Kunstsubsidie creëert zelden toppers

    Subsidies aan beeldende kunstenaars ten einde topkunst te creëren is weggegooid geld in Nederland. Het aantal doorgebroken toppers is gedaald ondanks groeiende staatstoelagen, zo blijkt uit onderzoek.

    Deze conclusie is opgetekend door de aan de Universiteit van Wageningen verbonden onderzoekers Aris Gaaff en Ernst Bos in het in het onlangs verschenen nummer van het economenvakblad ESB. Dit moet als muziek klinken in de oren van de fors in kunstsubsidies snijdende Halbe Zijlstra, CDA-staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

     

    Kunstenaars worden een beetje lui
    Onderzoeker Bos durft zelfs te stellen dat kunstsubsidies contraproduktief kunnen uitpakken, getuige zijn commentaar aan de Volkskrant. ‘Je kunt je voorstellen dat kunstenaars door die subsidies een beetje lui worden en minder gaan presteren.’

     

    In het artikel van vakblad ESB staan Gaaff en Bos stil bij de verdrievoudiging van subsidies voor beeldende kunst in de jaren zeventig en de verdubbeling van deze staatstoelage tussen 2000 en 2006. Het leeuwendeel van deze overheidsuitgaven zitten in kunstprijzen en kunstaankopen door de overheid, zoals de “1-procents-regeling”, waarmee is bepaald dat minstens 1 procent van de uitgaven aan bouwprojecten aan kunst moet worden uitgegeven.

    Alle stijgende uitgaven van de overheid afgelopen decennia ten spijt, is het aantal Nederlandse topkunstenaars juist gedaald volgens de bevindingen van Gaaff en Bos. Zo hebben de jaren twintig ons land verrijkt met Maurits Escher, Charley Toorop en Carel Willink. Ook de jaren vijftig waren goed voor een artistieke lichting van formaat, zoals Corneille, Karel Appel, Jan Wolkers en Lucebert. Vanaf de jaren zestig met het milder worden van het subsidieklimaat is het aantal kunstenaars dat de top heeft bereikt juist sterk afgenomen. In de jaren negentig braken er gemiddeld zeven kunstenaars door tot de top, de afgelopen jaren bleef de teller op twee steken.

     

     

    Nederlandse topkunst uitzondering op regel van artistieke middelmaat
    Voor hun onderzoek hebben Gaaff en Bos Nederland vergeleken met België, dat in tegenstelling tot ons land altijd schraal is omgesprongen met het verstrekken van subsidies heeft gekend voor beeldende kunsten.

     

    'Toch zie je voor dat land hetzelfde beeld in de opkomst van jonge kunstenaars', aldus Bos tegenover De Volkskrant. 'Dus je kunt concluderen dat subsidies niet hebben geholpen om meer toppers te creëren.'

     

     

     

     

    Nederlands topkunstenaars met wereldfaam -zoals Marlene Dumas, Rineke Dijkstra, Michael Raedecker en Joep van Lieshout -  zijn dan ook een uitzondering op de artistieke middelmaat in ons vlakke polderlandschap. Volgens beide onderzoekers is dat ook niet zo verwonderlijk. Topkunst ontstaat in de centra van economische groei, zoals in Nederland ten tijde van de Gouden Eeuw en Parijs en New York in de vorige eeuw. Anno 2012 is ‘s werelds snelst groeiende economische grootmacht China het walhallah van de topkunst.

    Onderzoekers Gaaff en Bos hebben hun bevindingen gestoeld op verschillende bronnen, zoals informatie van kunstexperts en gegevens vanuit de markt en vanuit het publiek. Zo hebben ze onder meer de hoeveelheid inkomsten bestudeerd dat kunstenaars verdienden met hun creaties. Daarnaast hebben ze goed gekeken naar hoe vaak kunstenaars in de prijzen vielen bij verschillende publieksprijzen en kunstprijzen.

     

    Nederlands kunstbeleid juist niet gericht op creëren topkunst
    In hetzelfde nummer van ESB levert kunsteconoom Pim van Klink in een apart artikel commentaar op het onderzoek van Gaaff en Bos. In zijn ogen zijn de bevindingen van beide heren vooral slagen in de lucht. Het doel van het Nederlandse kunstbeleid valt of staat juist niet met het creëren van topkunst, benadrukt Van Klink. Niet voor niets konden kunstenaars vroeger aanspraak maken op kunstsubsidieregelingen zoals de BKR en de WWIK, die werden bekostigd door het Ministerie van Sociale Zaken.

     

    Toch doet de kritiek van Van Klink in de ESB-editie ietwat eigenaardig aan. In 2005 promoveerde Van Klink op een een proefschrift over kunsteconomie en kunstbeleid. De strekking van dit werk van de bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Antwerpen sluit juist naadloos aan bij de bevindingen van Bos en Gaaff.

     

    Van Klink stelt immers in zijn proefschrift dat het overheidsbeleid niet veel heeft opgeleverd. De uitgaven zijn in zestig jaar toegenomen, terwijl het aantal bezoekers gestaag terugliep. Kennelijk werd het Nederlandse kunstsubsidiestelsel dus niet zo goed, zo opperde Van Klink in zijn proefschrift.

     

    Keynesiaanse aanpak van de kunsteconomie
    Misschien een gevalletje van jalousie de métier Van Van Klink? Meer indruk maakt Van Klink in zijn pleidooi voor een Keynesiaanse aanpak van de kunsteconomie, zoals hij vorig jaar aanhaalde in weekblad Elsevier. De Britse overheid vroeg aan John Maynard Keynes in 1944 of de vermaarde econoom een beleidssysteem wilde bouwen voor de kunsten en zo geschiedde. Keynes kwam met het Arts Council systeem en dat wordt nog steeds gebruikt. Niet voor niets zei Keynes hierover: ‘De kunsten zijn me te lief om ze onder de invloedssfeer van politici te laten komen.”

     

    Nederland werkt daarentegen met het gouvernementele systeem: het politieke bestuur bepaalt wie subsidie krijgt. En dat stelsel rammelt volgens Van Klink, zo legde hij vorig jaar uit aan weekblad Elsevier. 'Als het je grootste bron van inkomsten wordt, is er sprake van een wanverhouding en ontstaat er een veel te grote fixatie op de overheid. Daardoor zie je in Nederland eigenlijk een verkapte vorm van staatskunst. Dit kabinet zegt dan ook terecht dat kunstinstellingen te veel op de overheid zijn gaan leunen en met de rug naar het publiek zijn gaan staan.'

     

    Het Keynesiaanse fondssysteem in het Verenigd Koninkrijk gaat juist uit van het principe dat kunstinstellingen en kunstenaars eerst hun bestaansrecht moesten bewijzen door 50 procent eigen inkomsten te genereren. Pas dan maken ze kans op subsidie. Dit stelsel werkt naar tevredenheid volgens Van Klink.

     

    En daarmee kunnen onderzoekers Bos en Gaaff het roerend eens zijn. In hun onderzoek constateren zij immers dat het Verenigd Koninkrijk vandaag na China en de VS het mekka is van de internationale beeldende kunst.

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Libben Reeskamp

    Libben Reeskamp studeerde rechtsgeleerdheid en politicologie aan de Universiteit van Amsterdam. Met de studie rechten hield h...

    Volg Libben Reeskamp
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren