© ANP / Jeroen Jumelet

Heimwee naar de gulden? Denk eerst even na

    Stel je een wereld voor zonder euro, maar dan wel nú, met de grote economische onderlinge afhankelijkheid van de EU-landen. Het groeiende heimwee naar een harde munt en streng gezag is logisch, maar wie wil nu de kortetermijngevolgen dragen voor welvaart later? Hallo, centrale bankiers van Europa, wie trotseert de financiële sector en de politiek?

    ‘Zwaaide de Bundesbank nog maar de monetaire scepter in Europa, zoals in het pre-eurotijdperk.’ Dit geluid kom ik steeds vaker tegen. Velen zijn namelijk niet te spreken over het beleid van de ECB, de bank die een kloon van de Bundesbank had moeten zijn, maar dat niet is. En ze worden dan snel nostalgisch.

    De Buba, zoals de Bundesbank liefkozend wordt genoemd, geniet een legendarische, bijna mythische status onder diegenen, waaronder ikzelf, die menen dat een centrale bank koste wat het kost moet zorgen voor lage inflatie en een sterke munt en er moet zijn voor de gewone man — de middenklasse dus — en niet de overheden. Zeker niet als dat fiscaal-economisch structureel onverantwoorde overheden zijn,  en voor de financiële sector. Ofwel: een centrale bank moet een wat ik noem maatschappelijk verantwoord monetair beleid voeren. De Bundesbank deed precies dat sinds de oprichting in 1948.

    Dat is de reden waarom de Duitse centrale bank in loop der tijd in alle talen synoniem is geworden voor streng monetair beleid en waarom de bank onvoorwaardelijke steun genoot onder de Duitsers. Jacques Delors, een voormalig voorzitter van de Europese Commissie, merkte ooit wanhopig op dat ‘niet alle Duitsers in god geloven, maar wel allemaal in de Bundesbank’. Dat de bank zich al die tijd ook nog zeer onafhankelijk en bijna compromisloos opstelde tegenover Duitse politici, completeert het beeld van hét anti-inflatiebastion. Door zich vast te klinken aan de Bundesbank heeft DNB dat imago ook gekregen.

    "Niet alle Duitsers geloven in god, maar wel in de Bundesbank"

    Dat heimwee naar het tijdperk waarin de Bundesbank de monetaire lakens uitdeelde in Europa is heel goed te begrijpen. Maar we moeten wel realistisch zijn. In mijn ogen is het monetair gesproken realistisch dat de Buba in een euroloos Europa anno 2016 en 2017 veel meer op de huidige ECB zou lijken, en dus ook op de Franse of Italiaanse centrale bank, dan op de oude Buba. Niet omdat de Buba zelf veranderd zou zijn, maar omdat de wereld waarin zij dan had moeten opereren ingrijpend gewijzigd was vergeleken met 30 of 40 jaar eerder. Begrijp me niet verkeerd: ook ik vind de euro een bar slechte uitvoering van iets wat in de kern een prima idee is, namelijk een gemeenschappelijke munt in Europa. En ja, dat betekent dat ook ik heimwee heb naar lang vervlogen monetaire tijden. Maar heimwee is een emotie. Onze monetaire ratio vertelt gewoonweg een ander verhaal.

    Inflatiegolfje versus inflatietsunami

    Het imago van hoge inflatie willen voorkomen ten koste van alles, heeft de Bundesbank vooral te danken aan de jaren zeventig (de diepgewortelde haat tegen inflatie onder de Duitsers stamt overigens uit de periode tussen de twee wereldoorlogen, toen Duitsland ongekende hyperinflatie meemaakte). Terwijl het Westen bedolven werd onder een inflatietsunami – in de Verenigde Staten bedroeg de geldontwaarding op een gegeven moment bijvoorbeeld 14 procent – was er in Duitsland hooguit sprake van een inflatiegolfje. Gemiddeld bedroeg de jaarlijkse inflatie in Duitsland ca. 5 procent met een kortstondig hoogtepunt van ca. 7 procent. Het beleid van de Bundesbank zorgde voor een relatief hoge rente en dat remde de inflatie af. Het maakte de D-mark ook behoorlijk sterk.

    Dat de D-mark door het beleid van de Bundesbank behoorlijk in waarde steeg, was toen echter bij lange na niet zo kostbaar als het tegenwoordig zou zijn, op de korte termijn. De economische groei was destijds namelijk veel meer dan nu van binnenlandse makelij. Bedroeg de bijdrage van de exportsector in het Duitse bruto binnenlands product (bbp) begin jaren negentig ongeveer 26 procent, inmiddels is die bijdrage 51 procent en stijgend. Een (fors) duurdere D-mark remde de economische groei vroeger dus niet heel veel af. Sterker nog, een sterke D-mark was eerder goed voor de groei, want daardoor werden de Duitse importen, zoals bijvoorbeeld olie, goedkoper.

    De onderlinge economische afhankelijkheid is veel groter dan enkele decennia geleden

    Dit drukte de Duitse inflatie omlaag en stuwde de koopkracht van de Duitsers op. Zij konden vervolgens nog meer besteden en de economie groeide daardoor nog harder.

    De Bundesbank kon dus in die omgeving tegen een relatief en zelfs absoluut (zeer) lage prijs een eigen beleid voeren. De onderlinge afhankelijkheid is tegenwoordig echter, zeker in economisch opzicht, veel groter dan enkele decennia geleden.

    Andere tijden

    Stel je nu een wereld voor zonder de euro en met nog steeds de mark en de gulden. Zou de Bundesbank tegenwoordig op soortgelijke manier als vroeger een eigen koers varen, dan zou dat waarschijnlijk een veel hogere rente dan die van de Fed of de ECB inhouden. De echte oude Bundesbank zou waarschijnlijk nooit de rente naar 0 procent verlagen. Met andere woorden, de goede oude Bundesbank zou een veel hogere rente hanteren en daarmee de spaarder en de gepensioneerde ontzien, klinkt het nostalgisch.

    Net als in de jaren zeventig zou zo’n beleid in de afgelopen jaren tot gevolg hebben gehad dat de Duitse mark fors in waarde was gestegen. Alleen zou de pijn daarvan tegenwoordig waarschijnlijk onacceptabel hoog zijn voor Duitsland, tot voor kort wereldexporteur nummer één. De Duitse economie is veel gevoeliger voor ontwikkelingen elders dan vroeger.

    Dat zien wij de laatste tijd bijvoorbeeld: Duitsland was aan het begin van de crisis behoorlijk op stoom, de economie beleefde zelfs een mini-Wirtschaftswunder. Inmiddels is de groei aanmerkelijk lager. Dit komt niet door iets wat binnen de Duitse grenzen is gebeurd, maar is het gevolg van dalende, of zelfs negatieve groei in de rest van de eurozone en de wereld. Dat, die zeer hoge en waarschijnlijk voor de Duitse economie en maatschappij te hoge kosten, zouden de Bundesbank anno 2016 onmogelijk hebben gemaakt zich te gedragen als Bundesbank anno pre-eurotijdperk.

    Het feit dat we tegenwoordig veel afhankelijker zijn van andere landen en dat een beleid dat gericht is op het hebben van een sterke munt veel duurder is dan voorheen, betekent overigens níet dat een sterke munt nu slecht en ongewenst is. Die historische les blijft fier overeind staan. Wie zijn welvaart belangrijk vindt, prefereert op middellange termijn een sterke munt boven een zwakke munt. Een sterke munt zorgt voor lage inflatie en daardoor lage rentes, waardoor bedrijven makkelijker en goedkoper kapitaal kunnen aantrekken om te investeren en te innoveren. En dat innoveren is een must bij een sterke munt, omdat efficiënter worden dan de concurrentie de enige manier is te blijven winnen. Immers, kortstondige hulp uit de hoek van een zwakkere munt komt er niet. Bedrijven die niet anders weten dan dat ze jaar in jaar uit moeten proberen beter en efficiënter te worden, krijgen na enige tijd dat continu innoveren in de genen, zoals het Nederlandse bedrijfsleven dat heeft gekregen. Onze bedrijven wisten dat de gulden sterk zou zijn en de overheid en DNB ze niet zal helpen met het verzwakken van de eigen munt.

    Het bovenstaande houdt in dat meespelen in het spel ‘wie kan zijn eigen munt zwakker maken’, zoals de ECB al jaren doet, uiteindelijk onze welvaart zal verlagen. Een zwakke munt kan geen substituut zijn voor innovatie en onderzoek. Zou dat wel zo zijn, dan zouden landen zoals Griekenland en Italië tegenwoordig dé economische giganten van Europa zo niet de wereld zijn en zouden die landen de rest van de eurozone overeind houden met noodleningen. 

    Met het oog op de toekomst moet de ECB zich sterk maken voor een ander wereldwijd beleid en desnoods zelf voor een sterke euro moeten gaan. De Nederlandse bewindslieden zouden dan ook het belang van een sterke munt moeten benadrukken, verwijzend naar de eigen monetaire geschiedenis, en er niet voor terugdeinzen erop te wijzen dat de ECB verkeerd bezig is, in plaats van dat beleid, zoals Den Haag doet, te verheerlijken of er doorgaans niets over te zeggen. Wie zwijgt stemt toe. DNB mag wat luider laten horen zich niet te vinden in het huidige ECB-beleid. Onze beleidsmakers en centrale bankiers hoeven niet louter te roepen dat een zwakke munt nastreven geen goed beleid is, zij kunnen het met de monetaire geschiedenis van ons land ook aantonen.

    "Wie zijn welvaart belangrijk vindt, prefereert op middellange termijn een sterke munt boven een zwakke munt"

    Een van de gevolgen van de globalisering is dat het monetaire beleid van de belangrijkste centrale bank in de wereld, de Amerikaanse Fed, meer dan ooit tevoren de standaard is geworden. Elke andere centrale bank kan zich er hooguit tijdelijk aan onttrekken, maar komt vroeg of laat voor de keuze te staan om óf het beleid van de Fed te volgen óf ervan te blijven afwijken. Met als prijs een zeer dure eigen munt en het stilvallen van de exportmotor, wat in moderne economieën vrijwel garant staat voor een diepe recessie. Dit geldt zeker voor een exportweltmeister zoals Duitsland. Tijden veranderen en zelfs zonder de euro zou de Bundesbank van nu in mijn optiek niet de Bundesbank van weleer zijn.

    Maar geldt voor de eurozone niet hetzelfde als wat ik zojuist omschreven heb voor Duitsland, dat de tijden anders zijn, dat de onderlinge afhankelijkheid in de wereld groot is, te groot om eigen monetaire koers te kunnen varen? Voor een deel natuurlijk wel, maar wat een feit is, is dat wat Duitsland gisteren is geweest, de eurozone vandaag is, namelijk een relatief gesloten economie, die zich dus een autonoom monetair beleid wél kan veroorloven. Het is waar dat de eurolanden veel handel drijven met de rest van de wereld, maar een aanmerkelijk deel van die extra-eurozonehandel is met de andere EU-landen en landen zoals Zwitserland, landen wiens valuta’s vaak impliciet of expliciet gekoppeld zijn aan de euro.

    Natuurlijk zou het op de korte termijn pijn doen als de ECB zich als een gereïncarneerde Bundesbank zou gedragen. Maar dát is nu juist de taak van een goede centrale bankier: voorbij de korte termijn kijken en maatregelen nemen die politici misschien níet maar de maatschappij als geheel wél goed uitkomen. Om de centrale bankiers in staat te stellen dat te kunnen doen hebben we ze zeer onafhankelijk gemaakt, de leden van het ECB-bestuur bijvoorbeeld kunnen niet ontslagen worden. Een centrale bankier die ondanks die beschermde status toch vooral naar de korte termijn kijkt en beleid afstemt op de noden van de politiek en de financiële sector, is een slechte en laffe centrale bankier. Helaas wemelt het van bankiers van deze soort. Waren monetaire ridders zoals de onlangs overleden André Szász altijd al zeldzaam, tegenwoordig zijn ze een zo goed als uitgestorven ras.

    Tot slot: Wat als de ECB dat niet doet, dus zich in toenemende mate als Banca d’Italia blijft gedragen in plaats van de Bundesbank, wat moet Nederland dan doen? Daarover meer de komende weken.

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Edin Mujagic

    Gevolgd door 926 leden

    Een onafhankelijke macro-econoom, spreker en publicist. Zijn nieuwste boek gaat over de Nederlandse monetaire geschiedenis.

    Volg Edin Mujagic
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren