Paneel van de koninklijke Gouden Koets. Het goud ervan komt uit Suriname

Paneel van de koninklijke Gouden Koets. Het goud ervan komt uit Suriname © Peter Hilz / ANP

Niet alleen het kabinet, ook de koning moet excuses aanbieden voor het Nederlandse slavernijverleden

Op 19 december bood de regering haar excuses aan voor het slavernijverleden, waaraan Nederland een groot deel van zijn historische welvarendheid heeft te danken. Roel Janssen beschrijft de rol die Nederlandse instanties en hun innovatieve financiële constructies speelden bij deze handel in mensen. Op grond daarvan meent hij dat ook de koning zelf zijn excuses moet aanbieden.

Premier Rutte heeft namens de regering (het kabinet en de koning) excuses aangeboden voor het slavernijverleden, waaraan Nederland een groot deel van zijn historische welvarendheid heeft te danken. 

Nederlandse instanties en financiële constructies van bankiers hebben een grote rol gespeeld in bijna vier eeuwen handel in mensen. Op grond daarvan zou ook de koning op 1 juli 2023 bij de viering van Keti Koti zijn excuses moeten aanbieden voor de historische betrokkenheid van het Koninkrijk der Nederlanden bij slavernij en kolonialisme.

Want die rol is extreem groot geweest. 

In de negentiende eeuw behoorde Nederland tot de laatste landen die slavernij afschaften, waarbij de plantagehouders compensatie ontvingen en de slaafgemaakten gedwongen werden nog tien jaar gratis voor hun baas te werken.

Bankier Willem Deutz bracht in 1753 een verhandelbare lening op de markt – met slavernijplantages als onderpand

De enorme expansie van de slavernij-economie in de tweede helft van de achttiende eeuw werd aangejaagd door de overvloedige beschikbaarheid van kredieten verstrekt door Amsterdamse banken. Voor de planters leken er gouden tijden te zijn aangebroken in de kolonies aan de ‘wilde kust’ van Zuid-Amerika en in de Cariben.

De illusie van voorspoed bereikte een hoogtepunt in de jaren 1769-1772 en was een rechtstreeks gevolg van een revolutionaire financiële innovatie in 1753. 

In dat jaar bracht de Amsterdamse bankier Willem Gideon Deutz een verhandelbare lening met de slavernijplantages als onderpand op de markt. Deze zogenoemde negotiatie was een spectaculair succes. Holland bulkte van geld op zoek naar winstgevende beleggingen.

Andere bankiers haastten zich om Deutz’ voorbeeld te volgen. De ‘bubbel’ in West-Indische kredieten in de tweede helft van de achttiende eeuw leidde in Suriname, de naburige kolonies Berbice, Demerara en Essequibo en op de Caribische eilanden tot de hoogtijdagen van de plantages voor suiker en koffie. Plantagehouders leefden in luxe en de handel in slaafgemaakten bereikte zijn grootste omvang.

Op zoek naar financiering

Halverwege de achttiende eeuw groeide in Suriname de behoefte aan langlopende kredieten. De koffiecultuur was in opkomst en de uitbreiding van de plantages, de aanleg van afwateringskanalen en de aanschaf van slaafgemaakte arbeidskrachten vergden aanzienlijke investeringen. Maar veel plantages gingen gebukt onder hoge rentelasten, de betalingsachterstanden liepen op en de Hollandse schuldeisers wilden geld zien.

De gouverneur van Suriname, Jan Jacob Mauricius, pleitte tijdens een verblijf in Nederland voor een nieuwe manier om kredieten te verstrekken. Willem Deutz pakte dat voortvarend aan. In het prospectus van de eerste negotiatie stond dat die bestemd was voor het ‘herstel van geknackt credit om de planters in de colonie van Suriname te redden, van haare zwaare interessen [rentebetalingen, red.] te ontheffen en in den tijd van 20 jaaren volkomen weder in staat te konnen zijn haare plantagien in vrijheid te bezitten’.

Koopman-bankier (merchant banker in het Engels) Willem Deutz (1697-1757) behoorde tot een Amsterdamse regentenfamilie. Hij was voor de vijfde keer benoemd tot burgemeester, had belangen in Suriname en bewoonde een kapitaal pand, Herengracht 605, dat ook als kantoor fungeerde. (Tegenwoordig is hier het museum Willet-Holthuysen met stijlkamers uit de negentiende eeuw gevestigd.)

Handelsbank Deutz & Zonen bestond al meer dan honderd jaar. De firma had omvangrijke leningen verstrekt aan het Habsburgse keizerrijk en bezat monopolies op de kwikzilvermijnen in Slovenië en de kopermijnen in Hongarije.

Toen Deutz in 1757 ongetrouwd en kinderloos overleed, werd zijn bank overgenomen door een andere gerenommeerde Amsterdamse handelsbank, Clifford & Co. Tot zijn nalatenschap behoorde een pakket negotiaties ter waarde van 4,6 miljoen gulden aan 89 plantagehouders. Deze negotiaties verkeerden in een ‘gebrouilleerde staat’, want er was een achterstand op de rentebetalingen door planters van 900 duizend gulden. Uit eigen middelen had Deutz de rente uitgekeerd aan beleggers, om te voorkomen dat de koers van de negotiaties zou kelderen.

De negotiatie die Deutz in 1753 op de markt bracht, bestond uit hypothecaire leningen aan de eigenaren van vijf plantages langs de Surinamerivier, de Parakreek en de Saramacca: Osembo, Overbrugge, Concordia, Pietersburg en Vlijt en Hoop. Beleggers reageerden enthousiast: Deutz bood een negotiatie aan van een miljoen gulden, er werd voor 3,75 miljoen ingeschreven. De stad Amsterdam, voor eenderde eigenaar van de Sociëteit van Suriname (die de kolonie beheerde), nam deel voor 30 duizend gulden.

Naderhand schreef gouverneur Mauricius: ‘Ik ben ’t geweest, die ’t Crediet hersteld heb door ’t Project het welke de Heer Burgemeester Deutz heeft tot uitvoering gebragt en zonder ’t welke veel eerlijke Lieden hun Plantagien zouden hebben zien inslokken [opgeëist door schuldeisers, red.] waar op ’t gemunt was.’

Mensen als onderpand

De ‘negotiatie’ (het woord is afgeleid van negotie, ‘handel’) was een nieuw financieel product. Het bestond uit hypothecaire leningen aan plantagehouders, gebundeld in obligaties. Als onderpand voor de leningen fungeerden de plantages: de grond, de gewassen, de gebouwen en de werktuigen. Slaafgemaakten werden niet beschouwd als mensen maar als werktuigen. Ze vormden de belangrijkste productiefactor en vertegenwoordigden ongeveer een derde van de waarde van een plantage. Aangezien ze tot het onderpand behoorden, stelden ze met hun leven de plantagehouders in staat nieuwe slaven aan te schaffen.

Tot zijn dood was Deutz de grootste importeur van West-Indische suiker en koffie in Amsterdam

Deutz verkocht de negotiaties, verpakt als obligaties van nominaal duizend gulden, door aan investeerders. De rente van 5 à 6 procent was het dubbele van de rente van 2 à 2,5 procent op staatsleningen, de looptijd bedroeg twintig jaar – waarvan tien jaar aflossingsvrij. Taxateurs, zogenoemde priseurs, beoordeelden ter plaatse de waarde van het onderpand en de lening mocht maximaal 5/8 van die waarde bedragen. Dat schiep een buffer voor het geval een plantage vanwege wanbetaling in gebreke zou blijven en verkocht moest worden om de schuld af te lossen.

Aan de negotiatie waren voorwaarden verbonden die dienden tot ‘meerder securiteit van de geldopschieters’, de crediteuren. Deutz ontving als directeur van het negotiatiefonds een percentage (5 procent) van de hoofdsom. De plantagehouders waren verplicht hun tropische gewassen – suiker, koffie, later ook katoen en tabak – te consigneren aan Deutz, die ze tegen een commissie (2 procent) doorverkocht. Tot zijn dood was Deutz de grootste importeur van West-Indische suiker en koffie in Amsterdam.

Ook de aanschaf van goederen ten  behoeve van de plantage, de aankoop van slaven, de verzekeringen van de producten en het scheepstransport waren aan zijn bank voorbehouden. De aan- en verkopen werden afgerekend met wissels: betalingsbeloftes. In de kolonies circuleerde nauwelijks muntgeld. De schaarste aan contant geld werd opgevangen met kartonnen munten, zogenoemd ‘kaartgeld’ dat het koloniale bestuur en ook particulieren in omloop brachten.

De negotiaties fungeerden in feite als een krediet dat plantagehouders aanhielden bij een handelsbank in Amsterdam. Daar zorgde het geld dat met de slavenarbeid op de plantages werd verdiend voor grote weelde.

Zo’n negentig handelsbanken wierpen zich in de volgende decennia op de uitgifte van negotiaties. Hoofdzakelijk in Amsterdam, maar ook in Rotterdam, waar slavenrederij Van Coopstad en Rochussen twee grote plantagefondsen opzette met steun van de stad Rotterdam. Over Rochussen werd gezegd dat ‘zijn schepen krielden van zijn noeste slavenhandel’.

In Middelburg was de Middelburgsche Commercie Compagnie, opgericht in het jaar van de windhandel 1720, toen talloze initiatieven gefinancierd met de uitgifte van aandelen werden opgezet, uitgegroeid tot de grootste slavenhandelaar van de Republiek. De onstilbare vraag naar slavenarbeid was een constante factor in de plantage-economieën.

De West-Indische Compagnie

Hoewel Zeeuwse en Hollandse schepen al aan eind van de zestiende eeuw slaafgemaakten uit Afrika transporteerden, kreeg de Republiek voor het eerst grootschalig met slavernij te maken in de zeventiende eeuw, na de verovering van delen van de Portugese kolonie Brazilië.

Van 1630 tot 1654 bezette de West-Indische Compagnie (WIC) een gebied in het noordoosten van Brazilië waar slavernij de basis van de koloniale samenleving vormde. De Portugezen hadden hier een eeuw eerder de suikerrietcultuur geïntroduceerd en de suikerplantages draaiden op slavenarbeid. Brazilië was suiker en slavernij.

Tussen 1753 en 1794 investeerden beleggers ten minste 63 en mogelijk 100 miljoen gulden in plantageleningen

Vanuit Recife, de hoofdstad van Nederlands-Brazilië, veroverde de WIC de steunpunten Elmina, Luanda en São Tomé in Afrika voor de slavenhandel. Na een serie nederlagen van de Nederlanders tegen de opstandige troepen van Portugezen en ‘inheemsen’ gaf de WIC de Braziliaanse kolonie op.

Veel plantagehouders, onder wie Portugese joden, vertrokken uit Brazilië naar de Nederlandse kolonie Suriname en de Caribische eilanden, waar ze de suikerrietcultuur introduceerden en daarmee ook slavernij als onmisbare bron van arbeid op de plantages.

In 1773 schreef een tijdgenoot: ‘Dit zo een heilzaam werk, dit zo een prijzenswaardig doelwit, was naauwelijks in de coloniën overgevoerd, of men zag de vreugd op alle der planteren weezen, en men zag de zorg voor hen wegvlieden als de wolken der duisternisse voor de verligtende straalen der zonne, een yder zag zijn geluk als herboren, en de gouden eeuw scheen voor de deur, en alles naar wensch.’

Op slavernij gebaseerde activiteiten leverden ongeveer 5 procent van het bruto binnenlandse product van de Republiek

Het hoogtepunt van de negotiatie-boom was 1769-1771. Voor koffie werden recordprijzen betaald en er werd in een jaar 11 miljoen gulden in nieuwe plantageleningen geïnvesteerd. Op slavernij gebaseerde activiteiten leverden ongeveer 5 procent van het bruto binnenlandse product van de Republiek, 10 procent van het gewest Holland en 30 procent van de stad Amsterdam op.

Na de boom kwam de bust

Enkele jaren later bracht de Amsterdamse effectenmakelaar Abraham van Ketwich een fonds op de markt waarin verschillende negotiaties gebundeld waren. Eendragt maakt Magt, dat Van Ketwich in 1774 oprichtte, was het eerste beleggingsfonds ter wereld. In 1779 volgde zijn tweede fonds, Concordia res parvae crescunt (‘Kleine zaken groeien door eendracht’). Ook deze financiële innovatie kreeg brede navolging: tegen het einde van de achttiende eeuw bestonden er in Nederland ruim tweehonderd beleggingsfondsen.

De gouverneur van Suriname, Jan Nepveu, maakte zich toenemende zorgen over de ongebreidelde stroom van kredieten naar de koloniën. Er was sprake van een speculatieve bubbel, waarschuwde hij, waarbij de prijzen voor plantages in een half jaar tijd met wel honderdduizend gulden waren gestegen. Speculanten in Nederland kochten plantages met geleend geld, zonder dat ze beschikten over de kennis die nodig was om plantages te exploiteren.

Als in een klassieke cyclus kwam na de boom de bust. In 1772-1773 werd nog voor twee miljoen aan negotiaties verstrekt, maar het economische tij keerde en de leningen droogden op. Plantagehouders gingen gebukt onder hun schuldenlast, betalingsachterstanden namen toe, de productie van suiker en koffie nam af en het aantal slaafgemaakten werd gedwongen teruggebracht. 

De oorzaken waren velerlei. In Suriname waren de plantagehouders verwikkeld in een opleving van de guerrilla’s van de marrons, slaafgemaakten die naar het binnenland waren gevlucht. In Europa zetten de suiker- en koffieprijzen een langdurige daling in, waardoor de planters er niet in slaagden de rente en aflossingen aan hun crediteuren te betalen. De bankiers telden de achterstallige rente op bij de uitstaande schuld, accepteerden niet langer de wissels van plantagehouders en schortten de rentebetalingen aan beleggers op. Die zagen zich geconfronteerd met grote verliezen, want de koersen van de negotiaties waren in 1780 gedaald tot nog maar 30 procent van de nominale waarde.

Bovendien bleken de priseurs de hand te lichten met de waarderingen van de plantages die als onderpand dienden. Ze gaven geflatteerde waardes op, waardoor ze een hogere commissie opstreken. Het onderpand voor de negotiaties stond hierdoor in geen verhouding tot de werkelijke waarde van de plantages. Banken in Nederland zetten de plantage-eigenaren aan de kant en benoemden in Suriname zaakwaarnemers. Een aantal handelshuizen ging failliet omdat ze zich vertild hadden aan de plantageleningen, onder meer de slavenrederij Van Coopstad en Rochussen in Rotterdam.

‘Schoenlappers, leeglopers en slagers’

Daar kwam bij dat gedurende de boom nieuwe aanbieders van negotiaties op de markt waren gekomen, parvenu’s met een dubieuze reputatie die snelle winsten dachten te behalen. Zij verstrekten negotiaties waarvan ze de obligaties niet aan beleggers hadden kunnen slijten. Er werd schande van gesproken, omdat mensen ‘van de lagere klasse, ambachtslieden zich opwierpen als planters’ en negotiaties werden verkocht aan ‘schoenlappers, leeglopers en slagers’. 

De structurele oorzaak was de enorme verschulding. De plantagehouders gingen gebukt onder schulden die ze niet konden aflossen. Ze wentelden hun financiële problemen af op hun slaafgemaakten, door de uitgaven voor hun levensonderhoud af te knijpen. Een administrateur in Suriname schreef dat slaven ‘nauwelijks zoo veel [kleding] hebben om hun schaamte te dekken’. 

Aan de bubbel in West-Indische beleggingen kwam een abrupt einde nadat in de zomer van 1772 in Engeland en Schotland een bankencrisis was uitgebroken door speculaties met aandelen van de East India Company en Britse West-Indische plantageleningen. Vooraanstaande Amsterdamse banken als Hope & Co, Clifford & Co en Pels & Zonen waren hierbij betrokken: ze hadden kredieten verstrekt aan Nederlandse speculanten in de Britse plantage-aandelen.

Na de afschaffing van de slaverij ontvingen de erven-aandeelhouders in het Fonds W.G. Deutz 230.100 gulden voor de vrijlating van 767 slaven

Toen de paniek van Londen oversloeg naar Amsterdam, gingen Clifford en Pels in 1773 ten onder. Hope nam de twee concurrenten over en groeide in korte tijd uit tot de machtigste bank ter wereld, met omvangrijke belangen in slavernijfinanciering. Tegenwoordig is Hope & Co onderdeel van ABN Amro.

Na 1785 herstelden de marktprijzen voor koffie en suiker zich, maar de naweeën van de crisis in de plantageleningen bleven tot ver in de negentiende eeuw doorwerken. Beleggingen in plantageleningen bleven vaak generaties lang in het bezit van families. Toen in 1863 de slavernij in de Nederlandse koloniën eindelijk werd afgeschaft – in Engeland gebeurde dat in 1833, in Frankrijk in 1845; alleen notoire slavernijlanden Cuba (1886) en Brazilië (1888) waren nog later – ontvingen de erven-aandeelhouders in het Fonds W.G. Deutz een vergoeding van 230.100 gulden voor de vrijlating van 767 slaven op vier plantages waaraan Deutz honderdtien jaar eerder negotiaties had verstrekt.

‘Betekenisvol moment’

De negotiaties die Willem Gideon Deutz in 1753 introduceerde, zijn voorlopers van hedendaagse financiële constructies. Verhandelbare leningen met hypotheken als onderpand worden tegenwoordig mortgage backed securities genoemd. Ze lagen aan de basis van de kredietcrisis van 2008-2009, toen de Amerikaanse hypotheekmarkt instortte en banken wereldwijd onderuit gingen.

Securitisatie betekent de omzetting van leningen in verhandelbare producten, zodat ze verkocht kunnen worden aan investeerders. In de achttiende eeuw waren dat plantagehypotheken, tijdens de financiële crisis van 2008 huizenhypotheken. 

Kredietbeoordelaars (credit rating institutions) speelden een sleutelrol in het ontstaan van de kredietcrisis. Uit eigenbelang hadden ze de waarde van de hypotheken (Triple AAA, Alt A, Subprime) rooskleurig ingeschat, net zoals de priseurs in de achttiende eeuw de waarde van de koloniale plantages hoger opgaven dan gerechtvaardigd was.

De Republiek was de aanjager van de boom in slavernij-economieën langs de noordkust van Zuid-Amerika en in de Cariben – en bijgevolg van de trans-Atlantische slavenhandel

Aangewakkerd door het succes van de negotiaties was na verloop van tijd sprake van een steeds hogere leverage (hefboomwerking), door met geleend geld weer nieuwe fondsen op te zetten. Dat vergrootte de winstmogelijkheden, maar ook de risico’s. Precies wat de banken in de financiële crisis van 2008-2209 ondervonden, waarna ze door overheden gered moesten worden, zoals in Nederland ABN Amro, de ING en de SNS.

Het beleggingsfonds dat Van Ketwich in 1774 opzette met een bundeling van negotiaties, is te vergelijken met collateralized debt obligations, gebundelde schulden die doorverkocht kunnen worden aan investeerders. Ook die speelden een rol in het ontstaan van de financiële crisis van 2008-2009.

In de tweede helft van de achttiende eeuw waren dit revolutionaire financiële vernieuwingen. Daardoor was de Republiek de aanjager van de grootste boom in slavernij-economieën langs de noordkust van Zuid-Amerika en in de Cariben – en bijgevolg ook van de trans-Atlantische slavenhandel.

Die historische verantwoordelijkheid wordt niet weggepoetst door een handvol ministers in de voormalige koloniën en de rest van het kabinet in Nederland bij wijze van ‘betekenisvol moment’ een soort van sorry voor vier eeuwen slavernijsysteem te laten prevelen.

In het Nederlandse staatsrecht kan maar één persoon namens het Koninkrijk der Nederlanden excuses aanbieden: het staatshoofd. 

Literatuur
  • Brandon, Pepijn ea: De slavernij in oost en west. Het Amsterdam onderzoek (2020)
  • Fabius, G.J.: Het bankwezen in Nederlandsch West Indië (1917)
  • Fatah-Black, Karwan ea: Dienstbaar aan de keten? De Nederlandsche Bank en de laatste decennia van de slavernij, 1814-1863 (2022)
  • Goslinga, Cornelis: The Dutch in the Caribbean and in the Guianas 1680-1791 (1985)
  • Janssen, Roel: Gokkers en graaiers, Financiële schandalen van de VOC tot de Zuidas (2022)
  • Odegard, Erik: Graaf en Gouverneur. Nederlands-Brazilië onder het bewind van Johan Maurits van Nassau-Siegen, 1636-1644 (2022)
  • Voort, J.P. van de: De Westindische plantages van 1720 tot 1795. Financiën en handel (1973)
Lees verder Inklappen