Dode liberalen over 'het grote dikke ik', hebzucht en graaiers

    Afgelopen vrijdag kwam premier Mark Rutte op het VVD-congres verrassend uit de hoek door een moreel appèl te doen op graaiende bankiers. Zijn reeds lang geleden overleden liberale collegae pakten de roofzuchtige elite veel harder aan. Jesse Frederik schreef daar een prachtig artikel over.

    'Ik erger me kapot aan bankiers die zeggen dat bonussen nodig zijn, omdat ze in het buitenland zo veel meer kunnen verdienen. Dan denk ik: "toedeledoki. Ga dan!". Ik zie het nooit gebeuren.' Vorige week vrijdag sprak premier Rutte deze woorden op het VVD-congres in Arnhem. Het was voor het eerst dat de voorman van de door integriteitskwesties geplaagde VVD zich mengde in het debat over bankiersbeloningen en de hufterige mentaliteit van de 'mensen die geloven in het Grote Dikke Ik' onder vuur nam. Zijn dode liberale voorgangers hakten veel vaker en geloofwaardiger met dit bijltje, zoals Jesse Frederik hieronder uitvoerig beschrijft.   ‘Men is getuige geweest van de beursmanoeuvres, waardoor in korte jaren speculanten millioenen samenraapten. Men heeft gezien hoe de Gründer de zakken ledigden van talrijke slachtoffers en de spaarpenningen van armen en weezen in enkele avonden verbrasten .... Men heeft het gezien hoe industriëelen en planters door lage loonen, door de armoede en ellende van duizenden arbeiders tot machtige kapitalisten zijn geworden. Men is getuige geweest van de mislukte werkstaking, van den honger en het bloedig verzet, en men verneemt slechts lof voor de energie van den meedoogenlooze en voor de edelmoedigheid van den egoïst, die tienduizend wegschenkt waar hij honderdduizend heeft bijeengegaard. ... Op zulke wijze wordt in onzen tijd ... het gevoel van onrecht geprikkeld en levendig gehouden.’ Nee, we lezen hier geen revolutionair tromgeroffel uit een ouderwets ronkend rood traktaat, maar de woorden van iemand wiens portret boven Mark Rutte zijn bureau in het Torentje hangt, iemand die de premier in zijn eerste regeringsverklaring zelfs aanhaalde als lichtend voorbeeld: onze laatste liberale premier Pieter Cort van der Linden (1846-1935). Dat een liberaal econoom als Cort van der Linden zich zo laatdunkend uitlaat over de wijze waarop de vermogens van de bestbeloonden zijn vergaard zal de aanschouwer van het hedendaags liberalisme misschien verbazen. Het was in de negentiende eeuw echter niet vreemd voor liberalen om neer te kijken op de bovenklasse, sterker nog, het was juist één van de speerpunten van het liberalisme. Wat valt er nog te leren van dit oude liberalisme? Van de ideeën van deze dode economen?

    Overhandiging van het portret van Cort van der LindenRutte ontvangt een portret van Cort van der Linden

    Onverdiend inkomen

    Liberalisme is de doctrine van eigen verantwoordelijkheid, van afwijzing van staatsinmenging en geloof in particulier initiatief. Mensen zijn niet gelijk en kunstmatige gelijkheid van inkomen is dan ook niet nastrevenswaardig. Geen socialistisch ‘van ieder zijn vermogen naar elk volgens hun behoeften’, maar het liberaal ‘ieder arbeidende naar zijn vermogen en genietende naar zijn verdiensten’. Het doel is niet gelijkheid van uitkomsten, maar gelijkheid van kansen. Tot zover weinig verschil tussen Rutte en zijn laat negentiende eeuwse voorgangers. Bij de invulling van dat liberale ideaal van de ‘produktieve deugd’ – dat ieder de vruchten moet plukken van zijn eigen arbeid – scheiden de wegen echter drastisch. Liberalisme in de negentiende eeuw was in menig opzicht een rebelse beweging. De overblijfselen van vorige generaties, waarin een aristocratie, een rijke bovenklasse van grond- en kapitaalbezitters, alle macht en rijkdom in handen had, moest worden uitgeroeid. De noeste arbeid van de middenklasse werd afgezet tegen het ‘parasitisme’ van de rentenierende profiteurs aan de bovenkant. ‘Ieder die nadenkt over de verhoudingen van den mensch tot het goed der aarde, zal getroffen worden door het feit dat vaak hij die arbeidt, arm is, terwijl hij die ledig door het leven gaat zich baadt in overvloed,’ stelde van der Linden vast. ‘Vaak maaien zij die niet hebben gezaaid, en zij die den akker bereiden deelen niet in den oogst.' Een onwenselijke situatie vonden de liberalen. Steeds meer liberalen raakten er aan het eind van de negentiende eeuw van doordrongen dat het ‘vrije spel van economische krachten’, de negentiende eeuwse benaming voor marktwerking, er dikwijls voor zorgde dat het liberale ideaal uit zicht raakte. ‘Het laisser faire kan [de vrijheid] bevorderen, maar evenzeer belemmeren,’ schreef Cort van der Linden in 1886 in een brochure over de toekomst van de liberale partij. ‘Wanneer door de onthouding der overheid de heerschappij van het toeval in de hand wordt gewerkt, de ongelijkheden der bestaande wetgeving worden bestendigd, en de overmacht van enkelen wordt begunstigd, is het laisser faire eene valsche leuze. Het bevordert niet de vrijheid, maar belemmert haar.’

    johnstuartmill John Stuart Mill (1806-1873)

    De inrichting van de maatschappij zorgde er niet als vanzelve voor dat hij die produceert ook verdient. Niet elke vorm van inkomen was gelijk. Als iemand iets kon verdienen in de markt dan was dit nog niet automatisch terecht. Volgens John Stuart Mill (1806-1873), de Britse filosoof-econoom en zo mogelijk de bekendste liberaal van de negentiende eeuw, bestond er zogenaamd ‘unearned income’. Er waren klassen in de maatschappij die, door toeval, regelgeving en omstandigheden, een groter deel van de nationale productie kregen toegewezen dan hun maatschappelijke verdiensten rechtvaardigden. In zulke gevallen was het zelfs voor de rechtgeaarde liberaal geoorloofd om in te grijpen. ‘It is not the fortunes that are earned, but those which are unearned, that it is for the public good to lay under limitation,’ concludeerde Mill. De vraag is natuurlijk: wat is zulk onverdiend inkomen en waarom?

    De ondeugd van Heineken

    Op nummer één van de Quote 500 lijst van rijkste Nederlanders prijkt Charlene de Carvalho-Heineken. Haar vermogen heeft ze vooral te danken aan de erfenis van vader Freddy Heineken. Bij zijn overlijden in 2002 erft Charlene een aandelenpakket ter waarde van 3,7 miljard euro. Daarmee is Charlene op slag de grootste aandeelhouder in bierbrouwer Heineken en één van de rijkste Nederlanders. John Stuart Mill zou er niet blij mee zijn. Voor hem was overgeërfd inkomen bij uitstek een vorm van ‘onverdiend inkomen’. Charlene heeft het gros van haar inkomen immers niet te danken aan haar eigen inzet, maar aan de inzet van haar ouders. Het toeval van geboorte wil nou eenmaal dat de één door overerfenis rijk wordt geboren en de ander arm. Dat heeft niks met de productieve deugd te maken, waarin ieder krijgt waar hij voor werkt, maar meer met het aristocratische ideaal, waarin de verschillende klassen van de maatschappij al vast liggen. Mill stelde daarom voor om het erfrecht te beperken en erfenissen en giften extra te belasten, zodat inkomsten en verdiensten beter met elkaar op één lijn worden gebracht. Het contrast met de moderne liberaal is op dit punt groot. 'Het is de minst rechtvaardige van alle belastingen,' zei Rutte in 2008 nog over de erfbelasting. 'Je hele leven betaal je al belasting en als je per ongeluk wat overhoudt, komt het blauwe gevaar nog een keer langs.' Op termijn, zo vond onze huidige premier, moest deze ‘sterftaks’ maar volledig afgeschaft worden.

    ‘De ridders van de conjunctuur’

    World Online werd het toonbeeld van de internetzeepbel, de financiële gekte aan het begin van vorig decennium. In 2000 brachten zakenbanken Goldman en ABN/AMRO het bedrijf naar de beurs voor een introductiekoers van 43 euro per aandeel (bedrijfswaarde: 12 miljard euro). Daarmee was World Online in een klap meer waard dan veel gevestigde namen in het Nederlandse bedrijfsleven. Veel soeps was het niet. De aandelen kelderden daags na de beursgang en uiteindelijk werd het bedrijf met een koersverlies van 83 procent verkocht aan de Italiaanse telecomgigant Tiscali. Toch werd een aantal mensen schatrijk aan de mislukking van World Online. Oprichtster Nina Storms kwam er met een geschat vermogen van 240 miljoen euro goed van af. Nog beter scoorde Dik Wessels, nummer drie in de Quote 500 met een geschat vermogen van 2,1 miljard. Hij verdiende ongeveer 600 miljoen euro op de beursgang van World Online. De negentiende eeuw werd, net als onze tijd, geplaagd door financiële excessen. De internetbubbels van die tijd - Britse kanalen, Amerikaanse spoorwegen, Surinaamse waardepapieren, Duitse ondernemingen - richtten al evenveel financiële schade aan als in het heden. ‘Met een regelmatigheid welke bijna aan eene wet zou doen denken, zijn in onze eeuw de tijden van voorspoed, crisis en malaise elkaar opgevolgd,’ zo constateerde van der Linden in 1887. De volgende financiële krach – ditmaal was speculatie in Argentijnse staatsobligaties de aanstichter – zou drie jaar later volgen.
    Pieter Cort van der Linden analyseerde de oorzaken van de financiële crises en oordeelde hard over de speculerende elite
    Pieter Cort van der Linden analyseerde de oorzaken van de financiële crises en oordeelde hard over de speculerende elite, ‘de ridders van de conjunctuur’, een nieuwe klasse die door ‘spel en toeval’ rijk was geworden. Een klasse ‘welke uit bekwame en gelukkige, maar niet zelden weinig fijn beschaafde burgers is samengesteld, eene klasse ... die weldra in invloed en aanzien de oude aristocratie evenaarde en zelfs overtrof.’

    'Productieve deugd'

    In beeldende taal beschreef hij de wijze waarop het grote geld verdiend werd in de hausse jaren. ‘Met het geld van anderen worden zwakke kansen gewaagd om bij verlies zelf zonder kleerscheuren te ontsnappen en bij winst het leeuwendeel in den zak te strijken. Door de groote geldmannen worden leeningen aan de markt gebracht zonder eenigen waarborg of mogelijkheid van slagen en wanneer de actieën snel dalen en de kleine man bedrogen uitkomt, zijn de winsten der grooten reeds lang in veilige haven. De koersen worden geforceerd, door valsche berichten op- en afgedreven en stelselmatig het publiek om den tuin geleid en uitgeschud. Schurkenstreken zijn bedreven op groote schaal waartegen de wet machteloos was, en, waar de wet al sprak, bleef vaak de justitie stom.’
    De financiële sector moest op de schop: er moest scherper toezicht komen op financiële instellingen
    De ‘produktieve deugd’, het goed burgerschap dat de liberalen voorstonden, was hier ver te zoeken. ‘De ridders van de conjunctuur’ verdienden immers hun geld met activiteiten ‘welke met arbeidzaamheid of verdienste in geenerlei verband staan’. Het financiële spel was hun beroep en de maatschappelijke meerwaarde van dit spel was volstrekt onduidelijk. ‘Men speelt in fondsen, men speelt in goederen, men is koopman in graan, in olie en tabak, niet om op enigerlei wijze in bestaande behoeften te voorzien, maar om te dobbelen.’ Dat zag Cort van der Linden niet zitten. De financiële sector moest op de schop: er moest scherper toezicht komen op financiële instellingen (indertijd was dit er nog nauwelijks). En, verrassender voor een liberaal, de staat moest het goede voorbeeld geven, door zelf bankinstellingen op te richten. ‘Door het gestelde voorbeeld [werkt de staat] betrouwbaar beheer van fondsen in de hand.’ Hij was dan ook een groot voorstander van de oprichting van een Rijkspostspaarbank en pleitte tevens voor oprichting van een staatsverzekeringsmaatschappij. Ironisch genoeg zouden het een kleine honderd jaar later kabinetten waar de liberale collegae van de VVD zitting in hadden zijn die de Postbank privatiseerden. De overheid behoorde juist geen oneerlijke concurrentie te voeren met het bedrijfsleven vonden de liberalen. De Postbank fuseerde in 1989 met de NMB Bank om uiteindelijk op te gaan in de grote bankverzekeraar ING Bank. postbank Van der Linden wilde ook een progressieve vermogensbelasting om de geldelite aan te pakken. De rentenier verdiende onevenredig veel op zijn vermogen vond hij. Sparen was een deugd, maar voor de rentenier was het makkelijk sparen. Naarmate iemand vermogender is ondervindt hij minder genot aan zijn geld, veronderstelde van der Linden. De eerste Ferrari (of in zijn tijd waarschijnlijk een kekke koets) levert nog veel genot op, de tweede al wat minder, en de derde nog minder. Elke euro die de rijkaard kon uitgeven leverde verhoudingsgewijs dus minder op. Als de vermogende rentenier een deel van zijn geld spaarde gaf hij daar eigenlijk ook steeds minder genot voor op. Toch kreeg hij voor 1.000 euro even veel rente als voor 100 euro. Terwijl het de rijkaard dus minder kostte om te sparen, ontving hij niettemin dezelfde rente. Onterecht vond van der Linden. Rente was in zijn wereld een beloning voor de moeite van het sparen, als die moeite kleiner is dan moet ook de beloning kleiner. Een vermogensbelasting was hier op zijn plaats. Ook hier zal de VVD - kamerlid Helma Neppérus beklaagde zich onlangs nog over de drukkende vermogensbelasting in deze tijden van lage rente - zich moeilijk mee kunnen verenigen.

    De euthanasie van de vastgoedrentenier

    Eén van de voornaamste manieren waarop kapitalen in het afgelopen decennium werden vergaard was met vastgoed. Als fruitvliegen op een rotte banaan cirkelden de makelaars, projectontwikkelaars, huisjesmelkers, vastgoedadviseurs, architecten, woningspeculanten en banken rond de vetpot van de vastgoedmarkt. Prijzen van woon- en kantoorruimte stegen tot een paar jaar geleden exorbitant. Als het over vastgoed gaat, gaat het eigenlijk vaak over de grond. De stenen zelf worden alleen maar minder waard. Net zoals een machine onderhoud nodig heeft en uiteindelijk vervangen moet worden, zo zijn ook de stenen aan slijtage onderhevig. Toch stijgt de waarde van woningen, kantoren en ander vastgoed in de regel. Dat is niet omdat de stenen meer waard worden, maar omdat de grond waarop ze gebouwd is meer waard wordt. Stel iemand had rond 1995 lappen grond aan de Amsterdamse Zuidas aangekocht. Plots besluit de gemeente: er moeten wolkenkrabbers komen, spoorlijnen, metro’s, de Zuidas moet het zakelijk hart van Amsterdam worden. Op slag stijgt de waarde van de grond. Niet omdat de grondbezitter zich daar nou zo voor heeft ingespannen, maar omdat de locatie, door de inzet van de gemeenschap, aantrekkelijker wordt.

    Onverdiend inkomen

    Adam Smith en David Ricardo, de eerste van de liberale economen, aanschouwden zulke grondwaardestijging al met afgrijzen. Niet in de laatste plaats, omdat de grond in hun eigen Groot-Brittannië grotendeels in handen was van een kleine groep aristocraten. Zulke ‘grondrente’ was bij uitstek een vorm van onverdiend inkomen. Het grote vastgoedspelletje viel aan het eind van de negentiende eeuw vooral samen met de bouw van spoorwegen en telegrafen. Verkeersknooppunten zouden spoedig meer waard worden en het was daarom zaak om zoveel mogelijk grond rond dit soort punten op te kopen. De toepassing van telegrafen, spoorwegen en stoommachines van allerlei aard zorgde volgens van der Linden voor ‘de sterke stijging der grondrenten en de onophoudelijke stroom van het platteland naar de zich vormende centra van verkeer’. Hierdoor verkregen ‘enkele gelukkige eigenaars ... al slapende duizenden en millioenen’. Ook hier was overheidsingrijpen dus gerechtvaardigd. Alleen over de manier waarop verschilden de liberalen van mening. John Stuart Mill stelde voor om een fikse grondbelasting te heffen. ‘Landed property enjoys a special advantage over other property, and for that special advantage it ought to pay,’ constateerde hij.

    WITS01_0000166427_X Marie Willem Frederik Treub (1858-1931)

    In Nederland kozen de liberalen liever voor een andere –radicalere- methode: landnationalisatie. Het liberale Amsterdamse gemeenteraadslid Willem Treub (1858-1931) voerde in 1896 de erfpacht in. Hij stelde voor om ‘de waardevermeerdering van bouwterreinen, om en nabij de zich uitbreidende steden te doen toekomen aan de gemeente.’ Het was immers de ‘plaatselijke gemeenschap, welke door haar uitzetting van die waardevermeerdering de eenige oorzaak is.‘ Ook hier is het verschil met het heden duidelijk voelbaar. De VVD is de vastgoedpartij van Nederland. Als één van de laatste partijen hield ze vast aan het behoud van de hypotheekrenteaftrek, een subsidie op vastgoedbezit, en het omgekeerde van wat de negentiende eeuwse liberalen voor ogen hadden – namelijk een belasting op grondbezit. Nog ironischer: de Amsterdamse VVD probeert al tijden het erfpachtstelsel, per slot van rekening door een liberaal ingevoerd, af te zwakken, dan wel af te schaffen.

    Contextloos liberalisme

    Tegenwoordig gebruiken liberalen nog wel de taal van de produktieve deugd, maar het heeft al lang niet meer dezelfde betekenis als het had bij haar negentiende eeuwse voorgangers. Menig vorm van inkomen die vroegere liberalen veroordeelden, wordt door de hedendaagse liberaal juist toegejuicht. Eigenlijk ben je maar een zuur links figuur als je de inkomensvergaring van onze economische winnaars bekritiseert. Dat is nogal ironisch, aangezien de analyse van het ‘onverdiend inkomen’ een liberale vinding is. Vrijwel alle klassieke economen in de negentiende eeuw deelden de economie op in verschillende klassen (grondbezitters, kapitalisten en arbeiders). Hieruit vloeide een economische analyse van de inkomensdistributie voort. Daarbij was ook de enigszins filosofisch aandoende vraag wie nu eigenlijk maatschappelijke waarde creëert onderwerp van discussie. Onverdiend inkomen ontstond wanneer er klassen waren die verdienden, zonder waarde te creëren. Het was de opkomst van een nieuwe school in de economie, de marginalisten, die een einde maakte aan de klasse- en waardeanalyse van weleer. De marginalisten hielden zich niet meer bezig met de vraag wie nu eigenlijk ‘waarde’ creëerde. Een heilloos vraagstuk vonden ze. Waarde was subjectief, niet objectief: als twee partijen vrijwillig besluiten om tot een overeenkomst te komen dan denken blijkbaar beide partijen dat ze beter af zijn. Of zoals John Bates Clark (1847-1937), één van de grondleggers van het marginalisme, het in de openingszin van zijn magnum opus stelde: ‘Het is het doel van dit boek om te laten zien dat de distributie van inkomen gereguleerd wordt door een natuurwet die, wanneer deze zonder frictie haar werk kan doen, aan ieder doet toekomen wat hij of zij produceert.’ En zo was er geen probleem meer van ‘onverdiend inkomen’, zolang de natuurwet, het spel van vraag en aanbod, maar ongeremd haar heilzame werk kon doen.
    De systematische analyse van onverdiend inkomen is verdwenen
    De hedendaagse economie, net als het hedendaagse liberalisme, gaat nog immer uit van dit marginalisme. ‘De vrije marktorde is in economische zin de uitdrukking van het liberale uitgangspunt dat het individu zoveel mogelijk naar eigen keuze over zijn lot moet kunnen beschikken,’ zo valt in het VVD beginselprogramma te lezen. ‘Een vrije markt biedt de meest efficiënte toedeling van arbeid, kapitaal, goederen en diensten en is een voorwaarde voor een optimaal welvaartsniveau.’ Liberalisme is zo contextloos geworden. Het maakt niet uit hoe iets verdiend is, zolang het in de vrije markt geschiedt – wat dat ook moge zijn – is het terecht verdiend. Natuurlijk maakt ook de moderne liberaal hier uitzonderingen op, maar het zijn uitzonderingen, de systematische analyse van onverdiend inkomen is verdwenen. De interessante filosofische vragen van weleer zijn zo terzijde geschoven, maar niet opgelost. Nog altijd wordt het liberale rechtvaardigheidsgevoel geprikkeld door de velen die verdienen zonder inzet. Cort van der Linden en John Stuart Mill zouden hoofdschuddend de Quote 500 lezen -- vol van miljarden verworven met activiteiten van twijfelachtige maatschappelijke waarde, algoritmehandelaren, vastgoedmannen, financieel ingenieurs en zonen en dochters van, onverdiend inkomen te over. Natuurlijk, elke rechtgeaarde liberaal moet de kwantitatieve gelijkheid die socialisten nastreven, het ordinaire nivelleringsgeloof, afwijzen, maar de liberaal zou ook beter kunnen kijken naar de kwalitatieve gelijkheid. De afgelopen decennia bieden in ieder geval volop aanleiding om eens te reflecteren op de vergaarde rijkdom. Is dit nu echt allemaal verdiend door knap ondernemerschap, of ook door ordinair rentenieren, door noeste arbeid, of ook door toeval en spel? De liberale economen uit het verleden zouden het wel weten.   Dit artikel werd eerder in november 2013 op Follow the Money gepubliceerd

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Jesse Frederik

    In de zomer van 2011 ontvingen we per email een open sollicitatie van de 22-jarige Jesse Frederik uit Nijmegen die zichzelf o...

    Volg Jesse Frederik
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren