Still uit de melkreclame van Dutch lady, een merk van FrieslandCampina en een van de topproducenten op de Aziatische zuivelmarkt.
De vleesindustrie

Van stikstofcrisis tot dierenwelzijn: Follow the Money onderzoekt de belangen in de dierenbusiness. Lees meer

De intensieve veehouderij speelt in veel hedendaagse vraagstukken een centrale rol: de stikstofcrisis, de uitstoot van broeikasgassen, de opkomst van zoönosen. Follow the Money onderzoekt de belangen in de dierenbusiness.

Nederland heeft de ambitie de wereld te voeden met vlees, eieren en zuivelproducten. Jaarlijks exporteren we voor ruim 16 miljard euro aan vlees (8,7 miljard) en zuivel (8,2 miljard). Daar staat tegenover dat we granen en soja moeten importeren (ter waarde van zo’n 3 miljard euro) om al onze koeien, varkens, geiten en kippen te kunnen voeden.

Intussen wordt de grootschalige vleesindustrie een steeds groter probleem. Ze legt meer en meer beslag op de schaarse ruimte, vergiftigt de bodem en het (drink)water, en staat aan de wieg van dierziekten die soms ook mensen kunnen treffen (Q-koorts). En dan de dieren zelf. Steeds minder mensen vinden het acceptabel dat ze louter omwille van onze honger naar vlees worden geboren, vetgemest en geslacht.

In dit dossier onderzoekt Follow the Money de belangen achter de vleesindustrie, of en hoe er veranderingen mogelijk zijn, en welke krachten een omwenteling in de weg staan.

10 Artikelen

Still uit de melkreclame van Dutch lady, een merk van FrieslandCampina en een van de topproducenten op de Aziatische zuivelmarkt. © Vimeo / Dyrdee

Minder methaangas door krimpende veestapel kan geld en klimaatwinst opleveren

Nieuwe wetenschappelijke inzichten suggereren volgens de zuivelsector dat de methaanuitstoot van koeien nauwelijks invloed heeft op klimaatverandering. Dat is slechts het halve verhaal: uit dezelfde inzichten blijkt dat een krimpende veestapel juist een grote bijdrage kan leveren aan de strijd tegen de klimaatramp en nog geld opleveren ook. ‘Een zeldzaam stukje goed nieuws.’

Dit stuk in 1 minuut
  • Koeien dragen nauwelijks bij aan een opwarmende aarde. Dat zeggen tenminste verschillende voedsel- en landbouworganisaties;

  • Op zich hebben ze een punt: je kunt op een andere manier kijken naar de uitstoot van koeien;

  • Maar. Dat nieuwe inzicht leert ook dat het inkrimpen van de veestapel een nóg belangrijker wapen is in de strijd tegen klimaatverandering;

  • Er bestaat fundamentele kritiek op de klassieke manier waarop het broeikasgas methaan met koolstofdioxide wordt vergeleken; 

  • Methaan uit een constante bron blijkt minder schadelijk voor het klimaat dan werd aangenomen;
  • Daar tegenover staat dat methaan uit een veranderende bron, een krimpende of groeiende veestapel bijvoorbeeld, juist meer impact heeft op de strijd tegen klimaatverandering dan tot dusver werd gedacht; 
  • Dit nieuwe inzicht zou de boer geld moeten kunnen opleveren.
Lees verder

De laatste maanden is er veel te doen rondom de methaanemissies van koeien. Directe aanleiding is een zin hierover in het recente IPCC-rapport – hetzelfde rapport waarin de internationale klimaatwetenschap harder dan ooit waarschuwt voor de catastrofale gevolgen van klimaatverandering.

In het zevende hoofdstuk, over ‘het energiebudget van de aarde, klimaat feedbacks en klimaatgevoeligheid’ staat op pagina 123 deze zin: ‘Bij het gebruik van de GWP21 100 methode om methaanemissies in een CO2-equivalent uit te drukken, wordt het effect van constante methaanemissies op de wereldwijde temperatuur aan het aardoppervlak over een periode van twintig jaar drie- tot viermaal overschat, terwijl het effect van methaanemissies van een nieuwe bron vier- tot vijfmaal wordt onderschat in de twintig jaar nadat die nieuwe bron is geïntroduceerd.’

De Telegraaf concludeert op basis van deze zin dat ‘de koe uit de beklaagdenbank’ komt. De ‘klimaatimpact van de Nederlandse veestapel is jarenlang fors overschat,’ schrijft de krant er in koeienletters bij.

‘De koe komt uit de beklaagdenbank: de klimaatimpact van de Nederlandse veestapel is jarenlang fors overschat’

Bij diverse agrarische en voedselplatforms gaat de vlag uit. ‘Koeien zijn het probleem niet,’ schrijft Foodlog. ‘Melkveehouderij heeft geen impact op klimaatverandering,’ schrijft het vakblad voor de voedingsmiddelenindustrie Vork. Volgens Nieuwe Oogst wordt door het IPCC geconcludeerd ‘dat de invloed van koeien drie tot vier keer overschat wordt. Het gaat om methaan van zogenoemde “biogene oorsprong”.’ Volgens de boerenactivisten van het Farmer’s Defence Force is het een verhaal ‘dat niet vaak wordt verteld in de mainstream media,’ die ‘de wetenschappelijke feiten hebben vertroebeld’. 

De VVD stelt ondertussen zowel in Europa als in de Tweede Kamer vragen. ‘Ons beleid moet gebaseerd zijn op wetenschap,’ poneert Kamerlid Thom van Campen. ‘Als slimme koppen vaststellen dat de bijdrage van koeien veel minder groot is, dan moeten we dat serieus nemen.’

Wat is hier aan de hand? Draagt de methaan die koeien uitstoten echt niet bij aan de klimaatcatastrofe?

Het antwoord op die vraag is genuanceerd. Koeien stoten methaan uit, dat is duidelijk. Die methaan komt vrij wanneer bacteriën in de zuurstofarme pens van een koe helpen bij het verteren van gras en ander veevoer. Landbouw is de grootste bron van methaanuitstoot ter wereld, daarbinnen nemen koeien (en ander herkauwend vee zoals schapen en geiten) het leeuwendeel voor hun rekening. 

Maar inderdaad: je kan op een andere manier naar de methaanemissies van koeien kijken. Follow the Money sprak met de wetenschapper die een nieuwe rekenmethode rondom methaanuitstoot agendeert en legt uit wat er aan de hand is met de uitstoot van koeien. 

Laten we beginnen bij wat niemand ontkent: methaan is een broeikasgas. Het is zelfs een zeer potent broeikasgas. Als je in een afgesloten ruimte een kilo methaangas (CH₄) spuit, en je spuit in precies zo’n zelfde afgesloten ruimte een kilo koolstofdioxide (CO₂), dan houdt de methaan honderd tot honderdtwintig keer meer warmte vast dan de koolstofdioxide.

Methaan is niet zo stabiel

Maar: methaanmoleculen zijn niet zo stabiel. Onder invloed van onder meer zonlicht valt de koolwaterstofverbinding uiteen in waterdamp (H₂O), en koolstofdioxide, wat op zichzelf ook weer broeikasgassen zijn. De halfwaardetijd van methaan is ruim 9 jaar, wat betekent dat van de methaan die vandaag wordt uitgestoten over 9 jaar nog de helft in de atmosfeer resteert, over 18 jaar een kwart, over 27 jaar een achtste, en zo verder.

Waterdamp, een gas dat na het uiteenvallen van de methaan overblijft, verdwijnt op zijn beurt ook weer relatief snel uit de atmosfeer (als regen, sneeuw of hagel). 

Bij koolstofdioxide ligt dat echter anders. Koolstofdioxide is een heel stabiele molecuul. Het blijft in principe voor eeuwig in de atmosfeer. 

De enige manier om koolstofdioxide snel en op grote schaal weer uit de lucht te halen, is door middel van fotosynthese. Met andere woorden: door planten te laten groeien. 

Dossier

De vleesindustrie

De intensieve veehouderij staat hier centraal: de stikstofcrisis, de uitstoot van broeikasgassen, de opkomst van zoönosen.

Volg dit dossier

Tot zover de feiten waarover iedereen het eens is. De problemen ontstaan als de opwarmende effecten van koolstofdioxide en methaan met elkaar worden vergeleken. Want hoe doe je dat? Methaan is een enorm potent broeikasgas, maar is relatief snel uit de atmosfeer verdwenen. Koolstofdioxide veroorzaakt veel minder opwarming, maar doet dat honderden jaren lang. 

Toch heeft het vergelijken van de broeikasgassen een aantal praktische voordelen. Bijvoorbeeld voor beleidsmakers. Is het handiger om eerst alle vliegtuigen te verduurzamen, of kunnen we beter alles op alles zetten om methaanemissies in de landbouw terug te dringen? En is schaliegas, waar bij de winning veel methaan weglekt, nu beter of slechter dan steenkool? En hoeveel beter of slechter dan?

Eerst alle vliegtuigen verduurzamen, of alles op alles zetten om methaanemissies in de landbouw terug te dringen?

In verschillende berekeningen worden verschillende broeikasgassen op een verschillende manier met elkaar gewogen. De tot dusver meest gebruikte methode heet GWP100, wat staat voor de Global Warming Potential in 100 jaar. 

In GWP100 wordt berekend wat er gebeurt als je op hetzelfde moment een gram methaan en een gram koolstofdioxide uitstoot. Complexe rekenmodellen wandelen vervolgens met die twee broeikasgassen mee, slaan na een eeuw een piketpaaltje, en rekenen dan uit hoeveel warmte de twee verschillende gassen (en in het geval van methaan: een deel van zijn opvolgers) hebben vastgehouden. 

De uitkomst van die rekensom: na een eeuw heeft een gram methaan die vandaag wordt uitgestoten 28 keer meer warmte vastgehouden dan een gram koolstofdioxide die vandaag wordt uitgestoten. Methaan krijgt zo een GWP-waarde van 28 CO₂-equivalenten. 

Je kunt je voorstellen dat de gekozen tijdshorizon van enorme invloed is op deze uitkomst. Je kunt immers prima stellen dat we niet nog honderd jaar hebben om het overschrijden van cruciale tipping points in het klimaatsysteem te overschrijden, maar maximaal enkele decennia. Dat zou de klimaatimpact van methaan drastisch vergroten. Als je over twintig jaar een piketpaaltje slaat, dan blijkt een gram methaan die vandaag wordt uitgestoten maar liefst 84 keer meer warmte vast te houden dan een gram koolstofdioxide die vandaag de lucht in gaat.

Je kan ook een piketpaaltje slaan na duizend jaar

Je kunt echter ook het punt maken dat niet alleen wij, maar ook toekomstige generaties in een wereld moeten leven die niet te veel is opgewarmd. Je kan dus ook een piketpaaltje slaan na duizend jaar. Dan blijkt de gram methaan die vandaag wordt uitgestoten zelfs veel minder opwarming te veroorzaken dan een gram koolstofdioxide. 

Over de vraag wat de correcte tijdshorizon is kan je een eindeloze, bijna filosofische discussie voeren. Toch is dit niet het epicentrum van de discussie die nu plaatsvindt over methaan uit de veehouderij.

Impact methaan verkeerd begrepen

Dat epicentrum bevindt zich rond de allereerste aanname die in de GWP100-berekening gedaan wordt, namelijk: dat iedere molecuul methaan een nieuwe molecuul methaan is, die je net als koolstofdioxide kunt optellen bij eerdere moleculen die in de atmosfeer zijn uitgestoten. En dat is volgens professor in de geowetenschappen Myles Allen van de Universiteit van Oxford niet zo. Allen heeft aan verschillende alarmerende klimaatrapporten van het IPCC meegewerkt, waaronder meermaals als hoofdauteur van één van de hoofdstukken. 


Myles Allen, professor geowetenschappen, Universiteit van Oxford

"Wie per jaar één gram methaan extra uitstoot, veroorzaakt een extra opwarming die gelijk staat aan de uitstoot van maar liefst 128 gram koolstofdioxide"

Tijdens een videogesprek vertelt Allen dat de impact van methaan op het klimaat fundamenteel verkeerd wordt begrepen. Dat zit zo. 

Koolstofdioxide kan je vergelijken met een dekentje dat nooit meer weg gaat. Iedere keer dat je olie, gas of steenkool verbrandt komt er extra koolstofdioxide in de atmosfeer – een dekentje dat dus almaar dikker wordt. Zelfs als je helemaal stopt met het uitstoten van koolstofdioxide, wordt dat dekentje nooit meer dunner (tenzij je heel veel extra bomen en planten laat groeien, maar ook die mogelijkheden zijn aan grenzen gebonden). Het dekentje is permanent dikker geworden en daarbij hoort een permanent hogere temperatuur.

Bij methaan is dat anders. Als jij twintig jaar geleden één koe had, dan is een groot deel van de methaan die zij uitstootte inmiddels uit de atmosfeer verdwenen. Als je nog steeds één koe hebt, een nakomeling van die koe van twintig jaar geleden bijvoorbeeld, dan vervangt haar methaanuitstoot die van haar overgrootmoeder. Het dekentje wordt niet dikker, maar blijft gelijk. Het klopt dan niet dat iedere molecuul methaan extra opwarming van de aarde veroorzaakt, terwijl die aanname wel onder de GWP100-benadering zit. 

Met andere woorden: als het dekentje methaan om de aarde van gelijke dikte blijft, dan wordt de aarde daar niet extra warm van. De melkveestapel van een boer produceert weliswaar een methaandekentje, maar ondertussen wordt door de natuur een oud methaandekentje afgebroken.

Je moet op deze benadering wel nog een paar correcties uitvoeren, maar de uitkomst van deze benadering van professor Allen is dat de opwarming van de aarde door een constante bron van methaan veel kleiner is dan tot dusver werd aangenomen. Een boer die twintig jaar geleden een koe had, en vandaag nog steeds, veroorzaakt met die koe van vandaag minder klimaatverandering. Iedere gram methaan die de koe vandaag uitstoot, zou dan gelijk staan aan de opwarmende effecten van slechts 8 gram koolstofdioxide: 3,5 keer minder dan de GWP100-benadering veronderstelt.

Over ‘biogeen’ methaan

Laat duidelijk zijn dat klimaatwetenschappers geen uitspraak doen over de bron van de methaanuitstoot. Methaan is methaan, of het nu door koeien wordt opgeboerd of vrijkomt bij de winning van schaliegas. Wat de bron ook is: als jaar in jaar uit dezelfde hoeveelheid methaan wordt uitgestoten, dan stabiliseert na verloop van tijd ook de dikte van het methaandekentje om de aarde en het opwarmende effect ervan. 

In verschillende artikelen die nu over de methaanuitstoot van koeien verschijnen, wordt aangetekend dat koeien ‘biogeen’ methaan produceren. Er wordt uitgelegd dat koeien gras eten, methaan uitstoten, dat die methaan naar verloop van tijd vervalt tot koolstofdioxide, wat vervolgens door gras weer wordt opgenomen. 

Dat klopt op zich, maar dat is niet waar de discussie nu om draait. In de GWP100-benadering wordt namelijk evenmin de koolstofdioxide meegenomen die na het uiteenvallen van de methaan in de atmosfeer achterblijft. De redenatie daarachter is dezelfde: een groot deel van de methaan is afkomstig uit de veehouderij, waar ook weer koolstofdioxide wordt opgenomen. Hierin zijn GWP100 en de alternatieve methode dus gelijk: ze nemen de koolstofdioxide die na het uiteenvallen van de methaan in de atmosfeer achterblijft niet mee in het uiteindelijke opwarmende potentieel.

Lees verder Inklappen

Dit is de benadering waar de Nederlandse zuivelsector graag naar verwijst. Het aantal koeien in Nederland is namelijk al jaren redelijk stabiel. In 2000 waren er 1,5 miljoen melkkoeien in ons land, in 2020 waren dat er 1,6 miljoen. De methaan die de Nederlandse koeien uitstoten vervangt dus grotendeels de methaan van de koeien aan het begin van deze eeuw. Het extra opwarmende effect van de Nederlandse veestapel lijkt dan mee te vallen. 

Maar.

Waar uit deze methode blijkt dat een gelijkblijvende hoeveelheid uitstoot minder opwarming veroorzaakt dan in GWP100 wordt verondersteld, daar is het effect van een veranderende hoeveelheid uitstoot juist gigantisch. 

Neem een boer die aan zijn kudde een koe toevoegt. De uitstoot van zijn veestapel wordt permanent groter, het dekentje methaan om de aarde wordt permanent dikker. 

Het effect hiervan is gigantisch. Omdat methaan zo’n sterk broeikasgas is, veroorzaakt een permanent extra dikke deken veel extra opwarming. Wie per jaar één gram methaan extra uitstoot, veroorzaakt volgens professor Allen een extra opwarming die gelijk staat aan de uitstoot van maar liefst 128 gram koolstofdioxide.

Bij methaanuitstoot kun je in het verleden veroorzaakte klimaatschade repareren, bij koolstofdioxide is die kans er nauwelijks

Het omgekeerde is ook waar. Wie per jaar een gram methaan minder uitstoot, die zorgt ervoor dat de methaandeken de kans krijgt om te krimpen. Het is goed om te beseffen dat dit de reden is waarom methaan een fundamenteel ander broeikasgas is dan koolstofdioxide. Als je helemaal stopt met het uitstoten van koolstofdioxide, dan wordt het koolstofdioxidedekentje niet groter meer, maar ook niet kleiner. Als je stopt met het uitstoten van methaan, dan wordt het dekentje op termijn juist wel kleiner. Bij methaanuitstoot heb je dus de kans om in het verleden veroorzaakte klimaatschade te repareren. Bij koolstofdioxide is die kans er nauwelijks

De potentie hiervan is groot. Jaarlijks 1 gram methaan minder uitstoten, staat volgens deze methode gelijk aan 20 jaar lang 120 gram koolstofdioxide uit de lucht halen. Wie de methaanuitstoot kan laten dalen, kan de aarde dus zelfs een beetje afkoelen. 

Met de kritiek op GWP100 in de hand is het verleidelijk om achterom te kijken. Je kunt naar de gemiddelde Nederlandse melkveehouder gaan en hem verwijten dat hij sinds 2000 grofweg tweemaal meer koeien is gaan houden. Hij maakt het methaandekentje dus dikker, met veel opwarming tot gevolg. Landbouworganisaties kijken liever naar de omvang van de totale Nederlandse melkveesector, waar het aantal koeien sinds 2000 grofweg gelijk is gebleven. Het dekentje is dan nauwelijks gegroeid. Je kan ook kijken naar de totale wereldwijde rundveestapel, die groeit.

Methaanemissies bij anderen

Vee is wereldwijd goed voor ongeveer een derde van de uitstoot van methaan. Omdat de wereldwijde rundveestapel groeit, groeit ook de wereldwijde methaanuitstoot door de landbouw. De landbouw is de grootste uitstoter van methaan ter wereld. 

Eenmaal in de atmosfeer maakt de herkomst van methaan niets uit. Chemisch zijn de moleculen allemaal eender. Maar als je methaanuitstoot per sectoren berekent is het - zoals hierboven uitgelegd - wél belangrijk om te kijken naar de relatieve verandering van methaanuitstoot binnen die sector en niet alleen naar de absolute omvang van de methaanuitstoot. Wie dat doet, kijkt al vlug naar de energiesector. 

De methaanuitstoot in de landbouw mag dan hoog zijn, hij groeit maar een beetje. De methaanuitstoot in de energiesector is daarentegen wat lager, maar groeit enorm. Dit heeft vooral te maken met de schaliegasrevolutie in Amerika. Dit is een productiemethode die de afgelopen jaren enorm is opgeschaald, en waarbij methaan in de atmosfeer terechtkomt. Dus is dit een heel nieuwe uitstootbron, waardoor het methaandekentje om de aarde plotseling een stuk dikker wordt. Volgens sommigen is de klimaatimpact van dit schaliegas zelfs schadelijker dan die van steenkool.

Lees verder Inklappen

In het licht van de klimaatcatastrofe lijkt het handiger om niet naar achteren, maar naar voren te kijken. Met de alternatieve rekenmethode in de hand opent zich voor de melkveehouderij juist een interessant potentieel. Door de rundveestapel te laten krimpen – en zo de methaanuitstoot te laten krimpen – kan een melkveehouder de aarde afkoelen. Een unieke kans, eentje die zelfs geld waard kan zijn. 

Reken even mee. Gemiddeld stoten tien koeien samen per jaar 1 ton methaan uit. Als een boer zijn veestapel met tien koeien inkrimpt – zonder dat de veestapel elders weer stijgt – dan wordt het dekentje methaan om de aarde dunner. Het afkoelende effect daarvan staat gelijk aan twintig jaar lang 120 ton koolstofdioxide per jaar uit de lucht halen.

Door de rundveestapel te laten krimpen kan een melkveehouder de aarde afkoelen

Een andere aanpak: er worden momenteel technologische oplossingen verzonnen om de methaanuitstoot door koeien terug te dringen. DSM ontwikkelde bijvoorbeeld een middeltje dat de productie van methaan in een koeienmaag met 30 procent zou verminderen

Momenteel moeten energiebedrijven en de industrie in Europa betalen voor een deel van hun uitstoot van broeikasgassen. Hiervoor moeten ze ETS-rechten kopen, die momenteel verhandeld worden voor ongeveer 60 euro per ton koolstofdioxide. 

Als een boer een vergelijkbaar bedrag betaald zou krijgen voor het inkrimpen van zijn veestapel, dan levert een inkrimping van zijn kudde met tien koeien zo’n 7.200 euro per jaar op, twintig jaar lang. Voor veel Nederlandse melkveehouders, die volgens de Algemene Rekenkamer vaak fors minder verdienen dan modaal, kan dat een aantrekkelijk aanbod zijn: minder werk, meer geld.

Meer klimaatvoordelen van veestapelkrimp

De methaan die koeien uitstoten is niet de enige bron van broeikasgassen in de sector. In Nederland staan de meeste koeien bijvoorbeeld in de zogenaamde veenweidegebieden, onder meer in het Groene Hart. Daar wordt de grondwaterstand kunstmatig laag gehouden, zodat de koeien droge voeten houden en de boeren er met hun zware machines kunnen rijden. Deze lage grondwaterstand veroorzaakt oxidatie van het veen, waarbij verschillende broeikasgassen vrijkomen, waaronder methaan. Als je de veestapel inkrimpt, kan in deze gebieden wellicht de grondwaterstand omhoog, waardoor minder veen oxideert. Ook hierdoor krijgt de methaandeken om de aarde de kans om te krimpen. 

Daarnaast stoten melkveehouders koolstofdioxide uit. Om veevoer te produceren wordt kunstmest gebruikt. Kunstmest wordt gemaakt uit aardgas en bij de productie ervan komt veel koolstofdioxide vrij. Bovendien bestaat het dieet van een koe voor een deel uit krachtvoer, wat voor een deel bestaat uit soja. Bij de vertering daarvan komt ook methaan vrij, maar ook bij de productie. Regelmatig worden in Zuid-Amerika stukken Amazone platgebrand of gekapt om plaats te maken voor onder meer sojaplantages, waar ook weer broeikasgassen bij vrijkomen. Een inkrimping van de veestapel kan die uitstoot vermijden. 

En dan is er nog het landgebruik. Koeien gebruiken wereldwijd een enorme hoeveelheid landbouwgrond – zowel door de ruimte die ze zelf nodig hebben, als voor de productie van veevoer. Krimpt de veestapel, dan zou je dus land overhouden om iets goeds te doen voor het klimaat. Het planten van bossen bijvoorbeeld, die tijdens hun groei weer koolstofdioxide uit de atmosfeer halen.

Lees verder Inklappen

De sector lijkt zich echter nauwelijks van dit scenario bewust. De (torenhoge) zuivelconsumptie van Nederlanders vlakt af, maar individuele melkveehouders lijken nog altijd gericht op schaalvergroting. Nederlandse bedrijven met grote belangen in de melkveehouderij zetten hun kapitaal en expertise vooral in om de zuivelconsumptie in opkomende economieën aan te jagen. De Rabobank wil ‘bij het realiseren van megafarms in China een rol spelen’. FrieslandCampina ziet het als zijn missie om Aziaten aan de zuivel krijgen. Als dit niet gepaard gaat met een substantiële daling van de zuivelconsumptie in het Westen, zal dit juist resulteren in een permanent dikkere methaandeken om de aarde. 

De kritiek op GWP100 is dus een tweesnijdend zwaard. Bij een gelijkblijvende uitstoot is de opwarming kleiner dan tot dusver werd aangenomen, maar bij een veranderende uitstoot – zowel groei als krimp – zijn de effecten juist veel groter. De Nederlandse zuivelsector heeft zo een kans om klimaatschade te repareren. Hoe de sector met die kans omgaat is nog de vraag, maar dat die kans überhaupt bestaat is in de woorden van professor Myles Allen ‘een zeldzaam stukje goed nieuws’.