De arbeidsmarkt: steeds minder stoelen voor de dansers

    Als gevolg van doelbewust overheidsbeleid kent onze arbeidsmarkt een structureel overaanbod van personeel. De steeds verdere flexibilisering van de arbeidsmarkt zorgt er bovendien voor dat de concurrentie tussen mensen die op zoek zijn naar een (andere) baan alsmaar heviger wordt. Gastauteur Ton Korver constateert tot zijn spijt dat de overheid daar weinig ondersteuning voor werkenden tegenover stelt.

    De laatste tijd duiken weer berichten op over krapte op de arbeidsmarkt. Systeemontwikkelaars en systeemanalisten, database-specialisten, technische ingenieurs, constructie-ingenieurs, economen, econometristen en in het bijzonder programmeurs worden bijvoorbeeld regelmatig benaderd met de vraag of ze niet ergens anders zouden willen werken. Een situatie waarin bedrijven elkaars concurrenten op de arbeidsmarkt worden en mensen bij elkaar proberen weg te kopen, duidt op krapte. Dat gaat gepaard met hogere beloningen, en eventueel met inhuur vanuit of vertrek naar het buitenland. Het is duur, het soelaas van de één is de hoofdpijn van de ander en het werkt slechts tijdelijk.

    Het zou helpen als het talent wat verstandiger wordt verdeeld

    Is er een betere oplossing? Meer ICT’ers? Die moeten dan wel worden opgeleid en ingewerkt. Dat kost tijd, het vergt opleidingsfaciliteiten en -investeringen en het gevaar is niet denkbeeldig dat tegen de tijd dat de opleidingen pas arbeidskrachten leveren als de vraag alweer verschoven is. Het zou helpen als werkgevers zelf meer zouden opleiden en het zou helpen als het talent wat verstandiger wordt verdeeld. De huidige praktijk van wegkopen en steeds vroeger gaan winkelen bij studenten die nog in opleiding zijn, werkt verspilling in de hand — daar kom ik in een volgende bijdrage op terug.

    Stoelendans

    De krapte die zich op deelmarkten voordoet, waarvan we nu de indicaties zien, duidt niet op algehele krapte op de arbeidsmarkt. In de jaren ’60 van de vorige eeuw leek het daar even op, toen de krapte werd bestreden door het aantrekken van gastarbeiders. In die jaren volgde de ene loonstijging de andere op. Dat leidde niet alleen tot inflatie, maar ook tot het anticiperen op verdere inflatie door het vooraf inbouwen van verwachte loonkostenstijgingen in de prijzen en van verwachte prijsstijgingen in nieuwe looneisen. De les daarvan was dat bij volledige of nagenoeg volledige werkgelegenheid het gevaar van oncontroleerbare geldontwaarding dreigt. Werkgevers gaan elkaar dan beconcurreren door het bieden van meer loon, werknemers gaan hogere lonen eisen en voor je het weet heb je een spiraal van elkaar opdrijvende prijzen en lonen. Dat moest worden tegengegaan, en het beste middel daartoe was vergroting van het arbeidsaanbod: aanvankelijk door gastarbeiders, daarna door toetreding van vrouwen tot de arbeidsmarkt, daarna door immigratie en het verhogen van de pensioengerechtigde leeftijd. Er werd ingegrepen zodra volledige werkgelegenheid zelfs maar in de buurt kwam. De regel is dat het aanbod groter is dan de vraag.

    In de jaren ’60 werd de krapte  bestreden door het aantrekken van gastarbeiders

    Door die regel of code heeft de arbeidsmarkt meer weg van een stoelendans dan van een markt. Het kenmerk van een stoelendans is dat wat je als danser ook doet, de uitkomst van de stoelendans vastligt: bij het stoppen van de muziek is er in elk geval altijd één stoel te weinig. Zoals de stoelendans onmogelijk wordt als er voor iedereen een stoel is, zo gaat de arbeidsmarkt onderuit als er voor iedereen een baan is. De arbeidsmarkt kan slechts bestaan bij de gratie van onvolledige werkgelegenheid, bij de gratie van een zeker niveau van werkloosheid. Daarmee is werkloosheid nuttig en noodzakelijk. De arbeidsmarkt moet vanuit zijn aard mensen uitsluiten. Niet te veel, niet te weinig, maar een evenwichtig percentage.


    "Zoals de stoelendans onmogelijk wordt als er voor iedereen een stoel is, zo gaat de arbeidsmarkt onderuit als er voor iedereen een baan is"

    De zoektocht naar dat evenwichtige percentage, naar de evenwichtswerkloosheid — door sommige economen ook de ‘natuurlijke’ werkloosheid genoemd — heeft in de 20ste eeuw de gemoederen nogal beziggehouden. Sommigen waren van mening dat je met adequaat macro-economisch beleid een heel eind kon komen met het uitbannen van werkloosheid, anderen waren van mening dat daar hoe dan ook een grens aan zat en dat de monetaire autoriteiten, de centrale banken, ervoor moesten zorgen dat die grens niet werd overschreden. De grens was een monetaire grens, erop gericht om op geldontwaarding te sturen. Een beetje inflatie is goed, maar zoals gezegd loopt het uit de hand zodra we te dicht in de buurt van volledige werkgelegenheid komen. Aan de centrale banken de taak om door middel van de geldkraan en het rente-instrument het niveau van de bedrijvigheid te beïnvloeden met het oog op het tegengaan van volledige werkgelegenheid.

    Haarlemmerolie

    Daarbij is gaandeweg wel een verschuiving opgetreden. In de 30 eerste naoorlogse jaren had het streven naar volledige werkgelegenheid nog de overhand, in de decennia erna werd het accent verlegd naar volledige arbeidsparticipatie: van het sturen van de vraag naar het sturen van het aanbod dus. Het beïnvloeden van de vraag naar arbeid veronderstelt een activerend begrotingsbeleid van de overheid; het beïnvloeden van het aanbod van arbeid veronderstelt een activerend arbeidsmarkt- en sociale-zekerheidsbeleid. Het activerende begrotingsbeleid paste nog in een op nationale overheden toegesneden Keynesiaans kader, het activerende arbeidsmarkt- en sociale zekerheidsbeleid in een tegenwoordig op Europese leest geschoeid monetaristisch kader. Aanpassingen aan economische ontwikkelingen worden niet meer door een actief begrotingsbeleid opgevangen maar door het flexibiliseren van de arbeidsmarkt en het versoberen van de sociale zekerheid. In de EU wordt dit laatste ‘structurele hervorming’ genoemd, en het wordt ingezet als Haarlemmerolie: als een middel tegen alle kwalen.

    Onvrijwillige werkloosheid? Dat is een dingetje van gisteren

    Het heeft even geduurd voordat we het beleidsjargon van de volledige werkgelegenheid hadden gewijzigd in dat van volledige arbeidsparticipatie. De jaren ’90 van de vorige eeuw waren het scharnierdecennium. Nu, een paar decennia later, zitten we met een stoelendans waarbij verhoudingsgewijs het aantal stoelen gestaag afneemt en het aantal dansaanmeldingen gestaag toeneemt. Het gevolg is voorspelbaar. Niet elke aanmelding zal worden geaccepteerd, het selectiemoment bij aanmeldingen zal steeds vroeger komen te liggen (al bij de keuze van een ‘goede’ school, en daarna bij het vinden van een ‘goede’ stageplaats), binnen elke aanmeldingsronde zal opnieuw worden geselecteerd, de opleidingen om de selectiekans te vergroten zullen als paddenstoelen uit de grond schieten en de selectie-eisen zullen toenemen. Tja, en als je het dan niet haalt, moet je maar bij jezelf nagaan of je onvermogen een plekje op de arbeidsmarkt te vinden niet gewoon aan jouzelf ligt — of je je werkloosheid niet aan jezelf te wijten hebt. Onvrijwillige werkloosheid? Dat is een dingetje van gisteren. Vandaag de dag kennen en erkennen we alleen nog de mate van je employability.

    Vaardigheden oppoetsen

    Er wordt veel gespeculeerd over de arbeidsmarkt van de toekomst. Hoe men die ook inschat, gegeven de toenemende globalisering, informatisering en robotisering is er een grote mate van overeenstemming over hogere en steeds sneller wijzigende eisen aan vaardigheden. We krijgen dan een arbeidsmarkt waarin transities van baan naar baan even belangrijk zijn als de banen zelf en waarin het socialezekerheidsstelsel de rol krijgt dergelijke transities te begeleiden en ondersteunen, zo niet aan te moedigen.


    "We krijgen een arbeidsmarkt waarin transities van baan naar baan even belangrijk zijn als de banen zelf"

    Tegen de achtergrond van een arbeidsmarkt die nooit meer dan onvolledige werkgelegenheid kan bieden, is dat geen drama. Integendeel. Er zijn altijd mensen die niet aan de slag zijn, en als we van hun tijd en bekwaamheden nuttig gebruik maken kan een periode buiten de arbeidsmarkt dienen om vaardigheden op te poetsen, bij te werken of zelfs te vernieuwen. Mensen kunnen veel, en als ze kunnen rekenen op de nodige voorzieningen en in het bijzonder de nodige tijd om zich aan te passen aan wijzigende omstandigheden, is er geen reden voor somberheid. Onvolledige werkgelegenheid wordt echter wel een drama indien er, als gevolg van de flexibilisering van de arbeidsmarkt, steeds frequenter aanpassingen worden gevraagd waar bovendien steeds minder tijd voor is als gevolg van de versobering in de sociale zekerheid.

    Korte termijn

    Met het opgeven van het beleid van volledige werkgelegenheid hebben de overheid en de EU het scheppen van werk geheel uitbesteed aan de markt. Dientengevolge heeft de overheid in feite op het terrein van de werkgelegenheid weinig te zoeken en moet hij vooral de werkgever niet voor de voeten lopen met regels en wetten die de flexibele inzet van personeel belemmeren. Ervan uitgaande dat we deze werkelijkheid accepteren, dan is mijn conclusie dat we een hoogwaardig en breed toegankelijk scholings- en opleidingsnetwerk nodig hebben. Werken wordt steeds meer, Marshall McLuhan zei het 50 jaar geleden al: ‘leren voor de kost’. Dat voortschrijdende leerproces zou dan moeten worden ondersteund door een stelsel van sociale zekerheid dat zich niet langer laat ringeloren door de kortzichtigheid van een beleid dat bij elke uitgave en bij elk voornemen eerst kijkt naar het effect ervan op de staatsschuld en begrotingstekort en pas dan naar de noodzaak ervan. Die kortzichtigheid staat een serieuze sociale zekerheid in de weg.

    We hebben een hoogwaardig en breed toegankelijk scholings- en opleidingsnetwerk nodig 

    Mocht het echter toch lukken om tot een beter stelsel van sociale zekerheid te komen, dan verandert onvolledige werkgelegenheid van een probleem in een kans: de kans om ons voor te bereiden op de mogelijkheden van de aanstaande arbeidsmarkt. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid had het er niet over in zijn vorige week verschenen rapport Samenleving en financiële sector in evenwicht, maar zijn oproep om afscheid te nemen van een door financiële overwegingen ingegeven dominantie van de ‘korte termijn’ is ook bij het ontwerp van een nieuwe, robuuste, sociale zekerheid meer dan nodig.

     

    Over de auteur

    Ton Korver (1946) beschouwt zichzelf als een zowel verdwaald als afgedwaald econoom. Hij schrijft sinds een jaar of tien onder de naam Dagboekhouder stukjes op de site van Filosofie in Bedrijf (www.filosofieinbedrijf.nl). Het is vooraf nooit zeker of daarin het dagboek de boventoon voert of de boekhouder. Hij weet met vele anderen niet meer zo goed waar links en rechts in de politiek nog voor staan, maar hij is er heel zeker van dat hij links is. Hij is er sinds jaar en dag van overtuigd dat een linkse econoom zich beter met het aanbod van dan met de vraag naar arbeid kan inlaten, en hij weet (hij is er zelfs een beetje trots op) dat dit een enigszins ongebruikelijke vooringenomenheid is.

    Lees verder Inklappen

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Gastauteur

    Gevolgd door 193 leden

    FTM.nl biedt opiniemakers de gelegenheid om – op uitnodiging – een bijdrage aan maatschappelijke discussies te leveren.

    Lees meer

    Volg deze auteur en blijf op de hoogte via e-mail

    Volg Gastauteur
    Verbeteringen of aanvullingen?   Tip de auteur Annuleren