Loonmatiging levert per saldo geen winnaars op

    Volgens gastcolumnist/econoom Jaap Kuipers levert loonmatiging per saldo geen winnaars op. Het is onjuist om te stellen dat loonmatiging ‘goed is voor de economie’.

    Het Amerikaanse ministerie van Financiën baarde onlangs opzien door Duitsland op te roepen om te stoppen met loonmatiging. Dit om de binnenlandse vraag te stimuleren en het grote exportoverschot te verminderen. Als reactie daarop verschenen verschillende columns, waaronder die van Simon Nixon in de Wall Street Journal. De commentaren tonen  aan dat het begrip van deze internationaal economische vraagstukken nogal te wensen overlaat. In het artikel wordt gesteld dat loonmatiging in Duitsland voor een sterke economie heeft gezorgd. Verder wordt gesteld dat Duitsland nu niet moet gaan ontmatigen en zichzelf ook ‘zwak’ gaan maken, zoals het Amerikaanse ministerie van financiën en een aantal prominente economen betogen. Nee, Zuid-Europa moet juist het Duitse voorbeeld volgen en zelf ook de lonen gaan matigen.

    Loonmatiging versus productiviteitsstijging

    Deze redenering voelt intuïtief misschien als juist, maar ís het niet. De redering verwart loonmatiging (wat per saldo niets oplevert) met productiviteitsstijging (wat tot een welvaartstoename leidt). Naast onjuist, is de redenering oneerlijk. Het speelt speciale lobbygroepen (exporteurs) in de kaart en gaat ten kosten van grote groepen consumenten: Duitse burgers en de rest van Europa. Daarnaast leidt het tot structurele onevenwichtigheden in de eurozone. Daarmee was het een belangrijke oorzaak van de eurocrisis. Het is belangrijk om je niet in de war te laten maken en dit goed te begrijpen. In het kort komt het erop neer dat loonmatiging helemaal niet zorgt voor een sterke economie en per saldo niets oplevert. Andere, reële factoren zijn verantwoordelijk voor een sterke economie, zoals kwaliteitstoename of productiviteitstoename. Loonmatiging is slechts een nominale aanpassing en verstoort juist het evenwicht tussen landen. Deze maatregel ‘verschuift’ productie van het ene naar het andere land, en verschuift daarmee enkel economisch voordeel tussen groepen. Het actief verlagen van het prijspeil ten opzichte van het buitenland, creëert namelijk een hogere binnenlandse productie, maar dit gaat ten koste van dezelfde productie in het buitenland. Als gevolg daarvan wordt in het binnenland de werkgelegenheid kunstmatig vergroot, maar dit gaat dan ten koste van de werkgelegenheid in het buitenland (“beggar thy neighbour-policy”). Tegelijkertijd wordt de binnenlandse beroepsbevolking, wiens lonen worden bevroren, opgezadeld met een welvaartsverlies in de vorm van duurdere importproducten (de kosten van importproducten worden niet gematigd). Hoewel loonmatiging dus per saldo niets oplevert, zijn er toch bepaalde mensen die ervan profiteren. Dat zijn voornamelijk de exporteurs. Zij kunnen als gevolg van de loonmatiging relatief goedkoop produceren en daarmee hogere winsten maken dan zónder loonmatiging. Zij zijn dan ook groot voorstander.

    Handelsbalans in evenwicht

    Vanwege de intuïtieve aantrekkingskracht van loonmatiging, de tegenstrijdige belangen (en bijbehorende lobbygroepen), en de grote gevolgen van de resulterende verstoringen op Europees en zelfs mondiaal niveau, is het van belang om dit mechanisme een keer goed uit te leggen. Bij een vaste wisselkoers - bijvoorbeeld in de Eurozone, of bij landen waartussen de wisselkoers nauwelijks beweegt - heeft loonmatiging invloed op de handelsbalans tussen landen. De handelsbalans is de waarde van de export ten opzichte van de waarde van de import. Wanneer beide even groot zijn, is de handelsbalans in evenwicht. Het buitenland heeft dan net zoveel ‘behoefte’ aan binnenlandse producten als het binnenland heeft aan buitenlandse producten. Wanneer de handelsbalans niet in evenwicht is, dan wordt dit normaal gesproken weer rechtgetrokken door een aanpassing van het prijsniveau tussen landen. Dat komt omdat de ‘behoefte’ aan (export)producten wordt bepaald door zowel de kwaliteit als de prijs van de producten. De behoefte wordt hoger als de kwaliteit hoger wordt, maar ook als de prijs lager wordt. Zo is de prijs als het ware de tegenpool van de kwaliteit, en in een normale marktsituatie zal de beweging van de kwaliteit worden gecompenseerd door een tegenbeweging van de prijs. Waarmee de handelsbalans zich automatisch weer hersteld.
    Het is helemaal misleidend om te beweren dat iedereen dat zou moeten doen
    Wanneer er bijvoorbeeld sprake is van een kwaliteitstoename van de producten in het ene land, bijvoorbeeld auto’s, dan vergroot dit de behoefte aan deze auto’s in zowel het binnen- als buitenland. Hierdoor zullen binnenlandse en buitenlandse consumenten vaker kiezen voor deze auto’s, waardoor er minder wordt geïmporteerd en meer wordt geëxporteerd. Daardoor ontstaat een positief saldo op de handelsbalans. Maar dit gegeven heeft vervolgens invloed op de prijzen. Binnenlandse producenten zoals Mercedes of BMW kunnen nu een hogere prijs vragen, zonder dat de vraag afneemt. Daardoor maken zij hogere winsten. Vakbonden zullen daarop hun looneisen opschroeven, waarna de salarissen en daarmee het binnenlandse prijspeil omhoog zullen gaan. Deze auto’s worden hierdoor duurder en weer minder aantrekkelijk, waarmee de import weer stijgt en de export weer daalt. De handelsbalans is dan weer in evenwicht.

    Toename welvaart

    Wanneer de balans weer is hersteld, lijkt het net alsof er eigenlijk niets is veranderd. Dat is echter geenszins het geval. Het welvaartniveau in het binnenland is namelijk toegenomen. Binnenlandse consumenten kunnen nu genieten van betere auto’s. Daarnaast zijn door de gestegen salarissen de buitenlandse producten goedkoper geworden. Dat is prettig als bijvoorbeeld de boodschappenauto een FIAT is. Voor de buitenlandse consument is er niets veranderd. De buitenlandse auto’s zijn van een betere kwaliteit geworden, maar ze moeten er ook meer voor betalen. Zo zorgt een kwaliteitstoename van producten in een land dus voor een welvaartstoename in dat land. Kwaliteitstoename heeft daarmee een reëel effect en dit zou je dus kunnen zien als het ‘versterken’ van de economie. Voorwaarde voor de welvaartstoename is echter wel dat het prijspeil zich moet kunnen aanpassen. Wanneer er sprake is van loonmatiging kan het prijspeil zich niet aanpassen en treedt dit welvaartseffect voor de bevolking niet op.
    Het voordeel is voor een kleine groep binnenlandse exporteurs die meer winst maken
    Loonaanpassingen zorgen dus normaal gesproken voor de verdeling van reële versterkingen van de economie en voor herstel van de handelsbalans. Loonmatiging verstoort deze egaliserende functie. Het verschuift een stuk productie naar het loonmatigende land. Dit genereert voor de één een voordeel en voor de ander een nadeel. Het nadeel ligt bij de burgers van het land, wiens koopkracht daalt als gevolg van de loonmatiging. Het nadeel ligt ook in het buitenland, waar de exporteurs minder winst maken, de werkgelegenheid afneemt en de overheidsfinanciën verslechteren (meer uitkeringen, minder belastingbetalers). Het vóórdeel is voor een kleine groep binnenlandse exporteurs die meer winst maken. Daarnaast is er een voordeel voor de binnenlandse werklozen voor wie meer werk is én voor de overheid, wiens financiën verbeteren door de afname van de werkloosheid (minder uitkeringen, meer belastingbetalers). Maar per saldo gebeurt er niets. De voordelen en de nadelen heffen elkaar op. Intuïtief goed Maar toch voelt loonmatiging intuïtief als een goede maatregel, vooral in onze calvinistische cultuur. Matigen is toch goed? Je moet toch zuinig zijn? En als andere landen er nadeel van ondervinden, dan kunnen ze het toch zelf ook gaan doen? In principe is dat ook zo, maar een land is geen bedrijf en op nationaal niveau werkt dat anders. Een land is alle bedrijven en alle werknemers samen. Individuele bedrijven kunnen hun prijzen matigen en daarmee hun marktaandeel vergroten. Dat is prima voor de burgers want de producten worden goedkoper. Individuele landen zouden hun gehele loonniveau kunnen matigen. Maar dat is niet goed voor de burgers, want dat gaat ten koste van hun collectieve koopkracht. De acties van een bedrijf vinden, zeg maar, plaats op spelniveau en de acties van een land op spelregelniveau. Overigens kán loonmatiging wel goed zijn, maar dan alleen als een land een bovenmatige loonontwikkeling heeft gehad, zoals Nederland begin jaren tachtig. Dan is de situatie omgekeerd en is het evenwicht zoek - de andere kant op. Dan zijn de salarissen hoog (wat leuk is voor mensen met een baan), maar daarmee valt de export terug en verliest een land productie aan het buitenland. De hoge salarissen gaan daarmee gepaard met hoge werkloosheid en slechte overheidsfinanciën. Zonder dergelijke bovenmatige loonontwikkeling, zoals nu in Duitsland, werkt loonmatiging enkel verstorend. Het is dan alsof de regeringen van Europa aan een tafel zitten met daarop een tafelkleed (waarbij het tafelkleed de totale productie van alle werknemers en werkkapitaal van de landen samen vertegenwoordigt). Als Duitsland dan hard aan het tafelkleed trekt, moeten alle andere landen dat dan ook doen, of moet Duitsland dan stoppen met trekken? Loonmatiging levert per saldo geen winnaars op. Het is daarom onjuist om te stellen dat loonmatiging ‘goed is voor de economie’. Het is helemaal misleidend om te beweren dat iedereen dat zou moeten doen. Dat zouden meer mensen moeten begrijpen.   Jaap Kuipers (36) is algemeen econoom (Rijksuniversiteit Groningen) en deed een master politieke filosofie aan de University of East Anglia.  Hij werkt bij een economisch onderzoeksbureau dat actief is op het gebied van overheidsfinanciën.
    Over de auteur

    Gastauteur

    FTM.nl biedt opiniemakers de gelegenheid om – op uitnodiging – een bijdrage aan maatschappelijke discussies te leveren.

    Lees meer

    Volg deze columnist

    Dit artikel krijg je cadeau van Follow the Money.

    Diepgravende onderzoeksjournalistiek kost tijd en geld. Steun ons en

    word lid