Micha de Winter overhandigt het eindrapport van de Commissie Onderzoek naar geweld in de jeugdzorg aan ministers Dekker (JenV) en De Jonge (VWS); juni 2019

Micha de Winter overhandigt het eindrapport van de Commissie Onderzoek naar geweld in de jeugdzorg aan ministers Dekker (JenV) en De Jonge (VWS); juni 2019 © ANP / Roel Rozenburg

Micha de Winter over geweld in de jeugdzorg: ‘Niemand neemt de verantwoordelijkheid’

2 Connecties

Organisaties

Ministerie van Volksgezondheid

Werkvelden

jeugdzorg
33 Bijdragen

Anderhalf jaar geleden kwam de commissie-De Winter, die geweld binnen de jeugdzorg onderzocht, met haar onderzoeksrapport. De conclusies waren vernietigend; geweld kwam op grote schaal voor. Maar beleid om zulk geweld te voorkomen, blijft tot nu toe uit, en niemand neemt daar verantwoordelijkheid voor. ‘Iedereen wijst naar elkaar.’

Er was de receptionist die een relatie begon met een 15-jarige meisje dat in jeugdzorginstelling De Vaart woonde. Er was de beveiliger die promoveerde tot pedagogisch medewerker en het aanlegde met twee tieners in diezelfde instelling. Er was een ex-crimineel die aan de slag kon als pedagogisch medewerker en een 15-jarige misbruikte in Midgaard. In ons onderzoek naar jeugdzorgbedrijf iHub kwam Follow the Money deze gevallen van seksueel misbruik tegen. 

Half december debatteerde de Tweede Kamer over seksueel, psychisch en fysiek geweld binnen de jeugdzorg naar aanleiding van de bevindingen van de commissie-De Winter, die al anderhalf jaar eerder haar rapport gepubliceerd had. De onderzoekers interviewden duizend mensen die geweld in de jeugdzorg hadden meegemaakt. De bevindingen van de commissie waren onthutsend; driekwart van de kinderen had te maken gehad met een vorm van geweld. Eén op de tien kinderen zei ‘vaak of zeer vaak’ psychisch of fysiek geweld te hebben meegemaakt. 

Genoeg aanleiding om te praten met Micha de Winter, die het onderzoek leidde. De Winter was hoogleraar pedagogiek aan de Universiteit Utrecht; in 2017 ging hij met emeritaat. Hij doet nog altijd onderzoek, nu vooral naar wat de coronacrisis bij jongeren teweeg brengt. En hij werkt aan een boek over zijn vak, waarin ook ‘zijn’ commissie aan de orde zal komen. Want het zit De Winter dwars: zo’n lijvig rapport – liefst vijfduizend pagina’s – vol misstanden, en dan gebeurt er maar weinig mee.

‘Hoe dat geweld in de jeugdzorg heeft kunnen plaatsvinden en zo lang kon voortduren, vind ik eigenlijk de belangrijkste vraag uit ons onderzoek. Want iedereen wist dat het gebeurde, of had dat kunnen weten. Een deel van de verklaring zit ’m in hoe je naar jongeren kijkt, en over welke expertise de zorgverleners beschikken.

Vroeger werd er nauwelijks toezicht gehouden, alleen vanuit eigen kring en op particulier initiatief. Jongeren moesten gedisciplineerd worden, dat was toen de instelling. Iedereen met voldoende spierballen kon in de jeugdzorg gaan werken. In religieuze kringen kregen 19-jarige nonnen twintig tot dertig kinderen onder hun hoede, zonder enige opleiding of begeleiding. Er was maar één methode: keihard aanpakken. De notie dat er mogelijk iets met de kinderen aan de hand was, of met hun omgeving, kwam amper bij iemand op.

Bedplassen was indertijd het meest voorkomende probleem. Je kunt het je haast niet voorstellen, maar ik heb van zoveel mensen gehoord wat er dan gebeurde: ze kregen hun natte lakens om zich heen gewikkeld en werden in hun blootje aan de rest van de groep tentoongesteld. Of erger, ze kregen hun natte onderbroek in hun mond gepropt. Pas in de jaren negentig kwamen er cursussen hoe je met deze kinderen moet omgaan en werden opleidingen verplicht.’

Waarom duurde het zo lang voordat dat besef doordrong?

‘Dat heeft te maken met het maatschappelijk klimaat. Al in de jaren dertig zeiden verlichte geesten dat het misdadig was om zo met kinderen om te gaan, maar dat drong niet tot die tehuizen door. Dat waren afgesloten werelden waar de paters, de nonnen en de dominees de baas waren en eigen hun gang konden gaan. De samenleving interesseerde het geen klap, zolang die maar van het probleem af was.’

Geweld in de jeugdzorg is er nog altijd, stelt u.

‘Ja, maar in een andere vorm. Nu houdt het vaak verband met de grote personeelsproblemen daar. Werk in de jeugdzorg wordt slecht betaald, maar is misschien wel het moeilijkste werk dat er bestaat. Je moet met jongeren dealen die niet vast zitten, maar waarmee veel aan de hand is. Zij zijn gebaat bij persoonlijke bejegening, stabiliteit, continuïteit en bij begeleiders die ze kennen.

‘De Inspectie legt nu 380 bezoeken per jaar af, meestal aangekondigd. En instellingen moeten zelf rapporteren over de veiligheid’

Die steeds groter wordende instellingen vind ik om die reden een ramp. Hoe groter, hoe onpersoonlijker, en hoe meer protocollen om maar niet op de verkeerde lijsten van de Inspectie te belanden. In die mega-instellingen zie je een een soort afvinkcultuur ontstaan waarmee een papieren werkelijkheid bediend wordt. Dat is het omgekeerde van wat je nodig hebt – tenminste, als je vanuit de jongeren denkt.’

Is het toezicht verbeterd? 

‘Er is nu onafhankelijk toezicht. Kinderen kunnen hun verhaal doen bij een Inspectiebezoek zonder dat er iemand bij zit, maar ook bij de Inspectie is er bezuiniging op bezuiniging geweest, waardoor de inspecteurs minder op de werkvloer te vinden zijn. De Inspectie legt nu 380 – veelal van tevoren aangekondigde – bezoeken per jaar af. En instellingen moeten zelf rapporteren over de veiligheid.

Ik hoor vaak dat er van alles onder de mat geschoven wordt. Tegelijkertijd heb ik wel het idee dat die bureaucratische cultuur van de afgelopen tien jaar een beetje aan het keren is, onder andere door rapporten als dat van ons, maar wanneer je bedenkt dat er duizenden kinderen in de pleegzorg en de jeugdzorg zitten, dan zijn 380 bezoeken per jaar natuurlijk niks.’

"Stop maar eens vijftien testosteronbommen bij elkaar op een gesloten afdeling, dan kun je wel raden wat er gebeurt"

Zijn de kinderen in die instellingen nu veilig?

‘Ons onderzoek geeft een historisch perspectief en de conclusie was dat kinderen er eerder absoluut onveilig waren. Die onveiligheid is van karakter veranderd. Aanvankelijk was geweld van volwassenen tegen kinderen prominent. Dat is relatief afgenomen, maar daarvoor in de plaats kwam geweld tussen jongeren onderling. Stop maar eens vijftien testosteronbommen bij elkaar op een gesloten afdeling, dan kun je wel raden wat er gebeurt. Je moet dan van goeden huize komen om daar een veilige situatie van te maken. Als je dan ook nog te weinig gekwalificeerd personeel hebt, heb je met enorme risicosituaties te maken. Ik zou dus niet snel zeggen dat die situatie nu veilig is.’

Toen hij uw rapport overhandigd kreeg, zei minister Hugo de Jonge: ‘Er moet nog veel gebeuren.’ Hoe staat het ervoor?

‘Er kwam nogal wat uit ons onderzoek naar voren, maar ik vraag me inmiddels af wat het effect is van dit soort grote studies. Pas afgelopen december is ons rapport eindelijk in de Kamer besproken, maar ik ben er niet gerust op. Ja, er is erkenning voor het geweld gekomen in de vorm van een excuus en er is een schaderegeling van 5000 euro voor slachtoffers, dat is enorme winst, maar als je de begeleidende brief van het kabinet leest – en dat zit me dwars – blijft het bij een aaneenschakeling van goede voornemens.

De overheid zegt: wij hebben stelselverantwoordelijkheid. Ik word daar zenuwachtig van, want wat is dat?

Het wordt maar niet duidelijk wie er verantwoordelijk is voor het bestrijden van geweld binnen de jeugdzorg. Toen ik staatssecretaris Paul Blokhuis vroeg wat de rol van de overheid is, nu de verantwoordelijkheid goeddeels bij het veld en de gemeenten is gelegd, antwoordde hij: wij hebben als rijksoverheid stelselverantwoordelijkheid. Ik word daar zenuwachtig van, want wat is dat?

Voor mij laat dat zien dat je als overheid het dossier op grote afstand zet. Zoals het nu is ingericht, kan iedereen naar elkaar blijven wijzen. In die zin is het vergelijkbaar met de Toeslagenaffaire: wanneer iedereen verantwoordelijk is, is uiteindelijk niemand dat.’

Hoe achterhaal je of je beleid effect heeft? 

‘Ons voorstel is vrij simpel: er moet een nulmeting komen, een prevalentieonderzoek naar de mate van geweld binnen de jeugdzorg nu. Dat herhaal je over twee jaar, nadat je beleid in gang hebt gezet, zodat je kunt meten of de maatregelen hebben geholpen.

We hebben geopperd dat de kinderombudsman zo’n onderzoek zou kunnen uitvoeren, en niet bijvoorbeeld de Inspectie. Die is immers onderdeel van het ministerie van VWS, je wilt voorkomen dat de slager zijn eigen vlees keurt. Maar het idee is niet overgenomen, het is weggemoffeld. Ook de Tweede Kamer heb ik er niet over gehoord.

"Het ministerie wilde de jeugdzorginstellingen niet te veel lastigvallen. Die hadden het tenslotte al moeilijk genoeg"

Tijdens het maken van het rapport zat ik om de haverklap bij ministers en ambtenaren aan tafel om de voortgang te bespreken. Gaandeweg werd het idee van een meetlat al van tafel geveegd. Het motief daarvoor was – al zei natuurlijk niemand dat hardop – dat ze de jeugdzorginstellingen niet te veel wilden lastigvallen. Die hadden het tenslotte al moeilijk genoeg, vanwege de decentralisatie en de bezuinigingen. Dat was de spanning die erin zat: zo’n prevalentieonderzoek zou over de huidige jeugdzorg gaan.

Om diezelfde reden moest ons onderzoek historisch van opzet zijn en geen onderzoek naar de huidige jeugdzorg. Maar we zijn ondeugend geweest, we zijn zo dicht mogelijk tegen de actuele stand van zaken aangekropen, door bijvoorbeeld mensen te interviewen die net uit de jeugdzorg kwamen. En we hebben natuurlijk gezegd: we kennen nu de risicofactoren, begin met een prevalentieonderzoek naar hoe het nu zit.‘

Hoe zou een nieuw kabinet dit dossier kunnen inrichten? 

‘Wat er nu van gebakken is, gaat dit probleem niet oplossen. Het is mij allemaal te veel los zand, te wollig. De verantwoordelijkheid is zo versplinterd dat uiteindelijk niemand verantwoordelijk is. Dus zitten we weer in de situatie zoals die heel lang was: wanneer niemand verantwoordelijk is, doen mensen wat hen zelf goeddunkt. Daar krijg je uitwassen van. 

Wanneer je die onderzoeken zoals die van mijn commissie, van Deetman over de kerk en van Samson naar seksueel misbruik serieus neemt, weet je wat je te doen staat. Je stelt iemand aan – een minister, een regeringscommissaris – die aanspreekbaar is, iemand die verantwoordelijk is voor het beleid inzake geweld binnen de jeugdzorg. Maar dat staat haaks op de verdeling van verantwoordelijkheid die we nu kennen.’

Komt er over twee jaar een parlementaire enquête over de jeugdzorg? 

‘Met weer een onderzoek krijg je niet nog meer boven de tafel. Het geweld in de jeugdzorg is nu voldoende gedocumenteerd. Wat misschien wel boven tafel moet komen – dat is kennelijk een van onze nationale problemen – is dat we dit uiteindelijk niet georganiseerd krijgen; zie ook de toeslagenaffaire en de vaccinaties.

Niemand vraagt wie de regie en de verantwoordelijkheid neemt. Laat je dat in de lucht hangen, dan is het wachten op incidenten

Uiteindelijk gaat het erom hoe je met alle vergaarde kennis en inzichten voorkomt dat problemen zich maar blijven herhalen. Overigens is ook in dit dossier de Kamer partij, net als bij de toeslagenkwestie. Ik heb ze tot nu toe niet gehoord over de vraag wie de regie en de verantwoordelijkheid neemt. Laat je die vraag in de lucht hangen, dan is het wachten op incidenten.

Het debat daarover kan ik nu al uittekenen. Hoe kon dit gebeuren, vraagt de Tweede Kamer eerst. Landelijke politici en bewindslieden zeggen dan: wij wilden wel, maar de jeugdzorginstellingen konden niet leveren. De instellingen wijzen vervolgens naar de gemeenten vanwege geldgebrek, en de gemeenten beginnen tot slot over hun begroting en zeggen dat ze geen geld meer hebben. Maar met al dat naar anderen wijzen en elkaar de schuld geven, schieten kinderen niets op.’

Ziet u parallellen tussen uw studie naar geweld in de jeugdzorg en uw onderzoek naar jongeren en corona? 

‘Jazeker. Om een voorbeeld te noemen: als ik politici nu Kamerbreed over “tuig” hoor spreken naar aanleiding van de protesten en rellen van de afgelopen weken, moet ik ontzettend denken aan hoe er in de jaren vijftig werd aangekeken tegen jongeren die in tehuizen zaten. Die werden ook gezien als het schuim der aarde. Er zou maar één ding helpen: ze discipline bijbrengen, die er desnoods in slaan. Datzelfde sentiment zie je nu weer in reactie op jongeren die helemaal uit hun bol gaan.’

Geplunderde winkels, straten vol glas, belaagde agenten; het waren geen lieverdjes. 

‘Ik schrik ook van het gedrag van hordes. Hoezo sloop je de Jumbo als je boos bent? Maar we moeten proberen hen te begrijpen, zonder begrip voor hen op te brengen. Met spierballentaal als “we gaan er geen sociologische analyse op loslaten, maar hard erin,” zoals Mark Rutte zei, schiet je geen donder op wanneer je dit in de toekomst wilt voorkomen, al klinkt dat voor de bühne heel aardig.’

Wat zegt het over deze tijd dat politici en bestuurders zo reageren?

‘Eerlijk gezegd weet ik niet of het iets van deze tijd is. Wie zijn oor te luisteren legt in achterstandswijken, waar jongeren klein behuisd zijn, niet naar school kunnen, niet mogen hangen op straat, weet dat het al sinds april enorm aan het gisten is, maar niemand iets doet.

Iedereen had kunnen voorzien dat er op een gegeven moment iets knapt. De reflex is dan: we moeten onze tanden laten zien. Het duurt even voordat iedereen weer bij zinnen is en zich afvraagt wat erachter zit. Ook bij de politiek komt het verstand pas na verloop van tijd.’

Met medewerking van Veerle Schyns.