Louis Reijtenbagh, de speculant en de Gouden Bocht

    Voorpublicatie van het boek Grof Geld van journalist Roel Janssen. Een onthullende historische zoektocht naar financiële schandalen en speculatie in de Lage Landen.

    Vrijdag 17 april 2009 was een wisselvallige lentedag. In Den Haag kondigden premier Balkenende en minister van Financiën Bos een pakket bezuinigingsmaatregelen aan waarover het kabinet na maandenlang bakkeleien overeenstemming had bereikt.
    In het diepste geheim gingen die dag een advocaat, deurwaarders en een ploeg verhuizers gespecialiseerd in kunsttransport aan de slag. Kriskras reden ze door Nederland en legden beslag op tientallen kunstwerken. Onder de verblufte ogen van bezoekers en suppoosten haalden ze in het Van Gogh Museum in Amsterdam het schilderij Chrysanten in een groene vaas van Vincent van Gogh van de muur. Bij andere kunstinstellingen en -handelaren namen ze eveneens schilderijen in beslag, waaronder een kostbaar zelfportret van Rembrandt uit 1632 en het schilderij Jeune Arabe van Kees van Dongen. In een depot op een bedrijventerrein langs de A12 bij Den Haag verdwenen zesenvijftig kunstwerken in de verhuiswagens. Topstukken van Karel Appel, Renoir, Henry Moore, Bonnard, Braque, Dubuffet, Picasso en Monet, beelden van Modigliani en Giacometti, wandkleden, tapijten en een afzichtelijk lelijk ivoren paard.

    Krijgen is de kunst
    De advocaat trad op namens de Luxemburgse vestiging van ABN Amro. De rechter had hem toestemming gegeven om de kunstwerken ‘in vuistpand’ te nemen. Tegelijkertijd deed een andere bank, JP Morgan Chase, verwoede pogingen beslag te leggen op dezelfde schilderijen. Ook voor deze bank reden deurwaarders en verhuizers door Nederland. Maar telkens als het team van JP Morgan ergens verscheen, waren de kunstwerken al weggehaald door het ABN Amro-team. In de jacht op de schilderijen viste JP Morgan achter het net. Bij beslagleggingen geldt: hebben is hebben, krijgen is de kunst. De partij die het eerst beslag heeft gelegd, heeft juridisch de meeste rechten op het onderpand. Een claim van JP Morgan op de door ABN Amro in beslag genomen schilderen werd door de rechter dan ook resoluut afgewezen.

    De collectie, met een geschatte waarde van 100 miljoen euro, was eigendom van Louis Reijtenbagh. Reijtenbagh is vermoedelijk de grootste particuliere speculant in de Nederlandse geschiedenis. Begin 2009 verkeerde Reijtenbagh in geldnood. De kredietcrisis die in de loop van 2007 was begonnen en die in september 2008 was uitgegroeid tot een wereldwijde financiële crisis, had hem hard geraakt. Hij stond voor ruim 52 miljoen euro in het krijt bij ABN Amro, en voor 33 miljoen dollar bij JP Morgan Chase. Als zekerheid voor die leningen had hij aan beide banken zijn kunstcollectie in onderpand gegeven. Dat wisten de banken niet van elkaar.

    Speculerende huisarts
    Gezicht op de bocht van de Herengracht van de zeventiende eeuwse schilder Gerrit Adriaensz Berckheyde behoorde eveneens tot het onderpand. Zonder de banken hiervan in kennis te stellen had Reijtenbagh dit Amsterdamse stadsgezicht op 30 september 2008 voor ruim een miljoen euro verkocht aan het Rijksmuseum in Amsterdam. De curator van het museum wist niet dat hij een schilderij had aangeschaft, dat volgens het contract met de banken aan de muur moest hangen van Reijtenbaghs appartement in New York.

     


       
    Louis Reijtenbagh (1946) is geboren in Den Ham, in het Overijsselse veengebied tussen Almelo en Ommen. Hij studeerde medicijnen en begon in de jaren zeventig een huisartsenpraktijk in Almelo. De dokter had niet alleen aandacht voor zijn patiënten, ook voor de koers van de dollar. Met wat geld dat hij van zijn ouders had geërfd, begon Reijtenbagh te speculeren door dollars op de termijnmarkt te verkopen. Deze dollarspeculaties leverden hem, naar verluidt, rond twintig miljoen gulden op. De huisarts had de smaak van beleggen te pakken.

    De strategie van Reijtenbagh was dat hij short ging: termijnverkoop van een valuta of aandeel tegen de koers van het moment en levering op een tijdstip in de toekomst, erop speculerend dat in de tussenliggende periode de koers zou zakken zodat hij het voor een lagere prijs zou kunnen aanschaffen dan die waarvoor hij het verkocht had. Daarnaast kocht hij obligaties van bedrijven die op het punt stonden bankroet te gaan. Die obligaties werden voor een fractie van de prijs verhandeld. Als de curatoren er in slaagden geld uit de boedel te halen, waren de obligaties meer waard dan wat Reijtenbagh er oorspronkelijk voor had betaald. Het was een risico, maar een gecalculeerd risico. Over een periode van een aantal jaren verdiende hij er honderden miljoenen guldens mee.

    Jakhals
    Reijtenbaghs manier van speculeren werd vergeleken met de wijze waarop een hyena of een jakhals een verzwakt dier in een kudde als prooi uitkiezen. ‘Hij weet vertrouwen te wekken en gaat er vervolgens met de buit vandoor,’ omschreef een advocaat de ‘methode-Reijtenbagh’ in een kranteninterview. ‘Hij is levensgevaarlijk. Als hij je bedrijf binnenkomt, is er sprake van alarmfase één.’

    Eind jaren tachtig verdacht Justitie Reijtenbagh van handel met voorkennis in aandelen Fokker, de vliegtuigfabriek die in zwaar weer was geraakt. De zaak liep met een sisser af. Enkele jaren later deed Justitie een inval bij Reijtenbagh in verband met verdenking van handel met voorkennis, deze keer in aandelen DAF. Er werden afschriften gevonden van een Zwitserse bankrekening die hij voor de fiscus verzwegen had. Hij kwam er met een boete van af. Reijtenbagh, inmiddels naar België verhuisd, kocht in Brasschaat het domein Caterheyde, een kolossale villa op elf hectare grond. Voortaan hield hij kantoor in Antwerpen.

    Zijn beleggingsactiviteiten heeft Reijtenbagh ondergebracht in talloze juridische constructies, onder meer gevestigd in Curaçao, de Maagdeneilanden, de Kaaimaneilanden, Monaco, Zwitserland en Luxemburg. Volgens een jurist die er kennis van heeft genomen, zijn het er zoveel, dat het een onbestuurbaar complex is. De fiscale voordelen van vestiging in belastingparadijzen wegen vermoedelijk niet op tegen de kosten van het beheer. Daar staan ondoorzichtigheid en niet-traceerbaarheid voor de autoriteiten tegenover.

    Lange adem
    ‘Reijtenbagh weet wat hij doet en hij doet wat hij weet,’ zegt iemand die vertrouwd is met zijn manier van werken. Zijn financiële succes heeft hem een gevoel van onaantastbaarheid gegeven en een indrukwekkend vermogen opgeleverd. Het tijdschrift Quote schatte zijn vermogen op 590 miljoen euro –  voordat hij in problemen kwam in 2008. Volgens het Amerikaanse Forbes (in 2009) beschikte Dr. Louis Reijtenbagh over een miljard dollar aan vermogen. 

    De Reijtenbagh methode is ook een kwestie van lange adem. Jaren geleden kocht hij tegen een zeer lage prijs obligaties van de Bell Group, een Australische vennootschap waarvan een dochtermaatschappij om fiscale redenen gevestigd was op belastingparadijs Curaçao.
    De Bell Group was onderdeel van het zakenimperium van Alan Bond, een even kleurrijke als omstreden Australische zakenman. Op het toppunt van zijn expansie beheerde de Bond Corporation mijnbouwbedrijven, brouwerijen, goudmijnen, tv-zenders, onroerend goed en een fabriek voor zeppelins. Van Robert Holmes a Court, een andere Australische tycoon, kocht Bond in 1987 de Bell Group, een conglomeraat van mijnbouw- en mediabedrijven. Onder de last van steeds hogere schulden stortte het bedrijvenconglomeraat in en in 1992 werd het bankroet uitgesproken over de Bond Corporation. Vijf jaar later, in 1997, ging de Bell Group failliet.

    Reijtenbagh beschikt met zijn obligaties van de Bell Group over een claim op de boedel van het voormalige conglomeraat van Alan Bond. In de omvangrijkste faillissementszaak die ooit in Australië heeft gespeeld, hebben de rechters eind 2008 uitspraken gedaan, waardoor een uitkering mogelijk wordt van 1,5 miljard Australische dollar (ruim 1 miljard euro) aan de obligatiehouders. Juridisch is het nog niet uitgevochten, maar als het ooit zover komt, loopt Reijtenbagh heel erg binnen.

    In het rood
    Eind 2008 stond de financiële positie van Louis Reijtenbagh er minder florissant voor. Door de crisis waren zijn speculatieve posities diep in het rood beland. De banken waarbij hij kredieten had opgenomen met zijn kunstcollectie als onderpand, raakten bezorgd.
    Reijtenbagh wilde dat JP Morgan Chase Bank een kredietlijn van 33 miljoen dollar verlengde. Maar de Amerikaanse bankiers eisten eerst meer zekerheid over de locatie van zijn schilderijen, want daarover bestond nogal wat onduidelijkheid.

    De bankiers van JP Morgan werden zenuwachtig. Op 2 april 2009 eisten hun advocaten van JP Morgan schriftelijk dat Reijtenbagh de schilderijen die in onderpand waren gegeven, zou overdragen. Twee dagen later kwamen agenten van de New Yorkse politie het appartement van Reijtenbagh in de Trump Tower aan Fifth Avenue binnen. Ze werden vergezeld door Louisa O’Hanlon, account manager van Reijtenbagh bij JP Morgan, voorzien van een gerechtelijk bevel om het appartement leeg te halen. Waar de schilderijen hadden moeten hangen, zag O’Hanlon kale plekken op de muur en lege haakjes. Vader en zonen Reijtenbagh hadden in de tussenliggende maanden de collectie naar Europa verscheept.

    Toen het Rijksmuseum op 6 oktober 2008 vol trots de aankoop van het Gezicht op de bocht van de Herengracht openbaar maakte, sloeg men ook bij ABN Amro alarm. Bij de Luxemburgse vestiging van wat inmiddels een staatsbank was, stond Reijtenbagh voor 52 miljoen euro in het krijt, met dezelfde collectie inclusief het schilderij van Berckheyde als onderpand.  Nadat rivaal JP Morgan op 4 april in New York bot had gevangen bij de inval in het appartement in de Trump Tower, ging ABN Amro in Nederland razendsnel tot actie over.
       
    Een team chauffeurs van een transportbedrijf gespecialiseerd in kunst kreeg opdracht om met een slaapzak en kleding voor twee dagen paraat te zijn. Pas toen ze op vrijdag 17 april 2009 in alle vroegte onderweg waren, kregen ze instructies naar welke locaties ze moesten rijden. Ondertussen spoedde een advocaat zich die dag vijf keer naar de rechtbank in Amsterdam voor toestemming om schilderijen en kunstwerken van Reijtenbagh in beslag te laten nemen door de gerechtsdeurwaarders.

    Het schilderij Gezicht op de bocht van de Herengracht liet het team van ABN Amro ongemoeid in het Rijksmuseum hangen. ABN Amro wilde geen rel en de publiciteit rond het schilderij was groot, maar de financiële waarde ervan was beperkt. Na maanden van gesteggel met advocaten kwam Reijtenbagh overeen hoe hij de kredieten van ABN Amro en JP Morgan zou terugbetalen. Daarop werd het beslag op de kunstcollectie opgeheven. Op 4 en 5 november 2009 kwam de collectie onder de hamer bij het veilinghuis Sotheby’s in New York. Met de opbrengst, 60 miljoen dollar, werd het restant van de bankleningen afgelost.

    Louis Reijtenbagh was zijn kunstcollectie, inclusief het schilderij van Berckheyde, kwijt. De grachtengordel van Amsterdam, waarvan de ‘Gouden Bocht’ van de Herengracht het hoogtepunt in de geschiedenis van de Nederlandse financiële rijkdom symboliseert, is in 2010 uitgeroepen tot werelderfgoed.


    Dit artikel is een ingekorte versie van het hoofdstuk over Louis Reijtenbagh in het boek Grof Geld, financiële schandalen en speculaties in Nederland, van Roel Janssen dat op 27 januari 2011 verschijnt.
     

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Redactie

    Gevolgd door 241 leden

    Volg Redactie
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren