If you pay peanuts...
© Geen

Ja, de lonen moeten sneller stijgen

3 Connecties

Onderwerpen

Euro Lonen

Werkvelden

Economie
141 Bijdragen

Zijn de lonen in Nederland te laag, stijgen ze te langzaam, of zijn ze juist goed? Vandaag spreekt onze columnist Robin Fransman in de Tweede Kamer de vaste Kamercommissie Sociale Zaken toe over dit vraagstuk. Op FTM lees je zijn betoog.

Geachte leden van de commissie Sociale Zaken,

U heeft ons vandaag uitgenodigd om onze visie te geven over loonvorming in Nederland en de AIQ (de arbeidsinkomensquote, het deel van de nationale koek dat naar de beloning van arbeid gaat).

In de keuze voor dat onderwerp zitten denk ik twee vragen besloten. De eerste vraag is of de lonen in Nederland te laag, te hoog of juist goed zijn, als je ze bekijkt door de bril van de AIQ. De tweede vraag is: moeten we de AIQ gebruiken om naar de toekomst toe vast te stellen hoe veel de lonen mogen of kunnen stijgen?

Over die eerste vraag — hoe de lonen nu liggen — kan ik kort zijn. Ja, de loonstijgingen zijn de laatste 10, 15 jaar te laag geweest. Dat is niet alleen te zien aan de dalende AIQ en aan het feit dat deze nu onder het gemiddelde staat, maar ook aan de stagnatie van de besteedbare inkomens, het lage bestedingsniveau van huishoudens en het almaar groeiende exportoverschot. Het is jammer dat deze ontwikkeling door de oude definitie van de AIQ een tijd lang deels onzichtbaar is geweest, en ik juich de nieuwe definitie die door CPB, CBS en DNB is gemaakt dan ook van harte toe.

Ja, de loonstijgingen zijn de laatste 10, 15 jaar te laag geweest

Echter, in mijn ogen is de AIQ een onbruikbaar instrument om de loonruimte mee vast te stellen. De AIQ meet immers alleen achteraf en op de middellange termijn hoe de verdeling ligt. En in de jaarlijkse onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers in een specifieke sector is de AIQ onbruikbaar omdat deze per sector sterk verschilt. Daarmee komen we op de tweede vraag. De AIQ moeten we dus niet gebruiken, maar wat dan wel?

Om die vraag te beantwoorden moeten we kijken naar de historie van loonvorming in Nederland en in de rest van Europa. In de jaren '60 en '70 werd de loonruimte vastgesteld als inflatie plus productiviteitsstijging. De jaren van de ‘automatische prijscompensatie’. De inflatie gold dus als inputfactor voor de bepaling van de loonruimte. In die systematiek zat een zelfversterkend effect dat tot een hoge inflatie leidde, en met de olieprijsstijgingen eind jaren '70 werd het daarom onhoudbaar.

Vanaf de jaren '80 — na het beroemde akkoord van Wassenaar — gingen we het dan ook anders doen. We keken naar de productiviteitsstijging en de winstontwikkeling in het bedrijfsleven. Zo doen we dat tot op heden. Inflatie speelt geen directe rol meer, maar komt natuurlijk ook tot uiting in de bedrijfswinsten. Het belangrijke nadeel van dit systeem is dat het op de korte termijn is gericht en daarmee procyclisch is. Het heeft de crisis in Nederland verergerd. Ook deze systematiek heeft zijn langste tijd gehad.

"Sinds de invoering van de euro hebben we het volgen van de lonen in DuitslandĀ geleidelijk losgelaten en vanaf dat moment zijn de lonen achter gaan lopen"

Er is namelijk iets heel fundamenteels veranderd en dat is de euro. Verschillen in inflatieniveaus en verschillen in loonstijgingen konden voorheen via de uitlaatklep van de wisselkoersen worden weggewerkt. Met de invoering van de euro kan dat niet meer en zijn eurolanden de facto gedwongen om op Europees niveau niet uit de pas te lopen. Dat zie je ook terug in het Groei- en stabiliteitspact waar loonontwikkelingen inmiddels onderdeel van zijn. Voor Nederland is dat niet per se nieuw. Wij volgden jarenlang met de gulden de D-mark, en daarom volgden wij ook de lonen in Duitsland. Sinds de invoering van de euro hebben we dat laatste geleidelijk losgelaten en vanaf dat moment zijn de lonen achter gaan lopen.

De vraag rijst dan: hoe bepalen we de loonruimte in het tijdperk van de euro?

Daarvoor kunnen we opnieuw naar Duitsland kijken. Ook de Duitsers zien zich immers, nu de D-mark niet meer bestaat en er geen wisselkoersen meer zijn, voor dezelfde vraag gesteld. In 2013 kwam de Bundesbank daarom met het nieuwe begrip van de ‘Verdelingsneutrale Loonruimte’. Daarin speelt inflatie opnieuw een rol, net als in de jaren '60 en '70; niet meer als input voor de lonen, maar juist als output. De lonen moeten voor het juiste inflatieniveau zorgen, conform de ECB-doelstelling van 2 procent. De verdelingsneutrale loonruimte bedraagt dan ook 2 procent plus de productiviteitsstijging. En die laatste bepaal je per sector. De formule is door de Duitse vakbonden en werkgevers omarmt en leidt ook tot een hoge graad van arbeidsrust. Het is verdelingsneutraal omdat het op zichzelf de verdeling tussen arbeid en kapitaal, en dus ook de AIQ, niet wijzigt op de middellange termijn. De loonvorming doet daarmee precies wat we willen: draagt bij aan prijsstabiliteit, stabiliseert de conjunctuur en verdeelt de welvaart tussen arbeid en kapitaal op constante wijze.

"Bij loonvorming gaat om het vinden van de juiste balans tussen een gevoel van fairness, koopkracht en bestedingen enerzijds, en bedrijfswinsten, concurrentiepositie en werkgelegenheid anderzijds"

Dames en heren, bij loonvorming gaat om het vinden van de juiste balans tussen een gevoel van fairness, koopkracht en bestedingen enerzijds, en bedrijfswinsten, concurrentiepositie en werkgelegenheid anderzijds. Maar het gaat sinds de invoering van de euro ook om prijsstabiliteit. We moeten, zoals we dat ook doen bij het begrotingsbeleid, het Europese aspect niet uit het oog verliezen. We kunnen niet terug naar de jaren '70, we kunnen het akkoord van Wassenaar niet handhaven: we moeten naar een nieuwe consensus in de polder. Het Duitse model is wat mij betreft daarin het goede model.

[Het hele programma staat hier. Zelf kijken kan hier.]

 

Robin Fransman is bereikbaar op Twitter: @RF_HFC

 

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Over de auteur

Robin Fransman

De dwarse denker Robin Fransman was jarenlang adjunct-directeur bij Holland Financial Centre (HFC). Daarvoor werkte hij onder...