Minister Wopke Hoekstra weet het ook niet
© ANP / Bart Maat

Van wie is ons geld?

Waarom is de creatie van geld in handen van – particuliere – banken? En moet dat altijd gepaard gaan met schuld? Ofwel: kunnen we ons monetaire systeem op een eerlijkere manier organiseren? Lees meer

Het zijn vragen waar menig econoom zijn tanden op stuk gebeten heeft. Toneelgroep De Verleiders zette een brede discussie in gang door op te roepen tot een burgerinitiatief. Met 120.000 handtekeningen moest de politiek wel reageren en nadenken over de aard en wezen van ons geld en de manier waarop het wordt gecreëerd. Dat leidde tot een opdracht voor Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) om onderzoek naar geldschepping te doen.

Op Follow The Money begon in 2015 het debat toen voormalig bankenlobbyist en auteur Robin Fransman reageerde met een open brief aan het toneelgezelschap, die werd beantwoord door Martijn Jeroen van der Linden, bestuurder van de Stichting Ons Geld. Daarnaast gaven tientallen lezers in het discussieforum hun visie op wat misschien wel dé vraag van het moment is: van wie is ons geld eigenlijk?

69 Artikelen

Minister Hoekstra wil publieke betaalbank tegenhouden (maar weet zelf niet waarom)

In dezelfde week dat Europese banken 1308 miljard euro noodkrediet ophalen, bagatelliseert Wopke Hoekstra de problemen in de bancaire sector. De minister van Financiën negeert drie jaar onderzoek van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid en ontraadt de oprichting van een publieke betaalbank.

Maar liefst 1308 miljard euro haalden ze op bij de Europese Centrale Bank. En dan krijgen de 742 banken die zich hadden gemeld voor een noodkrediet daar ook nog geld op toe. Ze lenen tegen negatieve rente. Dat publieke geld, óns geld, komt echter nauwelijks terecht in de reële economie. Uit onderzoek van journalistiek platform Investico bleek afgelopen week dat duizenden kleine bedrijven géén noodkrediet konden krijgen bij hun bank om de lockdown te overbruggen. 

Dat het bancaire stelsel zo functioneert is geen natuurwet, maar een gevolg van ontwerpkeuzes. In samenwerking met toneelgroep ‘De Verleiders’ wist de stichting Ons Geld hiervoor bewustzijn te creëren en 110.000 handtekeningen op te halen. Daarmee kwam de fundamentele discussie over de inrichting van het geldstelsel in 2016 op de politieke agenda te staan. 

Afgelopen week debatteerde de Tweede Kamer hierover opnieuw: het notaoverleg ‘Toekomst van het geldstelsel’ in de vaste commissie Financiën. 

Veilige alternatief voor banktegoed 

Centraal in dat overleg stond de introductie van ‘een veilige haven voor banktegoeden’, zoals de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) aanbeveelt in het onderzoeksrapport ‘Geld en schuld: De publieke rol van banken’ (2019). Een veilige haven zou volgens de WRR een disciplinerend effect hebben op commerciële banken en daarmee ‘verantwoorder’ gedrag afdwingen. 

Die aanbeveling van de WRR kwam niet uit de lucht vallen. Ze sloot aan op de motie die de Tweede Kamer in 2016 unaniem had aangenomen: ‘Overwegende dat we Nederlanders de keuze willen geven om ook te kunnen sparen bij een instelling die het geld puur digitaal voor hen bewaart; verzoekt de regering, te onderzoeken hoe de huidige wetgeving voor vergunningverlening moet worden aangepast om een depositobank mogelijk te maken.’ 

Ondanks die steun van de Kamer kreeg de private ‘depositobank’ van stichting Full Reserve, na jaren pingpongen tussen De Nederlandsche Bank (DNB) en het ministerie van Financiën, geen bankvergunning. Haar poging strandde op onwil

In 2018 kwam Kamerlid Mahir Alkaya (SP) daarom met een initiatiefnota om een publieke variant van zo’n bewaarbank op te richten. Naast de initiatiefnota van Alkaya stond er vorige week nog een tweede initiatief voor een ‘veilige haven’ op de agenda van het notaoverleg: de ontwikkeling van digitaal centrale bankgeld door DNB. Na jarenlange afzijdigheid in de maatschappelijk gelddiscussie en het tegenhouden van een private depositobank, kwam DNB in april met een rapport waarin ze zegt een ‘een positieve grondhouding’ in te nemen tegenover digitaal centralebankgeld.

Hoekstra lapt conclusie WRR aan zijn laars

Over de ontwikkeling van digitaal centrale bankgeld is minister van Financiën Wopke Hoekstra sindsdien positief. Ook op 24 juni: ‘Ik zie dit echt als een kansrijke ontwikkeling voor de toekomst, waarvoor ik en De Nederlandsche Bank ons willen inzetten.’ 

De oprichting van een publieke bewaarbank vindt Hoekstra daarentegen geen goed idee. Hoewel hij Alkaya overlaadde met complimenten voor zijn ‘initiatief’, ‘tijd’ en ‘moeite’, ontraadde hij de motie die Alkaya op het eind van het debat indiende. Opmerkelijk is dat Hoekstra daarbij argumenten gebruikt die niet specifiek ingaan op de vermeende tekortkomingen van een publieke bewaarbank. Daarmee bagatelliseert hij de door Alkaya en de WRR geschetste problemen in de bancaire sector. 

[Nu volgt een aantal letterlijke transcripties van het debat. Niet zozeer vanwege de inhoudelijk diepgang, maar ter illustratie van de Orwelliaanse vaagtaal en eufemismen  waarmee Hoekstra de discussie vertroebelt.]

Hoekstra zei het volgende: ‘Ik begrijp echt veel van de intenties die de heer Alkaya heeft. Maar ik denk dat we ons niet helemaal kunnen onttrekken aan de wetten van de economische zwaartekracht. In sommige van de bedoelingen kan ik best een eind meegaan, maar er is ook wel wat te zeggen over hoe goed het huidige stelsel functioneert. Impliciet heeft de heer Alkaya ook wel heel veel kritiek op het systeem en op de bancaire sector, terwijl we met elkaar ook moeten erkennen, denk ik, dat er in Nederland een heleboel zaken op het gebied van de banken heel goed geregeld zijn, maar dat er ook een enorme inhaalslag is gemaakt. Is daarmee alles perfect? Nee, verre van. Ik ben zelf in deze Kamer natuurlijk ook vaker kritisch geweest op onderdelen. Maar ik denk dat dat in de balans van het verhaal wel echt nog genoemd moet worden.’

Hoekstra gaat voorbij aan de gewichtige conclusies van drie jaar onderzoek door de WRR

Hoekstra gaat hiermee voorbij aan de gewichtige conclusies van drie jaar onderzoek door de WRR: ‘We zien dat binnen het huidige stelsel bij alle gewenste eigenschappen – dienstbaarheid, stabiliteit, rechtvaardigheid en legitimiteit – belangrijke tekortkomingen bestaan. Uit de [..] analyse komen twee achterliggende kernproblemen naar voren: (1) er is sprake van een onevenwichtige en onbeheerste groei van geld en schuld; (2) er is een verstoorde balans tussen publieke en private belangen.’

Alkaya lichtte meermaals toe dat zijn initiatief zich specifiek richt op het aanpakken van het tweede door de WRR benoemde ‘kernprobleem’. Alkaya: ‘Wij als politiek gaan over het goed borgen van de publieke taken. Wij hebben de mogelijkheid om zo'n nuttige dienst voor burgers in te stellen. [..] Het is niet mijn bedoeling met zo'n alternatief alle commerciële banken te laten omvallen. Integendeel. Ik wil de rollen helderder gedefinieerd hebben.’

Loftrompet

Hoekstra laat ook na te onderbouwen waarom hij vóór het centrale bankgeld van DNB is, en tegen de bewaarbank van Alkaya. Hij suggereert slechts dat het initiatief van Alkaya duur zou zijn. Alkaya vroeg de minister om onderbouwing: ‘Mijn vraag aan de minister is dus wat nou precies het verschil is tussen waar De Nederlandsche Bank nu mee bezig is en wat ik voorstel. Wat zou er dan voor zorgen dat mijn voorstel enorm veel operationele kosten zou hebben en het digitaal centralebankgeld kosteneffectiever zou zijn?’

Minister Hoekstra steekt daarop eerst een verhaal af waarin hij de loftrompet steekt over  Nederlandse betalingsverkeer. Pas daarna gaat hij in op de vraag. ‘Kan ik nou helemaal exact het onderscheid maken tussen wat de heer Alkaya voorstelt en wat De Nederlandsche Bank van plan is? Nee, nog niet. Dat is denk ik het eerlijke antwoord, want De Nederlandsche Bank sorteert voor op een pilot. Ik denk dat we op een gegeven moment scherper kunnen zien wat het exacte onderscheid is, maar het is glashelder dat in alle varianten “gratis” niet bestaat. Precies vanwege de voorbeelden die de heer Alkaya ook noemt: het toezicht, witwassen en het gewoon ter beschikking stellen van de mogelijkheid om digitaal centralebankgeld aan te houden. Al die dingen zijn niet gratis. Er zijn dus altijd kosten verbonden aan het opzetten van welk stelsel je ook organiseert.’ 

‘Kan ik nou helemaal exact het onderscheid maken?  Nee, nog niet. Dat is denk ik het eerlijke antwoord’

Alkaya concludeert hieruit dat de verschillen helemaal niet zo groot zijn en wijst de minister erop dat hij geen antwoord heeft gegeven op zijn vraag: ‘Ik wil graag vandaag weten [..] waarom dat wat ik voorstel niet goed zou zijn qua kosten en waarom dat waar de Nederlandsche Bank nu mee bezig is veel kostenefficiënter zou zijn. Ik heb dat verschil niet gehoord en volgens mij is dat verschil er ook helemaal niet. Het zou mooi zijn als de minister dat gewoon toegeeft.’ 

De minister geeft niets toe, en blijft hem het antwoord schuldig.

Oplossing? Voor welk probleem dan? 

Kamerlid Aukje de Vries (VVD) vraagt even later nogmaals waarom Hoekstra wel voorstander is van het DNB-initiatief: ‘Voor welk probleem is dit een oplossing? Kan de minister aangeven wat dat dan is?’

Minister Hoekstra: ‘Ik weet niet precies hoe mevrouw De Vries haar vraag bedoelt.’

De Vries: ‘Voor welk probleem is digitaal centralebankgeld een oplossing? De minister geeft aan dat het niet de vervanging van het contante geld moet zijn.’

Minister Hoekstra: ‘Dat heb ik kennelijk in eerste termijn onvoldoende uitgelegd. Het ging om de vraag: zou het een een vervanging moeten zijn van het ander? Nee, wat mij betreft niet.’ Hij steekt vervolgens opnieuw een lang verhaal  af waarin hij benadrukt dat contant geld belangrijk is. 

De Vries: ‘Dat is niet mijn vraag. Wij zijn het er wel over eens dat contant geld een belangrijke back-up is. Mijn vraag is: voor welk probleem is digitaal centralebankgeld een oplossing? Als je iets wilt gaan doen, dan moet er iets zijn wat je daarmee wilt oplossen. Het kan toch geen doel op zich zijn?’

Minister Hoekstra: ‘Dat is het natuurlijk niet. Kennelijk lukt het mij onvoldoende om het onder woorden te brengen. In welke toegevoegde waarde ten opzichte van het bestaande instrumentarium voorzien De Nederlandsche Bank en ikzelf? Dat neem ik op in de informatie die ik na de zomer naar de Kamer zal sturen. Dat lijkt mij de beste oplossing.’

Hoekstra volgt DNB blind

Hieruit blijkt opnieuw dat Hoekstra onvoldoende op de hoogte is van de ernstige problemen binnen de bancaire sector, die de WRR in haar rapport van 300 pagina’s uitvoerig beschrijft. Dat Hoekstra sinds april uitgesproken voorstander is van de ontwikkeling van digitaal centralebankgeld is niet gebaseerd op inhoudelijke argumenten want hij weet niet voor welk probleem digitaal centralebankgeld een oplossing is. Hij heeft dus al een keuze gemaakt voor de specifieke vorm van de ‘veilige haven’, zonder expliciet te benoemen waarom een veilige haven nodig is.

Tegelijkertijd is hij tegen de oprichting van de bewaarbank waarvoor Alkaya een concreet voorstel heeft uitgewerkt. Waarom? Hoekstra blijft het antwoord schuldig. Hij is niet geïnteresseerd in een oplossing voor de systemische problemen van onbeheerste geld- en schuldengroei en een verstoorde balans tussen publieke en private belangen. In plaats daarvan legt hij de focus op randzaken als ‘efficiënt betalingsverkeer’ en de vermeende 'hoge operationele kosten van Alkaya’s initiatief’. De suggestie dat de bewaarbank duurder zou zijn dan de ontwikkeling van digitaal centrale bankgeld is echter ongefundeerd. Daaruit valt af te leiden dat Hoekstra voor de DNB-oplossing kiest, zonder daarbij een adequate afweging te hebben gemaakt van de voor- en nadelen van de twee alternatieven. Hij negeert bovendien de bevinding van de WRR dat de huidige impliciete en expliciete garanties voor banken niet alleen duur zijn, maar ook nog de markt verstoren en innovatie remmen.

Alkaya: ‘Hoekstra is niet goed op de hoogte’

FTM sprak na afloop met Alkaya: ‘De minister liet in het overleg doorschemeren dat hij de problemen in de bancaire sector wel vindt meevallen. Die conclusie kan je onmogelijk trekken wanneer je het WRR rapport in detail hebt bestudeerd.’ Alkaya begrijpt niet waarom Hoekstra zijn initiatiefnota wegwuift: ‘Hij doet dat zonder inhoudelijke onderbouwing. Tegelijkertijd gaat hij schoorvoetend mee met het initiatief van DNB, terwijl hij niet kan uitleggen wat de ontwerpcriteria voor digitaal centralebankgeld zouden moeten zijn.’

Die ontwerpcriteria zijn volgens Alkaya cruciaal. Hij diende daarom ook een motie in waarin hij de regering verzoekt ‘DNB en ECB waar nodig te ondersteunen bij het uitvoeren van de betreffende experimenten, en om de Kamer minstens halfjaarlijks te informeren over de voortgang hiervan.’ De reden: zo’n centrale bankmunt kan ‘belangrijke maatschappelijke en economische effecten hebben, die nauwgezet gemonitord, terug gerapporteerd en desgewenst besproken moeten worden door de volksvertegenwoordiging.’ 

Alkaya wil ervoor waken dat digitaal centralebankgeld een vervanging van contant geld wordt. ‘Contant geld is nog slechts 7 procent van de totale geldhoeveelheid. Digitaal centralebankgeld moet een vervanging worden van die andere 93 procent: de girale banktegoeden bij commerciële banken.’ 

Dinsdag 30 juni wordt gestemd over de ingediende moties. 

* De motie voor een publieke spaarbank is weggestemd

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Thomas Bollen
Thomas Bollen
Onderzoekt als financieel econoom de 'economische religie' om nuttige inzichten van dogma's te scheiden.
Gevolgd door 4098 leden
Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
Annuleren