uur of anderhalf tegenover een zitting van twintig, hooguit dertig minuten voor een ondertoezichtstelling. In het strafrecht moet het OM bewijzen dat er een strafbaar feit gepleegd is en dat bewijs documenteren in een dossier. Bij een uithuisplaatsing of gesloten machtiging hoort ook goed feitenonderzoek te zijn gedaan, waaruit blijkt dat er echt iets aan de hand is. Dat is nu heel vaak niet zo.’

Feiten niet op orde

Sinds duidelijk werd dat ook kinderen van gedupeerden van de toeslagenaffaire uit huis geplaatst zijn, ligt deze maatregel onder een vergrootglas. Onder andere van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, die recent 45 dossiers onderzocht die geleid hebben tot een uithuisplaatsing. In geen van de onderzochte dossiers had de jeugdbescherming de feiten op orde, concludeerde de Inspectie op 27 juni.  

Toch is datzelfde Inspectierapport ook opvallend mild voor de jeugdbeschermers. De caseload is zwaar, ze krijgen te weinig tijd, te weinig geld… Het systeem faalt, en daardoor ook de jeugdbeschermer. Uit Beijerse, ferm: ‘Dat is dus nooit een rechtvaardiging voor een uithuisplaatsing op basis van onjuiste informatie.’ 

Deze geluiden zijn niet nieuw. Veertien jaar geleden trokken Rotterdamse jeugdrechtadvocaten ook al aan de bel, onder andere bij Uit Beijerse. Ze schreven een brandbrief, waarin zij stelden dat uithuisplaatsingen onzorgvuldig gebeurden, en veel te snel, terwijl ze bedoeld zijn als ultimum remedium

‘Al sinds de jaren ’80 kaarten we telkens opnieuw dezelfde zorgen aan’

Mogelijkheden om hulp aan het gezin te bieden werden niet benut, schreven de advocaten, en de rechter leunde te zeer op het advies van de gezinsvoogd, die zich nauwelijks liet zien bij de betrokkenen. Dat kinderen onaangekondigd thuis werden weggehaald, soms met politie erbij, was traumatiserend en onacceptabel. Of de kinderen vervolgens op een geschikte plek belandden, was maar de vraag.

Uit Beijerse organiseerde in 2009 samen met die jeugdrechtadvocaten en met steun van de rechtbank, Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming het drukbezochte congres Zorg om de jeugdzorg op de Erasmus Universiteit Rotterdam, en publiceerde daar later een gelijknamig boek over – dat dertien jaar na dato nog altijd relevant is. ‘We blijven maar in cirkeltjes ronddraaien,’ zegt ze. ‘2008 was ook al een herhaling van zetten. Al vanaf de jaren ’80  kaarten we telkens opnieuw dezelfde zorgen aan.’

Kinderrechter op afstand

Waren het in de jaren ’80 de kinderrechters, in 1995 luidden jeugdrechtadvocaten de noodklok na een herziening van het jeugdrecht die de kinderrechter op grotere afstand zette. Voor 1995 was de kinderrechter verantwoordelijk voor de uitvoering van een ondertoezichtstelling. In de jaren ’80 zag Uit Beijerse als stagiair bij een kinderrechter in Dordrecht hoe dat in de praktijk uitpakte. 

‘De rechter noemde die kinderen ‘haar pupillen’. Zij bezocht ze in de instellingen, sprak geregeld met de gezinsvoogden, kinderen en ouders konden op spreekuur komen als er problemen waren. De kinderrechter hield heel direct toezicht. En als het toch misging, kon ze ingrijpen.’

In die tijd ging de kinderrechter ook over de plaatsing. ‘De secretaris zat de hele dag aan de telefoon om een plaatsing te regelen. Daardoor wisten rechters waar er plek was en waar niet,’ zegt Uit Beijerse. ‘Rechters gingen ook over welke gezinsvoogd toegewezen werd. Nu verlenen ze een machtiging voor een ondertoezichtstelling zonder te weten wie de gezinsvoogd wordt.’ 

De herziening is niet in alle opzichten een verbetering geweest, concludeert Uit Beijerse. ‘We hebben toen radicaal met het onafhankelijk toezicht gebroken zonder daar waarborgen tegenover te zetten. Het werd voldoende gevonden dat de nieuwe Bureaus Jeugdzorg toezicht hielden op het werk van hun eigen gezinsvoogden.’ 

Ontspannen in detentie

Dat het ook anders kan, liet Uit Beijerse zien tijdens haar oratie. Op het scherm achter haar gleden foto’s voorbij van een groot, groen terrein. Met een schooltje, sportvelden, een moestuin, een café, een koffiebarretje, uitbundig versierde muren en een zwembad dat uitnodigend lag te blikkeren in de zon. 

Dit is de zwaarst beveiligde jeugdgevangenis in Spanje, vertelde de hoogleraar, waar kinderen hun tijd sportend, kokend, schilderend en musicerend doorbrengen. De muurschilderingen maakten ze zelf, samen met kunstenaars. 

De Rotterdamse maakte deze foto’s in mei tijdens een werkbezoek in Catalonië. Vijf jaar eerder had ze in Valencia een soortgelijke jeugdgevangenis gezien. De officier van justitie, die Uit Beijerse rondleidde, werd enthousiast begroet door de kinderen (Hola Carolina!) en kende elke jongere bij naam. ‘O ja, dat is heel normaal hier,’ had deze vrouw geantwoord op verbaasde vragen, ‘ik ga hier geregeld langs. Alle kinderen hebben mijn telefoonnummer, ze mogen me altijd bellen.’ 

Ze is niet de enige die de kinderen regelmatig bezoekt: de kinderrechter die ze tot hun straf veroordeelde komt ook op gezette tijden langs. Zo staat het immers in de Spaanse wet. 

‘Wat ze nodig hebben, is passende hulp. Maar ze belanden in een instelling met een gevangenisregime’

Uit Beijerse was dit jaar opnieuw in Spanje, op uitnodiging van rechtsgeleerde Esther Giménez-Salinas, die na de dood van dictator Franco het Spaanse jeugdstrafrechtsysteem heeft opgezet vanuit de mensenrechtenbeweging die toen opkwam. ‘Destijds keken zij naar met name Duitsland en Nederland. Wij waren hun voorbeeld.’

In Spanje bekroop Uit Beijerse de gedachte dat Nederland inmiddels aardig ver van de oorspronkelijke bedoeling van de Kinderwetten was afgedreven. ‘Ik dacht: als Spanje voor veroordeelde jeugdigen al zulke kindvriendelijke instellingen inricht, waarom krijgen wij datzelfde dan niet tenminste voor de gesloten jeugdhulp voor elkaar? Want die kinderen zijn vaak slachtoffers: er zijn hen vreselijke dingen overkomen. Wat ze nodig hebben, is passende hulp. Maar ze belanden in een instelling met een gevangenisregime.’

Jeugdzorgidioom

Jeugdzorg is de parapluterm waaronder jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering vallen. 

Een justitiële jeugdinrichting is een jeugdgevangenis, waar minderjarigen terechtkomen die veroordeeld zijn voor een strafbaar feit. Als onderdeel van hun veroordeling kunnen zij een PIJ-maatregel opgelegd krijgen: jeugd-tbs. Die kan in extreme gevallen doorlopen tot hun 27ste. Daardoor omvat de jeugdgevangenispopulatie niet alleen kinderen, maar ook volwassenen. 

In gesloten jeugdhulp, ook wel JeugdzorgPlus genoemd, komen jongeren terecht die niet thuis kunnen wonen, maar ook niet in een pleeggezin of gezinshuis. Deze kinderen zijn veelal slachtoffer van seksueel misbruik, loverboys, lichamelijk of geestelijk geweld of een combinatie daarvan, en ondervinden als gevolg daarvan ernstige gedrags- of ontwikkelingsproblemen. Veel gesloten jeugdhulpinstellingen waren voorheen jeugdgevangenissen. 

De gesloten jeugdhulp kent wel een duidelijke leeftijdsgrens: bij 18 jaar houdt het op. Alleen in uitzonderingsgevallen kan deze doorlopen tot 23 jaar. 

De Raad voor de Kinderbescherming doet voorafgaand aan een jeugdbeschermingsmaatregel onderzoek en adviseert de kinderrechter. De gecertificeerde instellingen voeren de maatregelen uit die de kinderrechter oplegt en stellen voorafgaand aan verlenging van de maatregel rapporten op. 

De meest gebruikte jeugdbeschermingsmaatregel is de ondertoezichtstelling. Staat een kind onder toezicht, dan blijven ouders doorgaans juridisch verantwoordelijk voor hun kinderen, maar moeten zij accepteren dat de staat gedeeltelijk de zeggenschap over hun kind overneemt. De kinderrechter kan voor maximaal een jaar een ots opleggen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling of veiligheid wordt bedreigd en ouders de hulp niet accepteren om die ontwikkelingsbedreiging weg te nemen. Tot het kind 18  jaar is kan een ondertoezichtstelling telkens met een jaar verlengd worden.

Bij een voorlopige ondertoezichtstelling (vots) is de situatie zo acuut, dat men onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming niet wil afwachten. Een vots is dus een spoedmaatregel, die hooguit drie maanden duurt.

Een uithuisplaatsing is altijd onderdeel van een ondertoezichtstelling. Alleen de kinderrechter kan jeugdbeschermingsmaatregelen uitspreken, en als onderdeel daarvan een machtiging uithuisplaatsing of gesloten plaatsing afgeven. 

Uit Beijerse noemt ze in dit interview gezinsvoogden, omdat de functie voor 2015 ook zo heette, maar die term bezigen de gecertificeerde instellingen inmiddels niet meer. Zij spreken liever van jeugdbeschermers als zij het hebben over hun medewerkers die een ondertoezichtstelling of voogdijmaatregel uitvoeren. 

Lees verder Inklappen

Sterker nog: vanaf 2001 belandden jongeren in een crisissituatie daadwerkelijk in justitiële jeugdinrichtingen. ‘Omdat er alsmaar geen passende hulp voorhanden was, zijn zeer kwetsbare jongeren, slachtoffers van gedwongen prostitutie, geweld of seksueel misbruik in justitiële jeugdinrichtingen geplaatst.’  

In het crisisconvenant dat dit in 2001 mogelijk maakte stond dat deze kinderen maximaal zes weken op zo’n opvanglocatie in een justitiële jeugdinrichting mochten zitten. Maar de gemiddelde verblijfsduur was in 2004 al zo’n vierenhalve maand, stelde de Nationale Ombudsman vast. ‘In datzelfde jaar wees onderzoek van onder anderen Leonieke Boendemaker uit dat 80 procent van de jongeren in een jeugdgevangenis passende hulp in de thuissituatie nodig had, in plaats van een gesloten plaatsing. Ze zaten daar dus ten onrechte.’

Opnieuw trokken kinderrechters aan de noodrem: er moest een ‘Marshallplan’ voor de jeugdzorg komen. De werkgroep ‘Optimalisering zorgaanbod voor jeugdigen met ernstige gedragsproblemen’, stelde een plan op om de 1300 jongeren die ten onrechte gesloten geplaatst waren van passende hulp te voorzien. Maar met deze aanbevelingen gebeurde iets geks. ‘Op de laatste pagina stond de opmerking dat het in de hulpverleningsketen ontbrak aan gesloten crisisopvang en gesloten behandelplaatsen voor civielrechtelijk geplaatste probleemjongeren,’ zegt Uit Beijerse. ‘Dat was niet eens een conclusie, meer een constatering. Maar op een of andere manier is deze opmerking een eigen leven gaan leiden.’

De politiek besloot ‘Jeugdzorg Plus’-plekken in het leven te roepen. Waar die moesten komen, lag voor de hand: in de bestaande justitiële jeugdinrichtingen. Onbegrijpelijk, vindt Uit Beijerse. ‘Het bewijs lag er dat dit niet in het belang van deze kinderen was: ze hoorden niet gesloten te zitten. Een plan voor meer passende zorg lag klaar. Maar een jaar later zaten die jongeren nog gesloten, in dezelfde jeugdinrichtingen, waar ze nog altijd niet de hulp kregen die ze nodig hadden. In de Kamerdebatten kan ik de inhoudelijke argumenten daarvoor niet vinden, en ik heb er lang naar gezocht.’ 

Wel deden de nieuwbakken JeugdzorgPlus-instellingen hun best om de cultuur om te bouwen, voegt ze toe. ‘Dat zegt al wat hè, dat ze die gevangeniscultuur wilden ombouwen: daarmee erkenden ze dat het gevangenissen wáren. Terwijl ook justitiële jeugdinrichtingen een opvoedingscultuur horen te hebben: zo was het 117 jaar geleden bedoeld.’ 

Eén voor het geheel

Zo kon het dus gebeuren dat een jongen als Jack na het uitzitten van zijn straf opnieuw drie maanden achter slot en grendel ging. ‘Hij had multisysteemtherapie nodig, weet ik nu, maar die was niet voorhanden. Net voor de rechter moest beslissen over verlenging van zijn gesloten plaatsing, kwam die hulp beschikbaar.’ 

‘In Spanje had Jack tenminste nog de kinderrechter kunnen aanspreken, want die komt daar regelmatig langs, net als hier vroeger,’ zegt Uit Beijerse. ‘Er moet weer iemand komen die zich verantwoordelijk voelt voor het geheel. Dat is nu niet zo. Vandaar dat ik weer terugkom bij de kinderrechter, die vanuit de verantwoordelijkheid voor ‘zijn’ pupil heel direct keek naar het kind: wordt dat goed geholpen? Dat zou voorop moeten staan.’

Met Jack heeft de hoogleraar sinds kort weer contact. Hij denkt erover alsnog zijn havo-diploma te halen en komt dit najaar een college van Uit Beijerse volgen op de universiteit, vertelt ze. ‘Op jongeren als Jack wil ik mijn onderzoek blijven richten. Zij geven me inzicht in de werking van het jeugdrechtsysteem en waar het fout gaat.’

In haar onderzoek wil ze deze inzichten samenbrengen met die uit de enorme berg aan rapporten en onderzoeken. ‘Dat er niets gebeurt, frustreert me. Er zijn zoveel plannen en toekomstscenario’s, maar die zullen geen zoden aan de dijk zetten zolang er niet radicaal wordt ingezet op meer passende hulp. Het besef dat we jongeren ten onrechte opsluiten, dringt maar niet door. Ik hoop daar verandering in te brengen.’

prof.mr. Jolande uit Beijerse

Prof. mr. Jolande uit Beijerse werkt al ruim 35 jaar voor de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Ze is universitair hoofddocent straf- en strafprocesrecht en sinds februari 2021 ook hoogleraar justitiële jeugdinterventies.

Ze schreef onder andere het handboek Jeugdstrafrecht: Beginselen, wetgeving en praktijk en Opvoeding en bescherming achter tralies. Jeugdinrichtingen tussen juridische beginselen en pedagogische praktijk

Vanaf 2002 werkt Uit Beijerse als rechter-plaatsvervanger voor het team Jeugd van de Rotterdamse rechtbank.

Van 2009 tot juni 2020 was ze lid van de Commissie van Toezicht van justitiële jeugdinrichting De Hartelborgt in Spijkenisse.

Lees verder Inklappen