Beeld van Multatuli in Amsterdam, Torensluis.
© Sabine Joosten / ANP

Multatuli: een liberaal die het meende

1 Connectie

Onderwerpen

Slavernij
3 Bijdragen

Op 2 maart 1820 werd Eduard Douwes Dekker geboren, beter bekend als Multatuli, de auteur van ‘Max Havelaar of de Koffiveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappy’. 2020 is zodoende zijn jubeljaar. Het boek, waarin Multatuli zich verzette tegen de uitbuiting van het Indonesische volk, werd alom geprezen als een meesterwerk en werd in veel talen gepubliceerd. Deze maand verschijnt ‘De kleine Multatuli’, geschreven door Klaartje Groot en FTM-auteur David Hollanders. Het boek geeft een overzicht van de denkbeelden van Multatuli. Het hoofdstuk over zijn politiek-economische ideeën volgt hieronder, in licht gewijzigde vorm.

Na lezing van Max Havelaar kon er geen twijfel over bestaan: Multatuli kantte zich tegen onrecht. De ‘hoofdstrekking’ van zijn beroemdste boek was volgens de auteur zelf: ‘de Javaan wordt mishandeld!’ Ook na 1860 sprak Multatuli zich telkenmale uit tegen uitbuiting van de arbeider, de witte net zo goed als de Javaanse. Hij leek van socialistische ideeën blijk te geven en hij inspireerde menig sociaaldemocraat. Zo bezocht Domela Nieuwenhuis, een van de oprichters van de Nederlandse socialistische beweging, hem meermaals. Multatuli gaf evenwel te kennen de inzichten van Nieuwenhuis niet te delen. (Wel hield hij Nieuwenhuis voor een ‘braaf’ en ‘eerlyk’ man en vond hij hem ‘oprecht en wèl-willend’.)

Multatuli zelf was socialist noch sociaal-democraat. Hij had vooral een groot rechtvaardigheidsgevoel (‘Wel heb ik sympathie met den wrevel der ontevredenen’). Je zou ook kunnen zeggen: Multatuli was een liberaal die het werkelijk meende en die juist daarom afstand nam van liberale politici. Het blijft bij hem evenwel onduidelijk hoe economische veranderingen politiek doorgezet kunnen en moeten worden. Zijn kapitalismekritiek was even oprecht als naïef, en even scherp als tandeloos.

‘Ik eis, binnen de grens van ’t mogelijke: vrijheid’

In 1887 plaatste de toen 66-jarige Multatuli, enkele maanden voor zijn overlijden, in een aantal bladen een opvallende advertentie. Die bevatte deze tekst: ‘Om misverstanden uit den weg te ruimen, verklaar ik dat de meeningen der sociaal-democraten over de middelen ter verbetering van den treurigen toestand waarin ’n groot gedeelte der bevolking van Europa verkeert, my voorkomen in hoofdzaak onjuist te zyn.’ Aanleiding voor deze publieke mededeling was de door zijn tweede vrouw Mimi voor hem ontvangen bijval op een socialistenvergadering in Amsterdam. Hij stelde geen prijs op hun steun en achtte die misplaatst.

‘Wel heb ik sympathie met den wrevel der ontevredenen, dien gevoel ik met hen’

Het was niet de eerste keer dat Multatuli zich distantieerde van het socialisme. In 1886 schreef hij in een brief: ‘Neen, socialist ben ik niet! Ik kan ’t program van die party niet onderschryven [..] Wel heb ik sympathie met den wrevel der ontevredenen, d.i. dien gevoel ik met hen. Maar ik beweer dat ze zich vergissen, zoowel in ’t aanwyzen van den vyand die te keer moet worden gegaan als in de middelen die ze aanwenden. [..] Niet alleen dat ik niet socialist ben, ik ben anti-socialist. Zij blijken te smachten naar verzwaring van juk, ik eis, binnen de grens van ’t mogelijke: vrijheid.’

‘Misbruik makende van den schonen klank: vry’

Multatuli bekende zich met zijn eis tot vrijheid tot het centrale principe waarmee kapitalisme gerechtvaardigd wordt. Immers, in het kapitalisme heet men, anders dan in het feodalisme en het socialisme, vrij te zijn om naar eigen goeddunken te werken, te consumeren, te sparen en te ondernemen. Multatuli noemde zichzelf ronduit liberaal, maar distantieerde zich tegelijkertijd van zijn liberale tijdgenoten en van de door hen gepropageerde ‘vrije arbeid’, het stelsel dat zij voorstonden ter vervanging van het Cultuurstelsel, het op Java door de Nederlanders ingevoerde arbeidssysteem.

Multatuli schreef twee schotschriften tegen de vrije arbeid. In het eerste, Over vryen arbeid in Nederlandsch Indië en de tegenwoordige koloniale agitatie, verklaart hij zich tegenstander van het Cultuurstelsel, maar vervolgt: ‘dit sluit volstrekt niet in, dat ik party-trek voor hen die, misbruik makende van den schoonen klank: vry, een gedwongen Vryen arbeid willen invoeren, waarby de eerste avonturier de beste zich in de plaats stellen zou van de Regering, om in compliciteit met de Hoofden, den Javaan uit te zuigen. [..] dát zyn de ergste Droogstoppels!’

David Hollanders over Multatuli:

Ik las Max Havelaar voor het eerst als UvA-student geschiedenis en econometrie, aan het begin van deze eeuw. Toen vond ik het taalgebruik aangenaam archaïsch, maar de inhoud deed mij weinig. Dat was anders toen ik het boek tien jaar later oppakte. Woordkeuze en stijl waren onverminderd onweerstaanbaar, maar daar kwam nu iets bij. De ingewikkelde verhouding in koloniaal Nederland in 1860 werd inzichtelijk gemaakt, waarbij Multatuli / Max Havelaar partij koos voor de onderliggende Javaan. Dat rechtvaardigheidsgevoel trof mij, te meer daar een van mijn ouders in de Oost geboren en deels getogen is. Verder was 150 jaar na 1860 nog voelbaar wat er voor Multatuli op het spel stond: zijn rechtvaardigheidsgevoel en zijn carrière, die hij uiteindelijk offerde aan dat rechtsgevoel. Multatuli heeft genoeg bedenkelijke eigenschappen, maar dit blijft een bewonderenswaardige stap.

Multatuli's polemische stijl past bij de Nederlandse literair-journalistieke praxis, met relatief veel columnisten en een hoog gehalte aan polemiek, ironie en cynisme. Toch is er een verschil. Multatuli was politiek geëngageerd, terwijl politiek engagement in de Nederlandse letteren al snel belachelijk gevonden wordt. Dat engagement meen ik thans aan te treffen bij een enkele schrijver (bijv. Lieke Marsman en de Ierse Sally Rooney). Eerder wees ik bij FTM op de gelijkenissen tussen Multatuli en Ewald Engelen, waarbij ik diens afwijzing van Black Lives Matter niet onderschrijf, en die mij ook weinig Multatuliaans voorkomt.

Het is goed Multatuli maar ook Pramoedya Ananta Toer, Frank Martinus Arion en Anton de Kom te lezen, omdat zij nog altijd doen wat ze altijd al deden: ze smoren de mogelijkheid van werkelijke onwetendheid over Neerlands koloniaal geweld en ondermijnen de geloofwaardigheid van de vrome leugens die daar in 1860 en ook nu weer over worden gedebiteerd.

Lees verder Inklappen

Vrije arbeid kwam volgens Multatuli neer op voortzetting van het Cultuurstelsel; in het eerste stelsel werd de Javaan privaat uitgebuit, in het tweede van staatswege. De uitkomst van vrije arbeid zou zijn dat de Javaan moet ‘arbeiden ten behoeve van zwendelaars, bankroetiers, industriële vrybuiters’. Het zou er op uitdraaien dat de belangrijkste productiefactor, grond, vroeg of laat zou toevallen aan Nederlandse kapitalisten.

In één van de in 1875 aan Max Havelaar toegevoegde noten hekelt Multatuli de invoering vanpersoonlyk grondeigendom’ in Bantam, want: ‘Wanneer bedoelde maatregel de strekking heeft om den inlander z’n grond te laten afkwanselen door den eersten den besten fortuinzoeker, ben ik er tegen!’ Vrije arbeid zou zelfs nog erger kunnen blijken dan het Cultuurstelsel: ‘Om te geraken tot de beoordeling van ’t Vrye-arbeidssysteem, voege men by al die elementen van schandelyk misbruik, nog bovendien den hebzuchtigen particulieren intrigant.’ Het ging de liberalen niet om werkelijke vrijheid voor de Javaan, maar om ‘de byzondere soort van vryheid, die de party der liberalen voor den Javaan wenst te verkrygen: de vryheid om te arbeiden voor particulieren’.

Kortweg geldt dat in het kapitalisme alleen vrij is wie geld heeft. Wie geen geld heeft, zal óf werken óf sterven

Multatuli’s ontmaskerende notie van vrijheid-binnen-het-kapitalisme komt dicht bij die van zijn tijdgenoot Karl Marx (1818-1883). Marx betoogt dat kapitalisme inderdaad vrijheid impliceert, maar wel in een singuliere betekenis. Kortweg geldt dat in het kapitalisme alleen vrij is wie geld heeft. Wie geen geld heeft, zal óf werken óf sterven. En wie werk heeft, bepaalt kapitaal. In Das Kapital (1867) schrijft Marx dat de arbeider vrij is ‘in dem Doppelsinn, daß er als freie Person über seine Arbeitskraft als seine Ware verfügt, daß er andrerseits andre Waren nicht zu verkaufen hat, los und ledig, frei ist von allen zur Verwirklichung seiner Arbeitskraft nötigen Sachen’. De arbeider heeft de formele vrijheid om al dan niet te werken, maar omdat er feitelijk geen alternatief is voor werken, staat dat in werkelijkheid gelijk aan de vrijheid om uitgebuit te worden.

Multatuli dacht er niet veel anders over. In 1845 – hij was toen 25 – schreef hij aan zijn toenmalige verloofde: ‘hij vooral, die geene fortuin bezit moet er in de eerste plaats al wat geoorloofd is voor over hebben om in zijn onderhoud te voorzien’. En in 1862 schreef hij in Idee 451 over arbeidsomstandigheden in Nederland: ‘Want, de werkman in onze maatschappy is slaaf. Z'n maag levert hem gebonden over, aan ieder die hem ’n maal aardappelen met azyn betaalt.’

De werkman was een slaaf die uitgebuit werd net zolang totdat hij als onbruikbaar afgedankt zou worden: ‘Hy is slaaf, minus 't recht op onderstand, minus registratiekosten, minus gezegelden koopbrief, minus rente en risico. Ja, zonder risico. Want als-i ziek wordt, ongeschikt om te arbeiden, oud, gebrekkig... welnu, dan huurt men een nieuwen slaaf die werken kan, en betaalt hem als z’n voorganger, met ’n maal aardappelen daags... Moeten dan de fabrikanten hun betaling verhoogen, de werkbazen hun loon? Volstrekt niet. Dit kunnen zy niet. Die betaling is geregeld door de verhouding van vraag en behoefte.’

Daarom was de ‘toestand van ons Volk schandelyk’. En daarom ook was vrije arbeid een leugen. Maar dat maakte van Multatuli nog geen socialist, zoals hijzelf terecht opmerkte. Hoe moeten we zijn kapitalismekritiek, want dat is het toch zeker, dan wel begrijpen?

Eduard Douwes Dekker. Beeld: Literatuurmuseum

‘Dieven die zich fatsoenshalve financiers noemen’

Bovengenoemd Idee 451 komt uit de tweede bundel Ideën, gepubliceerd in 1865, Multatuli’s omvangrijkste en interessantste tekst over de positie van arbeiders in Nederland. Hierin verbindt hij zijn kritiek op de publieke uitbuiting van de Javaan met de private exploitatie van de witte arbeider, stellende: ‘De zwarte slaverny was inderdaad in beginsel een gruwel, maar... ze was openlyk, oprecht, frank. En: de slaaf werd beschermd door de wet.’ De lezer van Max Havelaar weet overigens al dat de wet niet gehandhaafd werd. Evengoed vervolgt Multatuli: ‘Wie beschermt de witte slaaf? Wie verzacht of geneest de kanker van de blanke slaverny?’ Voor de witte slaaf zou invoering van ‘gereglementeerde slaverny’ dan nog beter zijn, ‘met verplichting aan de kant des meesters, om z’n eigendom behoorlyk te onderhouden’.

Als ‘vermogende personen’ winstgevende ondernemingen aanprijzen, is dat ‘altyd zwendelary’

In deze passages is helder wie er geëxploiteerd worden: de Javaan én de witte arbeider. Het is minder duidelijk wie er uitbuit. Elders wijst Multatuli die uitbuiter wel aan. Hij hekelt in Idee 451 onder meer bankiers. Dat zijn ‘dieven die zich fatsoenshalve financiers noemen’. Hij noemt ze profiteurs: ‘Ik denk dat de Londense bankiers ook wel genegen zyn – tegen 5% altoos – gelden te ontvangen om ’n spoorweg naar de maan te maken, als ze maar niet gehouden zyn hun geld daarin te steken, of meetereizen.’ En als ‘vermogende personen’ ‘winstgevende ondernemingen’ aanprijzen, is dat ‘altyd zwendelary’. Elders duidt hij de uitbuiter aan met het non-descripte ‘men’: ‘men spreekt over eerlykheid, en bedoelt winst.’

Multatuli bekritiseert bankiers en ondernemers, maar doet dat niet consequent en ook weinig precies. Met noties als zwendelarij, fatsoen en eerlijkheid is zijn kritiek eerst en vooral een morele. Hij wijkt daarmee af van de socialistische kritiek van Marx. Volgens de laatste was het probleem van de kapitalistische productiewijze pertinent niet dat kapitalisten immoreel waren, hoewel volgens Marx en Engels in Das Kommunistische Manifest (1848), de bourgeoisie ‘hat die heiligen Schauer der frommen Schwärmerei, der ritterlichen Begeisterung, der spießbürgerlichen Wehmut in dem eiskalten Wasser egoistischer Berechnung ertränkt’.

Kapitalisten wenden productiemiddelen weliswaar uit winstbejag aan, maar het echte probleem was (en is) dat zij die productiemiddelen überhaupt in eigendom hebben. Zij bepalen daarmee als groep wat, waar, wanneer en onder welke (arbeids)voorwaarden er geproduceerd wordt. Arbeiders beslissen daar niet over; maar ook een individuele kapitalist kan productiebeslissingen niet wezenlijk veranderen. En dus, zo stelt Das Kommunistische Manifest, is ‘Aufhebung des Privateigentums’ nodig. 

Multatuli was niet voor opheffing van privé-eigendom. Zoals aangegeven, vond hij dat socialisten zich vergisten zowel in het 'aanwyzen van den vyand' als in de aangewende middelen. Hoe kon de nood dan wél gelenigd worden, als opheffing van privé-bezit van productiemiddelen kennelijk niet de geëigende manier was?

‘Van heden af, ben ik de vertegenwoordiger van die arme’

De wereld zit vol fortuinzoekers, zwendelaars, bankiers. Multatuli ageerde tegen hen, maar meende tegelijkertijd dat de wereld nu eenmaal zo in elkaar steekt: ‘Door geld liet zich de Natie verblinden, met geld wordt de aanbidding van den Mammon geboet.’ Ook schreef hij: ‘De begeerte om zich door den arbeid der inlanders fortuin te verschaffen, mag ik niet te streng veroordelen, al stuit ze my tegen de borst. De wereld is nu eenmaal zo.’ De laatste zin suggereert berusting in de status quo. Multatuli berustte echter niet.

‘Ieder kan geen profeet of apostel wezen... hm, ’t hout zou duur worden van ’t kruisigen!’

Helden kunnen zich volgens hem namelijk onttrekken aan de morele middelmaat. Men zou een held moeten wezen [..] om ’n stelsel af te keuren waaraan men zonder veel moeite een belangryk vermogen te danken had.’ Helden zijn, daar wijst Multatuli’s hoofdpersoon Havelaar al op, echter dun gezaaid: ‘Ieder kan geen profeet of apostel wezen... hm, ’t hout zou duur worden van ’t kruisigen!’ Eén held echter is voldoende om misstanden te stoppen: ‘De ellende die ’t Kultuurstelsel over den Javaan brengt, kan vermeden worden door een Gouverneur-Generaal die zyn plicht doet.’ Géén der Gouverneur-Generaals deed echter zijn plicht. En dus moest er een andere held opstaan.

Multatuli stapte graag zelf naar voren als degene die een eind zou maken aan uitbuiting in binnen- en buitenland. In Idee 451 stelt hij: ‘De arme wordt niet vertegenwoordigd? Welnu, van heden af, ben ik de vertegenwoordiger van die arme.’ Armen konden niet zichzelf vertegenwoordigen, want: ‘De arme teert zwygend weg. Hy heeft de geestkracht niet om verbetering van z'n lot te vorderen, en juist datzelfde lot belet hem om te geraken tot geestkracht. Dit alles loopt rond in ’n fatale kring die verbroken moet worden. En dit kan wel. Ik zal ’t beproeven.’ Werkmannen waren uiteraard niet de enige groep waarvoor Multatuli zich hard maakte. Eerder had hij in Minnebrieven, het 'vervolg' op Max Havelaar, al aangekondigd: ‘DE JAVAAN WORDT MISHANDELD. IK ZAL DAARAAN EEN EIND MAKEN.’

Met zijn beklemtoning van moreel leiderschap als oplossing voor ongelijkheid en uitbuiting, week Multatuli af van noties als arbeiderszelfbestuur en socialisatie van productiemiddelen. Hij week dus af van het socialisme. Hij stelde niet de bestaande eigendomsverhoudingen ter discussie. Voor hem waren recht en eerlijkheid voldoende voorwaarden voor herstel: ‘Ééne zaak slaat men gewoonlyk over: myn aandringen op recht! Het is dan ook dit gebrek aan eerlykheid, waardoor alle herstel onmogelyk wordt gemaakt.’ Met deze cri de coeur stuiten we op de beperkingen van Multatuli’s positie, die theoretisch niet geheel sluit.

 ‘Ik predik óntevredenheid!’

Want volgens Multatuli kon alleen een gewetensvolle held een eind maken aan ongelijkheid en uitbuiting. Maar er is in deze wereld geen mechanisme om zo iemand aan de macht te brengen, laat staan te houden. Dat moest hij zelf ook constateren na verschijning van Max Havelaar. Het boek werd gelezen. Het werd besproken. Het werd mooi gevonden, en indrukwekkend. Maar: er werd geen politiek gevolg aan gegeven. Dat stemde hem bitter over het publiek: ‘Wie volstrekt bedrogen worden wil, is niet te helpen.’

Multatuli zag in het uitblijven van politieke gevolgen van zijn literaire interventies nog geen reden om zich met socialisten, of met wie dan ook, te engageren: ‘Nog eens, ’t spyt me dat ik niet met de Socc. kan meegaan. Ik kan met niemand meegaan. Men had moeten meegaan met my.’ Zijn aanklacht en waarheidzeggerij hadden afdoende moeten zijn voor een omwenteling, vond hij. Maar die bleef uit, en in die mogelijkheid voorzagen Multatuli’s ideeën niet.

Multatuli schreef en dacht in het individualistische, ridderlijke register van eer en plicht. Zo stelt hij: ‘Ik predik óntevredenheid! Ik beweer dat het plicht is geen genoegen te nemen met ’n stand van zaken die... den allerkwaadaardigsten God onteren zou. Wie nu meent dat ik socialistische of communistische roering voorsta, heeft my zeer slecht begrepen. Juist het tegendeel.’

Uit deze en de andere citaten spreekt een voluntaristisch perspectief op politieke verandering: als voldoende mensen verandering willen en hun plicht doen, volgt politieke verandering vanzelf. Het sluit aan bij zijn moralistische en romantische kapitalismekritiek. Multatuli’s antwoord op ongelijke eigendomsverhoudingen is niet onteigening, maar heldhaftig optreden van een voorman en een moreel appèl op de rest. Zijn kapitalismekritiek kwam daarbij ironisch genoeg voort uit de ‘vrome dweperij’ en ‘ridderlijke geestdrift’ die volgens Marx en Engels door het kapitalisme verdronken was.

‘Volgens my zou het desideratum van alle wysbegeerte moeten zyn: verhooging der som van genot

Tot slot

Twee briefcitaten geven Multatuli’s verhouding tot Marx en het socialisme nog eens goed weer. In 1882 schreef Multatuli, toen 62 jaar oud: ‘Heeft het woord: Socialismus ’n stipt afgebakenden zin? Voorzeker niet! Zoomin als de meeste “ismen”. Waar vind ik ’n omschryving van het streven der Socialisten? Marcx [sic] doet in frazen [..] In de uitdrukkingen “het Kapitaal”, “de arbeider” struikel ik steeds over de onderhaalde lidwoorden. [..] ik begryp inderdaad niet, op welke manier de socialisten willen bereiken wat volgens my het desideratum van alle wysbegeerte zou moeten zyn: verhooging der som van genot.’ En in 1884 schreef hij: ‘Karel Marx! Herhaaldelyk ben ik begonnen z’n werk te lezen. [..] Hy doet – even als de mannen en place – in frazen. En terdeeg! Het kapitaal, myne heeren... Ei! Ik begryp zelfs dat HET niet. (En om dat kapitaal te bestryden, “het” kapitaal, moeten de werklui zich vereenigen, geld byeenbrengen en dus... kapitaal vormen!).’

Deze passages laten zien dat Multatuli weinig ophad met Marx. Multatuli bleef liberaal. Zijn liberalisme was daarbij een particulier amalgaam van socialistische noties, onversneden humanisme en ridderlijke individualiteit. Uiteindelijk vormde bestrijding van eigenbelang, oneerlijkheid en onrechtvaardigheid er de kern van.

Multatuli keerde zich dan ook tegen de ‘blanke slaverny’, waartoe de werkman veroordeeld was. En hij meende dat ‘het lot van den werkman vaak treurig is’, mede als gevolg van de ‘onbillijke verdeeling van winst tusschen arbeid en kapitaal’. En daarmee is het dan toch weer begrijpelijk dat Multatuli Domela Nieuwenhuis en andere sociaaldemocraten en socialisten aansprak, beïnvloedde en inspireerde.

David Hollanders
Docent politieke economie aan de Universiteit van Amsterdam.
Gevolgd door 246 leden