CCO Public Domain
© Lilla Frerichs

Nederland heeft behoefte aan een parallelle arbeidsmarkt

    Samen met onderwijsvouchers is de combinatie van garantie-inkomen en basisbanen veel beter dan het onvoorwaardelijke basisinkomen waarbij ook miljonairs ‘gratis geld’ krijgen. Dat stelt S. de Beter in de vijfde en laatste aflevering van zijn serie over nieuwe vormen van sociale zekerheid en een menswaardig bestaan.

    In de vorige aflevering van deze serie over het garantie-inkomen was ik behoorlijk kritisch over voorstellen om de werkloosheid aan te pakken door het scheppen van basisbanen. Ik ben echter absoluut geen tegenstander van basisbanen, integendeel. Mijn kritiek heeft alleen betrekking op de manier waarop Kleinknecht c.s. de kosten van een basisbanenplan hebben berekend, alsmede op hun uitgangspunt dat de benodigde basisbanen door de (gemeentelijke) overheid gecreëerd en georganiseerd moeten worden. Beide punten van kritiek kunnen niet los van elkaar worden gezien.

    De kosten zijn volgens Kleinknecht c.s. het verschil tussen de bijstandsuitkering die baanlozen momenteel ontvangen, en het minimuminkomen dat zij bij een basisbaan zouden krijgen. Dat klopt alleen als we ervan uitgaan dat er geen kosten zijn verbonden aan het scheppen van de benodigde basisbanen en het ‘begeleiden’ van de mensen die deze banen gaan bezetten; kosten die economen meestal als transactie- of organisatiekosten bestempelen. Ik voorspel dat deze kosten behoorlijk uit de hand gaan lopen — zeker als de overheid zich met deze basisbanen gaat bemoeien, zoals vrijwel alle voorstanders van basisbanen bepleiten. Zoals ik toen schreef: ‘Ik vrees met grote vreze dat het voorstel van de basisbanen binnen de kortste keren zal ontaarden in een uitdijende paternalistische overheidsbureaucratie waarin middelbaar opgeleide ambtenaren, aangestuurd door hoger opgeleide managers en deskundigen, gaan voorschrijven aan laagopgeleide baanlozen welke werkzaamheden zij moeten uitvoeren, en wie het meest geschikt is voor de bij elkaar gesprokkelde basisbanen.’

     

    "Als de overheid zich met basisbanen gaat bemoeien, kunnen de kosten uit de hand lopen"

    In dit artikel hou ik een pleidooi voor een totaal andere benadering, namelijk het creëren van een markt voor basisbanen. Natuurlijk wel een markt waarin het marktmechanisme is onderworpen aan simpele en maatschappelijk geaccepteerde principes, zoals ik in een eerder artikel heb geschetst.

    De markt voor basisbanen

    Het gaat in mijn markt voor basisbanen om een georganiseerde markt die parallel aan, maar wel gescheiden van de ‘officiële arbeidsmarkt’, moet gaan functioneren. De aanbieders zijn de mensen die niet aan deze arbeidsmarkt kunnen of willen deelnemen, maar wél willen en kunnen participeren in gemeenschapsprojecten die zij de moeite waard vinden. Aan de vraagzijde staan de mensen die voorstellen hebben ingediend over gemeenschapsprojecten en die andere mensen nodig hebben om die projecten uit te voeren.

    Laat ik het zo concreet mogelijk maken. Een zekere Mark heeft een plan ontwikkeld om in wijk Bloemendal tien ‘reukpaadjes’ aan te leggen waar allerlei welriekende planten worden neergezet. Zijn project, met de titel ‘Ga Bloemendal weer ruiken’ (GBWR), en het bijbehorende budget is zojuist goedgekeurd door de wijkraad (waarover straks meer). Mark staat te popelen om het uit te voeren en heeft daar wat ‘hoofdjes en handjes’ bij nodig. Zoals een bepaalde expertise, die zowel bij Geert als bij Jesse voorhanden is.

    Elk van deze drie personen heeft alternatieve opties. Mark kan kiezen voor Geert, of juist voor Jesse, maar hij kan ook beiden in dienst nemen voor X aantal dagen. Geert en Jesse hebben elk eveneens alternatieven. Als ze het project van Mark — of Mark zelf — niet zien zitten, kunnen ze hun expertise inzetten voor een project van Emile, of een van Lodewijk.

    Zijn er geen andere gemeenschapsprojecten die hun expertise kunnen gebruiken? Dan belet niets hen om zich aan te bieden op de ‘officiële arbeidsmarkt’ of aanspraak te maken op een garantie-inkomen — om hun vrije tijd te besteden aan de zorg voor hun kinderen of hun ouders, aan het schrijven van een boek of aan het volgen van een studie (gefinancierd door een onderwijsvoucher). Mark, van zijn kant, heeft ook de mogelijkheid om zijn project ‘commercieel’ uit te voeren, door een opdrachtgever in het bedrijfsleven of bij de overheid te zoeken. Hij kan dan echter geen gebruik maken van het financiële budget dat de wijkraad hem ter beschikking heeft gesteld.

    Er moet bij de uitvoering van de projecten een minimum-uurloon worden gehanteerd

    Om te participeren op deze markt voor basisbanen stel ik als belangrijkste regel dat bij de uitvoering van de gemeenschapsprojecten een minimum-uurloon wordt gehanteerd. Ik praat met opzet over een uurloon op minimumniveau omdat ik de mogelijkheid wil open laten dat deelnemers bijvoorbeeld twee dagen een basisbaan hebben en twee dagen een ‘gewone’ baan met — meestal — een hoger uurloon. Deze mensen hanteren dus twee verschillende uur- en dagtarieven.

    Loting

    Hoe gaat de selectie van gemeenschapsprojecten in haar werk? Ook hier zou je eventueel van een markt kunnen spreken, maar er komt geen (financiële) prijs tot stand. Aan de ene kant staan de wijkbewoners die allerlei wensen hebben, en opvattingen over wat het leven in Bloemendal aangenamer maakt. Aan de andere kant van de ‘markt’ heb je mensen zoals Mark, Emile of Lodewijk, die concrete plannen hebben ontwikkeld om te voorzien in die plaatselijke behoeften. Als we ons hier beperken tot de fietsende wijkbewoner, kan dat variëren van het beschilderen van een saaie fietstunnel tot de bouw van een fietsbrug over een drukke autoweg.

    Evenals op een echte markt het geval is, kunnen niet alle wensen van alle wijkbewoners worden gehonoreerd. Hetzelfde geldt voor de projecten die door Mark en zijn concullega’s zijn ingediend, omdat het beschikbare budget voor de wijk Bloemendal waarschijnlijk te klein is om alle aanvragen te honoreren. Er moeten dus keuzes worden gemaakt, en naar oer-Hollands gebruik wordt het budget verdeeld door een wijkraad.

    Het betreft geen traditionele wijkraad, want loting bepaalt wie plaats neemt

    Deze raad telt géén BN’ers, experts, ambtenaren of vertegenwoordigers van allerlei belangengroeperingen, zoals VNO-NCW, Fietsersbond, Vluchtelingenwerk, Humanitas, of de plaatselijke winkeliersvereniging. Deze maatschappelijke organisaties, zoals ze tegenwoordig vaak worden aangeduid, fungeren in de praktijk vaak als koninkrijkjes waar buitenstaanders moeilijk binnenkomen. Het is ook geen traditionele wijkraad, zoals die her en der al is opgericht, want deze halfzachte polderconstructie wordt alras eveneens een eigen clubje van een select groepje wijkbewoners. Ook ik wil dat alleen wijkbewoners in aanmerking komen, het grote verschil is dat het lot bepaalt welke daarvan zitting nemen in de wijkraad nieuwe stijl, voor een beperkte periode. Het pleidooi van David van Reybrouck om loting in te voeren lijkt mij bij uitstek geschikt voor de selectie van projecten op wijkniveau: je hebt immers geen opleiding of speciale expertise nodig om te weten wat goed is voor de wijk. Omdat iedere wijkbewoner dezelfde kansen heeft om in de wijkraad terecht te komen, zijn per definitie alle lagen van de wijkbevolking vertegenwoordigd. De leden van de raad — die à titre personnel optreden — beslissen over de helft van het wijkbudget, zodat de geselecteerde projecten snel kunnen starten. Over de andere ingediende projecten vindt een stemming plaats waaraan uitsluitend wijkbewoners mogen meedoen die minimaal twee jaar in de wijk wonen; dit om te vermijden dat ‘passanten’ een te grote stempel drukken op de wijkvoorzieningen.

    Principes van de perfecte markt

    Iedere lezer die op school economie heeft gehad, zal in de voorgaande schets enkele principes van de perfecte markt herkennen — de marktvorm die economen zo graag doceren, maar die ze klaarblijkelijk niet zo gemakkelijk kunnen creëren. De kenmerken:

    1. Vrije toe- en uittreding, bij vragers en bij aanbieders. Zelfs een miljonair kan zich — fulltime of parttime — beschikbaar stellen voor een basisbaan, maar wel tegen een minimum-uurtarief. En iedereen kan een gemeenschapsproject indienen, om op die manier te profiteren van het beschikbare budget en van gemotiveerde ‘hoofdjes en handjes’ (zie 4.).
    2. Invoering van een garantie-inkomen en van onderwijsvouchers moet garanderen dat die vrije toe- en uittreding gebaseerd is op reële alternatieven; een criterium dat neoklassieke economen meestal vergeten. Zo negeren ze dat talloze mensen tegen een hongerloontje moeten werken omdat ze hun arbeidskracht nergens anders kunnen ‘verhuren’. Of dat er melkveehouders zijn die nauwelijks alternatieve opties hebben, en daarom bij een dalende melkprijs — als gevolg van de afschaffing van de melkquota — juist nóg meer gaan melken en daarmee hun eigen graf graven.
    3. Geen van de partijen heeft invloed op de prijs en op andere uitkomsten van het marktproces. Dit principe wordt gerealiseerd door te werken met één prijsniveau, namelijk het minimum-uurtarief, alsmede door de samenstelling van de wijkraad, die door loting tot stand is gekomen, en regelmatig door een nieuwe loting wordt ‘ververst,’ bijvoorbeeld ieder jaar de helft van het aantal zetels. Dit voorkomt dat mensen met een ‘status aparte’ — door hun posities in de politiek of in andere elites — het spel naar hun hand kunnen zetten.
    4. Er zijn financiële en andere prikkels die op algemeen aanvaarde morele principes berusten. Wanneer je als baanloze meedoet aan een gemeenschapsproject krijg je een minimumloon, en dus meer dan het garantie-inkomen dat ongeveer op bijstandsniveau zit. Kies je voor een opleiding, dan teer je in op jouw beschikbare onderwijsrechten. Nog belangrijker zijn de intrinsieke motieven — zoals gemeenschapszin en ideëel ondernemerschap — die in de huidige economie te vaak worden verdrongen door extrinsieke. Dat iemand meedoet aan een gemeenschapsproject tegen een minimumtarief terwijl hij in het bedrijfsleven of bij de overheid een veel hoger uurtarief kan vragen, impliceert dat intrinsieke motieven de boventoon voeren. Wat je ernstig kunt betwijfelen bij de directeur van Werk Pro, een non-profit re-integratieorganisatie in Noord-Nederland die mensen met een grote ‘afstand tot de arbeidsmarkt’ naar werk begeleidt. Want deze directeur verdient meer dan 145.000 euro bruto per jaar, en dat in een markt met nauwelijks concurrentie en een uitstekend vangnet — althans voor de bestuurders.
    5. Tevens is belangrijk dat deze vorm van directe democratie — of mag je deze markt voor basisbanen zo niet noemen? — niet wordt gedwarsboomd door ijdele of zelfs doortrapte politici en andere uitwassen van de parlementaire democratie. Zoals ik in de vorige aflevering heb geschetst, is dat gevaar levensgroot. Het enige waar politici zich mee mogen bemoeien, is het totale bedrag dat per gemeente, provincie of Rijk voor gemeenschapsprojecten ter beschikking worden gesteld, alsmede de ‘verdeelsleutel’. Met dat laatste bedoel ik dat de hoogte van het wijkbudget voor gemeenschapsprojecten gebaseerd kan worden op het aantal bewoners in de wijk of het dorp, maar ook op de samenstelling van de wijkbevolking. Ouderen, mindervaliden uitkeringsgerechtigden, en werknemers met een benedenmodaal inkomen hebben meer belang bij wijkvoorzieningen dan jongeren, yuppen en bovenmodalen, en zouden bijvoorbeeld dubbel geteld kunnen worden.
    6. Tot slot is het van belang dat er voldoende mogelijkheden zijn voor variatie en experimenten, want die heb je nodig om leerprocessen op gang te brengen zodat de regels van het marktmechanisme steeds beter worden afgestemd op maatschappelijke behoeften.

