Jeugdzorg in het rood

Gemeenten zouden de jeugdzorg goedkoper en beter regelen. Het tegenovergestelde is gebeurd. Wat ging er mis? Lees meer

De gemeenten zouden jeugdzorg dichterbij, efficiënter en uiteindelijk ook goedkoper gaan regelen. Het tegenovergestelde gebeurde: het aantal zorgaanbieders is gestegen van 120 in 2014, naar zo’n 6.000 nu. En inmiddels ontvangt één op de tien Nederlandse kinderen een vorm van jeugdzorg.

 

In de zomer van 2020 was voor veel gemeenten de maat vol. Ze gaven zoveel geld aan jeugdzorg uit, dat zij het financieel niet meer konden bolwerken. Den Haag moet met meer budget over de brug komen, luidde de boodschap.

Maar is geld het enige probleem? Onder de werktitel "Jeugdzorg in het Rood” doet Follow the Money onderzoek naar de geldstromen in de jeugdzorg. In deze gids loodsen we je langs de belangrijkste bevindingen.

60 Artikelen

Beeld © Rosa Snijders

‘We hebben een veel te zwart beeld van kindermishandeling’

5 Connecties

Relaties

NPM

Organisaties

Veilig Thuis Raad voor de Kinderbescherming WODC

Werkvelden

jeugdzorg
38 Bijdragen

Een onderzoek naar kindermishandeling in de lockdown liet zien dat die toenam, met liefst 25.000 meer kinderen. En de cijfers waren al zo hoog. Maar: waarop zijn die gebaseerd, en wat vertellen ze ons? ‘Emotionele verwaarlozing’ blijkt de grootste categorie te zijn, niet geweld tegen kinderen; dat daalt juist.

Dit stuk in 1 minuut

Waar gaat dit artikel over?

  • De Nationale Prevalentiestudie in het kader van de Mishandeling van kinderen en jeugdigen (NPM), die sinds 2005 in opdracht van de overheid ongeveer elke vijf jaar wordt herhaald, is essentieel voor het beleid. In de NPM-2010 werd geconcludeerd dat er bijna 119 duizend slachtoffers per jaar zijn. Tot op de dag van vandaag wordt dit aantal als uitgangspunt genomen om het probleem aan te pakken.
  • De NPM-studies gaan met name uit van door professionals gerapporteerde vermoedens van mishandeling. Zulke vermoedens worden door de onderzoekers als feit gezien wanneer ze binnen hun definitie van kindermishandeling vallen.
  • Ook ‘emotionele verwaarlozing’ wordt tot kindermishandeling gerekend. Die categorie vertegenwoordigt zelfs de grootste groep binnen alle gevallen van kindermishandeling die in dit soort onderzoeken worden gerapporteerd en bij Veilig Thuis worden gemeld.

Waarom is dit van belang?

  • De definitie van kindermishandeling wordt steeds verder opgerekt. Dat leidt tot stijgende aantallen, en tot statistieken waarin het probleem maar niet lijkt af te nemen.
  • Ook het preventiebeleid wordt daarop aangepast. Steeds meer ‘tekenen’ en ‘vermoedens’ worden zo serieus genomen dat ze tot ingrijpen kunnen leiden. Ook een melding van ‘emotionele verwaarlozing’ kan tot repercussies leiden.

Hoe heeft FTM dit onderzocht?

  • De auteur las stapels studies en literatuur, vergeleek onderzoeksmethoden, legde cijfers naast elkaar, en sprak met deskundigen en critici.
Lees verder

‘Het is verschrikkelijk dat 1 op de 5 jongeren te maken heeft met huiselijk geweld,’ tweette demissionair staatssecretaris Paul Blokhuis van VWS op 15 oktober. Hij vroeg aandacht voor de nieuwste (social) mediacampagne tegen kindermishandeling en huiselijk geweld, de derde in anderhalf jaar tijd. De aanleiding voor de nieuwe campagne: het ‘stijgende aantal adviesvragen, telefoontjes en chats bij Veilig Thuis en de Kindertelefoon’ en CBS-onderzoek, dat zou aantonen dat 20 procent van de 16- tot 24-jarigen slachtoffer is van huiselijk geweld. 

Maar hoe komen dit soort cijfers eigenlijk tot stand en waarom lijken ze maar niet af te nemen?

Allereerst is bepalend wat we onder kindermishandeling verstaan. Hoe ruimer de definitie, hoe meer potentiële slachtoffers er zullen zijn. En dat leidt meteen tot een eerste verklaring. Want hoewel menigeen bij kindermishandeling zal denken aan een ouder met losse handen, aan seksueel misbruik en aan de kinderen van Ruinerwold, blijkt de definitie uit de Jeugdwet van 2015 zo ruim te worden geïnterpreteerd dat die een waslijst aan afgekeurd gedrag oplevert:

Hoe breed het spectrum is, blijkt uit de vragenlijst van de toonaangevende Nationale Prevalentiestudie Mishandeling van kinderen en jeugdigen (NPM), een onderzoek dat sinds 2005 – in opdracht van het ministerie van Justitie en Veiligheid – ongeveer elke vijf jaar wordt herhaald. Zelfs onvoldoende structuur bieden aan een kind, niet op het consultatiebureau verschijnen wanneer medewerkers dit noodzakelijk achten, of een 9-jarige na zonsondergang regelmatig zonder toezicht buiten laten spelen blijkt kindermishandeling. Maar hoe verhoudt dergelijk gedrag zich tot ‘bedreigende of gewelddadige interactie’ met een kind, zoals de Jeugdwet kindermishandeling definieert?

En hoewel de tweet van Blokhuis anders doet vermoeden, kennen we de omvang van kindermishandeling niet. Uit de huidige registratiesystemen is het onmogelijk ‘om dergelijke cijfers op een betrouwbare manier te genereren,’ schreef Hans Grietens, hoogleraar orthopedagogiek al in 2018. Advies- en meldpunt Veilig Thuis onderzoekt jaarlijks maar een fractie van het aantal meldingen kindermishandeling. Ter illustratie: over 2020 rondde de instantie 3740 onderzoeken naar vermoedens af, terwijl er 62.795 meldingen waren.  De organisatie zou minder focussen op ‘het vaststellen of weerleggen van kindermishandeling’, maar zich vooral richten ‘op het duurzaam herstellen van de veiligheid van het kind’.

Ook de Raad voor de Kinderbescherming doet onderzoek. Na een melding van Veilig Thuis of de gemeente voert de Raad een zogeheten ‘beschermingsonderzoek opvoedproblemen’ uit wanneer ‘de situatie risicovol is en hulpverlening in een vrijwillig kader mogelijk niet meer voldoende is,’ laat een woordvoerder weten. Al jaren schommelt het aantal van zulke onderzoeken tussen de 15 en 16 duizend. In hoeveel daarvan daadwerkelijk kindermishandeling werd geconstateerd, is onduidelijk. De Raad liet Follow the Money weten niet over dergelijke cijfers te beschikken.

Schattingen

Hoewel dus niemand weet hoeveel kinderen er daadwerkelijk worden mishandeld, melden de media, de overheid en de beroepssector al jaren dat er jaarlijks 119.000 slachtoffers zijn. Dat getal vormt mede de basis voor het overheidsbeleid op dit vlak.

En dat is opmerkelijk, omdat het getal 119.000 slechts een schatting blijkt – net als de cijfers uit de tweet van Blokhuis – en dan nog niet eens de meeste recente. Het stamt uit 2010 en is voornamelijk gebaseerd op 760 (!) vermoedens van professionals die dat jaar deelnamen aan het tweede prevalentie-onderzoek, de NPM-2010. Wanneer het gerapporteerde ouderlijk gedrag voldeed aan de NPM-criteria, concludeerden de onderzoekers dat het vermoeden terecht was en het betreffende kind mishandeld moest zijn. Vervolgens werden deze ‘erkende vermoedens’ statistisch omgerekend naar alle Nederlandse 0- tot 17-jarigen. Tel daarbij op het aantal geregistreerde mishandelde kinderen in diezelfde periode bij de toenmalige Advies- en Meldpunten Kindermishandeling, trek dubbeltellingen eraf, en zo kwam men uit op een schatting van 118.836 kinderen. Voilà: bijna 119.000 kinderen.

Hoewel de derde NPM uit 2017 een range opleverde van 89.160 tot 127.190 mogelijke slachtoffers (grotendeels op basis van 697 vermoedens van professionals) beklijft dit aantal niet. De 119.000 mogelijke slachtoffers blijven de boventoon voeren in de media en het beleid. En zo ontstaat het beeld dat het aantal slachtoffers maar niet afneemt.

De omvang van kindermishandeling blijkt kennelijk te kunnen worden vastgesteld op grond van een klein aantal vermoedens. Vorig jaar spande de kroon. Toen werd met de NPM-methodiek onderzocht of de eerste lockdown tot extra mishandelingen had geleid. De conclusie: er zouden 25.000 meer slachtoffers zijn. Dat leidde tot onthutsing en Kamervragen. Dat met name ‘verwaarlozing van onderwijs’ en ‘getuige zijn van huiselijk geweld’ deze stijging tijdens de schoolsluiting hadden veroorzaakt, kreeg minder aandacht in de media – evenals het feit dat deze conclusie was gebaseerd op 58 (!) vermoedens van leerkrachten en kinderopvangmedewerkers.

Kritiek op de NPM-studies

De NPM-studies riepen ook vragen op. Sommige wetenschappers zochten publiekelijk het debat. De schattingen zouden onvoldoende nauwkeurig zijn vanwege de gekozen opzet en uitvoering.

Peter Vasterman, tot 2017 als mediasocioloog verbonden aan de UvA, volgt het thema misbruik en mishandeling al jaren. Ook hij heeft bezwaren bij de methodologie van zulk onderzoek: ‘Er komen steeds nieuwe categorieën bij en in de eindcijfers wordt alles weer bij elkaar opgeteld.’ Lichte gevallen worden bij ernstige zaken gevoegd. Daardoor ontstaat een vertekend beeld van het werkelijke probleem, zegt hij tegen Follow the Money.

Voormalig familierechtadvocaat Peter Prinsen schreef een uitgebreide kritiek op de NPM-studie. Hij vindt het bezwaarlijk dat de berekening grotendeels is gebaseerd op de vermoedens van (een kleine groep) professionals. Bovendien is niet gecontroleerd of de ouders hun kinderen daadwerkelijk mishandelden, stelt hij. Prinsen concludeert dat ‘de claim niet gevalideerd is, en dus onbruikbaar is als basis voor overheidsbeleid gericht op preventie’.

Emotionele verwaarlozing domineert

Naast de ruime definitie van kindermishandeling en de gestelde omvang, die dus grotendeels een schatting blijkt op basis van een klein aantal vermoedens, valt iets anders op aan de cijfers. Emotionele verwaarlozing, een vorm van kindermishandeling, staat al jaren op eenzame hoogte in de Nederlandse kindermishandelingsstatistieken. Zie deze tabel van de meldingen van Veilig Thuis, zoals aangeleverd bij het CBS:

Van emotionele verwaarlozing is sprake wanneer ouders ‘langdurig tekortschieten in responsiviteit en het geven van positieve aandacht aan hun kind’.. Ook kinderen pamperen of ze onvoldoende ouderlijk gezag en structuur bieden, valt eronder. Maar wat is precies ‘langdurig’ en wat is ‘onvoldoende’?

Jurist en pedagoog Adri van Montfoort stelde dit voorjaar in HP/De Tijd: ‘bijna negen van de tien meldingen bij Veilig Thuis gaan niet over lichamelijke mishandeling of seksueel geweld, maar over allerlei “zorgen” over de opvoeding. Dan helpt het niet om er een label ‘kindermishandeling’ op te plakken, maar is het beter dat de beroepskracht de problemen en mogelijkheden met het gezin bespreekt.’

‘Je kunt met recht zeggen dat de definitie zo breed is geworden dat onder kindermishandeling oneindig veel kan vallen’

Nog iets anders verklaart de omvang van emotionele verwaarlozing: als kind getuige zijn van huiselijk geweld valt er ook onder, al kan dat een eenmalige duw zijn van de ene ouder tegen de andere. De politie meldt standaard elk gezin bij Veilig Thuis na contact vanwege huiselijk geweld tussen volwassenen. Dat zorgt voor een behoorlijke aanwas.

Verwatering

Ronald Buitenhuis, senior beleidsadviseur Jeugdhulp bij de gemeente Zwolle en eerder als jurist bij het ministerie van VWS een van de opstellers van de Jeugdwet uit 2015, vertelt Follow the Money dat de brede definitie van kindermishandeling al ouder is. Die stond al in de eerdere Wet op de Jeugdzorg. Hij vermoedt dat de definitie indertijd bewust globaal is gehouden, maar erkent de keerzijde ervan: ‘Als je kijkt wat er nu allemaal aan opgehangen wordt, kun je met recht zeggen dat de definitie zo breed is dat oneindig veel onder kindermishandeling kan vallen.’

Peter Vasterman wijst op een ander gevolg: ‘Bij veel problemen, ook kindermishandeling, zie je de definities steeds breder worden, zodat het op het laatst, zelfs voor de meest doorgewinterde professional, niet meer duidelijk is wat nu nog kindermishandeling is en wat niet.’ Dat kan voor verwarring zorgen onder professionals.

Lenneke Alink, hoogleraar forensische gezinspedagogiek en onderzoeksleider van de NPM-studies, erkent het diffuse beeld van kindermishandeling, ‘In de maatschappij leven daar verschillende beelden over. Als je het honderd mensen vraagt, krijg je allemaal andere beschrijvingen.’ Kindermishandeling meten is zeer ingewikkeld, zegt ze tegen Follow the Money.

Hoewel ook Alink vindt dat de term kindermishandeling andere beelden oproept, pleit zij voor erkenning van de volle breedte van het probleem. ‘Kindermishandeling heeft sterk de connotatie van ouders die hun kinderen bewust van alles aandoen. Maar dat is slechts een klein deel van waar we het over hebben. In de meeste gevallen gaat het niet over moedwillig schade toebrengen. Het gaat om opvoeding die schadelijk is voor kinderen en waarbij ouders ondersteuning zouden moeten krijgen.’ Ze vervolgt: ‘We weten uit onderzoek dat emotionele verwaarlozing vaak nog wel ernstiger, minimaal zulke ernstige effecten kan hebben als fysieke mishandeling. We moeten erkennen dat kindermishandeling een breder begrip is dan velen in eerste instantie denken.’

De meeste vormen van kindermishandeling nemen af

Volgens mediasocioloog Peter Vasterman wekken studies als de NPM de indruk dat er tegenwoordig meer mishandelde kinderen zijn dan ooit tevoren, dat hun omvang maar niet afneemt en het aantal berekende slachtoffers een ondergrens vormt van het werkelijke probleem. Het basiscijfer gaat vervolgens een eigen leven leiden. Alsof het een epidemie is, zoals soms wordt gesteld. ‘De welvaart en het opleidingsniveau zijn sterk gestegen, er zijn kleinere gezinnen en de autoritaire opvoedingsstijl is afgenomen. Als je dat bijvoorbeeld vergelijkt met de jaren ’50 van mijn jeugd, is het absurd om te denken dat het nu erger is dan toen,’ zegt Vasterman.

Ook Bert Berghuis, oud-onderzoeker bij het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) en voormalig raadadviseur bij het ministerie van Justitie, betwijfelt of de cijfers de werkelijkheid weergeven. Hij noemt de wetenschappelijke onderbouwing ervan dun en meent dat diverse Nederlandse studies juist laten zien dat de meeste vormen van kindermishandeling, uitgezonderd emotionele verwaarlozing, sterk zijn afgenomen. De NPM-2017 bevestigt dat: die laat bovendien zien dat alleen (vermoedens van) emotionele verwaarlozing de laatste vijftien jaar sterk zijn gestegen:

Sociale constructie

Vanuit grote betrokkenheid bij het thema en om een en ander op de agenda te krijgen, verliezen betrokkenen de feiten wat uit het oog, zegt Berghuis. Dat zag hij als lid van de commissie Huiselijk Geweld van het ministerie van Justitie regelmatig gebeuren: ‘Het zou gaan over het topje van de ijsberg, statistieken worden gebruikt om het probleem groot aan te vliegen, er worden brede definities gehanteerd en de ernstige gevallen worden neergezet als representatief voor het geheel.’

Hij vindt dat misleidend en gevaarlijk. Zo wordt het probleem groter gemaakt dan het feitelijk is, waardoor het beleid ‘te weinig precies kan inschieten daar waar dat het meest noodzakelijk is’. Berghuis wijst op wat Vasterman de sociale constructie van kindermishandeling noemt: het probleem wordt vormgegeven in wisselwerking tussen de sector, de overheid en de media.

Vasterman stelde door de jaren heen een patroon vast in de uitingen van organisaties en wetenschappers die vaak in de media verschijnen: ‘Het wordt steeds erger, er zijn meer meldingen, en heel veel ernstige gevallen en instanties als Veilig Thuis kunnen het niet aan.’ Het klinkt dan al snel alsof we ons in een voortdurende crisissituatie bevinden en kindermishandeling onbeheersbaar is geworden.

Dit ‘gitzwarte beeld’, gevoed door de media met uitvoerig belichte schrijnende verhalen, kan bij het grote publiek tot verkeerde aannames leiden, meent hij. En wellicht ook tot een snellere acceptatie van vergaand beleid om het probleem te bestrijden.

‘Als mensen horen dat één op de vier Nederlanders ooit onder kindermishandeling heeft geleden of dat nog steeds doet, denken ze niet aan het onthouden van complimenten,’ zegt hij, doelend op emotionele verwaarlozing, ‘maar aan fysiek geweld, misschien aan seksueel geweld. Juist deze kennis kan de cijfers helpen relativeren.’ Naar zijn mening zal dat ook zorgen dat mensen minder makkelijk alle regels, protocollen en procedures accepteren en de groeiende inbreuk op hun privacy. Want ook daar maakt hij zich zorgen over.

Het frame ‘veiligheid’

Vasterman is niet de enige. Want hoewel het essentieel is om kindermishandeling een halt toe te roepen, gaat het huidige preventiebeleid ver, erg ver. Niet alleen worden allerlei hulp- en zorgverleners, leerkrachten, klusjesmannen, schoolbuschauffeurs en mondhygiënisten ingezet om het probleem te signaleren, inmiddels zijn ook kraamverzorgsters, medewerkers van coronatest- en vaccinatiestraten actief en worden kappers getraind.

Kinderen worden zelfs bijgespijkerd om het probleem bij zichzelf en elkaar te herkennen. Ze leren na te gaan of ze wel veilig opgroeien, of hun ouders hun rechten voldoende waarborgen en wat ze kunnen doen als dat niet zo is. Ook de sinds 2019 verplichte meldcode in sectoren als de gezondheidszorg, het onderwijs en de jeugdhulp is een uitvloeisel van dit beleid. Bij een ‘vermoeden van acute en structurele onveiligheid’ wordt een beroepskracht geacht melding te doen bij Veilig Thuis, ‘ook als de professional in staat is om [zelf] effectieve/passende hulp te bieden of te organiseren’.

Vorig jaar schreef Ronald Buitenhuis dat jeugdhulpverleners, net als de Rijksoverheid, vanuit ‘goed bedoelde angst’ de veiligheid van kinderen veel te veel benadrukken. Hij spreekt van ‘perverse blikvernauwing’ die zou leiden tot een scala aan plannen, afspraken en regels voor ‘een soort van “jacht op daders”, in plaats van begrip voor de moeite van het opvoeden’. Hij zei te vrezen dat veiligheid een koevoet kan worden die inbreekt ‘in een gezin, de band tussen kinderen en ouders beschadigt en het perspectief van kinderen om zeep helpt’.

Zijn kritiek kreeg bijval van jeugdhulpverleners en andere praktijkmensen, zij het weinig uit de hoek van degenen die zich bezighouden met preventie van kindermishandeling. En dat is ergens ook begrijpelijk. Partijen die zich inzetten tegen kindermishandeling raken ook zelf emotioneel betrokken, zegt Bert Berghuis. Ze zijn er niet op uit het probleem te relativeren. Niet uit kwade trouw, maar omdat ze ‘een sjabloon in hun hoofd hebben van de ernstige gevallen. Vervolgens handelen ze alsof het hele probleem uit zulke gevallen bestaat.’

Consequenties 

Dialoog en debat zijn hard nodig. Kleine dingen worden in het huidige klimaat gemakkelijk groot. Ouders lijken als het ware steeds meer te moeten bewijzen dat ze beschikken over vaardigheden en randvoorwaarden die professionals van belang achten voor veilig, kansrijk en optimaal opgroeien. Een psychische aandoening hebben of een licht verstandelijke beperking, kampen met schulden of een te krappe behuizing: dat laat nu al vaak alarmbellen afgaan bij hulpverleners, precies zoals van hen wordt verwacht. Welke ouder, niet alleen diegene waar het leven tegenzit, kan op een gegeven moment nog aan al die eisen voldoen?

Alleen wanneer (toekomstige) ouders competent zijn bevonden, zou hen het ouderlijk gezag moeten worden verleend, vindt Willems

Jan Macvarish, een Britse socioloog, maakt zich grote zorgen over de ‘invasie van experts’ in het gezinsleven. Ouders worden ‘gereduceerd tot instrumenten,’ stelde ze enige tijd geleden in Trouw. Professionals zouden de eerste jaren van het ouderschap vooral zien ‘als mogelijkheid om steeds meer toezicht te houden en invloed uit te oefenen’ aldus Macvarish. En dat is ook in Nederland aan de gang.

Nu al leidt preventie van kindermishandeling tot uitgebreide risicoscreening van vrouwen en gegevensuitwisseling tussen instanties, zelfs nog voordat ze zwanger of bevallen zijn. Jan C.M. Willems, oud-hoogleraar kinderrechten, pleit er zelfs voor om een juridische barrière voor ouderlijk gezag op te werpen. Alleen wanneer (toekomstige) ouders aan voorwaarden van voorbereid ouderschap voldoen en competent zijn bevonden, zou hen het ouderlijk gezag moeten worden verleend, vindt Willems. Alles vanuit de overtuiging dat dit het belang van kinderen dient: hun eerste duizend dagen zouden doorslaggevend zijn voor hun verdere leven, early life stress en trauma’s moeten worden voorkomen en je kunt beter niet te laat zijn met advies of ingrijpen.

Terwijl het begrijpelijk is dat we kinderen willen beschermen voor pijn en ellende, waarschuwde kinderpsycholoog Wim Wolters al in 1977 voor de gevolgen van een te nauwe blik op goed opvoeden: ‘Maatschappelijk scherpere gedachten over bedenkelijk of beschadigend opvoedend handelen, kunnen een risico op stigmatisering met zich meebrengen. Bij een te ruime definiëring van verwaarlozing als vorm van kindermishandeling, schieten zoveel ouders te kort dat we de plank misslaan.’