Hoe standvastig was de Gulden nu eigenlijk?

    In de week van het geld is het goed om even in het verleden te duiken. De Nederlandse munt heeft altijd een hoogwaardige reputatie gehad, maar hoe zit dat nu echt? Econoom Edin Mujagic geeft een les monetaire geschiedenis waarin hij enkele mythes ontrafelt en liefhebbers van de gulden waarschuwt.

    In een vorige bijdrage in mijn serie over de gevolgen van een Nederlands vertrek uit de eurozone en de herinvoering van een eigen munt, heb ik uitgelegd dat elk land, en dus ook Nederland, in monetair opzicht te maken heeft met iets wat economen de onmogelijke drie-eenheid noemen: geen land kan langdurig én monetair soeverein zijn én een vaste wisselkoers hebben én het kapitaalverkeer vrij laten. Elk land kan op elk gewenst moment twee van die drie doelstellingen hebben, maar niet alle drie tegelijkertijd. 

    Aangezien een vaste wisselkoers ten opzichte van de Duitse munt voor Nederland van oudsher cruciaal is, net als vrij kapitaalverkeer, betekent dit dat ons land niet monetair soeverein kan zijn. Daarvoor kiezen betekent dat we of de vaste wisselkoers zouden moeten inleveren, óf de vrijheid van kapitaalverkeer.

    Zouden we er, ten behoeve van onze monetaire soevereiniteit, voor kiezen om de wisselkoers van de heringevoerde gulden vrij zouden laten of het kapitaalverkeer van en naar Nederland aan banden te leggen, dan zou de kans groot zijn dat we onze welvaart daarmee ernstig zouden aantasten. Dit is een les die onze eigen monetaire geschiedenis ons leert.

    Vorig jaar publiceerde ik een boek over de moderne periode in de Nederlandse monetaire geschiedenis, getiteld ‘Boeiend en geboeid: een monetaire geschiedenis van Nederland sinds 1814/1816’. De rode lijn in dat deel van onze historie is dat onze gulden vaker wel dan niet vastgeketend was aan iets: goud, zilver of de Duitse mark. Die rode lijn was de reden dat ik naar de officiële presentatie van dat boek, bij De Nederlandsche Bank met Klaas Knot, handboeien (de speelgoedvariant) meenam: als ik onze monetaire historie met één voorwerp zou moeten illustreren, dan zouden dat namelijk handboeien zijn. Vandaar ook de titel van het boek.

    "Als ik onze monetaire historie met één voorwerp zou moeten illustreren, dan zouden dat handboeien zijn"

    Schade

    Maar in die twee eeuwen waren er ook af en toe perioden waarin Nederland monetair gezien (semi-)autonoom was. Keer op keer ondervonden we daar schade van, zoals in de periode tussen de twee wereldoorlogen. Het was in die jaren dat een eeuwenoud monetair stelsel, de goud- dan wel zilverstandaard, van het wereldtoneel verdween. Nederland was het allerlaatste land dat zijn munt loskoppelde van het goud. Dat gebeurde op 27 september 1936.

    Tussen eind september van 1936 en mei 1940, het begin van de Duitse bezetting van Nederland, zweefde de gulden en had Nederland monetaire autonomie. Nederland, en niet De Nederlandsche Bank, omdat de regering het monetair beleid overnam. Vier dagen nadat Nederland als allerlaatste land de gouden standaard had verlaten, zag het Valuta-egalisatiefonds het daglicht. De regering richtte dat fonds op om de wisselkoersbewegingen van de gulden als gevolg van valutaspeculatie te beperken nu de gulden geen anker had. Met het Valuta-egalisatiefonds in werking verloor DNB elke zeggenschap over het monetaire beleid en de koers van de gulden. In feite ging de regering er nu over.

    Het officiële doel van het Valuta-egalisatiefonds was om ‘de bewegingen van de wisselkoers van de gulden als gevolg van valutaspeculatie te beperken’. Wat de regering met het fonds echter deed, kwam niet bepaald overeen met het officiële doel. Tussen september 1936 en de Duitse invasie in 1940 verloor de gulden terrein tegenover het Britse pond en de Franse frank en bleef onze munt min of meer stabiel tegenover de Belgische frank. Tegenover de voor Nederland belangrijke Duitse mark voltrok zich echter een drama: de gulden verloor ruim 16 procent in minder dan vijf jaar tijd. Het gevolg van die waardedaling van de gulden was 25 procent inflatie in minder dan vijf jaar tijd.

    Na de bevrijding van Nederland en het einde van de Tweede Wereldoorlog trad het in 1944 in het Amerikaanse stadje Bretton Woods overeengekomen nieuwe internationale monetaire stelsel in werking. De munten van de westerse landen werden losjes gekoppeld aan de Amerikaanse dollar, die op zijn beurt vastgeklonken werd aan goud. ‘Losjes gekoppeld,’ omdat de aan de dollar gekoppelde valuta’s de koers tegenover de Amerikaanse munt altijd konden aanpassen.

    Daar hebben we hem weer, de onmogelijke driehoek

    Nederland volgde daarin doorgaans wat West-Duitsland deed, wat ertoe leidde dat de koers van de gulden ten opzichte van de Duitse mark zeer stabiel was in de jaren ’50 en ’60. De waarde van de gulden binnen de Nederlandse grenzen kachelde echter fors achteruit. Omdat in de jaren ’50 en ’60 het kapitaalverkeer streng gereguleerd was, kon elk land én een vaste wisselkoers hebben én een eigen monetair beleid voeren (daar hebben we hem weer, de onmogelijke driehoek). Dat laatste, een eigen monetair beleid, wil zeggen dat een land zelfstandig bepaalt hoeveel geld het drukt en wat het prijsniveau is: veel geld in omloop leidt tot hoge inflatie. Dat deed Nederland in die twee decennia ook.

