© Boomerang Create

    Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht willen dat sociale huurders makkelijker van de ene naar de andere stad kunnen verhuizen. Het idee is dat je je opgebouwde inschrijftijd voor een woning mee mag nemen naar een andere stad. Maar is daar wel behoefte aan?

    Utrecht Centraal Station, spoor 5. Het is 7:26 en op het perron van de intercity naar station Amsterdam Zuid staat het al zwart van de forensen. Het zijn vooral mensen uit Utrecht en omgeving die in Amsterdam of Schiphol werken. De ene na de andere afgeladen trein verlaat het station voor een reisje van nog geen halfuur richting de hoofdstad. De drukte houdt zeker aan tot half tien.

    De Amsterdamse arbeidsmarkt trekt blijkbaar ook veel inwoners uit Utrecht. Je kunt je afvragen waarom al die mensen dan in Utrecht wonen en niet in Amsterdam. Neem Steven (25), hij woont in IJsselstein, een gemeente die grenst aan Utrecht. Dat gebied valt onder WoningNet Utrecht, het regionale verdeelsysteem van sociale woningen van de gemeenten rond de stad Utrecht. Hij werkt in Amsterdam, waar hij voor een ideëel bureau onderzoek doet naar de zorgsector. Steven werkt weliswaar vaak vanaf huis, maar hij moet toch regelmatig naar Amsterdam.

    Dat reizen met het openbaar vervoer kost hem heel wat tijd: een uur en 20 minuten heen en 's avonds weer terug. Hij zou best in Amsterdam willen wonen, maar zijn opgebouwde jaren voor een sociale woning tellen alleen voor de regio Utrecht. Iets huren buiten de sociale sector is voor hem praktisch onmogelijk. Woningcorporaties, die ook wel betaalbare vrije sectorwoningen verhuren, geven namelijk voorrang aan doorstromers die een Amsterdamse sociale woning achterlaten. Eigen volk eerst, luidt het adagium. De stadspoorten van Amsterdam blijven op die manier gesloten voor Steven.

    De tijd die woningzoekers bij toewijzing van een woning gemiddeld staan ingeschreven verschilt enorm per stad

    Omgekeerd kunnen ook Amsterdammers die in Utrecht werken geen sociale woning huren in Utrecht. Zo blijft het druk op het spoor, in beide richtingen. Dat is allemaal niet erg handig en de wethouders van de G4-steden – Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht – zijn daarom onlangs om de tafel gaan zitten om te kijken of hier iets aan te doen valt. Ze willen het mogelijk maken om de opgebouwde inschrijfduur voor een sociale woning in een van de vier steden ook te laten gelden voor de andere drie.

    Bij het samenvoegen van die sociale woningmarkten trekt Amsterdam de kar, maar de woordvoerder van Laurens Ivens – de SP-wethouder die in de hoofdstad verantwoordelijk is voor bouwen en wonen – laat weten dat het nog te vroeg is voor een gesprek met Follow the Money over dit gevoelige onderwerp. Er moet eerst een ambtelijke werkgroep worden gevormd die de plannen verder vorm gaat geven. Maar dat hij ermee aan de slag gaat, staat vast, zo laat Ivens weten.

    Maar de ene stad is de andere niet

    Het plan roept meteen een aantal vragen op waar de steden van tevoren over nagedacht zouden moeten hebben. De tijd die huishoudens bij toewijzing van een woning gemiddeld staan ingeschreven, verschilt bijvoorbeeld enorm per stad. In Den Haag bedraagt deze afgerond voor nieuwe huurders een jaar of twee, in Rotterdam zo’n vier jaar, in Utrecht acht jaar en in Amsterdam tien jaar. Dat zou betekenen dat de kansen van Utrechters en Amsterdammers in de twee Zuid-Hollandse steden veel groter zijn dan omgekeerd.

    Daarbij is het wel van belang om te weten dat de zoektijden – dat is het aantal jaren dat mensen niet alleen staan ingeschreven, maar ook actief zoeken naar een woning – veel dichter bij elkaar liggen dan de wachttijden. Starters zoeken bijvoorbeeld gemiddeld zes tot acht jaar in Amsterdam. Toch zijn de verschillen wel zo groot dat er een ongewenst soort verdringing kan optreden.

    Belangrijk is ook om te beseffen dat een duidelijke minderheid van huurders van sociale corporatiewoningen een baan heeft. Landelijk gezien is rond de 4 procent zelfstandig en 37 procent is in loondienst. Bijna 33 procent is gepensioneerd en 26 procent leeft van een sociale uitkering.

    En dan heb je ook de zogeheten scheefhuurders, mensen die volgens de regels te veel verdienen om in aanmerking te komen voor een sociale huurwoning. In 2015 bedroeg dat aantal 20 procent. Die hele groep kan geen gebruikmaken van de beoogde regeling. Ze verspelen bij een verhuizing immers hun recht op een sociale woning.

    Een moeilijke operatie

    De belangrijkste vraag voor de invoering van zo’n ingrijpende regeling – die het huidige systeem flink overhoop zou schoppen – is of die wel voorziet in een werkelijke behoefte onder huurders. Zo ja, hoe groot is die behoefte dan?

    Volgens Egbert de Vries, directeur van de Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties (AFWC), is daar nooit onderzoek naar gedaan. Hij ziet het gewoon als een plan waarvan de G4-steden denken dat het zowel gunstig zal uitpakken voor huurders als voor de economie van de Randstad.

    Voor een werkloze sociale huurder op zoek naar een baan is het bijna onmogelijk om te verhuizen naar een plek waar wél werk is

    Het idee komt niet uit de lucht vallen. In de rapporten van de OESO over de Nederlandse economie staat keer op keer dat het corporatiesysteem mensen te veel bindt aan hun woning. Omdat er nauwelijks woningen beschikbaar zijn, is het voor een werkloze sociale huurder die op zoek is naar een baan bijna onmogelijk om te verhuizen naar een plek waar wél werk is. Dat is een serieus manco van zowel de arbeidsmarkt als de woningmarkt.

    Wethouder Ivens heeft de plannen niet eerst doorgenomen met de Amsterdamse corporaties, hoewel dat toch de organisaties zijn die ermee aan de slag moeten. Er staan nu sessies gepland om de bestuurders van de corporaties bij te praten. De Vries las voor het eerst over het plan van de wethouder in een interview van Ivens met de Volkskrant in september. ‘We wisten wel dat hij een bepaalde denkrichting had. Maar dit plan was nieuw voor ons.’

    De Vries vindt dat het plan past bij de doelstellingen van de corporatiesector. ‘Wij willen dat mensen zo snel mogelijk een passende woning vinden en alles wat daarbij helpt is welkom. Maar de technische uitvoering lijkt me wel heel lastig. De IT-systemen zijn verschillend en de toewijzingsregels ook. Dat maakt het een moeilijke operatie.’

    Rotterdammer of Amsterdammer

    Of het echt storm gaat lopen betwijfelt De Vries. ‘Mensen in een woning van de corporatie voelen zich vaak heel erg verbonden met hun stad. Ze zijn Rotterdammer of Amsterdammer.’ Hij denkt wel dat het interessant kan zijn voor ouderen die willen verhuizen om dichter bij hun kinderen te wonen, of mensen die als mantelzorger voor een familielid willen optreden.

    Voor mensen die willen verhuizen omdat ze in een van de andere steden werk hebben gevonden, kan het volgens De Vries een mooie mogelijkheid zijn. Hij wijst er wel op dat er sinds een maand ook de zogeheten huisje-huisje-app is, een systeem waarmee huurders in verschillende steden met elkaar van woning kunnen ruilen. ‘Als er snel moet worden verhuisd, is dat waarschijnlijk een betere manier dan proberen een woning te bemachtigen via het regionale woningverdelingssysteem met meegenomen inschrijftijd.’

    De problemen op de woningmarkt verschillen enorm per regio, de wachttijden ook

    Ook bij de Maaskoepel, de Rotterdamse tegenhanger van de AFWC, vinden ze het ‘bezien vanuit het perspectief van de huurders’ een goed idee om de sociale woningmarkten van de vier stedelijke regio’s aan elkaar te koppelen. Ze zouden zelfs graag een landelijke wachtlijst zien. Maar de koepel laat weten dat de problemen op de woningmarkt en de daarmee samenhangende uitdagingen per regio enorm verschillen. De Rotterdammers denken dat het ontwikkelen van een systeem waarbij de grenzen van de regio’s kunnen worden overschreden, heel veel tijd zal kosten. ‘Maar we zijn bereid om ons steentje bij te dragen aan het plan.’

    Een helse klus

    Wat zijn dan die technische problemen waar de vier steden tegenaan kunnen lopen? Tom van Noort is algemeen directeur van WoningNet. Deze organisatie is gespecialiseerd in het bouwen en laten draaien van systemen die vraag en aanbod op de sociale woningmarkt bij elkaar brengen. Landelijk heeft WoningNet 790 duizend woningen in zijn systemen en vorig jaar vonden 48.475 huishouden een woning via een van de regionale WoningNet-diensten. Het bedrijf is in handen is van een aantal corporaties, De regio’s rond Utrecht en Amsterdam zijn aangesloten, maar Rotterdam valt onder Qvision en Den Haag onder ZIG, twee particuliere partijen.

    Van Noort: ‘We werken aan een nieuw systeem waardoor we Utrecht en Amsterdam en onze andere regio’s makkelijk aan elkaar kunnen knopen, maar onze systemen koppelen aan systemen van collega’s is een helse klus. Dat is duur, kost veel tijd en zo’n systeem blijft storingsgevoelig. Iedere aanpassing in een van de drie systemen kan de gezamenlijke dienst ernstig verstoren.’

    De Woningnet-directeur begrijpt dat er gevallen denkbaar zijn waarin het meenemen van de inschrijfduur naar een andere stad een uitkomst is. Van Noort betwijfelt wel of de behoefte aan deze mogelijkheid groot genoeg is om die enorme investering in de systemen te rechtvaardigen. ‘Wij zien dat mensen in het sociale segment vaak zelfs een sterke voorkeur hebben voor de eigen wijk. Een andere stad is vaak een stap te ver.’

    Een geïmporteerde huurder kan als voordringer worden gezien, zeker als het om grotere aantallen gaat

    Van Noort noemt de huidige regio’s ‘logisch’. Daarmee bedoelt hij dat gemeenten in zo’n regio qua mate van spanning op de woningmarkt overeenstemmen. ‘Je moet je afvragen of een Utrechter die naar Rotterdam vertrekt met tien jaar inschrijftijd niet met scheve ogen wordt aangekeken als hij daar zomaar een huis wegkaapt voor de neus van een Rotterdammer.’ In Rotterdam staan mensen gemiddeld maar vier jaar ingeschreven voor ze aan de beurt zijn. Zo’n geïmporteerde huurder kan dus als een voordringer worden gezien, zeker als het om grotere aantallen gaat.


    Coen Teulings, hoogleraar en voormalig directeur CPB

    "Het idee dat je die stad kunt ontlasten door het gemakkelijker te maken om mensen naar andere steden te laten verhuizen, klopt niet"

    Amsterdamse groei

    Coen Teulings, voormalig directeur van het Centraal PlanBureau (CPB) en momenteel hoogleraar macro-economie aan de Engelse universiteit van Cambridge en de Universiteit van Amsterdam, is een woningmarktexpert. Als topman van het CPB heeft hij er regelmatig op gehamerd dat de woningmarkt vastgeroest is en moet worden hervormd. Teulings heeft zo zijn bedenkingen bij het nieuwe plan. ‘Amsterdam groeit al twintig jaar. Mensen willen gewoon naar Amsterdam. Niet naar Almere, Weesp of Hoofddorp, maar naar Amsterdam. Er moet dus vooral bijgebouwd worden in Amsterdam. Zo’n tienduizend woningen per jaar, is de bedoeling van de gemeente. Het idee dat je die stad kunt ontlasten door het gemakkelijker te maken om mensen naar andere steden te laten verhuizen, klopt niet. Voor Utrecht geldt dat in mindere mate trouwens ook.’

