De kolencentrale van Engie.
© ANP / Robin Utrecht

Hoe de Nederlandse kolenindustrie keer op keer de dans ontsprong

Steenkoolcentrales zijn vervuilend en stoten massa’s CO2 uit. Al sinds het Kyoto-akkoord van 1997 worden in Nederland daarom pogingen gedaan om over te stappen op andere energiebronnen. Veelal met weinig succes: minder dan vijf jaar geleden werden er in ons land nog drie nieuwe kolencentrales geopend. Achter de schermen speelde zich ondertussen een jarenlange en invloedrijke lobby af.

Deze lente leek het dan echt te gaan gebeuren: de drie laatste overgebleven Nederlandse kolencentrales gingen dicht. Om gevolg te geven aan de uitspraak in het Urgenda-vonnis moest de regering-Rutte nog enkele CO₂-beperkende maatregelen nemen. De makkelijkste maatregel zou het sluiten van de Nederlandse kolencentrales zijn. Onderzoeksbureau CE Delft rekende uit dat dit 9 miljoen ton CO₂-uitstoot per jaar zou schelen.

Maar toen kwam de coronacrisis. Nederland ging in lockdown waardoor de economie tijdelijk stagneerde. Het gevolg: in 2020 werden er plots miljoenen tonnen minder CO₂ uitgestoten dan het jaar ervoor. Dat maakte extra maatregelen tijdelijk overbodig.

Dát de kolencentrales uiteindelijk dicht zullen moeten, is evenwel onvermijdelijk. Eind 2019 is bij wet bepaald dat per 1 januari 2030 geen kolen meer worden gestookt voor elektriciteitsproductie in Nederland. Toch lijkt het Nederland maar niet te lukken om voor die tijd van steenkool af te komen. Wat heet: in 2015 en 2016 werden er nog drie gloednieuwe centrales in gebruik genomen. Nederland is daarmee het laatste land in Europa waar nog kolencentrales zijn bijgebouwd en bungelt onderaan het EU-lijstje op het gebied van duurzame energie. 

Eerdere pogingen om het gebruik van kolen aan banden te leggen, hebben niet zelden het tegenovergestelde resultaat gehad, zo blijkt uit onderzoek van Platform Authentieke Journalistiek (PAJ). De verklaring daarvoor is dat een stevige lobby, die via betaald onderzoek en politieke connecties, telkens weer echte maatregelen wist tegen te houden. 

Over dit onderzoek

Dit artikel is grotendeels gebaseerd op bronnen uit het persoonlijke archief van chemicus Frits Böttcher (1915-2008). Böttcher had, in zijn eigen woorden, ‘de bewaarziekte’. Nauwgezet maakte hij notities van al zijn vergaderingen en gesprekken, telefonisch of in persoon, al dan niet voorzien van een korte biografie van de personen in kwestie. In zijn persoonlijk archief, dat wordt bewaard in het Noord-Hollands Archief in Haarlem, ligt maar liefst 15,9 meter aan documenten.

Eerder schreven we op basis van deze documenten over Böttchers ‘Projekt CO₂/broeikaseffect’. Met financiële ondersteuning van een dertigtal bedrijven, waaronder Shell, AkzoNobel en Texaco, verspreidde Böttcher gedurende de jaren negentig wetenschappelijke twijfel over klimaatverandering.

Lees meer

Lees verder Inklappen

Klimaatplannen

Terug naar net voor de eeuwwende. In 1999 is het ‘alle hens aan dek’ voor de Nederlandse kolenindustrie. In juni van dat jaar brengen Jan Pronk (PvdA), minister van VROM, en Annemarie Jorritsma (VVD),  minister van Economische Zaken, de Klimaatnota uit. Dit akkoord is het antwoord van de Nederlandse overheid op de afspraken in het Kyoto-protocol. Een belangrijk onderdeel van dit plan: de Nederlandse kolencentrales moeten overschakelen op gas.

De eigenaren van de kolencentrales zijn ‘not amused’. In het voorstel van Pronk en Jorritsma zien zij de ‘doodsteek’ voor in Nederland geproduceerde elektriciteit: ‘Als de plannen van Pronk doorgaan, kan [de sector] internationaal niet meer concurreren’, laat directeur H. van Meegen van de Elektriciteits-Produktiemaatschappij Zuid-Nederland (EPZ) op 12 juni optekenen in NRC Handelsblad.

En dus komt de energiesector in verzet. Een belangrijke rol daarin is weggelegd voor Jannes Verwer, de directeur van het Elektriciteitsbedrijf Zuid-Holland (EZH). Deze energieproducent bezit op dat moment de op kolen en gas gestookte energiecentrales Maasvlakte I en II. Verwer schakelt op zijn beurt een oude bekende in: Frits Böttcher.

Böttcher is dan al decennia een bekend gezicht in de Nederlandse media. De emeritus hoogleraar chemie van de Universiteit Leiden diende van 1966 tot 1974 als president van de Raad van Advies voor het Wetenschapsbeleid en van 1973 tot 1976 als lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Ook was hij een zeer betrokken VVD-lid. Onder het grote publiek dankt hij zijn faam echter vooral aan zijn rol als mede-oprichter van de Nederlandse tak van de Club van Rome, iets waar hij zich ook dertig jaar na dato nog graag op laat voorstaan.

Vanaf het eind van de jaren tachtig roert Böttcher zich actief in het publieke debat over fossiele brandstoffen en klimaatverandering. Regelmatig publiceert hij rapporten, boeken en opinie-artikelen waarin hij de gevolgen van toenemende CO2-uitstoot op klimaatverandering bagatelliseert. Zo stelt hij dat CO2 niet gevaarlijk, maar juist ‘goed voor planten’ is. 

Böttcher in 2Vandaag in 1995 (bron: Beeld en Geluid).

Deze werkzaamheden heeft Böttcher het afgelopen decennium goeddeels op kosten van de fossiele industrie verricht: bedrijven als Shell, Hoogovens en de Samenwerkende Energie-Producenten (SEP, waar ook EZH onder valt) betaalden hem vanaf 1989 in totaal zo’n 1 miljoen gulden voor zijn ‘projekt CO2/broeikaseffect’.

Maar de tijden zijn veranderd. Steeds minder bedrijven durven zich publiekelijk in te laten met Böttcher en in 1998 moet hij noodgedwongen stoppen met zijn CO2-project. ‘Men is gezwicht voor de pressie van de milieuorganisaties en de milieuministers van landen als Nederland en Duitsland’, schrijft hij hierover in een brief aan een zakenrelatie. Böttcher laat zich echter niet uit het veld slaan: de ‘verdedigingslinie’, in zijn woorden, verschuift vanaf dat moment naar het wijzen op de schadelijke economische gevolgen van klimaatbeleid. 

Om invulling te geven aan deze nieuwe strategie start Böttcher het project ‘Energie en Duurzame Ontwikkeling’ (EDO). Eén van zijn eerste wapenfeiten: het schrijven van een rapport over de toekomst van de Nederlandse energievoorziening voor het ministerie van Economische Zaken. Het verslag komt uit in februari 1999, vier maanden voor de publicatie van de Klimaatnota. In het rapport voorspelt Böttcher ‘een gouden toekomst’ voor steenkool: met de voorraden kan de wereld nog eeuwen vooruit, en vergeleken met andere energiedragers zijn kolen spotgoedkoop. Met onverhulde trots schrijft Böttcher later aan aan zijn contacten in de top van het bedrijfsleven dat ‘ik zowat de enige ben in Nederland die voor steenkool durft te pleiten’.

Het rapport levert Böttcher verschillende nieuwe sponsoren op, onder wie ook Verwer. Namens EZH — vanaf de overname in 2000 E.ON Benelux — maakt hij tussen 1999 en 2002 in totaal zo’n 47.000 euro over naar Böttchers stichting.

De Klimaatnota

In april 1999 laat Verwer aan Böttcher weten dat hij net een ‘zeer teleurstellend gesprek’ heeft gehad met ministers Jorritsma en Pronk over de uitvoering van ‘Kyoto’. ‘[Verwer] vreest dat allerlei belanghebbende groepen die aandringen op sluiting van de kolencentrales Pronk zullen overhalen tot actie,’ noteert Böttcher. Als de ministers in juni hun Klimaatnota presenteren met daarin het voornemen om de Nederlandse kolencentrales over te schakelen op gas, wordt Verwers vrees waarheid. Maar er gloort hoop: op 15 juli maakt Jorritsma in gesprek met Verwer duidelijk dat zij persoonlijk tegen het sluiten van de kolencentrales is. Van Verwer verwacht de VVD-minister daarom ‘vooral steun [...] tegen VROM’.

Twee weken later zet Verwer in een brief aan Böttcher zijn strategie uiteen: ‘In de discussie over de Klimaatnota wil ik me zoveel mogelijk richten op het zaaien van twijfel, wetenschappelijke twijfel tegenover de ingenomen standpunten rond CO₂ als broeikasgas.’ Verwer is op zoek naar ‘tegenwerpingen zoals historische temperatuurvariaties, de zwakte van de klimaatmodellen en de theorieën rond de zonneactiviteit.’ Mocht er daarnaast ‘extra zwaar geschut’ nodig zijn, dan wil Verwer nog aanvullende argumenten over ‘het gebrek aan integriteit bij de milieuactivisten’.

Een week later levert Böttcher Verwer de gevraagde informatie: ‘Ik ben verheugd dat je van plan bent speciale aandacht te geven aan de wetenschappelijke twijfel tegenover de ingenomen standpunten rond CO₂ als broeikasgas,’ schrijft de chemicus in de begeleidende brief. Wellicht is ‘verheugd’ hier nog een understatement: Böttcher schrijft dat hij zich ‘als een mug in een nudistenkamp voelt’ terwijl hij door zijn materiaal over CO2 en het klimaat heen gaat. ‘Te veel keus.’

Böttcher voelt zich ‘als een mug in een nudistenkamp’ wanneer hij door zijn materiaal over CO2 en het klimaat heen gaat: ‘Te veel keus’

In november 1999 krijgt de kolenlobby zijn zin. In het Tweede Kamerdebat over de Klimaatnota komt EZ-minister Jorritsma terug op het plan om de kolencentrales op gas over te laten schakelen. Jorritsma ondersteunt zelfs een motie van het CDA die erop wijst dat ombouwen fataal zou zijn voor de elektriciteitssector, omdat deze niet langer zou kunnen concurreren op de pas geliberaliseerde Europese elektriciteitsmarkt. Volgens Jorritsma heeft de sector al ‘buitengewoon veel gedaan om de emissies te beperken’ en is het milieubesef ‘zeer aanwezig’. Haar oplossing om toch tot de gewenste CO₂-reductie te komen, is het bijstoken van biomassa: ‘Als de kolencentrales worden gesloten, is bijstook [van biomassa] niet meer mogelijk.’.

Wanneer het Platform Authentieke Journalistiek (PAJ) haar vraagt naar haar verzoek aan Verwer om ‘steun tegen VROM’, laat Jorritsma per mail weten dat zij ‘vermoedt’ dit verzoek nooit te hebben gedaan. Jorritsma, tegenwoordig Eerste Kamerlid, wil verder niet meewerken aan het onderzoek: ‘Het is 20 jaar geleden en ik vrees dat ik niet alles onthouden heb.’   

Ook Jan Pronk staan de details rondom het verdwijnen van het voornemen om de kolencentrales te sluiten niet meer exact voor de geest. De internationale klimaatconferenties in Den Haag (2000) en Bonn (2001) hebben ‘een belangrijk deel van mijn werkzaamheden als minister van Milieu beslagen’, vertelt Pronk desgevraagd aan PAJ. Wel herinnert hij zich dat er bij Economische Zaken over het algemeen weinig belangstelling was voor klimaatbeleid. Pronk wijt dit vooral aan de nauwe banden tussen het ministerie en het Nederlandse bedrijfsleven: ‘Ik zeg niet dat ze [het beleid] bepaalden, maar de opvattingen verschilden niet heel erg.’ 

Met het afschieten van het plan om de kolencentrales te sluiten, komt er een nieuw voornemen: het kabinet-Kok II wil samen met de nutsbedrijven die energie leveren komen tot CO₂-reductie. In 2000 ondertekenen de overheid en de energiebedrijven de eerste versie van het kolenconvenant. In ruil voor vrijwillige afspraken over het terugdringen van de CO₂-uitstoot — onder andere door het bijstoken van (gesubsidieerde) biomassa en het verhogen van de efficiëntie van de centrales — schaft de overheid de belasting op steenkool af.

En zo is het succes van de kolenlobby compleet. Niet alleen mogen de centrales open blijven, hun belangrijkste grondstof wordt ook nog eens een stuk goedkoper. Of het kolenconvenant ook daadwerkelijk zijn doel heeft bereikt — bij het aflopen op 31 december 2012 moest 6 megaton CO₂-uitstoot zijn voorkomen — is niet te controleren. Het convenant stierf omstreeks 2006 een stille dood.

De kolenvergasser

Het spook van klimaatbeleid is rond de eeuwwisseling niet de enige veroorzaker van oproer in de Nederlandse energiewereld. In 1996 besluit de Europese Unie om de interne energiemarkt te liberaliseren.  Dit zou het mogelijk moeten maken om de energieproductie efficiënter te organiseren en stroom tegen lagere prijzen aan te bieden.

Om aan de nieuwe Europese richtlijnen te voldoen, wordt vanaf 1998 ook de Nederlandse energiemarkt geliberaliseerd — een proces dat uiteindelijk pas in 2006 wordt voltooid. Voor die liberalisering moet in Nederland het machtige en gesloten bolwerk van de elektriciteitsbedrijven — de Samenwerkende Elektriciteits-Productiebedrijven (SEP) — worden ontmanteld. Dit kartel, waar alle gemeentelijke en provinciale energiebedrijven in zijn verenigd, heeft tot dan toe de gehele Nederlandse energievoorziening in handen.

De ontbinding wordt echter bemoeilijkt door een paar onrendabele contracten en bezittingen, die vaak vanuit milieu-overwegingen en met overheidssteun zijn opgetuigd — denk bijvoorbeeld aan kostbare stadsverwarmingprojecten. Als de bedrijven worden verkocht, zullen deze zogeheten ‘bakstenen’ een belemmering vormen voor goede marktwerking (lees: de opbrengsten voor de gemeenten en provincies). Daarom wil de SEP compensatie voor deze oude financiële verplichtingen.

Eén van die bakstenen is de experimentele Willem-Alexander Centrale, waarin steenkool wordt vergast in plaats van verbrand. Werd de centrale bij de opening in 1989 nog geroemd om haar vooruitstrevende technologie en relatieve milieuvriendelijkheid, sindsdien is ze nog geen moment rendabel geweest. De SEP vreest daarom dat tijdens de geplande veiling er geen kopers zullen zijn, of dat deze ver onder de boekwaarde zullen bieden.

SEP-directeur Rhijnvis Feith vraagt Böttcher te helpen de kolenvergasser tegen een goede prijs te verkopen. De SEP overweegt twee opties om de centrale aantrekkelijk te maken voor een marktpartij: óf de centrale schakelt over op gas, óf ze wordt behouden als kolenvergasser, verkocht tegen een lagere prijs en gaat biomassa bijstoken. In beide gevallen legt de overheid het verschil tussen de boek- en verkoopwaarde bij. Zelfverklaard ‘kolenfan’ Böttcher maakt een plan voor het laatste. 

Feith gaat mee in Böttchers plan. Begin maart 2000 schrijft hij een brief aan de Kamercommissie voor Energie, waarin hij pleit voor de kolenvergasser plus biomassa-oplossing. Deze oplossing zou ‘geheel’ passen in het beleid ‘om te komen tot een duurzame energiehuishouding’.

Maar de commissie is niet enthousiast, zo blijkt wanneer Feith en Marten van den Boom, de directeur van de centrale, er een maand later een presentatie geven. VVD-Kamerlid Jan Hendrik Klein Molenkamp laat het duo weten dat hij heeft gehoord dat Economische Zaken het voorstel waarschijnlijk gaat tegenwerken. De centrale ombouwen om op gas te draaien zou namelijk zowel milieuvriendelijker als goedkoper voor de overheid zijn. Op 20 april 2000 schrijft Feith aan Böttcher: ‘Waarschijnlijk kunnen we het argument verwachten dat wij 130 mln. subsidie vragen uit de pot van Economische Zaken om iets te doen dat een geringere bijdrage levert aan het bereiken van de CO₂-doelstellingen dan anders het geval zou zijn. Molenkamp’s argument is dan ook dat wij weinig sympathie van EZ kunnen verwachten, maar dat die van [VROM-minister] Pronk moet komen.’ 

Om Pronk te kunnen benaderen zet Böttcher een samenwerking op met Rob Meines. Deze voormalig NRC-journalist heeft een prominente lobbyfirma: Meines Holla & Partners

Meines claimt Pronk persoonlijk te kennen uit zijn tijd als ambtenaar bij het Ministerie van Ontwikkelingssamenwerking in de jaren zeventig, zo lezen we in een gespreksverslag uit maart 2000. Hij meent Pronks zwakke plek te kennen: in november 2000 is Nederland gastheer van de internationale klimaatconferentie in Den Haag. Pronk kan daar ‘niet met lege handen aankomen’, schrijft Böttcher in een brief aan Feith, waarin hij verslag doet van een gesprek met Meines. Volgens Böttcher biedt het vergassen van biomassa Pronk een uitweg: ‘Het is de enige relatief grootschalige mogelijkheid op de korte termijn.’

Volgens Meines is het echter niet genoeg om enkel Pronk te spreken. Hij noemt het van wezenlijk belang vooraanstaande PvdA-figuren te benaderen, ‘opdat Pronk voldoende rugdekking binnen zijn eigen partij krijgt’.

Nuon zou ‘veel geld’ verdienen met de Willem Alexander-Centrale

De lobby heeft succes. Een week voor de aanvang van de klimaatconferentie wordt de Willem-Alexander Centrale in het kader van de Overgangswet elektriciteitsproductie behandeld door de vaste commissie van Economische Zaken. PvdA-Kamerlid, financieel woordvoerder en woordvoerder elektriciteitsmarktbeleid Ferd Crone dient een motie in: bij de veiling van de centrale moet de Minister bij een lager bod de milieuvoordelen van biomassavergassing laten meewegen in een keuze voor de koper. De motie wordt nog tijdens de klimaatconferentie aangenomen.

In een interview met PAJ vertelt Crone dat hij positief aankeek tegen opties zoals biomassa en vergassing als klimaatmaatregelen: ‘Vergassing is nog steeds een veelbelovende technologie.’ Of Crone is benaderd door Rob Meines, blijft onduidelijk. Crone, inmiddels Eerste Kamerlid, kan het zich niet exact meer herinneren: ‘Dat zou zomaar kunnen. [Rob] Meines kwam een paar keer per jaar langs, want die lobbyde voor Nuon en andere bedrijven.’ Pronk zelf noemt het overigens ‘niet waarschijnlijk’ dat hij door Meines is benaderd. In zijn naar eigen zeggen nauwkeurig bijgehouden agenda en aantekeningen is daarover niets terug te vinden. Hij zegt lobbyisten nooit te ontvangen, maar sluit niet uit dat er een ambtelijk contact is geweest, waarvan hij niet op de hoogte is gesteld. Op zijn beurt laat Meines in een schriftelijke reactie weten dat hij Pronk nooit heeft benaderd over deze kwestie, en hem ‘maar vaag kende,’ terwijl het ‘heel goed kan zijn’ dat hij Crone erover heeft gesproken. Uiteindelijk biedt energiebedrijf Nuon in juni 2001 102,5 miljoen euro voor de Willem-Alexander Centrale als kolenvergasser, iets minder dan de helft van de boekwaarde van de centrale. Nadat het energiebedrijf een rechtszaak aanspant, krijgt het in 2007 ook nog een 46 miljoen euro overheidsvergoeding voor de exploitatiekosten, die hoger blijken dan verwacht. 

Böttcher, die voor zijn hulp mogelijk een success fee van de SEP heeft ontvangen, is verheugd met het nieuws. Een jaar later noteert hij in een gespreksverslag met Kees Daey Ouwens, emeritus hoogleraar Technologie voor Duurzame ontwikkeling aan de Technische Universiteit Eindhoven, de voordelen voor Nuon: het energieconcern zou ‘veel geld’ verdienen met de centrale, omdat deze vooral wordt gebruikt om de piekbelasting op te vangen. Stroom die Nuon anders tegen relatief hoge prijzen op de internationale markt had moeten aanschaffen.

Ook Joop Roeloffs, manager bij kolenhandelaar SSM COAL — hoofdleverancier van de Willem-Alexander Centrale én sponsor van Böttcher — is blij dat de centrale is behouden als kolenvergasser. ‘Een prikje’, noemt Roeloffs het koopbedrag. En, opvallend: volgens Roeloffs is de aankoop van de centrale alleen gelukt omdat ‘Nuon doet alsof men ook bio-materiaal gaat vergassen’, schrijft Böttcher in een gespreksverslag.

"Ze voelden het aankomen: het loopt zo’n vaart niet met Kyoto. Alleen de subsidies, die wilden ze wel hebben"

‘Onzin’, reageert Annemarie Goedmakers, destijds hoofd duurzaamheid bij Nuon, in een interview met PAJ. Volgens Goedmakers was Nuon wel degelijk oprecht in zijn intenties: ‘Nuon zag de kolenvergassingstechnologie als een verbetering ten opzichte van traditionele kolencentrales.’ Maar hoewel er in de centrale volop geëxperimenteerd is met de bijstook van kippenmest, houtpellets, rioolslib en zelfs druivenpitten, komt de techniek nooit voorbij de experimentele fase. In 2013 sluit de Willem-Alexander Centrale vanwege de lage elektriciteitsprijzen definitief haar deuren.

De wind in de rug

Vanaf 2002 is het een paar jaar stil aan het klimaatfront. Internationaal heeft de ‘war on terror’ klimaatbeleid verdrongen van de agenda. Ook in Nederland vinden er politieke verschuivingen plaats en komen politieke partijen aan de macht die weinig ophebben met klimaatverandering. Volgens Ferd Crone, energiespecialist van de PvdA, heerste tot aan de opkomst van Fortuyn in de politiek wel degelijk het idee dat er iets aan het klimaat moet worden gedaan. Maar na het aantreden van het kabinet Balkenende I, een coalitie van VVD, CDA en LPF, veranderde dit: ‘Zij deden niks meer aan milieu en aan klimaat.’

Crone zag met eigen ogen hoe de afnemende politieke aandacht voor klimaat in de politiek doorwerkte in de toch al geringe bereidheid van de Nederlandse industrie om haar CO₂-uitstoot te reduceren. ‘Ze voelden het aankomen: het loopt zo’n vaart niet met Kyoto en de Nederlandse overheid. Alleen de subsidies, die wilden ze wel hebben.’

In de tussentijd ontstaan bij de Nederlandse energiebedrijven serieuze plannen voor de bouw van vijf nieuwe kolencentrales. Energiebedrijf Essent streeft ernaar een kolencentrale te bouwen in Geertruidenberg, Nuon en RWE in de Groningse Eemshaven, en E.ON en Electrabel richten hun pijlen op de Maasvlakte in Rotterdam.

Maar, zo weten de energiebedrijven, vergunningen voor nieuwe kolencentrales komen er alleen als ze inspelen op de klimaatmaatregelen van de regering. Het kabinet moet ten slotte voldoen aan de Kyoto-afspraken. Jannes Verwer houdt daarom een vinger aan de pols bij hoge ambtenaren. In november 2003 doet hij verslag bij Böttcher, inmiddels 88, over een vergadering op hoog niveau over de Nederlandse CO₂-verplichtingen. Volgens Verwer tonen ‘de minister en de ambtenaren weinig inzicht’, en ‘weet niemand er goed raad mee’. Bovendien ‘onderschat men de nadelen van het bijstoken van biomassa vanwege verontreiniging als CI [Chloor] en Hg [Kwik]’. Dat geeft kolenbazen als Verwer de ruimte om hun plannen uit te rollen.

D66’er Laurens Jan Brinkhorst is in die tijd minister van Economische Zaken in het kabinet-Balkenende II. Tijdens zijn ministerschap onderhoudt hij nauwe banden met Jannes Verwer, blijkt uit Böttchers archief. Als Brinkhorst in maart 2004 de splitsing van energiebedrijven aankondigt, een belangrijk staartje van de energieliberalisering, blijkt uit een gespreksverslag dat Verwer ‘Laurens Jan en zijn ambtenaren intensief geholpen [heeft] bij de voorbereiding van het genomen besluit’.

‘Zon- en windenergie zouden nooit voldoende zijn geweest’

In een telefoongesprek met PAJ beaamt Brinkhorst dit: ‘E.ON was een van de weinigen die mij steunde in de liberalisering.’ Geldt hetzelfde voor Brinkhorsts visie op kolencentrales? Hij en Verwer hebben ‘zeker ook wel eens gepraat over kolencentrales, maar veel meer over de liberalisering van de energiesector.’ Brinkhorst zelf zegt niet ontvankelijk te zijn geweest voor de kolenlobby.

Uit Böttchers verslag van het feest georganiseerd ter ere van Verwers officiële vertrek bij E.ON (waar hij overigens als adviseur werkzaam blijft) blijkt iets anders. ‘Vele prominenten’ waren aanwezig, beschrijft Böttcher, en ‘de eerste spreker was Laurens Jan Brinkhorst, die uitvoerig zowel over Jannes als over de energiesituatie sprak. Hij citeerde het pleidooi van Jannes voor steenkolen en zijn kritiek op windenergie. Hij stelt zich welwillend op t.a.v. kolen.’ 

Naar aanleiding van Kamervragen over de mogelijke bouw van kolencentrales, op 1 juli 2004, spreekt EZ-minister Brinkhorst zich volmondig uit voor nieuwe centrales. Eventuele klimaatzorgen neemt hij mee in zijn betoog: ‘Het klinkt paradoxaal maar [...] een nieuwe kolencentrale is voor een deel ook een potentiële biomassacentrale.’ Terugkijkend op deze keuze, vertelt Brinkhorst dat hij diversificatie van energiebronnen van belang achtte om de CO₂-uitstoot te verminderen: ‘Zon- en windenergie zouden nooit voldoende zijn geweest.’ Bovendien, zo meldde hij al eerder in het Financieele Dagblad, moest hij wat doen aan de energieprijzen: ‘Snel na mijn aantreden als minister kwamen de energieslurpers naar mij toe. De grootverbruikers. Die zeiden: stroom is te duur. En we wilden industrie in Nederland behouden.’

Brinkhorst kwam uiteindelijk niet alleen ‘de energieslurpers’ tegemoet: inspringend op de voorspelde milieuvoordelen van biomassa, gaf Brinkhorst ook de kolencentrales wind in de rug. Onder Brinkhorsts opvolger worden drie van de vijf geplande kolencentrales — die van RWE, E.ON en Electrabel — ook daadwerkelijk gebouwd. 

‘An Inconvenient Truth’

De wind draait pas in 2006. De aanstichter: Al Gore, voormalig presidentskandidaat van de Verenigde Staten. Zijn documentaire An Inconvenient Truth brengt de klimaatproblematiek weer wereldwijd onder de aandacht. CO₂-emissies moeten razendsnel omlaag om een klimaatcrisis te voorkomen, zo luidt de boodschap. En kolencentrales? Als die er al bijkomen, dan in ieder geval met CO₂-opvang. 

‘Ik ga proberen een knuppel in jullie hoenderhok te gooien’

Meerdere sponsoren van Böttcher trekken bij hem aan de bel. Zo noemt Corus-directeur Peter Jongenburger ‘de huidige CO₂-rage’ bijvoorbeeld ‘rampzalig’. Ook de sponsoren van Böttchers voormalige CO₂-project weten hem te vinden: oud-Hoogovens-topman Fokko van Duyne wil Böttcher op korte termijn spreken. ‘Hij maakt zich hevig ongerust over het uit de hand lopen van de broeikasdiscussie.’ 

In Nederland krijgt het idee van CO₂-opvang bij energiecentrales voet aan de grond. De politiek bespreekt de potentie van ondergrondse CO2-opslag tijdens discussies over de nieuwe kolencentrales in augustus 2006. De visie van minister Brinkhorst: proeven met CO2-opslag ondersteunen en nieuwe kolencentrales alvast voorbereiden op ondergrondse opslag. Er is ‘geen afdoende geteste technologie,’ volgens Brinkhorst, maar met het oog op de toekomst voorziet hij dat ondergrondse opslag van ‘groot belang’ gaat zijn.

Jannes Verwer en Maus van Loon, wiens centrales op de Maasvlakte al praktisch in de steigers staan, geven gehoor aan de oproep van Brinkhorst. Bij Electrabel is er ‘discussie over 5 hectare extra terrein voor het eventueel noodzakelijk opslaan van CO2 over 5 jaar,’ leert raadpleging van het archief van Böttcher. Ook E.ON bereidt zich voor op soortgelijke maatregelen, zo staat in de innovatieplannen die Böttcher van commentaar voorziet. Zelf is Böttcher overigens geen voorstander: ‘Ik besef dat men om politieke redenen niet onder ‘CO2-Capture and Storage’ uit kan, doch zoals je weet vind ik dergelijke maatregelen voorbarig.’ 

Rotterdam Climate Initiative

In 2007 dient zich nog een dreiging aan voor de kolentopmannen: de lancering van het Rotterdam Climate Initiative (RCI) door toenmalig burgemeester Ivo Opstelten (VVD). Dit initiatief komt voort uit een door Bill Clinton opgezet internationaal samenwerkingsverband van burgemeesters, dat publiek-private samenwerkingen wil stimuleren om klimaatverandering tegen te gaan. Tijdens zijn nieuwjaarsspeech benoemt Opstelten de Rotterdamse ambitie om de stad tot ‘Wereldhoofdstad van CO₂-vrije energie’ te maken. De doelstelling van het RCI is dan de meest ambitieuze van Nederland: vijftig procent minder CO₂ in 2025 ten opzichte van 1990.

Böttcher en Verwer maken zich ongerust over wat zij ‘de dwaze plannen van de gemeente Rotterdam’ noemen. Op 16 januari ontmoet Böttcher burgemeester Ivo Opstelten in kasteel De Wittenburg. Ter voorbereiding van het gesprek overlegt hij met Jannes Verwer: ‘Zou je me nog even kunnen berichten wat hij [Opstelten] tijdens zijn nieuwjaarsspeech aankondigde als streefcijfer met jaartal inzake de CO₂-uitstoot?’ Ook schrijft Böttcher een discussienota over de Rotterdamse plannen op verzoek van Ruud Melieste, die het Havenbedrijf vertegenwoordigt in het managementteam van het Rotterdam Climate Initiative. ‘Ik ga proberen een knuppel in jullie hoenderhok te gooien’, meldt Böttcher aan Melieste, die hierop aangeeft ‘in gespannen afwachting’ te zijn. 

Ook Verwer zit niet stil. Hij bezoekt ‘de periodieke liberale lunch’ waar hij Opstelten en ‘VVD-kamerleden die over energie gaan’ zal treffen. Verder richt Verwer zijn pijlen op zijn contacten bij het Havenbedrijf, een belangrijke speler in het Rotterdam Climate Initiative. Böttcher noteert de uitkomst nauwkeurig: ‘Ger [van Tongeren, de commercieel directeur van het Havenbedrijf, red.] gaf tegen Jannes [Verwer] toe dat Opstelten in zijn nieuwjaarstoespraak onzin verkondigde. Inmiddels is er een gesprek geweest waaraan ook [voormalig premier] Ruud Lubbers en Pieter van Geel [destijds CDA-fractievoorzitter] deelnamen, waardoor Opstelten nu beseft dat de door hem genoemde doeleinden niet haalbaar zijn.’ Nadat Opstelten op het matje is geroepen, vertrekt Ger van Tongeren in juli 2007 bij het Havenbedrijf om senior adviseur te worden bij het Rotterdam Climate Initiative. In een schriftelijke reactie laat Van Tongeren aan PAJ weten dat hij bovenstaande ‘nooit’ tegen Verwer heeft gezegd, en dat hij zich, in zijn verschillende functies in Rotterdam, altijd heeft ingezet voor de doelstelling van 50% CO2-reductie tegen 2025.

Een paar maanden later, begin oktober, krijgt Al Gore, samen met het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC), de Nobelprijs voor de Vrede toegekend. ‘Een blamage’, noemt Verwer het in een e-mail naar Böttcher. De reactie van Böttcher, gedateerd op 19 oktober, druipt van de ironie: ‘Je feliciteerde me maandag met Al Gore’, schrijft hij aan lobbyist Rob Meines. ‘Ik feliciteer jou met Bill [Clinton], want ik beweer dat vanwege de steun die Ivo Opstelten en Ruud Lubbers lichtzinnig aan hem hebben toegezegd, projecten voor jou en mij opdoemen om de Rotterdamse beloftes enigszins in goede banen te leiden.’

In het verleden behaalde lobbysuccessen bieden geen garantie voor de toekomst

Met andere woorden: de successen van de klimaatbeweging zullen Meines en Böttcher vooral nieuw werk opleveren. Dat wil overigens niet zeggen dat het allemaal van een leien dakje gaat: ‘Het gaat nu spannend worden met de E.ON kolencentrale,’ schrijft Böttcher diezelfde maand. VROM is al akkoord met de plannen, maar ambtenaren van de Bouw-Woningtoezicht en Milieudienst Rijnmond (DCMR), een belangrijke deelnemer in het Rotterdam Climate Initiative, moeten ‘de weg banen’. Volgens Verwer zijn zij echter ‘niet alert’. Als de vergunning voor de kolencentrale niet spoedig wordt afgegeven, zal E.ON in financiële moeilijkheden komen.

Uiteindelijk lukt het Böttcher en zijn contacten inderdaad om de Rotterdamse klimaatplannen ‘enigszins in goede banen te leiden’. Paradoxaal genoeg pakt het Rotterdam Climate Initiative in het voordeel uit van de geplande kolencentrales op de Tweede Maasvlakte. ‘Electrabel en E.ON hebben toegezegd zowel aan CO₂-afvang als -opslag te zullen bijdragen (via het Rotterdam Climate Initiative!),’ schrijft Böttcher in december 2007. Nadat de energiebedrijven zich committeren aan het Rotterdam Opslag en Afvang Demonstratieproject (ROAD), zijn de bouwvergunningen rond.

Ondanks de toezegging van een Europese subsidie van 180 miljoen euro voor ROAD en een rijkssubsidie van 150 miljoen, is de beloofde CO₂-afvang er nooit gekomen. De kolencentrales wel: in 2015 gaat de kolencentrale van Electrabel (inmiddels Engie) in bedrijf. Een jaar daarop volgt de centrale van E.ON (dan Uniper). In 2017 blazen de directeuren van de kolencentrales het project met ondergrondse CO₂-opslag definitief af: het zou inmiddels om onrendabele investeringen gaan. Op wat gemor na zijn er geen negatieve gevolgen voor de eigenaren van de kolencentrales.

In het verleden behaalde lobbysuccessen bieden echter geen garantie voor de toekomst. Vanaf 1 januari 2030 zal het kolenverbod ingaan. Alhoewel: ook hierover is het laatste woord nog niet gesproken. Uniper dreigt bijvoorbeeld met een schadeclaim richting de overheid, waarin het bedrijf bijna een miljard euro eist voor wat het ‘onteigening’ noemt.

Frits Böttcher zou dit alles evenwel niet meer meemaken: de chemieprofessor overlijdt in november 2008. Een paar maanden voor zijn overlijden, in april 2008, ontvangt hij nog een exemplaar van het boek van Jannes Verwer dat hij aan zijn omvangrijke archief kan toevoegen. Er zit een persoonlijke noot bij: ‘Dierbare Frits, eminence grise in de energiewereld! Eerste exemplaar van mijn boekje over energie, economie en milieu. Van deze drie is energie de sterkste, jouw ‘oude liefde’ volgend krijgt kolen de meeste aandacht. Energie pilaar bij uitstek van de wereld.’

Correctie: in de introductie van dit artikel stond te lezen dat Nederland het laatste land in Europa was waar nog kolencentrales zijn bijgebouwd. Dit bleek niet te kloppen; we hebben de tekst aangepast.

Deze publicatie is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.

Reactie Jannes Verwer

In een schriftelijke reactie op dit artikel concludeert Jannes Verwer (directeur EZH, later E.ON): ‘Het verhaal is een voorbeeld van matig doordachte onderzoeksjournalistiek van het bekende spreekwoord, “heeft de klok horen luiden, maar weet niet waar de klepel precies hangt”.’

Verwer schrijft dat hij zich ‘altijd afzijdig gehouden [heeft] van een oordeel over de stellingen van het IPCC’ en dat hij een voorstander is van ‘het vaarwel zeggen’ tegen fossiele brandstoffen op middellange termijn. Verwer gaat niet in op zijn uitspraken over het zaaien van verwarring over klimaatverandering, zoals gevonden in het archief.

Vanuit geopolitieke en rendements overwegingen hield hij zich bezig met de ‘politieke dimensies van kolen’, waarover hij met Böttcher sprak tijdens ‘genoeglijke lunches,’ aldus Verwer. EZH zou volgens hem nooit lobbyisten hebben betaald. De bijdragen die genoemd worden in het artikel gaan volgens hem om financiële steun voor een historisch boek over Polen, waar Böttcher aan meewerkte. Deze bijdrage is PAJ ook tegengekomen in Böttchers archief, maar die stond los van de genoemde 47.000 euro van EZH. Dit bedrag was door Böttcher specifiek geoormerkt voor het project ‘Energie en Duurzame Ontwikkeling.’

In dezelfde reactie laat Verwer weten dat hij ‘rond de eeuwwisseling’ sprak met ministers Jorritsma en Pronk over hun plannen om kolencentrales te laten overstappen op het bijstoken van biomassa. Als woordvoerder voor de kolenstokers heeft hij toen uitgelegd ‘hoe slecht het idee was. Dezelfde bezwaren die nu wel onderkend worden.’ Volgens Verwer is van bijstook weinig terecht gekomen vanwege de hogere kwikuitstoot die ermee gepaard gaat.

Over de nieuwe kolencentrale, gebouwd door E.ON, schrijft Verwer dat deze gebouwd is met ‘het hoogst bereikbare energierendement’ voor kolencentrales: 47 procent, in plaats van de 35 procent van andere Europese kolencentrales, die hierdoor meer CO₂ zouden uitstoten. Bovendien heeft de kolencentrale volgens Verwer ‘wel degelijk de mogelijkheid om aan CO₂-afvang en opslag’ te doen. Hij sluit niet uit dat de CO₂-opslag er alsnog komt.

Verwer gaat niet in op zijn rol in de veranderende plannen om kolencentrales over te schakelen op gas noch op zijn rol in het Rotterdam Climate Initiative. 

Lees verder Inklappen
Platform Authentieke Journalistiek
Het Platform Authentieke Journalistiek wil met kritische berichtgeving een bijdrage leveren aan een eerlijkere samenleving.
Gevolgd door 715 leden