    Allerlei varianten

    Mijn schets van de markt voor basisbanen is met opzet heel grof gebleven. Want er zijn allerlei varianten denkbaar en door daarmee te experimenteren kan duidelijk worden welke daarvan goed en minder goed werken. Bovendien is een one size fits all-benadering helemaal niet nodig. Wat voor de ene wijk of dorp een aantrekkelijke constructie is, kan voor een andere juist een onbegaanbare weg zijn. Zo kunnen sommige wijken kiezen voor het systeem dat we van de Amerikaanse jury kennen: een project kan alleen doorgang vinden als alle leden van de wijkraad hun goedkeuring geven. Andere wijken kunnen opteren voor twee derde of voor een meerderheid van de stemmen.

    Een one size fits all-benadering is niet nodig

    Van een heel andere orde zijn de varianten met het lotingssysteem. Moet iedere ingelote wijkbewoner ‘zijn lot aanvaarden’ of kan hij weigeren zitting te nemen in de wijkraad? Kunnen wijkbewoners van tevoren aangeven niet beschikbaar te zijn voor loting? Nee, is mijn eerste reactie op beide vragen, want koudwatervrees is te ‘genezen’ en burgerplicht is een belangrijke zaak.

    Een derde variabele factor betreft de aard van de projecten die kunnen worden voorgedragen. Zijn dat alleen projecten gericht op de fysieke en sociale infrastructuur van de wijk, zoals het opknappen van het buurthuis, het parkje of de trottoirs? Of kan ook geld worden besteed aan effectieve begeleiding van probleemgezinnen die veel overlast veroorzaken in de wijk?

    Tevens kan worden geëxperimenteerd met methoden om wijkoverschrijdende gemeenschapsprojecten te stimuleren, bijvoorbeeld door een gezamenlijk project van twee wijken of dorpen een extra budget van 10% te geven.

    Mijn devies: laat duizend bloemen bloeien, zodat wijken en dorpen van elkaar kunnen leren. En laat sociale wetenschappers zich nuttig maken door in kaart te brengen welke opties de diverse wijkraden kiezen, en welke directe en indirecte gevolgen daaruit (kunnen) voortvloeien. Ook kunnen ze onderzoeken in hoeverre gewone mensen die door loting tijdelijk op een verantwoordelijke positie terecht zijn gekomen, betere beslissingen nemen dan politici, bestuurders, experts en andere academici uit het old boys network die momenteel onze zaakjes regelen — en indirect het rechtspopulisme zo populair hebben gemaakt.

    Monetaire financiering

    Tot slot de vraag die in het huidige tijdsgewricht ieder zinnig alternatief om zeep kan helpen: hoe gaan we dit allemaal betalen? Was de AOW nog niet ingevoerd door Vadertje Drees, dan zou een vergelijkbaar plan momenteel ongetwijfeld naar het rijk der financiële fabelen zijn verwezen. Zo diep zijn wij inmiddels gezonken in het moeras van de overheidsfinanciering. Tijd voor een andere benadering.

    Mijn voorstel komt grotendeels overeen met het plan dat de Britse Labour-leider Jeremy Corbyn heeft ontwikkeld voor het Verenigd Koninkrijk en dat hier uitgebreid wordt beschreven, inclusief een verwijzing naar respectabele economen die zijn plan steunen. Ik pleit voor de oprichting van een Nederlandse Gemeenschapsbank (NGB) met als enige taak de financiering van gemeenschapsprojecten op rijks-, provinciaal, gemeentelijk en vooral op wijkniveau. Met het selecteren van de wijkprojecten hoeft de NGB zich niet bezig te houden, want dat is de taak van de wijkraad. Voor de financiering van al die geselecteerde projecten geeft de NGB-obligaties uit die vervolgens door De Nederlandsche Bank (DNB) worden opgekocht. Dat is dus vergelijkbaar met wat de ECB nu doet bij de banken, maar nu is het doel niet het opkrikken van de bankbalansen en het vruchteloos stimuleren van de inflatie, maar het financieren van werkgelegenheidsprojecten die de mensen op lokaal niveau zelf de moeite waard vinden.

    "Het doel is niet het opkrikken van de bankbalansen en het vruchteloos stimuleren van de inflatie, maar het financieren van werkgelegenheidsprojecten"

    Sommige mensen zullen nu meteen opspringen: ‘Wij hebben bij de invoering van de euro alle DNB-bevoegdheden op dit punt toch weggegeven aan de ECB?’ Dat is waar, maar dat hoeft niet zo te blijven, zeker niet als meer EU-landen het voorbeeld van Corbyn willen volgen. Het gaat immers om de monetaire financiering van gemeenschapsprojecten die voornamelijk plaatselijke, regionale of nationale effecten hebben, en waar dus nauwelijks een grensoverschrijdende werking van uitgaat. Anders gezegd: het extra geld dat op die manier wordt gecreëerd, komt alleen indirect in andere eurolanden terecht, en is dus niet tegenstrijdig maar eerder complementair aan het ECB-beleid — en werkt hopelijk zelfs corrigerend. Economisch en monetair gezien lijkt er dus geen probleem met mijn financieringsplan. Het is vooral een kwestie van politieke wil, iets dat met de komende verkiezingswinst van de populistische partijen geen groot probleem zou moeten zijn.

    Als op 16 maart ook het politieke carnaval voorbij is, kunnen er hopelijk snel knopen worden doorgehakt over de inrichting van de Nederlandse maatschappij. Ik hoop met mijn ideeën over garantie-inkomen, onderwijsvouchers en een markt voor basisbanen een klein steentje te hebben bijgedragen. Nu zijn eerst anderen aan zet om deze ideeën eventueel te verspreiden, verder uit te werken en om met relevante vragen en mogelijke antwoorden te komen.

    Dit is de laatste bijdrage van S. de Beter op Follow the Money. Als u zijn columns en essays wilt blijven volgen, kunt u voortaan terecht op http://eco-simpel.nl/. Daar vindt u ook een veel uitgebreidere versie van dit opiniestuk.

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    S. de Beter

    S. de Beter is niet mijn echte naam. Ik koos voor een pseudoniem om de kans te vergroten dat mijn schrijfsels op waarde worde...

    Volg S. de Beter
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren