© ANP-Archief

    In zijn serie over de eurozone staat Edin Mujagic stil bij iets wat economen de onmogelijke drie-eenheid noemen. Wat voor inzichten verschaft dat concept ons in de discussie over de vraag of Nederland wel of niet uit de euro moet treden?

    Hét argument dat ik vaak hoor waarom Nederland uit de eurozone zou moeten treden en de gulden terug zou moeten brengen, is dat ons land zo zijn eigen monetair beleid, afgestemd op de noden van de Nederlandse economie en maatschappij, moet voeren. Dit impliceert uiteraard dat het beleid van de Europese Centrale Bank (ECB) nadelig is voor Nederland, iets wat ik overigens onderschrijf. Maar zoals ik in mijn eerdere bijdragen heb geschreven: we moeten in dit soort discussies de realiteit nooit uit het oog verliezen. De onmogelijke drie-eenheid is zo’n reality check.

    Monetaire soevereiniteit is één van de drie elementen van die drie-eenheid. De andere twee zijn een vaste wisselkoers en vrij kapitaalverkeer. De onmogelijke drie-eenheid zegt dat de centrale bank van een land op elk gegeven moment slechts twee van die drie doelstellingen kan bewerkstelligen, maar nooit alle drie tegelijkertijd. Als land moet je dus steeds kiezen welke doelstelling je wilt laten vallen.

    Voordat we verder gaan, zal ik eerst kort laten zien waarom het onmogelijk is én monetair soeverein te zijn én een vaste wisselkoers te hebben én kapitaalverkeer vrij te laten. Stel dat de rente in de wereld en ons fictief landje 10 procent bedraagt. Om de economische groei in eigen land te stimuleren, verlaagt de centrale bank de rente in eigen land ineens naar 5 procent. Wat zou er dan gebeuren? Beleggers zouden massaal geld komen lenen in zo’n land om vervolgens dat geld, na het omgewisseld te hebben in een andere munt, elders uit te lenen of weg te zetten op een spaarrekening á 10 procent. Dit is wat economen een carry trade noemen.

    Wanneer het aanbod van een valuta de vraag overtreft, gaat de waarde van de munt omlaag

    Het gevolg voor het land in kwestie is dat de waarde van het eigen munt behoorlijk zou dalen. Immers, op de internationale valutamarkt komt er ineens erg veel aanbod van de munt van ons voorbeeldland zonder dat de vraag ernaar stijgt. Een van de basiswetten van de economie, die van vraag en aanbod, leert ons dat wanneer het aanbod (van in dit geval een valuta) de vraag overtreft, de waarde van die munt omlaag gaat. Dat betekent na enige tijd stijgende inflatie, iets wat de centrale bank alleen kan voorkomen door de rente te verhogen. Maar dát is nou precies wat de bank niet wil doen. Immers, die heeft de rente juist verlaagd om economische groei aan te jagen!

    Vechten tegen de bierkaai

    Is er dan geen andere mogelijkheid? Die is er wel, sterker nog, er zijn er twee. Om te beginnen kan de centrale bank van het land de rente gewoon op 5 procent houden en op de valutamarkt interveniëren om de waarde van de eigen munt stabiel te houden. Zoals ik al aangaf, die waarde gaat omlaag omdat het aanbod de vraag overtreft. Als onze centrale bank er echter voor zorgt dat de vraag óók stijgt, kan de wisselkoers gewoon stabiel blijven ook al is de rente in ons land de helft van de wereldrente.

    Het probleem is echter dat die aanpak haast per definitie geen lang leven is beschoren. Onze centrale bank zou namelijk, om de koers stabiel te houden, op de valutamarkt de eigen munt moeten kopen en dus zijn voorraden buitenlandse valuta’s moeten verkopen. Die laatste zijn echter beperkt; vroeg of laat zullen ze opraken en op dat moment zal de wisselkoers alsnog zakken.

    De tweede mogelijkheid de wisselkoers stabiel te houden en monetair soeverein te zijn zónder door eigen voorraad buitenlands geld heen te raken en zónder de rente terug omhoog te moeten brengen, is door vrij verkeer van kapitaal aan banden te leggen. Als onze centrale bank het overmaken of zelfs fysiek meenemen van geld uit het land verbiedt, kunnen eerdergenoemde beleggers niet goedkoop lenen door het geld naar het buitenland te brengen waar het 10 procent rendeert. Op die manier komt er ook geen neerwaartse druk op de wisselkoers. De prijs die wordt betaald is echter dat handel met andere landen ineens zeer bureaucratisch wordt en bedrijven dat dus veel geld gaat kosten, met alle gevolgen van dien voor de werkgelegenheid en economische groei — de zaken waar het eigenlijk allemaal om ging.

    Strenge kapitaalcontroles

    Wat het bovenstaande ons leert, is dat een land dat monetair soeverein wil zijn, moet kiezen tussen óf daarnaast een vaste wisselkoers voor zijn munt te hebben en kapitaalverkeer aan banden leggen óf kapitaalverkeer niets in de weg leggen en de wisselkoers vrij te laten. Dit is in feite de keuze die Nederland zou moeten maken als ons land uit de euro zou stappen.

    Het is een helse keuze. Voor een zeer open maar kleine economie als de Nederlandse, is een stabiele wisselkoers ten opzichte van de munt van de belangrijkste handelspartner een must. Onze monetaire geschiedenis laat duidelijk zien hoe belangrijk een stabiele waarde van de gulden ten opzichte van bijvoorbeeld de Duitse mark, vroeger voor Nederland is geweest.

    Een stabiele wisselkoers ten opzichte van de munt van de belangrijkste handelspartner, is voor Nederland een must

    Het tweede deel van de onmogelijke drie-eenheid die Nederland nodig heeft, is dus de vaste wisselkoers. Maar dat zou betekenen dat de slagbomen omlaag moeten voor kapitaalverkeer. Abstract? In de praktijk houdt dat in dat geld overschrijven naar het buitenland of guldens wisselen voor euro’s, dollars of welke andere munt dan ook, streng aan banden wordt gelegd. Wordt aan de grens dan streng gecontroleerd of we niet massaal guldens het land uit smokkelen? Wellicht, maar men kan ook zeggen dat dat niet hoeft. De kans is namelijk groot dat men in het buitenland de guldens niet zal willen aannemen. Nederlandse beleggers kunnen in zo’n omgeving veel lastiger beleggen in het buitenland. Voor grote spelers, zoals onze pensioenfondsen, kan dat een enorme ramp zijn met catastrofale gevolgen voor onze pensioenen. Zij zouden dan namelijk veel minder kunnen diversifiëren met hun beleggingen, wat de rendementen, waar het leeuwendeel van onze pensioenen vandaan moet komen, erg kwetsbaar zou maken en dus in gevaar zou brengen.

    Klinkt het bovenstaande u erg onaannemelijk in de oren? Nederland en strenge kapitaalcontroles, het zal de meeste mensen voorkomen als sciencefiction. Wist u echter dat zeer strenge kapitaalcontroles, met behoorlijke straffen op het niet naleven ervan, in Nederland nog niet zo lang geleden de gewoonste zaak van de wereld waren? Na de Tweede Wereldoorlog was geld overmaken vanuit Nederland naar andere landen niet alleen erg duur, vaak was het maar beperkt mogelijk — of zelfs volstrekt onmogelijk. En daar waar het — beperkt — mogelijk was, moest De Nederlandsche Bank (DNB) eerst het groene licht geven. Voor elke transactie afzonderlijk.

    Maar het was niet alleen geld overmaken naar het buitenland waar strenge regels voor golden. Iedere Nederlander van 14 jaar en ouder mocht per jaar maximaal 400 gulden aan buitenlands geld kopen, en dat ook pas nadat hij een briefje met daarop de toestemming van DNB kon overleggen. In 1956 werd dat, voor een paar valuta’s, uitgebreid naar 1000 gulden per persoon per jaar en voor de aanschaf van die beperkte hoeveelheid was nog steeds een vergunning nodig. DNB bepaalde hoeveel geld de Nederlanders met zijn allen per jaar mochten omwisselen. Iedere aanvraag kwam in een pot terecht en DNB bepaalde bij loting wie wel en wie geen deviezen kreeg.

    Buitenlands geld op zak hebben zonder het bezit te kunnen verantwoorden met een vergunning van DNB was strafbaar. Gedogen bestond toen niet in Nederland: als iets strafbaar was, dan werd het ook bestraft — en flink ook. In Amsterdam trof de politie bijvoorbeeld in die tijd eens een straathandelaar aan met 2 Britse ponden op zak waarvan hij de afkomst niet kon verantwoorden. Ook al ging het maar om een beperkt bedrag, de man kwam er niet met een waarschuwing vanaf: hij kreeg drie weken gevangenisstraf.

    Handel met bedrijven uit het buitenland was voor Nederlandse bedrijven verboden — dat wil zeggen, verboden zonder een toestemming van DNB — als er vreemd geld aan te pas kwam. Om alle aanvragen te beoordelen, kwam er bij DNB een speciale afdeling, het Kantoor deviezenvergunning. Op een gegeven moment werkte ruim de helft van alle DNB-werknemers op die afdeling. Pas in de loop van de jaren ’70 en ’80 verdwenen langzaam de barrières op de kapitaalmarkt. Het is geen toeval dat in dezelfde periode Nederland besloot zijn gulden te koppelen aan de Duitse mark: hier is, zonder dat men dat doorhad, de onmogelijke drie-eenheid duidelijk zichtbaar. Nederland wisselde zijn monetaire soevereiniteit met een vaste wisselkoers in voor een stelsel waarin de waarde van de gulden stabiel bleef, maar het land nu vrij kapitaalverkeer omarmde ten koste van monetaire autonomie.

    "De economische wetten zijn onverbiddelijk: alle drie de doelstellingen samen realiseren, gaat niet. En denk niet dat het niet eerder geprobeerd is"

    Opties

    Terug naar het hier en nu en de discussie over Nederland in de euro. Als ons land uit de gemeenschappelijke munt wil treden, dan zijn de opties voor Nederland als volgt:

    1. Monetair soeverein met vrij kapitaalverkeer, maar met een zwevende wisselkoers.
    2. Stabiele wisselkoers met vrij kapitaalverkeer, maar niet monetair soeverein.
    3. Monetair soeverein met een stabiele wisselkoers, maar zonder vrij verkeer van kapitaal.

    Omdat het verlaten van de eurozone monetaire soevereiniteit impliceert, valt optie 2 af. Aangezien onze monetaire geschiedenis laat zien dat een stabiele koers van de gulden onontbeerlijk is voor onze welvaart, valt optie 1 ook af en blijft optie 3 over: stabiele wisselkoers, monetair soeverein, maar zonder vrij verkeer van kapitaal, met alle gevolgen van dien voor onze economie.

    De Aziatische crisis van 1997-2000 is het gevolg van een poging tot realisatie van alles tegelijk

    De economische wetten zijn onverbiddelijk: alle drie de doelstellingen samen realiseren, gaat niet. Twee wel, maar niet alle drie. Dus kiezen maar. En voor wie zich toch stiekem afvraagt: maar als Nederland nou eens probeert van die onmogelijke drie-eenheid een mogelijke drie-eenheid te maken? Denk niet dat het niet eerder is geprobeerd. Het waren bijvoorbeeld de Aziatische landen die in de loop van de jaren ’90 hun munten vastgekoppeld hielden aan de dollar, vrij kapitaalverkeer toestonden én een monetair beleid onafhankelijk van de Fed voerden — dat wil zeggen, de rente was veel hoger om de geloofwaardigheid van de koppeling aan de dollar af te dwingen. Dit zorgde ervoor dat beleggers uit de hele wereld toestroomden met hun geld. Investeren in een Aziatisch land was namelijk veilig én lucratief: lucratief door de hoge rente en hoge economische groei en veilig omdat er geen wisselkoersrisico bestond door de koppeling aan de dollar en omdat, bij onraad, geld binnen één seconde terug naar eigen land kon vloeien (vrij verkeer van kapitaal). Dat ging een tijdlang goed. Zó goed dat die Aziatische landen kapitaalverkeer met het buitenland steeds vrijer maakten. Totdat dat te ver ging en de onmogelijke drie-eenheid zijn naam waarmaakte. Er ontstond paniek, buitenlandse beleggers namen de benen met hun geld. Om die kapitaaluitstroom te voorkomen, verhoogden de centrale banken de rentes. Toen dat tevergeefs bleek, verboden ze kapitaalvlucht. Het vrije kapitaalverkeer was niet meer. Het gevolg van dat alles was wat we tegenwoordig de Aziatische crisis van 1997-2000 noemen, iets wat in dat werelddeel zeer diepe sporen heeft nagelaten.

    Toch maar kapitaal vrij laten stromen en de waarde van de gulden vastklinken aan de Duitse munt, wat bij het verlaten van de eurozone de euro zou zijn? Wat is dan het punt van het terugbrengen van de gulden? Nederland zou door de koppeling aan de euro in feite nog steeds de euro hebben, alleen zouden de bankbiljetten er anders uitzien en formeel zou de naam anders luiden. Bij deze conclusie zijn overigens twee belangrijke kanttekening te maken, waarop ik bij een volgende gelegenheid zal ingaan.

    9 maart: een Gepeperd Gesprek

    Het gesprek over de toekomst van de Europese Unie is het belangrijkste dat er op dit moment in ons deel van de wereld bestaat. En toch wil het maar niet van de grond komen. Dat is vreemd: de onvrede over de EU is immers groter dan ooit. Het Europa van nu lijkt alleen nog maar over markt te gaan en schiet democratisch en bestuurlijk tekort. Er moet iets gebeuren, maar wat? Is er ook een ánder Europa denkbaar? Tijd voor een gepeperd gesprek.

    Op donderdag 9 maart brengt Follow the Money Wim Boonstra, chef-econoom van Rabobank, journalist Hella Hueck, filosoof/fiscalist Christiaan Vos en Europa-specialist van D66 Kees Verhoeven samen met de altijd goedgebekte FTM-hoofdredacteur Eric Smit. Het doel: het eens stevig over de toekomst van Europa hebben. Save the date en verzeker je nu van een ticket!

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Edin Mujagic

    Gevolgd door 923 leden

    Een onafhankelijke macro-econoom, spreker en publicist. Zijn nieuwste boek gaat over de Nederlandse monetaire geschiedenis.

    Volg Edin Mujagic
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren
    Dit artikel zit in het dossier

    Gesprek over Europa

    Gevolgd door 601 leden

    Een goed gesprek over de Europese Unie komt maar niet van de grond. Follow the Money wil daar verandering in brengen. Samen m...

    Volg dossier