Klijnsma blokkeert pensioenonderzoek

1 Connectie

Onderwerpen

Pensioenen
7 Bijdragen

Staatssecretaris Jetta Klijnsma trekt een volstrekt verkeerde conclusie uit het PWC-rapport over terugstortingen door pensioenfondsen aan bedrijven, vindt columnist David Hollanders.

Nu de risico’s bij lage dekkingsgraden bij pensioenfondsdeelnemers blijken te liggen, is relevant wie er in goede tijden hebben geprofiteerd. Pensioenfondsen hebben toen premies verlaagd en zelfs geld teruggestort aan sponsors. Pieter Omtzigt, pensioenwoordvoerder van het CDA, heeft staatssecretaris Jetta Klijnsma van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bij motie verzocht aard en omvang van de terugstortingen te onderzoeken. Zij geeft hieraan, onder verwijzing naar een door haar zelf gelaste onderzoek van PriceWaterhouseCoopers (PWC), geen gehoor. Ze vindt dit te duur en te omslachtig.

 
Wie het onderliggende onderzoek leest, doet dat met stijgende verbazing. De door Klijnsma overgenomen conclusies van PWC volgen niet uit het onderliggende onderzoek. Integendeel. Hoe zit dat, hoe kan dat en wat zou de gevolgtrekking moeten zijn?
 
Afspraken
PWC heeft bij vijf (ondernemings-)pensioenfondsen onderzocht wat de (netto) terugstortingen waren in de periode 1985-2011 en of deze overeenkomstig financieringsafspraken waren. Het eigenlijke onderzoek van PWC is, gelijk men van een gerenommeerde consultant verwachten mag, helder. Er is door de vijf fondsen netto 1 miljard euro onttrokken. Er is daarbij geen aanwijzing dat de terugstortingen strijdig waren met financieringsafspraken. Helder dus en hulde voor PWC, Omtzigt en Klijnsma.
 
Het onderzoek was, zo meldt PWC, niet zonder problemen. Niet alle financieringsafspraken bleken beschikbaar. Dit was oplosbaar door ‘logisch combineren van en afleiden uit de beschikbaar gestelde gegevens’ (pp. 6), met als resultaat ‘dat financieringsafspraken (..) in voldoende mate achterhaald konden worden’. Het bevreemdt dat financieringsafspraken zoek zijn, maar dit terzijde. Kort en goed, PWC heeft voor alle vijf de fondsen alle relevante cijfers binnen vijf maanden voor een gage van 35.000 euro weten te achterhalen. Wederom hulde dus voor PWC.
 
Dit betekent overigens niet dat er geen kanttekeningen plaatsbaar zijn. Het onderzoek stelt dat er ‘geen aanwijzing’ is dat terugstortingen onrechtmatig waren, maar licht deze bevinding niet toe, waarmee onduidelijk is hoe diep het onderzoek groef. Zijn financieringsafspraken bijvoorbeeld eenzijdig gewijzigd? Indien er marginaal getoetst is, geldt hier ‘the absence of proof is not the proof of absence’. Verder is, conform overigens de opdracht, niet in ogenschouw genomen of premies in overige jaren lager of hoger waren  dan de kostendekkende premie. Evenmin lag voor de vraag of deelnemers geïnformeerd zijn over de financieringsafspraken.  
 
Representatief
Ondanks deze kanttekening, lijkt het PWC-onderzoek accuraat en blijkt het relevant. Indien de fondsen representatief zijn voor de overige fondsen (wat volgens PWC niet het geval is, waarover later meer) dan komen we bij 605 pensioenfondsen op een bedrag uit van 121 miljard euro, ofwel de helft van het huidige pensioentekort. Alle reden voor nader onderzoek, zou men geneigd zijn te overwegen. 
 
Maar dan komen de conclusies, waarop de staatssecretaris zich in de media baseert. Daar heet het dat voor het achterhalen van de informatie voor overige fondsen geldt dat dat ‘zeer bewerkelijk’ en ‘hoogstwaarschijnlijk slechts gedeeltelijk te realiseren’ is (pp. 13). Dit terwijl het voorliggende rapport juist anders aantoont. Dat is evenwel niet relevant omdat de ‘vijf geselecteerde, middelgrote tot grote pensioenfondsen (..) naar verwachting niet representatief voor de gehele populatie’ zijn (pp. 13). 
 
De lezer is op dit punt met stomheid geslagen. Op grond van de steekproef moest PWC een conclusie trekken over de hele populatie. De steekproef blijkt evenwel bij de conclusie niet representatief. Waarom wordt die dan genomen? Waarom het onderzoek überhaupt nog uitvoeren? Alsnog wordt een verstrekkende conclusie getrokken voor de gehele populatie, welke dan weer haaks staat op het onderzoek.
 
Politieke motieven
Hoe nu deze incongruentie tussen onderzoek en conclusies te duiden? Waarom doet PWC onderzoek naar vijf fondsen met als enig doel het doen van uitspraken over de gehele populatie, verklaart het vervolgens dat deze fondsen niet representatief zijn en trekt het toch conclusies die tegengesteld zijn aan de bevindingen van de onderzochte vijf fondsen? 
 
Indien men onnemelijk acht de mogelijkheid dat PWC zo incompetent is dat het niet in staat is tot het selecteren van representatieve fondsen, het tijdig onderkennen van een niet-representatieve steekproef en het trekken van elementaire conclusies, is men gedwongen te overwegen dat hier politieke motieven aan ten grondslag liggen. Zou het kunnen zijn dat PWC het onderzoek niet wilde omdat de opdrachtgever, precies: Klijnsma, dat niet wilde? Onderzoek dus om reeds vaststaande conclusies van een vernisje onderbouwing te voorzien in plaats van onderzoek om conclusies te trekken. Het is of dat, of PWC is (in weerwil van reputatie en de solide overige hoofdstukken) volstrekt incompetent. 
 
Hoe interessant deze vraag ook, eigenlijk is het allemaal irrelevant. Het onderzoek dient namelijk in beide gevallen doorgang te vinden. Waarom? Omdat de uitkomsten – vijf ondernemingen hebben 1 miljard euro onttrokken aan pensioenfondsen - zorgwekkend zijn.  Omdat de belangen - miljoenen pensioengerechtigden worden gekort - groot zijn en omdat de politieke agenda van een staatssecretaris en/of de incompetentie van een gerenommeerde consultant geen zwaarwegende belangen zijn om aan dat alles voorbij te gaan.
 

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

David Hollanders
Docent politieke economie aan de Universiteit van Amsterdam.
Gevolgd door 234 leden