Uitverkoop in de Amsterdamse Kalverstraat. De steeds lagere prijzen die modemerken – en consumenten – bereid zijn te betalen, zorgen direct voor hongerloontjes, gedwongen overuren, en extreme druk op de vrouwen in textielfabrieken.
© ANP/HH/Paul van Riel

Dat keurmerk van je shirt? Fijn voor de modewinkel, maar de textielarbeider heeft er niets aan

Nederlandse modemerken als Scotch & Soda, G-Star, en Van Gils en grote kledingketens als De Bijenkorf, Hema en C&A gebruiken ‘ethische keurmerken’ om aan te tonen dat hun kleren onder fatsoenlijke omstandigheden in elkaar zijn gezet: níet door kinderen, bijvoorbeeld. Met die keurmerken is van alles mis. Vooral doordat de inspectie- en certificeringsindustrie wordt gedreven door winstbejag. Voor de veelal jonge vrouwen die werken in een textielfabriek ‘is het wachten op ongelukken’.

Dit stuk in 1 minuut
  • In de afgelopen twintig jaar zijn onder het motto ‘maatschappelijk verantwoord ondernemen’ sociale keurmerken in zwang gekomen. Modemerken vragen hun textielleveranciers om zo’n keurmerk of certificaat – een voorwaarde voor bestellingen – en gebruiken dat om consumenten gerust te stellen: uw kleding is onder ethisch verantwoorde omstandigheden gemaakt; in een veilige fabriek, door volwassen textielarbeiders met een net salaris.

  • De architecten en eigenaars van de keurmerken zijn maatschappelijke organisaties en organisaties in de kledingbranche. Zij zien erop toe dat de inspecteurs – social auditors in dienst bij commerciële bedrijven als het Duitse TÜV Rheinland, het Italiaanse RINA of het Engelse Intertek – op verantwoorde wijze hun werk doen. 

  • Het is die commerciële architectuur van het keurmerksysteem waar het misgaat. Voor de social auditors is het moeilijk om misstanden te rapporteren. Het commerciële belang van hun werkgever – de klant (de kledingfabriek) tevreden houden met een ‘schoon rapport’ – botst met het belang van de arbeiders: strenge controles die kostbare investeringen en verbeteringen eisen. Bovendien zijn de auditors gebonden aan een geheimhoudingsplicht. Zelfs als ze direct brandgevaar signaleren, mogen ze arbeiders of lokale instanties hier niet voor waarschuwen.  

  • Het is aan de uitgevers/eigenaars van de keurmerken – bijvoorbeeld de mensenrechtenorganisatie Social Accountability International van het ook door Nederlandse modemerken veelgebruikte SA8000-certificaat  – om roekeloze firma’s te schorsen, maar dit doen ze niet. Zelfs wanneer misstanden aan het licht komen, en auditbedrijven aantoonbaar slecht werk hebben geleverd, weigeren ze de banden te verbreken.

  • Veel social auditors zien hun inspecties als een circus en worden door hun managers onder druk gezet om ‘schone’ rapporten te leveren. Ze geven toe dat hun rapporten de fabrieken vaak veel veiliger en ‘ethischer’ voorstellen dan ze zijn. Van alle inspecteurs durfde er maar één zijn verhaal on the record te vertellen: klokkenluider Kishore Sharfudeen in Tamil Nadu, India. De tientallen e-mails, documenten en inspectierapporten die hij deelde, schetsen een onthutsend beeld van een industrie waar het om de winst gaat – niet om het welzijn van de textielarbeider.

Lees verder

Toen Kishore Sharfudeen – een vader van middelbare leeftijd met een zachte stem – in 2001 in dienst trad als personeelschef bij de fabriek van SNS International Socks in Coimbatore in de Indiase deelstaat Tamil Nadu, ging er een wereld voor hem open. Na acht jaar in de advocatuur was hij zijn vertrouwen in de rechtspraak kwijt, maar zijn nieuwe werkgever bood een verfrissend ongecompliceerde business: het leveren van gebreide sokken aan Europese textielmerken als Primark en H&M.

Als chef-personeel was hij verantwoordelijk voor het welzijn van de ruim driehonderd fabrieksarbeiders – vooral jonge vrouwen van het platteland in Tamil Nadu. Hij zag erop toe dat hun werkplekken, en de hostels waarin ze verbleven, aan de Indiase veiligheids- en gezondheidsnormen voldeden. ‘Ik heb daar zoveel opgestoken,’ zegt Kishore, terugblikkend op de ruim vijf jaar dat hij bij de sokkenfabriek werkte: ‘Het was een kostbare ervaring.’

Voor een industrie die al decennia symbool staat voor sweatshops en uitbuiting is dergelijke lof zeldzaam. Volgens Kishore was de fabriek dan ook een uitzondering in de textielindustrie. De salarissen lagen er weliswaar laag – werknemers kregen een minimumloon van ongeveer 40 dollar per maand – maar hij stond er persoonlijk voor in dat de fabriek en de hostels in tiptop conditie verkeerden en dat de werknemers genoeg vrije tijd hadden om te relaxen. 

Kishore betrad de wereld van fast fashion in een periode van transformatie. Het nieuwe millennium luidde een tijdperk in van ‘maatschappelijk verantwoord ondernemen’ en westerse modemerken als Gap en Nike – en Nederlandse kledingverkopers als C&A, de Bijenkorf, Hema en G-Star – beloofden er beter op toe te zien dat hun leveranciers internationale arbeidsrechtnormen zouden respecteren, ongelukken zouden voorkomen, geen minderjarigen te werk zouden stellen en hun personeel fatsoenlijk zouden betalen en behandelen. In deze beloftevolle periode werd de sociale audit – ook wel bekend als ethische audit – geboren en kwamen er 'sociale auditors': inspecteurs die fabrieken en naaiateliers controleren op veilige en gezonde werkomstandigheden en nette salariëring. Voor dit artikel zijn gesprekken gevoerd met achttien van deze auditors, voornamelijk in India omdat de auditindustrie hier het meest ingeburgerd is geraakt.

Concurrentievoordeel op rivalen zonder certificaat

De sociale audit is gemodelleerd naar de financiële, die bedrijven doorlicht op boekhoudkundige criteria. De sociale variant zou een soortgelijk instrument bieden, maar dan om onethische arbeidspraktijken op te sporen en tegen te gaan. De sociale audit – een uitvinding van mensenrechtenorganisaties en organisaties in de kledinghandel – zou op twee cruciale manieren verschillen van de hedendaagse financiële audit: de ethische toets zou vrijwillig zijn én door marktwerking worden gedreven. De sociale auditors kwamen in dienst van – losjes gereguleerde – inspectiefirma’s, die met elkaar concurreren voor opdrachten van textielfabrikanten. Die laatsten – en hun managers als Kishore – konden hun fabrieken voortaan op ethische standaarden laten inspecteren en certificeren. En daarmee zouden ze een concurrentievoordeel krijgen op rivalen zonder ethisch certificaat. 


Carolijn Terwindt, jurist

"Financiële audits zijn beter gereguleerd, terwijl sociale audits over mensenlevens gaan"

Volgen Carolijn Terwindt, juridische expert op het gebied van bedrijfsverantwoordelijkheid, ondermijnt precies dit winstoogmerk het doel van de inspecties. Wat gek is, zegt ze: ‘Financiële audits zijn beter gereguleerd, terwijl die slechts met monetaire risico’s van doen hebben en sociale audits over mensenlevens gaan.’

Van het handjevol auditprotocollen dat in de kledingsector wordt gebruikt, staat de SA8000-standaard – in 1997 ontwikkeld door de New Yorkse mensenrechtenorganisatie Social Accountability International (SAI) – te boek als de strengste. Om een SA8000-certificaat te scoren en te behouden, moeten fabriekseigenaren onder meer binnen twee jaar aantonen dat ze al hun personeel een ‘leefbaar loon’ betalen – in India, bijvoorbeeld, zou dat volgens vakbonden zo’n 390 dollar per maand moeten zijn. Andere auditprotocollen dan het SA8000 nemen genoegen met een minimumloon. In sommige Indiase deelstaten is dat nog geen 70 dollar per maand. 

‘Een SA8000-certificaat was als een veer in je pet,’ zegt Kishore, en haast een garantie voor nieuwe business. Sterker, na 2000 werd het voor fabrikanten zonder ‘ethisch certificaat’ praktisch onmogelijk om bestellingen van grote modemerken binnen te halen. Echt ‘vrijwillig’ waren de audits dus niet.

De sociale-auditindustrie blijkt niet meer dan dat: een industrie waarin de winstprikkel het wint van het welzijn van arbeiders

Sinds twee decennia zijn ethische keurmerken als SA8000 een essentieel onderdeel van zakendoen in de wereldwijde kledingindustrie. Maar uit tientallen interviews met auditors, consultants, fabrieksmanagers en kledingarbeiders in India, blijkt dat de sociale-auditindustrie zelf niet meer is dan dat: een industrie, waarin de winstprikkel het constant wint van het welzijn van de arbeiders. 

De architectuur van het systeem zit vol weeffouten, zo is het voor auditors die toezien op veilige werkomstandigheden soms moeilijk om misstanden te rapporteren omdat ze zijn gebonden aan een geheimhoudingsplicht. 

En het belang van de werknemers – strenge controles die kostbare investeringen en verbeteringen eisen – botst met het commerciële belang van de auditbedrijven: de fabriekseigenaar (hun klant) tevreden zien te houden. Bovendien hebben de textielarbeiders zelf niet eens het recht om de inspectierapporten in te zien en te controleren wat voor veiligheidsrisico’s de auditors in hun werkplaats aantroffen. Of over het hoofd zagen. Het gevolg is dat de auditors voortdurend overtredingen ‘missen’ en misleidend positieve inspectierapporten produceren. En ook: dat onnodige fabrieksongevallen nog altijd aan de orde van de dag zijn.

Ook populaire Nederlandse kledingmerken en warenhuizen gebruiken de keurmerken voor het selecteren van hun leveranciers. Hunkemöller, Hema, Wehkamp, Wibra en De Sting geven de voorkeur aan het ‘amfori BSCI’ – Business Social Compliance Initiative – een keurmerk dat bekend staat als lakser dan het SA8000-certificaat.

Het mannenmodemerk Van Gils – dat vanuit Breda inkoopt van ongeveer veertig leveranciers in China, Thailand, Italië, Portugal, Turkije, Bulgarije en Roemenië – claimt alleen te werken met leveranciers met een SA8000-certificaat of met een goedkeuring van het BSCI. Ook op de website van Denham the Jeanmaker staat – als teken van toewijding – bij elke leverancier keurig vermeld welke keurmerken ze hebben: SA8000, BSCI, SEDEX. 

Misstanden van loonroof tot slavernij

De in Amsterdam gevestigde modeketen Scotch & Soda erkent dat de SA8000-procedures veeleisender zijn en verder reiken dan die van de BSCI, maar maakt niettemin meer gebruik van de laatste. 90 procent van de kleding van Scotch & Soda wordt gemaakt in fabrieken met een BSCI-score ‘acceptabel’ of hoger. Slechts negen fabrieken beschikken over het SA8000-keurmerk: vijf in India, waarvan drie in een textieldistrict vlakbij Kishores standplaats in Coimbatore. Daar, in het zuidelijk gelegen Tirupur, troffen onderzoekers de afgelopen tien jaar serieuze misstanden, van overmatig en onbetaald overwerk en loonroof tot moderne slavernij. Alleen al in de afgelopen maand bevrijdde de politie van Tirupur ruim 170 minderjarigen uit een spinnerij – merendeels meisjes tussen de veertien en achttien jaar – waar ze, volgens de politie ‘illegaal opgesloten’ zaten. De lokale kinderbescherming vermoedt dat ze dwangarbeid verrichtten. 

‘Extreme uitbuiting zie je niet alleen in Azië maar in de hele kledingindustrie,’ zegt Christa de Bruin van Schone Kleren Campagne, een in Amsterdam gevestigde organisatie die opkomt voor werknemers in lagelonenlanden. ‘Hongerlonen, vakbondsonderdrukking, extreme werkdruk, en loonroof vind je ook dichter bij huis, in Turkije of Roemenië. Veel van de mensenrechtenschendingen in de fabrieken zijn terug te voeren op de inkooppraktijken van de modemerken, die lage prijzen en korte levertijden afdwingen, maar daar kijkt het sociale auditsysteem niet naar.’

De keurmerken bieden de modebranche een scherm om zich achter te verbergen en lastige vragen te ontwijken. Scotch & Soda, bijvoorbeeld, wil geen beschrijving geven van de arbeidsomstandigheden bij hun leveranciers in India en China, maar verwijst in plaats daarvan naar de SA8000- en BSCI-certificering van die leveranciers.

‘Voor kledingmerken zijn deze audits – en de keurmerken die ermee samenhangen – een gemakkelijke manier om te laten zien dat ze hun huiswerk gedaan hebben en dat hun fabrieken zijn gecheckt op mensenrechtenschendingen,’ zegt De Bruin. ‘Als er dan toch iets misgaat, dan kunnen ze zeggen dat de fabriek wel een ethische toets doorstond.’ 

In 2018 verdiende alleen al de Duitse gigant TÜV Rheinland meer dan 300 miljoen euro aan sociale audits

In twintig jaar is de sociale audit uitgegroeid tot een wereldwijde industrie, die wordt gedomineerd door een dozijn multinationals – waaronder het Franse Bureau Veritas, het Britse Intertek en het Duitse TÜV Rheinland – die elkaar beconcurreren om auditcontracten met duizenden textielleveranciers in Azië. In 2018 verdiende alleen al de certificeringsgigant TÜV Rheinland meer dan 300 miljoen euro aan sociale audits.

Om tot die lucratieve markt te worden toegelaten, moeten certificerings- en inspectiebedrijven eerst een vergunning aanvragen bij de architecten van elk keurmerk. Voor de SA8000 is bijvoorbeeld goedkeuring nodig van Social Accountability International (SAI) in New York. Daarna betalen ze jaarlijks een commissie van 3 procent over hun SA8000 audit-omzet, met een minimum van 5000 dollar. Als ‘eigenaar’ en supervisor van de SA8000-markt is het aan SAI om te kwaliteit en integriteit van de auditbedrijven te controleren, en ze te schorsen als ze roekeloos of anderszins ongeschikt blijken. 

Voor de textielfabrikanten is het certificeringsproces vaak zo overweldigend en ingewikkeld dat ze een externe consultant inhuren om hun onderneming voor te bereiden op het verkrijgen van een keurmerk. Die consultant helpt de fabriek op orde te brengen en een inspectiebedrijf te selecteren.

Kishore was een uitzondering: hij kon het af zonder een externe consultant. Toen hij in 2006 besloot voor zijn sokkenfabriek een SA8000-certificaat aan te vragen, ging hij rechtstreeks naar RINA, een groot Italiaans inspectie- en classificatiebureau dat toevallig vlak bij een kantoor had. Toen de auditors van RINA op een ochtend binnenkwamen voor een eerste inspectie waren die ‘zeer onder de indruk,’ herinnert Kishore zich met trots. ‘Ze zeiden dat alles er perfect uitzag.’ Ze waren zelfs zo onder de indruk dat Kishore een paar weken later een telefoontje kreeg uit Mumbai: K.T. Ramakrishnan, directeur van RINA’s divisies in India, Pakistan en Bangladesh, bood hem een baan aan als SA8000-auditor voor de Italiaanse firma. 

Ramakrishnan, die voor mechanisch ingenieur had gestudeerd maar na zijn studie de auditing business was ingerold, prees de functie aan als ‘gericht op sociale rechtvaardigheid en gelijkheid, aandacht voor de mensheid en gemotiveerd door groei’. Kishore hapte en nam het aanbod aan, maar niet met enige ‘sociale’ bedoelingen. ‘Ik heb mijn baan voor mijn salaris, voor mijn gezin.’ Het loon van 746 dollar per maand was bijna een derde meer dan dat wat de sokkenfabriek hem betaalde, dus de keuze was snel gemaakt.

Hij zou er snel spijt van krijgen.

Wachten op ongelukken

In zijn eerste maand als SA8000-auditor moest Kishore zijn collega-inspecteurs schaduwen, om zo de kneepjes van het vak leren. Hij had er zin in om te werken met personeelschefs – zoals hijzelf in zijn vorige rol – en ze te helpen verbeteringen door te voeren. Maar zijn enthousiasme ging in rook op toen hij doorkreeg dat RINA’s klanten – de fabrieken die hij moest inspecteren – in de verste verte niet leken op de nette sokkenfabriek van zijn vorige baas. Van geblokkeerde of vergrendelde nooduitgangen en kapotte brandveiligheidssystemen tot gevaarlijke naaimachines, in veel textielfabrieken was het ‘wachten op ongelukken’.

De job zelf was ook niet wat hij zich ervan had voorgesteld. De auditor is, volgens het SA8000-protocol, een factfinder die met een lange checklist in de hand bewijsmateriaal verzamelt. In de ochtend krijgt hij een rondleiding door de fabriek, na de lunch controleert hij de boekhouding, en aan het eind van de middag interviewt hij een groepje werknemers. 

Van vergadernotulen tot loonstroken, ze zogen het allemaal uit hun duim

In werkelijkheid, constateerde Kishore, was de auditor meer koopman dan factfinder. En wat hij verkocht, zo begon hij te begrijpen, was een certificeringservaring die positief en pijnloos was en, cruciaal, de klanten zo tevreden zou achterlaten dat ze bij hun volgende audits weer RINA zouden inhuren.

RINA – een laatkomer op de Zuid-Indiase certificeringsmarkt – was in die periode agressief nieuwe klanten aan het werven. Met succes. Onder leiding van Subburaja Ayyasamy, Kishores manager en een gewiekste salesman – groeide RINA’s kantoor in Tirupur van tien SA8000-klanten in 2006 naar ruim honderd in 2010.

Kishore: ‘Directeur Ramakrishnan prees ons vanuit Mumbai voor onze slimme marketing, maar de klanten kozen ons omdat we alle normen lieten varen.’ Slechts een fractie van de gezondheids- en veiligheidsovertredingen die hij tijdens audits met zijn ogen waarnam, belandde in de inspectierapporten die later naar SAI in New York werden gestuurd.

Het controleren van de administratie, na de lunch, bleek al net zo zenuwslopend als de rondleidingen in de ochtend. Al bladerend door loonstroken en andere documenten constateerde Kishore – een jurist die de sector door en door kende van zijn jaren bij de sokkenfabrikant – dat het merendeel van de documenten vervalst was. Soms, zegt hij, stonden op de presentielijsten van brandveiligheidstrainingen namen van werknemers die volgens hun loonstroken die dag niet eens aanwezig waren. Andere keren toonden de boeken achturige werkdagen bij fabrieken waarvan hij wist dat ze meestal diensten van twaalf uur draaiden. Van vergadernotulen tot loonstroken en arbeidscontracten: ‘Ze zogen het meestal uit hun duim.’

Kishore kwam voor meer verrassingen te staan. Hij had verwacht dat hij op zijn inspectierondes door de fabrieken voornamelijk met personeelsmanagers te maken zou krijgen, maar tot zijn verbazing trof hij de ene consultant na de andere aan. RINA’s klanten, zo begon hij door te krijgen, huurden deze consultants niet in om hun textielfabriek naar SA8000-normen te verheffen, zoals ze zelf beweerden, maar om het ‘voor ze te faken’.

Het lastigste onderdeel van de audits waren de interviews met werknemers, zegt Kishore. Het doel is om details over lonen en uren te verifiëren, en om te informeren naar seksuele intimidatie, vakbondsvrijheid en andere vormen van discriminatie of misbruik. Maar de collega-auditors aan wie Kishore een voorbeeld moest nemen, stelden alleen maar wat oppervlakkige vragen als ‘hoe is het met je familie?’ en ‘alles goed hier op het werk?’ ‘De werknemers waren overduidelijk door hun managers geïnstrueerd om ons te vertellen dat alles prima in orde was.’ 

Kishore zag het hele auditritueel als één grote poppenkast, en toen hij na zijn eerste maand zelf klanten moest gaan auditen, vertikte hij het om het spel zo mee te spelen. 

Hij deed voornamelijk surveillance audits, controle-inspecties die gecertificeerde fabrieken elke zes maanden moesten ondergaan om hun SA8000-certificaat te behouden. Officieel mogen de fabrieken niet weten wanneer de auditors langskomen, maar in de praktijk planden de consultants en de auditors de inspecties meestal vooraf, zegt Kishore. In een telefonisch interview bevestigt Nikhil Shah, destijds een van Kishores collega’s, deze gang van zaken.

Tot grote ergernis van Kishore verzetten de consultants de audits vaak op het laatste moment, om meer tijd te winnen om de fabrieken op een inspectie voor te bereiden. ‘Dit gooide mijn planning voortdurend overhoop.’ In een e-mail van maart 2009 beklaagt Kishore zich over het probleem bij zijn manager Subburaja Ayyasamy.

Wispelturige bestelvolumes en deadlines

Kishore zag het hele auditcircus dan wel als een bespottelijke vertoning, maar tegelijkertijd begreep hij ook wel dat voor sommige klanten – met name de kleinere fabrieken – overtredingen als het maken van excessieve overuren haast niet te vermijden waren. De modeconcerns waaraan ze leverden, hielden er wispelturige en onvoorspelbare bestelvolumes en deadlines op na. Als hij op grond van overmatige werktijden hun SA8000-certificering zou intrekken, zou hij het alleen maar lastiger voor ze maken om hun business overeind te houden en daar had niemand wat aan. 

Als compromis besloot Kishore zich een pragmatische auditmentaliteit aan te meten: zo zou hij vervalste administraties, bijvoorbeeld, zonder poespas accepteren ‘zolang ze er maar perfect uitzagen,’ legt hij uit, er haastig aan toevoegend: ‘Als je om de echte documenten vraagt, kun je geen enkele fabriek certificeren’. Hij was ook best bereid een ​​oogje dicht te knijpen bij kleine overtredingen – een incomplete EHBO-doos of ontbrekende stofmaskers – zolang het management maar beloofde dit later te corrigeren.

Voor RINA was dat niet genoeg, zegt ex-collega Nikhil Shah. Kishore ‘had te veel een letter-of-the-law mindset’ voor het bedrijf en ‘botste continu met zijn managers, de klanten en de consultants over wat er in de rapporten kon worden vermeld en wat er moest worden weggelaten.’ Het succes van de consultants, legt Shah uit, ‘hing ervan af of ze erin slaagden om hun klanten met minimale inspanningen gecertificeerd te krijgen.’ Kishores gewoonte om uitzonderlijk veel verbeteringen te eisen, zat hun groei in de weg. ‘Ze vonden hem niet zakelijk genoeg.’

Tegelijkertijd was RINA’s groei (en commercieel succes) direct afhankelijk van de goodwill van de consultants: meestal zijn zij het die voor hun klanten een auditbedrijf selecteren. RINA had uitgevogeld hoe ze die dynamiek in haar voordeel kon laten werken. Ze beloofde consultants een ‘marketingvergoeding’ voor elke fabriek die zich bij RINA zou melden. Deze vergoeding kon oplopen tot meer dan 10 procent van de auditinkomsten, aldus drie bronnen die in de branche werken. 

Deze bonusregeling, stelt Shah, had tot gevolg dat de overgrote meerderheid van RINA’s Indiase auditcontracten via een handjevol consultants werd aangeleverd. Zo raakte de Italiaanse certificeringsfirma financieel zwaar afhankelijk van de luimen van hetzelfde handjevol personen van wie ze zowel hun inspectiewerkzaamheden als hun klanten rigoureus moest beoordelen. 

Kishore werd geconfronteerd met de duistere kant van deze regeling: als een door de fabrikant ingehuurde consultant van mening was dat RINA te streng was geweest, dan bracht die de fabriek gewoon onder bij een meer coulante concurrent. De aanhoudende druk om de consultants om deze reden te vriend te houden, maakte sommige consultants zo zeker van RINA’s medewerking dat ze soms niet eens de moeite namen om de ‘ethische werkplaats’ voor hun klanten te faken. Toen Kishore zich hierover bij zijn manager beklaagde, met het argument dat sommige consultants hem naar fabrieken stuurden ‘waar ik nog geen spoor van SA8000 kan vinden’, werd hij geïnstrueerd gewoon door te werken. 

Maar de morele dilemma’s begonnen hem op te breken. ‘Ik kon er niet met een goed geweten door.’ Volgens oud-collega Nikhil Shah – wiens voornaamste taak bestond uit het beoordelen van auditrapporten – waren die van Kishore ‘aanzienlijk gedetailleerder en meer robuust’ dan die van de andere auditors, en vond hij ook ‘meestal meer problemen bij de klanten’.

Shah deelde veel van Kishores zorgen over RINA’s buigzame auditing stijl. Hij had er bijvoorbeeld ook problemen mee dat RINA, om kosten te verlagen, regelmatig minder inspecteurs naar de fabrieken stuurde dan de SA8000-regels vereisten

Een andere tactiek die RINA gebruikte om de kosten te drukken, was om textielfabrieken – en het aantal werknemers op de loonlijsten – als kleiner voor te doen, zodat ze minder dagen aan de inspecties hoefden te besteden. Shah had zijn bedenkingen tegen die praktijk. ‘Omdat je als auditor natuurlijk geheid overtredingen en veiligheidsrisico’s mist, als je zo weinig tijd hebt.’

Het kopiëren van bevindingen van het ene auditrapport naar het andere, was nog zo’n methode om tijd en geld te besparen. Zelfs RINA-medewerkers in Italië merkten dit op. Het hoofdkantoor in Genua schreef naar directeur Ramakrishnan in Mumbai: ‘[Twee] bedrijven hebben een leverancierscontroleplan dat identiek is aan de laatste 20 bedrijven die ik de afgelopen maanden voorbij heb zien komen.… Is dit mogelijk?’

Wat Kishore in de fabriek aantrof was chaos: onvoldoende brandblussers, afgesloten uitgangen en chemische dampen

Voor Kishore barstte de bom op 18 januari 2010, toen hij – na bijna twee en een half jaar bij RINA – zijn meest vijandige klantconfrontatie beleefde bij een kledingfabriek in Tirupur. Zes maanden daarvoor had de fabriek van zijn manager Subburaja Ayyasamy een SA8000-certificering gekregen, maar wat Kishore er aantrof was chaos: onvoldoende brandblussers, de uitgangen waren afgesloten, en werknemers stonden er bloot aan chemische dampen. Kishore ontdekte dat het bedrijf zijn werknemers niet voor hun overuren betaalde en bovendien, vermoedde hij, was er sprake van kinderarbeid.

Maar in plaats van Kishores ongelijk te bewijzen met geloofwaardige loonstroken en identiteitsbewijzen, zoals het SA8000-reglement voorschrijft, dreigden de fabrieksmanagers hem bij zijn manager Ayyasamy ‘te rapporteren’. ‘Ik zei dat ze hun gang maar moesten gaan en ben vertrokken.’

Het was de druppel. Ten einde raad stuurde hij aan directeur Ramakrishnan een e-mail waarin hij zich kritisch uitlaat over ‘de kwaliteit van de uitgevoerde audits en het nalevingsniveau van veel van onze klanten’. Hij hoopte dat de directeur zou ingrijpen. Maar wat Kishore niet wist is dat Ramakrishnan hem dan al verantwoordelijk houdt voor het op het spel zetten van RINA’s goede relatie met sommige consultants.

Van de consultants die Kishore tegen zich in het harnas had gejaagd is A. Faizall de meest imposante. Faizall, een certificeringsspecialist uit Tirupur met een diploma bedrijfskunde en een lange rode baard, had destijds bij RINA een ‘speciale status’ vanwege zijn grote netwerk en de hoeveelheid klanten die hij aanbracht.

Kishore kon best aardig met hem overweg. Hij had dan ook niet durven dromen dat uitgerekend Faizall hem achter z’n rug om van afpersing zou beschuldigen. In een brief aan het hoofdkantoor in Mumbai had Faizall beweerd dat Kishore ‘gunsten’ en geld van textielfabrikanten eiste en dreigde hun SA8000-certificering in te trekken als ze weigerden te betalen. Het dreigement was helder: als het ‘probleem Kishore’ niet werd opgelost, zou Faizall met zijn klanten vertrekken naar een van RINA’s concurrenten. Faizall zegt zich niet te herinneren waarom hij, een decennium geleden, de brief schreef. Zijn enige, blijvende indruk is dat Kishore ‘een praktische man’ was.

De e-mails van Ramakrishnan aan Kishore werden harder en kouder van toon. Hij zou ‘negatieve feedback van consultants en klanten’ over hem hebben ontvangen. Kishore zou geen ‘teamwork spirit’ hebben en moest beter zijn best doen om zich voor RINA in te zetten. De verontwaardigde Kishore antwoordde met de waarschuwing dat RINA’s lakse mentaliteit de firma duur kon komen te staan. Als Social Accountability International – de eigenaar van het SA8000-keurmerk – een controle-audit uitvoert in een van de fabrieken waar het goed mis is, schreef hij, ‘zal RINA haar geloofwaardigheid voorgoed verliezen.’

Deze voorspelling leek een paar maanden later uit te komen. Kishore ontving een verzoek uit New York: SAI had een klacht gekregen over RINA’s slordige audits. Kishore was hen aanbevolen ‘als een bron die meer informatie over de beschuldigingen zou kunnen delen.’ Was hij bereid te spreken? Kishore wist niet wat te doen. Hij wilde dolgraag dat SAI zou ingrijpen. Maar als hij een boekje opendeed, schond hij zijn geheimhoudingsverklaring en zou hij RINA een perfect excuus aanreiken om hem te ontslaan. 

De beslissing, zo bleek een paar dagen later, was niet aan hem. Toen hij op 30 augustus thuiskwam, overhandigde zijn vrouw hem zijn ontslagbrief. Hij had niet aan RINA’s ‘productiviteitsverwachtingen’ voldaan.

Kishore was plots werkloos en had nu niets te verliezen. In de daaropvolgende maanden stuurde hij tientallen auditrapporten en interne documenten naar New York waarin hij aantoonde dat RINA stelselmatig bedrijfsinformatie vervalste; te weinig auditors naar de fabrieken stuurde; de inhoud van het ene rapport naar het andere plakte; en geregeld de door de fabrieken ingehuurde consultants toestond als ‘auditors’ hun eigen klanten (en werk) te inspecteren. 

Een jaar ging voorbij. Social Accountability International onderzocht Kishores klachten, stelde RINA in het gelijk, en sloot de zaak.

Brand met 250 doden

Op 11 september 2012 brak er een enorme brand uit op de begane grond van Ali Enterprises, een kledingfabrikant in de Pakistaanse stad Karachi. Enkele weken daarvoor verklaarden auditors van RINA de fabriek veilig en SA8000-waardig. Meer dan 250 arbeiders merkten de vlammen en de rook te laat op. Gevangen achter getraliede ramen en afgesloten nooduitgangen – en verstoken van functionerende brandblussers – kwamen ze om. Bij een reconstructie toonden de onderzoekers aan dat alleen al een werkend brandalarm het dodental dramatisch had kunnen verminderen. 

Het was maar een van de vele flagrante veiligheidsovertredingen waarvan de RINA-auditors – voorafgaand aan de certificering – correcties hadden moeten eisen. Andere waren de afwezigheid van uitgangen op de bovenste verdieping en de overduidelijk vervalste presentielijsten van brandveiligheidstrainingen. Toen in de nasleep mensenrechtenorganisaties eisten het auditrapport in te zien, werd hen dat geweigerd.  RINA hield vol dat Ali Enterprises aan de SA8000-norm voldeed op de dag van de audit. 

Het European Center for Constitutional and Human Rights (ECCHR) in Berlijn wist desondanks een kopie van het auditrapport in handen te krijgen en legde dit voor aan overlevenden van de brand en aan ex-werknemers van Ali Enterprises. Zij constateerden dat het bol stond van valse informatie. Zo waren de foto's in RINA’s auditrapport minstens zes jaar oud. Ali Enterprises bleek ook honderden werknemers meer te hebben dan RINA beweerde. Ruim een jaar daarvoor had Kishore al gewaarschuwd voor RINA’s gevaarlijke inspectiepraktijken en SAI verteld dat het auditbedrijf aantallen werknemers bewust onderschatte, om tijd en kosten te sparen.

Zou SAI na deze tragedie eindelijk haar banden met RINA verbreken? De organisatie besloot anders en schorste het Italiaanse bedrijf alleen voor audits in Pakistan. In andere landen moesten arbeiders (voor hun veiligheid en welzijn) op RINA’s integriteit blijven vertrouwen. 

Een half jaar later sloeg het noodlot weer toe, toen bezweek het Rana Plaza-fabriekscomplex in Dhaka, Bangladesh en vonden 1134 textielarbeiders de dood. Deze keer was het de Duitse marktleider TÜV Rheinland die geblunderd had. Tijdens een audit in opdracht van het BSCI – het certificeringsprogramma waarmee ook Scotch & Soda, Van Gils, Denham Jeans, Mango en Amazon werken – hadden de auditors van TÜV Rheinland de werkvloer van het Rana Plaza-complex veilig bevonden, met een ‘sterke constructiekwaliteit’. Een paar maanden daarna stortte het in. 

Financiële prikkels vormen een groot deel van het probleem met sociale audits. Maar de geheimzinnigheid in de branche – inclusief het wijdverbreide gebruik van geheimhoudingsovereenkomsten – én de vergevingsgezindheid van mensenrechtenorganisaties als Social Accountability International dragen ook bij.

Zoals Kishore ontdekte, lopen auditors het risico hun baan te kwijt te raken als ze gewag maken van onveilige toestanden in de fabrieken die ze moeten inspecteren.  Het is veelzeggend dat van alle bronnen voor dit artikel, Kishore – die de audit-industrie achter zich liet – de enige was die zijn verhaal on the record wilde doen. De anderen waren veel te bang voor hun baan of business. 

‘Volledige transparantie en actieve deelname van de werknemers zijn een absolute voorwaarde om een realistisch beeld te krijgen van de arbeidsomstandigheden in fabrieken,’ zegt Christa de Bruin van Schone Kleren Campagne. ‘Werknemers moeten inzage in de rapporten krijgen, en de bevindingen kunnen controleren. Anders blijven de auditbedrijven een zwaar vertekend beeld creëren, wat de werknemers soms blootstelt aan meer gevaren en betere alternatieven in de weg staat.’ 

Niet de arbeiders maar bedrijfsleiders en consultants, zoals Faizall, staan voorop. Als schakel tussen fabrieken en auditbedrijven gedragen velen van hen zich als de ongekroonde keizers van het audit-universum. 

Van de dertien auditors die ik specifiek vroeg naar de rol van dergelijke externe adviseurs zijn er elf gefrustreerd over de invloed van consultants, en over hun pogingen om te dicteren wat er in een inspectierapport moet komen. Die druk dwingt veel auditors om, net als Kishore, ‘pragmatisch’ te werk te gaan. Dit betekent dat ze de ‘intentie’ (of goede bedoelingen) van fabrikanten afwegen tegen de overtredingen in hun werkplaatsen, en met hun eigen auditmanagers onderhandelen over welke compromissen mogelijk zijn.

Een auditor, die in dit verhaal Shree wil heten, geeft een typisch voorbeeld van zo’n compromis: ‘Als ik mijn manager vertel dat de deelnamelijsten van de brandveiligheidstraining nep lijken, of dat de overuren niet matchen met de loonstroken, verwijst hij me meestal door naar de consultant die ons de klant geleverd heeft. Dan kan die het papierwerk fiksen en de foutjes eruit halen.’

Uiteindelijk zijn het de auditors’ managers die – vanuit kantoor – beslissen wat er wel en niet het auditrapport ingaat. 

Poppenkastinterviews en louche deals

En tussen de dubbele boekhoudingen, de poppenkastinterviews en de louche deals met consultants, zien gevaarlijke fabrieken er op papier goedaardig uit, ‘ethisch’ zelfs. Auditors hebben zelfs een specifieke term voor dit fenomeen: eye-wash. Vaak worden de textielarbeiders door hun managers gedwongen om met de ‘eye wash’ mee te spelen, maar soms hebben ze hun eigen motieven om met de poppenkast mee te doen, dan ontkennen ze bijvoorbeeld dat ze te veel overuren hebben gewerkt. Overwerk biedt namelijk een kans om het loon iets dichter in de buurt te brengen van een ‘leefbaar loon’: in India 390 dollar per maand, volgens de Asia Floor Wage Alliance, een samenwerkingsverband van vakbonden in de textielindustrie.

Hoewel het SA8000-keurmerk het enige is dat bedrijven verplicht om binnen twee jaar na certificering een ‘leefbaar loon’ te betalen, is SAI vaag over wat dat precies betekent. Gelekte auditrapporten van twee kledingfabrieken in Tamil Nadu bieden inzicht in hoe creatief sommige auditors dit leefbare loon berekenen. De auditors schatten het namelijk voor hun regio ruim 50 dollar lager in dan het lokale minimum van ongeveer 120 dollar, om vervolgens te concluderen dat de fabrieken, door zich te houden aan het minimum van 120 dollar, dus ruimschoots voldoen aan de vereiste van een leefbaar loon voor het SA8000-certificaat.

Veel werknemers zijn zo bang voor de audits, ze beginnen al te huilen als je hun naam vraagt

Sommige auditors proberen door de eye-wash heen te prikken en met originele vragen de waarheid uit arbeiders los te krijgen. Maar deze goedbedoelde strategie bezorgt ze vaak extra stress: ‘Veel werknemers zijn zo bang voor audits’, zegt Shree. ‘Soms beginnen ze al te huilen als ik ze gewoon om hun naam vraag, of ze geven antwoorden op vragen waarvan ze hebben gehoord dat die daarna komen.’

Het type angst dat Shree beschreef, was in oktober vorig jaar goed merkbaar in een interview met drie werknemers van een door RINA gecertificeerde fabriek in Tirupur. Aanvankelijk waren de vrouwen open over hoe hun managers ze voorafgaand aan de audits instrueerde om te liegen over hun uren en lonen. Maar van de vraag hoeveel uren ze dan echt maakten, werden ze zichtbaar nerveus. Ze wilden pas antwoord geven nadat ze waren gerustgesteld dat hun eerlijkheid hun baas niet zijn SA8000-status – en dus zijn zaak – zou kosten. Pas toen vertelden ze wat twee van hun collega’s eerder die dag al zeiden: dat werkdagen van twaalf uur heel gewoon zijn in hun fabriek en dat ze vaak werkweken maken van meer dan 65 uur. 

Veel auditors en consultants geven de modemerken, en niet de fabrieksmanagers, de schuld van fraude en eye-wash. Ze wijzen erop dat overtredingen vaak het gevolg zijn van de onredelijk lage prijzen, de productiedruk en de onvoorspelbare deadlines die de merken hanteren. ‘Fabriekseigenaren klagen altijd over hoe de merken elk jaar weer een lagere prijs willen,’ zegt een consultant in Bangalore. De merken vragen: 'Wil je dezelfde bestelling? Dan moet je het de volgende keer voor minder doen.’


Mark Anner, onderzoeker arbeid en arbeidsverhoudingen

"Roofzucht van het modemerk verslechtert direct de arbeidsomstandigheden in de fabriek"

Mark Anner, universitair hoofddocent arbeid en arbeidsverhoudingen aan de Penn State University in Pennsylvania, deed uitgebreid onderzoek naar het inkoopbeleid van westerse merken in Vietnam, Bangladesh en India. Na honderden werknemers en fabrieksmanagers te hebben ondervraagd en de internationale handelsgegevens van de afgelopen twee decennia te hebben bestudeerd, kwam hij tot de conclusie dat ‘roofzuchtige’ inkooppraktijken de arbeidsomstandigheden direct verslechteren. ‘Ik ontdekte dat de lage prijzen die de textielmerken hun leveranciers betalen – plus hun obsessie met leveringssnelheid en de dramatische schommelingen in hun ordervolumes – direct bijdragen aan hongerloontjes, gedwongen overuren, vakbondsvermijding en extreme, soms zelfs gewelddadige druk op arbeiders om onrealistische productie-targets te halen,’ zegt Anner. 

Vier voormalige medewerkers van Social Accountability International zeggen dat zij de New Yorkse organisatie verlieten omdat het SA8000-certificatiesysteem – met zijn marktgedreven structuur en gebrek aan transparantie – de belangen van bedrijven beter dient dan die van arbeiders.

Neerwaartse druk van merken, bedrog en corruptie

Ver weg in Zuid-India kwam Kishore tot een vergelijkbare conclusie. Direct nadat zijn tijd bij RINA ten einde kwam, begon hij zijn eigen juridische adviespraktijk en tot de dag van vandaag adviseert hij bedrijven over personeelsbeleid. Hij ondertekent al zijn e-mails met: It is better to prepare and prevent than repair and repent! Een credo dat, zo vertelt hij, door zijn tijd bij RINA is geïnspireerd. 

SAI weigert commentaar op Kishores verhaal en diens beweringen over de rol van consultants, maar houdt vol dat van alle auditsystemen de SA8000 het best in staat is om de neerwaartse ‘druk van merken, bedrog en corruptie’ tot een minimum te beperken. 

C&A leunt vooral op zijn eigen auditteam, zegt het bedrijf in een reactie. In tegenstelling tot commerciële inspecteurs hoeven die niet bang te zijn dat een ‘strikte’ audit klanten wegjaagt. Ook zegt C&A dat ze de ‘levens van arbeiders’ op verschillende manieren probeert te verbeteren. Toch lijkt het onwaarschijnlijk dat C&A’s eigen methodes – zonder externe controles die het auditsysteem nodig heeft – beter functioneert. Het bedrijf maakte in de afgelopen weken nog nieuws met zijn hardnekkige weigering om leveranciers in Bangladesh te betalen voor reeds voltooide kledingbestellingen – plots overbodig door de coronacrisis – en het tolereren van flagrante misstanden in een textielfabriek in Myanmar. 

Van Gils, Scotch & Soda en Denham zeggen in hun reacties dat hun inkooppraktijken en relaties met leveranciers ánders zijn – stabieler, respectvoller, met betere vergoedingen – dan van de wispelturige giganten in fast fashion met hun alsmaar kelderende bodemprijzen. 

Een veelgebruikt argument, zegt Christa de Bruin van Schone Kleren Campagne. Dat ‘gewone’ modebedrijven het beter zouden doen dan de fast-fashionketens. ‘Maar we zien dat ook duurdere en zelfs luxemerken hele lage prijzen eisen van hun leveranciers.’ 

Scotch & Soda zegt zich sinds kort wel zorgen te maken over de betrouwbaarheid van het auditsysteem

Scotch & Soda – dat zijn BSCI-lidmaatschap en vertrouwen in de SA8000-standaard prominent op de website tentoonstelt – zegt zich sinds kort wel zorgen te maken over de betrouwbaarheid van het auditsysteem. Maar het bedrijf benadrukt dat het niet alléén op audits vertrouwt: Het stuurt ook geregeld eigen personeel voor controles naar de fabrieken en het biedt zijn leveranciers zoveel mogelijk stabiliteit en zekerheid. 

Van Gils schrijft in een reactie dat het bedrijf maar weinig inkoopt in India en ‘benieuwd’ te zijn of de problemen daar representatief zijn voor landen waar Van Gils zijn kleding vandaan haalt: China, Thailand, Italië, Portugal, Turkije, Roemenië, Bulgarije. Van Gils gebruikt BSCI-audits omdat die een nuttig en zelfs transparant middel zijn om ‘inzicht te krijgen in de huidige stand van zaken en om in gesprek te blijven over de arbeidsomstandigheden.’ Het bedrijf laat onvermeld dat de auditrapporten van het BSCI alleen beschikbaar en toegankelijk zijn voor bedrijven als Van Gils zelf, voortdurend misleidend blijken, en falen in het opsporen van problemen. 


Christa de Bruin

"Auditrapporten gaan over de vrouwen maar ze moeten worden samengesteld met hún input en met die van hun bonden"

Ook Denham The Jeanmaker maakt in zijn reactie onderscheid tussen landen. Enerzijds de problematische en corrupte als India en Pakistan en anderzijds de landen waar het bedrijf zelf inkoopt: China, Vietnam, Portugal, Tunesië, Bulgarije en de Verenigde Arabische Emiraten. De sociale audit leidt echter niet alleen in ‘corrupte’ landen tot problemen. Het gebrek aan transparantie, de uitsluiting van arbeiders, de winstprikkels voor auditbedrijven – de kwetsbaarheden zitten in de architectuur van het systeem.

‘Made in Europe’ biedt ook geen garantie

Christa de Bruin: ‘De meeste merken vertrouwen op hun lidmaatschap van door bedrijfsbelangen gedicteerde keurmerken, en die hebben grote rampen niet weten te voorkomen. Wij publiceren ook al jaren over schendingen van werknemersrechten in Europa, waar de lonen in verhouding tot de kosten van levensonderhoud soms nog lager zijn dan in Azië. ‘Made in Europe’ klinkt goed, maar biedt geen garantie dat de textielarbeiders goed zijn behandeld. Zelfs in Leicester in Engeland kwam recent een groot aantal schendingen aan het licht omdat ook daar het toezicht ontbrak. Vertrouwen op niet-transparante audits en keurmerken – of op productie in zogenaamd minder risicovolle landen – gaat de industrie niet verbeteren. Er is meer transparantie nodig en meer actieve deelname van de vrouwen die in de fabrieken het werk doen. De auditrapporten moeten niet alleen over hen gaan, maar worden samengesteld met hun input en die van hun vakbonden én aan de vrouwen beschikbaar worden gesteld.’

Kishores voormalige bazen bij RINA werken nog steeds in de branche: K.T. Ramakrishnan en Subburaja Ayyasamy zijn beiden toegetreden tot SAI's concurrent WRAP – Worldwide Responsible Accredited Production – een keurmerk dat is opgericht door een Amerikaanse handelsgroep en populair is bij textielmerken in de Verenigde Staten. 

Het Italiaanse RINA voert nog steeds audits uit voor SA8000, voor WRAP en voor verschillende andere certificeringsprotocollen.

A. Faizall, die klanten in heel India blijft helpen dergelijke certificaten te verkrijgen, gelooft niet dat de modemerken hun leveranciers ooit genoeg zullen betalen om aan de zogenaamd ethische voorwaarden te voldoen. Op de vraag hoe hij – gegeven de structurele obstakels – de rol van auditbedrijven, mensenrechtenorganisaties en consultants zoals hijzelf ziet, was zijn antwoord: ‘It’s all about business, no one is here to do service.'

Verantwoording

Maria Hengeveld onderzocht het systeem van ethische of sociale certificering van textielproducenten – voornamelijk in India omdat juist daar de sociale keurmerken al lang en veelvuldig worden gebruikt. 

Ze interviewde textielarbeiders, inspecteurs (social auditors) en andere insiders: fabrieksmanagers en de door hen ingehuurde externe consultants, die optreden als schakel tussen de textielfabriek en het inspectiebedrijf waarvoor de auditor controles uitvoert.

Van de achttien auditors die hun verhaal deden, wilden alleen Kishore Sharfudeen en Nikhil Shah dat met naam en toenaam doen. De anderen waren te bang voor hun baan of business. 

Het verhaal van Kishore, een klokkenluider die de auditindustrie verliet, is exemplarisch voor de morele dilemma’s waar veel auditors tegenaan lopen, maar niet vrijuit over kunnen spreken. De door hem genoemde feiten zijn bevestigd door andere bronnen en door tientallen interne documenten van het internationaal actieve Italiaanse auditbedrijf RINA.

Het artikel van Maria Hengeveld is een bewerking van ‘The Factory Oversight Industry Protects Profits, Not People’ , haar bijdrage in The Nation van 23 april 2020. The Nation is het oudste weekblad (sinds 1865) in de Verenigde Staten, uitgegeven door The Nation Company in New York en geassocieerd met The Nation Institute, een instelling die journalistiek werk ondersteunt.

Lees verder Inklappen
Maria Hengeveld
Maria Hengeveld
PhD-student in Cambridge. Schrijft over globalisering, ongelijkheid en ontwikkelingssamenwerking.
Gevolgd door 44 leden
Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
Annuleren