    ‘De corporatiesector is nu een kooi die mensen opsluit in hun regio’

    Teulings stelt dat vooral hogeropgeleiden bereid zijn om voor een interessante baan te verkassen naar een andere regio. De corporatiesector wordt volgens hem overwegend bewoond door mensen die zich lekker voelen in hun eigen stad. Ze werken ook meestal in de buurt van waar ze wonen.

    Daarbij is het fenomeen vaste baan zeldzaam geworden. Verhuizen naar een andere stad voor een baan die na een jaar weer voorbij kan zijn, is zelfs voor een gemotiveerd iemand een groot risico. 

    Banenmotor

    Een positiever geluid is afkomstig van Pieter Tordoir, hoogleraar economische geografie en stedelijke planning aan de Universiteit van Amsterdam. Hij vindt het een geweldig idee van de G4 en denkt dat het plan de Nederlandse economie veel kan opleveren. Tordoir: ‘De corporatiesector is nu een kooi die mensen opsluit in hun regio. Het mooiste zou zijn als je het landelijk mogelijk zou maken om je opgebouwde inschrijftijd mee te nemen, maar de vier grote steden is een mooi begin.’

    Tordoir vindt dat de mensen veel gemakkelijker moeten kunnen verhuizen naar de plaats waar het werk is. Een Rotterdammer of een Hagenaar moet veel eenvoudiger naar Amsterdam kunnen verhuizen als daar werk is dat past bij zijn vaardigheden. Tordoir verwacht dat de samenleving zich vanzelf aanpast aan zo’n dynamische situatie. ‘Uiteindelijk zul je zien dat die inschrijftijden van de verschillende steden als communicerende vaten worden en naar elkaar toe neigen.’ Deze liberale aanpak is volgens de hoogleraar ook meteen de meest sociale, omdat de banenmotor zo wordt aangejaagd.

    Hindernissen die de mobiliteit in de weg staan, zoals die op de sociale woningmarkt, moeten worden weggewerkt

    Of de economische effecten die Tordoir verwacht écht zullen optreden, kan uiteindelijk alleen de praktijk uitwijzen. Maar dat regionaal gebonden corporaties het moeilijk maken voor bewoners om te verkassen naar waar het werk, is een feit. Zo bezien zou het plan economisch gezien een logische stap zijn.

    Groter plan

    De plannen met de tot nu toe strikt gescheiden sociale woningmarkten in de Randstad maken uiteindelijk deel uit van een groter plan van de G4. Ze willen veel nauwer samenwerken. Ze hebben bijvoorbeeld gezamenlijk een verzoek bij de regering neergelegd voor een bedrag van 35 miljard euro aan extra middelen, uitgesmeerd over vijftien jaar. Het geld zou vooral moeten worden besteed aan zaken als isolatie, zonnepanelen en laadpalen voor elektrische wagens. Al dat werk zou goed zijn voor tienduizenden banen.

    Of nu de visie van Tordoir klopt of die van Teulings, is nog niet te zeggen. Maar blijkbaar heeft de Randstad de intentie om meer als een samenhangende economische eenheid te opereren. En dat impliceert dat hindernissen die de mobiliteit in de weg staan, zoals die op de sociale woningmarkt, worden weggewerkt. Dat idee ligt voor de hand in een Europa waar de sterkste economische centra bestaan uit grote verstedelijkte gebieden die als één bestuurlijke eenheid opereren. Nederland loopt op dat gebied achter. Het samensmeden van die sociale woningmarkt lijkt dan ook vooral onderdeel van dat grotere doel.


     

    Over de auteur

    Peter Hendriks

    Gevolgd door 333 leden

    Redacteur Woningmarkt. Signaleert en analyseert problemen waarmee Nederlanders op zoek naar woonruimte worden geconfronteerd.

    Lees meer

    Volg deze auteur
    Dit artikel zit in het dossier

    De nieuwe woningnood

    Gevolgd door 344 leden

    Nederland kampt met een groeiende woningnood. Honderdduizenden trekken naar de steden en de verantwoordelijke gemeenten lukt...

    Lees meer

    Volg dossier

    Dit artikel krijg je cadeau van Follow the Money.

    Diepgravende onderzoeksjournalistiek kost tijd en geld. Steun ons en

    word lid