Jeugdzorg in het rood

Gemeenten zouden de jeugdzorg goedkoper en beter regelen. Het tegenovergestelde is gebeurd. Wat ging er mis? Lees meer

De gemeenten zouden jeugdzorg dichterbij, efficiënter en uiteindelijk ook goedkoper gaan regelen. Het tegenovergestelde gebeurde: het aantal zorgaanbieders is gestegen van 120 in 2014, naar zo’n 6.000 nu. En inmiddels ontvangt één op de tien Nederlandse kinderen een vorm van jeugdzorg.

 

In de zomer van 2020 was voor veel gemeenten de maat vol. Ze gaven zoveel geld aan jeugdzorg uit, dat zij het financieel niet meer konden bolwerken. Den Haag moet met meer budget over de brug komen, luidde de boodschap.

Maar is geld het enige probleem? Onder de werktitel "Jeugdzorg in het Rood” doet Follow the Money onderzoek naar de geldstromen in de jeugdzorg. In deze gids loodsen we je langs de belangrijkste bevindingen.

53 Artikelen

Beeld © Fenna Jensma

‘We willen niet meer met de kinderen leuren’

‘Het water staat ons aan de lippen.’ Arina Kruithof, bestuurslid van Jeugdzorg Nederland, windt er geen doekjes om. De jeugdbescherming kán niet meer. De hoge werkdruk en de overmaat aan zware zaken doen veel jeugdbeschermers de das om. Vorig jaar zegde 19 procent van hen hun baan op en zat 6,9 procent ziek thuis. Hierdoor is de jeugdbescherming niet meer in staat haar wettelijke taken goed uit te voeren.

De notie dat het jeugdzorgstelsel moet verbeteren en dat meer geld meer problemen oplost, is er een die Jeugdzorg Nederland al een tijd propageert. Een hoger tarief betekent immers meer tijd voor de kinderen, die onder de hoede van de jeugdbescherming weer een veilig bestaan hopen op te bouwen.

Follow the Money analyseerde de jaarrekeningen vanaf 2014 van alle veertien gecertificeerde instellingen (GI’s) en legde die voor aan Jeugdzorg Nederland. Lang niet alle instellingen kampen met geldgebrek. Ondanks een omzetdaling groeide het gezamenlijk eigen vermogen van de GI’s sinds 2014 met 2,3 miljoen euro. Geen vetpot, concludeerde Follow the Money, maar ook geen hoge financiële nood. Ook de deskundigen die FTM raadpleegde, zien financieel geen alarmsignalen. ‘De winstcijfers nemen over de jaren voor de meeste GI’s niet af,’ zegt hoogleraar financial accounting Jeroen Suijs. ‘Anders gezegd: ik zie geen negatieve trend in de cijfers. Daardoor gaan bij mij geen alarmbellen rinkelen.’

Arina Kruithof ziet dat heel anders. ‘Dit zijn gemiddelden, die zeggen niet zoveel. Deze organisaties zijn allemaal afzonderlijk verantwoordelijk om hun wettelijke taak uit te voeren. Uiteindelijk moet elke organisatie duurzaam gezond zijn.’ Als bestuurslid van Jeugdzorg Nederland, maar ook in haar hoedanigheid als bestuurder van de Rotterdamse jeugdbescherming, maakt ze zich zorgen.

‘Veel gecertificeerde instellingen moeten elk jaar opnieuw onderhandelen over hun budget. Daar kun je geen gezonde toekomst op bouwen.’ Daarbij gaat het haar niet om de organisatie, benadrukt ze. ‘Het gaat om de kinderen. Het mag niet zo zijn dat we moeten leuren met kinderen, en dan maar moeten hopen dat ze dezelfde jeugdbeschermer mogen houden. Natuurlijk kan een andere GI het overnemen, maar die doet hetzelfde werk. Dat Intervence – dat de jeugdbescherming in Zeeland regelt – kan omvallen, vind ik schokkend. Ik zeg niet dat de volgende al in de rij staat. Maar één is al te veel, dat kan gewoon niet.’

Dossier

Jeugdzorg in het rood

De gemeenten zouden jeugdzorg goedkoper en beter regelen. Het tegenovergestelde is gebeurd. Wat ging er mis?

Volg dit dossier

De situatie in Zeeland is nijpend. Er is op dit moment geen jeugdbeschermer beschikbaar om een nieuwe ondertoezichtstelling of voogdijmaatregel uit te voeren. Wat is hier gebeurd? 

‘We hebben de lokale politiek vaak gewaarschuwd: neem het kind mee in de besluitvorming. Voor een kind is een overdracht per definitie niet goed. Dat is niet gebeurd.’

Hoewel Intervence op alle fronten negatief opviel in onze analyse van de jaarrekeningen van de GI’s, zag Follow the Money dat de meesten er helemaal niet zo slecht voorstaan.

‘We zijn het helemaal niet eens met jullie conclusie. Dat het überhaupt mogelijk is dat een GI omvalt, vind ik al zorgwekkend genoeg. Wij hebben een wettelijke taak om de meest kwetsbare kinderen te beschermen. Omvallen moet alleen daarom al überhaupt niet mogen, maar op basis van deze cijfers kan dat wel. Dan geldt het misschien op dit moment voor één of twee GI’s, maar dat zijn er al te veel.

‘Onze tijd met de cliënten is te beperkt. Deze kinderen verdienen meer contact’

Bovendien hebben we middelen nodig om duurzaam te investeren in kwaliteit. We hebben te maken met 1,5 tot 2 procent van de bevolking, maar dat zijn wel de meest kwetsbare mensen in heftige situaties. Om hen zo goed mogelijk te beschermen, moeten we kennis en expertise blijven ontwikkelen. Dat vraagt om investeringsgeld.

De afgelopen jaren hebben we absoluut de tering naar de nering gezet. Als wij minder inkomsten hebben, gaan we minder uitgeven. Dat is logisch, dat doe je ook met je eigen huishoudportemonnee. Als uitgaven en inkomsten in balans zijn, komen we misschien onderaan de streep gelijk uit. De vraag is nog steeds of de inkomsten wel genoeg zijn. Wij stellen: dat zijn ze niet. Wij kunnen met deze beperkte middelen niet doen wat nodig is. Niet goed genoeg, in elk geval. Onze tijd met de cliënten is te beperkt. Deze kinderen verdienen meer contact.’

Meer tijd besteden aan een gezin kan alleen als er voldoende jeugdbeschermers zijn. Maar het personeel in loondienst vasthouden lijkt juist het grootste probleem te zijn.

‘Ja, de arbeidsmarkt voor de jeugdbescherming is erg ingewikkeld. In de hele jeugdzorg zijn meer banen dan mensen met een geschikte opleiding, en inzoomend op de jeugdbescherming is de complexiteit van het werk heftig. Het woord ‘zwaar’ gebruik ik bewust niet. Jeugdbeschermers zelf zullen dat woord ook niet gebruiken, want de reden dat zij dit beroep uitoefenen, is juist omdat zij kinderen met zware problemen willen helpen.

De afgelopen jaren is het werk wel heftiger geworden. Sinds de decentralisatie is de lichtere problematiek, die vaak voor wat evenwicht in het werk zorgde, naar de wijkteams gegaan. Inhoudelijk is dat een goede ontwikkeling. Het betekent wel dat de zware problematiek zich concentreert bij de jeugdbescherming. Dat doet iets met je. Zelf zou ik daar niet de hele dag mee kunnen omgaan.

‘Vraag en aanbod zijn niet in evenwicht, en daarbinnen vertegenwoordigen wij geen populaire functie, zullen we maar zeggen‘

We hebben vaak dezelfde caseload als een wijkteam, dat veel minder zware problemen heeft en dus een veel minder zware verantwoordelijkheid. Vraag en aanbod zijn dus al niet in evenwicht, en daarbinnen vertegenwoordigen wij geen populaire functie, zullen we maar zeggen. Dat een professional zegt: “Ik ga naar een andere organisatie met minder zware verantwoordelijkheid, minder problematiek, of waar het minder druk is, en er dus minder druk op mij staat,” snap ik. Ook dat is een argument voor meer middelen, zodat de caseload omlaag kan.’

Hoe groot is de gemiddelde caseload voor een fulltime jeugdbeschermer?

‘Dé caseload bestaat niet. Als je die al hebt, dan bestaat die op organisatieniveau, nooit op medewerkerniveau. Op dit moment is het gemiddelde tussen de vijftien en twintig kinderen per fte. Als je dat vertaalt naar gezinnen, heb je het over tien tot veertien gezinnen.

Dat is absoluut te veel. Wij pleiten voor een verlaging van die gemiddelde caseload met 25 procent. Een ideale caseload is zes tot acht gezinnen, dus tien tot vijftien kinderen.’

Wat doet Jeugdzorg Nederland om dit personeelsprobleem aan te pakken? 

‘We zijn een brancheorganisatie zonder formele bevoegdheden ten opzichte van de leden. Uiteindelijk spreken de leden onderling af wat we gezamenlijk oppakken. Als we met zijn allen zeggen: wij gaan het zo doen, dan gaan we het zo doen. Maar dan moeten we ook meerwaarde zien.

Een licht complicerende factor is de marktwerking. Daardoor mogen we niet alles vragen of inzien van de leden, of onderlinge afspraken over bijvoorbeeld prijzen maken. Er zijn immers concurrentieregels.’

Dat is toch van de gekke…

‘Ja, daar heb je een belangrijk punt te pakken.’

"De hoge werkdruk was lang de belangrijkste reden waarom medewerkers vertrokken. Het laatste jaar is dat veranderd in ‘elders een volgende stap in de loopbaan zetten’"

Personeelsbeleid kan Jeugdzorg Nederland dus niet opleggen. Hebben de GI’s de afgelopen jaren wel gezamenlijk bedacht hoe het personeel binnenboord te houden?

‘Overleggen doen we sowieso veel, maar nee, we hebben geen algemene afspraken gemaakt over het binnenboord halen en houden van mensen. Regionaal verschillen de arbeidsmarkten behoorlijk van elkaar. Het maakt nogal verschil of je in de Randstad werft of in een ander deel van het land. GI’s wisselen onderling wel ervaringen over hun regionale initiatieven uit. Welke aanpak werkt, hoe kunnen we onze mensen binden en boeien, hoe pakt de een het ziekteverzuim aan... Elke GI kiest daarin een eigen variant, die bij de lokale situatie past.’

Zou het helpen om met zijn allen één aanpak te hanteren? 

‘Ik geloof niet in een algemene aanpak, er zitten echt regionale aspecten aan. Wel analyseren we de redenen dat mensen vertrekken: in welke periode gaan ze weg, waarom gaan mensen weg en wat maakt dat ze willen blijven. We zoeken uit wat de druppel is die hun emmer doet overlopen.’

Wat is die druppel?

‘Dat kan ik alleen voor Rotterdam-Rijnmond zeggen. Daar heeft hoge werkdruk lang bovenaan gestaan als de belangrijkste reden voor vertrek. Het laatste jaar is dat veranderd in “elders een volgende stap in de loopbaan zetten”.’

Verzamelt Jeugdzorg Nederland die informatie landelijk?

‘Niet per se. Landelijk is die informatie ook relevant, maar een GI moet kunnen inzoomen om goed bij te kunnen sturen. Anders verzand je in een te generieke aanpak. Dat geldt overigens ook voor het ziekteverzuim.’

GI’s huren op grote schaal externe medewerkers in. Kennelijk zijn er dus wel geschikte jeugdbeschermers, maar laten ze zich liever via detacheringsbureaus inhuren.  

‘Detacheringsbureaus hebben deze medewerkers ook niet of nauwelijks. Daarbij vind ik dat we af moeten van het het beeld dat externe inhuur duur is en zonde van het geld. In Rotterdam maken we vaak gebruik van een deta/vast-constructie, een verkapte werving. We huren ze eerst extern in, en geven ze daarna een contract.

Een GI heeft immers een flexibele schil nodig, omdat wij niet weten hoe volgend jaar de instroom is, want die bepaalt de rechtbank. We kunnen aan de voorkant niet zeggen: we hebben zoveel mensen nodig. Met werven ben je zo een paar maanden verder, via een bureau zit er morgen iemand. Die flexibiliteit hebben we nodig bij pieken, maar ook bij dalen, want we hebben niet de middelen om ze in dienst te houden.’

In haar rapport Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd concludeerde de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd in november 2019 dat de jeugdbescherming niet in staat is haar wettelijke taken uit te voeren. De voortgangsrapportage in 2020 was nog alarmerender: Rijk, gemeenten en GI’s moesten onmiddellijk aan de slag met een ‘onorthodoxe’ aanpak. Wat is er sindsdien veranderd?

De wachtlijsten voor vervolghulp zijn alleen maar toegenomen’

‘Te weinig. Er is wel iets gebeurd. Op lokaal niveau zijn er met gemeenten verbeterplannen gemaakt om de wachtlijsten bij de GI te verminderen. Een aantal GI’s heeft er wat geld bij gekregen, tarieven zijn verhoogd, zodat zij iets meer lucht hebben gekregen. Maar de hulpverlening die wij als GI moeten organiseren, komt niet goed van de grond: het lukt ons niet om die tijdig, binnen drie maanden, te organiseren. De wachtlijsten voor vervolghulp zijn alleen maar toegenomen.’

Niet alleen de vervolghulp is een probleem, ook het toewijzen van een jeugdbeschermer gaat niet goed, horen we van ouders en van jeugdrechtadvocaten. Er is vaak maanden niemand beschikbaar. Klopt dat niet?

‘Dat verschilt per regio. Als je als jeugdrechtadvocaat in een regio opereert en je hebt een paar cliënten waar dat speelt, dan ervaar je dat zo.’

Hoe vaak bestaat het eerste contact met een gezin uit een telefoontje?

‘In beginsel is dat face-to-face. De wettelijke norm is om zo snel mogelijk zicht te krijgen op de veiligheid van het kind en zo snel mogelijk aan de slag te gaan om die veiligheid te bewerkstelligen. Negen van de tien keer lukt dat niet met een telefoontje. Maar als het wijkteam de dag ervoor nog langs is geweest en je hebt een goede overdracht gehad, is het dan nodig de dag erna nog eens langs te gaan? Moet je de relatie met ouders – die vaak veel weerstand tegen de jeugdbeschermer hebben – meteen op het spel zetten door aan te dringen op contact, als je weet dat het kind veilig is? Het gaat om de bedoeling, niet om de norm. Alles wat we doen, draagt bij aan de bedoeling.’

Volgens de Inspectie belanden vrijwel alle kinderen en ouders ook op een wachtlijst voor vervolghulp. Deels omdat gemeenten weigeren de hulp te betalen, het budgetplafond is bereikt, of omdat de gemeente geen contract heeft afgesloten met de zorgaanbieder die de jeugdbescherming wil inschakelen. Is dat nu veranderd? 

‘Nee, dat is niet beter geworden. Nog steeds is dat een van de grootste knelpunten.’

Gaat de gemeente zo op de stoel van de jeugdbescherming zitten?

‘Dat weet ik niet. Zij hebben de verantwoordelijkheid om dat te doen. Deels is de jeugdhulp inderdaad niet altijd overal even verstandig ingekocht. Tegelijkertijd blijkt dat gemeenten veel te weinig geld krijgen. Dat zien wij elke dag terug in ons werk. De grote financiële problemen van gemeenten vertalen zich in knelpunten in de inkoop van zorg in de jeugdhulp. Dat is waarom wij als jeugdbescherming in de knel komen.’

Wij zien dat GI’s kinderen soms doorverwijzen naar dubieuze zorgbedrijven. Hoe kan het dat jullie niet weten of jullie met een kwalitatief goede partij te maken hebben?

‘Jeugdzorg Nederland kent deze verhalen niet. De GI verwijst alléén door naar zorg die een gemeente heeft ingekocht. De gemeente is verantwoordelijk voor de kwaliteit van de zorg die zij inkopen. Ook als we een niet-gecontracteerde partij willen inzetten, moet de gemeente daar goedkeuring voor geven. Het is niet aan ons om de zorgaanbieders te controleren.’

Wat zou er moeten gebeuren om meer zicht te krijgen op de kwaliteit van de zorg?

‘Beter toezicht door gemeenten en de Inspectie. Gemeenten zouden alleen contracten moeten afsluiten met zorgaanbieders die aan de kwaliteitseisen voldoen. Als wij twijfels hebben over een zorgaanbieder, zullen wij dat bij hen melden. Wat ons betreft zou de GI een steviger adviesstem moeten krijgen bij de inkoop van zorg.’

"In de kranten staat dat er extra geld naar jeugdzorg gaat, maar feitelijk gaat er extra geld naar gemeenten en moeten wij maar afwachten hoe ze dat inzetten"

Wat vindt Jeugdzorg Nederland ervan dat er nu 1,3 miljard extra naar de gemeenten gaat?

‘Het is hoognodig dat de financiële druk bij gemeenten van de ketel gaat, zodat het gesprek weer kan gaan over de kwaliteit van zorg en de veranderingen die nodig zijn. We vinden het belangrijk dat het extra geld tot betere tarieven leidt, maar dat gaat niet vanzelf. In de krantenkoppen staat dat er extra geld naar jeugdzorg gaat, maar feitelijk gaat er extra geld naar gemeenten en moeten wij maar afwachten hoe ze dat inzetten. Het extra geld mag niet alleen gebruikt worden om tekorten bij gemeenten op te vullen, het is cruciaal dat er voor de jeugdbescherming en specialistische jeugdhulp een eerlijker tarief wordt betaald.

Krijgen gemeenten te weinig geld of besteden ze het niet goed?
‘Allebei. Uit onderzoek blijkt dat gemeenten flink tekortkomen. Deels is dat niet gek, omdat de decentralisatie gepaard is gegaan met een bezuiniging, terwijl het gebruik in dezelfde periode toenam. Tegelijkertijd zien we ook dat gemeenten veel meer uitgeven en dat het niet voldoende terechtkomt bij de aanbieders van cruciale en specialistische zorg. Allereerst zou inzichtelijk gemaakt moeten worden waar het geld nu aan besteed wordt. Het is heel gek dat dat nog steeds niet duidelijk is.’

Hoe groot is het verschil in tarieven tussen gemeenten?

‘De gemiddelde tarieven lopen per regio of zelfs per gemeente uiteen, daar zit zo 20 tot 25 procent verschil in. Dat is raar. Dat het tarief voor een voogdijkind in Overijssel bijvoorbeeld een stuk lager ligt dan dat voor een voogdijkind in Amsterdam kan ik niet uitleggen. Het gevolg is dat een jeugdbeschermer die tegen het lagere tarief werkt, minder tijd beschikbaar heeft. Wij pleiten dus ook voor een landelijk tarief, dat overal hetzelfde is, en dat voldoende is om overal de kwaliteit te leveren die wij nodig vinden.’

‘Geen enkele gemeente betaalt de ideale kostprijs. Daar moeten we een fundamenteel debat over voeren’

Welk tarief is voldoende?

‘Plus 25 procent, want alleen dan kom je op die caseload van zes tot acht gezinnen.’

Een aantal gemeenten betaalt nu al ver onder de kostprijs. Is het geen tijd om man en paard te noemen?

‘Dat gaan wij niet doen. Dat vind ik niet fair naar onze collega’s toe, want daarmee zet ik hun relatie met deze gemeenten op het spel. Het verschilt ook per jaar. Elk jaar onderhandelen we opnieuw, elk jaar is het opnieuw onzeker of het tarief wel voldoende is. Ik maak me er zorgen over, want geen enkele gemeente betaalt de ideale kostprijs. Daar moeten we een fundamenteel debat over voeren. Welke investering vinden wij dat deze kinderen verdienen?’

Gemeenten die nu al onder het tarief betalen, zullen niet nog eens 25 procent bovenop het hoogste tarief gooien. 

‘Vandaar ook het pleidooi voor een landelijk tarief. En ik vind dat het Rijk daarvoor de middelen beschikbaar moet stellen aan gemeenten.’

Welke rol speelt Jeugdzorg Nederland hierin?

‘In het gesprek met de VNG en het Rijk die vuist op tafel blijven benoemen. En dat doen we ook.’

"Bijschaven kan niet meer, het moet fundamenteel anders"

Al vanaf 2019 wordt al gewaarschuwd voor een onhoudbare situatie. Dit kabinet is demissionair en heeft gezegd dat zijn opvolger moet beslissen. Dat nieuwe kabinet zit er niet morgen. Zo zijn we straks bijna drie jaar verder sinds die eerste alarmbel. Dat móet jullie frustreren.

‘Absoluut! Alleen: dat los je niet op met een landelijke aanpak voor personeelswerving of ziekteverzuim, maar met de vuist op tafel: dit kán zo niet langer. Bijschaven kan niet meer, het moet fundamenteel anders. We moeten het niet meer over de eurootjes hebben, daar schiet geen kind iets mee op.’

In de volgende kabinetsperiode staat het verwijsrecht ter discussie: het recht van de jeugdbescherming om te bepalen welke hulp passend is. Hoe staat Jeugdzorg Nederland hier tegenover?

‘Jeugdbeschermingsorganisaties zijn het absoluut niet eens met het inperken van ons wettelijke verwijsrecht. Na een uitspraak van een rechter moeten wij aan de slag kunnen met een gezin. Als we dan niet kunnen verwijzen, niet de hulp kunnen organiseren die wij nodig vinden en daar ook niet inhoudelijk over gaan, dan lopen wij vast.’

Inmiddels heeft de jeugdbescherming zelf ook een toekomstscenario klaarliggen. Daarin staat dat het nog minimaal vijf tot tien jaar duurt voor het plan werkelijkheid wordt. Die tijd is er toch niet meer? 

‘Dat klopt, die tijd is er niet meer. Het water staat ons aan de lippen. We hopen dat we snel met ons scenario aan de slag kunnen. We hopen dat we snel kunnen overleggen met het ministerie over overbrugging. En ja, het duurt lang, maar we moeten het zorgvuldig doen, zodat we uiteindelijk de zorg beter maken voor de kinderen.’

Wanneer is de maat vol?

‘Die is al vol.’