    Als we naar de inflatieprestaties van verschillende ontwikkelde landen in die periode kijken, dan treffen we in de jaren ’50 Nederland niet aan onder de toppers. Met een jaarlijkse inflatie van bijna 4 procent deden wij het aanmerkelijk en structureel slechter dan Italië (3 procent inflatie per jaar), België (1,8 procent), West-Duitsland (1,1 procent) en Zwitserland (1,1 procent). De koploper was — geloof het of niet — Portugal, met een jaarlijkse geldontwaarding van slechts 0,7 procent. 

    In het volgende decennium zakte Nederland ver weg op de lijst. Zo goed als elk ontwikkeld land deed het aanzienlijk beter op het inflatiefront dan wij. Zag een Duitser, een Belg of een Zwitser zijn koopkracht elk jaar met tussen de 2,4 tot 3 procent afnemen, de Nederlander keek tegen een jaarlijkse koopkrachtuitholling aan van ruim 4 procent per jaar. 

    Vanaf eind jaren ’60 begon het Bretton Woods-arrangement te wankelen, en in 1971 stortte het in. Daarmee viel het anker voor alle Europese munten weg en ontstond er een even nieuwe als chaotische situatie in Europa, met vrij zwevende — en vaak alle kanten op vliegende — wisselkoersen. Dat gold ook voor de gulden.

    "Tussen 1969 en de koppeling aan de mark in 1983 daalde de Nederlandse munt vrijwel onafgebroken in waarde"

    Mark schaduwen 

    Eind jaren ’60 stopte de gulden de Duitse mark te schaduwen. Tussen 1969 en de koppeling aan de mark in 1983 daalde de Nederlandse munt vrijwel onafgebroken in waarde ten opzichte van de munt van de oosterburen. Het totale verlies bedroeg 25 procent. Op het inflatiefront deed Nederland het, met een gemiddelde jaarlijkse inflatie van 7 procent in de jaren ’70, veel beter dan veel andere landen, maar aanmerkelijk slechter tegenover onze traditionele monetaire peers West-Duitsland, Zwitserland en Oostenrijk. Jelle Zijlstra, president van DNB tussen 1967 en 1982, zag die waardedaling van de gulden zowel binnen als buiten Nederland als ‘de maatstaf van mijn falen’ zoals hij later in zijn memoires zou schrijven.

    Het is pas sinds 1983 dat Nederland zo goed als elk ander land verslaat op monetair gebied. Het was in dat jaar dat onze munt steviger dan ooit gekoppeld werd aan de mark, een koppeling die tot de invoering van de euro stevig zou blijven. Tussen 1983 en de komst van de euro in 1999, werd de gulden meer waard — soms zelfs fors meer — tegenover zo’n beetje elke munt in de wereld. Er waren slechts een paar munten die de gulden, zij het licht, wisten te verslaan, te weten de Duitse mark, de Zwitserse frank en de Oostenrijkse schilling. Alleen tegenover de Japanse yen kelderde de gulden.

    Bron: Boeiend en geboeid: een monetaire geschiedenis van Nederland sinds 1814/1816

    Als ik de moderne monetaire geschiedenis van Nederland met één voorwerp zou moeten illustreren, dan zouden dat, zoals ik al zei, handboeien zijn. In de afgelopen 200 jaar was Nederland, in monetair opzicht, bijna altijd aan iets vastgeketend. Af en toe waren onze monetaire handen vrij. En elke keer toen dat het geval was, staat dat voor een zwarte pagina in onze moderne monetaire historie.

    Elke keer daalde de waarde van de gulden ten opzichte van de voor ons land belangrijke valuta’s fors, en was de inflatie in Nederland doorgaans hoger dan in Duitsland en vaak ook hoger dan de inflatie in Frankrijk en België. Wat dat ons leert, is dat Nederland een monetair anker nodig heeft. Zonder dat is het ons land in het verleden nooit gelukt om een goed monetair beleid te voeren.

    Natuurlijk, men kan zeggen dat de resultaten uit het verleden geen garantie zijn voor de toekomst, dat het ons ditmaal wél zou lukken een degelijk autonoom monetair beleid te voeren. Gezien onze monetaire geschiedenis kan ik echter niet anders concluderen dan dat de kans op succes gering is. Aangezien verkeerd monetair beleid enorme gevolgen voor onze welvaart zou hebben, zou het zeer onverstandig zijn hiermee te gaan experimenteren. Wel of niet uit de euro is geen spelletje. Zelfs toen de omstandigheden voor een succesvol zelfstandig monetair beleid zeer gunstig waren, omdat het kapitaalverkeer streng gereguleerd was en de afhankelijkheid van het buitenland kleiner was, is het ons niet gelukt er een succes van te maken. De omgeving is anno 2017 aanzienlijk lastiger. Zoals ik eerder schreef: je kunt je zelfs afvragen of een land als Duitsland tegenwoordig een autonoom monetair beleid zou kunnen voeren.

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Edin Mujagic

    Gevolgd door 926 leden

    Een onafhankelijke macro-econoom, spreker en publicist. Zijn nieuwste boek gaat over de Nederlandse monetaire geschiedenis.

    Volg Edin Mujagic
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren