© Marloes Wardenier - 2015

Niemand ontkomt aan polarisatie in Turkije, óók de pers niet

    Journalist Fréderike Geerdink werd in september in Turkije gearresteerd en het land uitgezet. Zij was op zoek naar wat wat zich werkelijk afspeelt in de Koerdische kwestie. Alleen door ter plekke te zijn, kon ze daar achter komen. Ze leek onvoorzichtig, ze was immers in februari al aangeklaagd. Maar ze deed wat haar Turkse en internationale collega's nalieten. Ze was een waarheid op het spoor die de wereld anders niet zou leren kennen.

    De voormalig vicepremier en nog altijd hooggeplaatste AKP’er Bülent Arinç klaagde dat hij geen zendtijd krijgt op televisie. Een ‘bevel van hogerhand’, zo zei hij. Met andere woorden: de Turkse president Recep Tayyip Erdoğan zou er hoogstpersoonlijk voor zorgen dat Arinç, die bekendstaat als een gematigd criticus van Erdoğan en zijn rechterhand, premier Ahmet Davutoğlu, geen spreektijd krijgt op de nationale buis. Arinç is niet de enige die dit overkomt. In de maand voor de parlementsverkiezingen van 1 november 2015 – de tweede in nog geen halfjaar tijd – kregen de AKP en president Erdogan samen zo’n zestig uur aandacht op staatszender TRT, tegenover vijf uur voor de grootste oppositiepartij CHP, één uur en tien minuten voor de ultranationalisten van de MHP en een schamele achttien minuten voor de linkse HDP. Dit volgens tellingen van een HDP-lid van de Hoge Raad voor Radio en Televisie, het staatsorgaan RTÜK.

    Turkije heeft geen journalistiek

    De klacht van Arinç is maar één voorval. Had ik dit verhaal morgen geschreven, of gisteren, dan was ik misschien met een heel ander actueel voorbeeld begonnen. Want persvrijheid in Turkije – of eigenlijk: het totale gebrek daaraan – haalt elke dag het nieuws. Dan was ik mijn verhaal misschien begonnen met de detentie van Bülent Keneş, hoofdredacteur van de krant Zaman. Of met het blokkeren van minstens 65 Koerdische nieuwswebsites. Met een toespraak waarin Erdoğan hard uithaalt naar een journalist, die daarna op Twitter te grazen wordt genomen. Met het ontslag van alweer een columnist van een grote krant. Of met de al jaren slepende rechtszaak tegen Koerdische journalisten die lid zouden zijn van een terroristische organisatie. Over dat soort zaken gaat het als er wordt gesproken of geschreven over persvrijheid in Turkije.

    Zoveel journalisten in het gevang, zoveel vervolgd, zoveel ontslagen, zoveel websites onbereikbaar

    Zoveel journalisten in het gevang, zoveel vervolgd, zoveel ontslagen, zoveel websites onbereikbaar. Die en die kranten totaal onder regeringscontrole, die en die tv-zenders dansen naar het pijpen van Ankara, dat kanaal zendt dat wel uit en dat niet, die gast kan wel in dat programma komen en die niet. Maar door deze steeds maar doorgaande berichtenstroom raakt het grotere geheel uit zicht. Wat zie je als je uitzoomt? Er is helemaal geen journalistiek in Turkije.

    Pardoes het land uit gezet

    Dat wil ik graag uitleggen aan de hand van mijn eigen zaak. Niet omdat ik nu zo van belang ben voor het algemene beeld van de persvrijheid in Turkije, maar wel omdat mijn eigen zaak mijn werk en leven totaal op zijn kop heeft gezet en ik daardoor in beslag word genomen. Nu, ruim een maand nadat ik begin september 2015 pardoes Turkije uit ben gezet. Fysiek ben ik in Nederland, maar mijn hart is nog altijd in Diyarbakir, in het zuidoosten van Turkije. Bij al het nieuws waar ik normaal gesproken verslag van zou doen, voel ik Turkije en Koerdistan aan mij trekken, als een sterke magneet. Die aantrekkingskracht voel ik ook fysiek. Net zoals ik fysiek reageerde toen mijn advocaat mij vertelde dat de kans groot was dat ik meteen het land zou moeten verlaten, nadat ik drie nachten had doorgebracht in een Turkse cel. We stonden in de hal van het Paleis van Justitie, naast een pilaar. In een reflex greep ik mij vast aan die pilaar. Vasthouden wilde ik, aan het leven dat ik sinds eind 2006 in Turkije en sinds de zomer van 2012 in Turks-Koerdistan had opgebouwd.

    In Turkije is niets wat het op het eerste gezicht lijkt

    In december 2006 besloot ik me in Turkije te vestigen. Ik had toen meer dan vijftien jaar ervaring in de journalistiek en reisde al twee jaar heen en weer tussen Nederland en Turkije om te bepalen of mijn journalistieke plannen in dat land levensvatbaar waren. Die twee jaar hadden me alle vertrouwen gegeven: ik schreef verhalen voor heel verschillende media – vrouwenbladen, het maandblad van Amnesty International, vakbladen – en het leek erop dat ik in Turkije mijn boterham zou kunnen verdienen, ook al had ik geen vaste, stabiele opdrachtgevers. Turkije kende ik nog niet zo goed in die dagen. Het is een ingewikkeld land, waar niets is wat het op het eerste gezicht lijkt. Politiek links is soms rabiaat nationalistisch. Er is weinig consensus over wat democratie betekent. En over alleen al het woord ‘minderheid’ kun je een lange historische discussie voeren. Turkije hield me daardoor nogal eens uit de slaap: dan lag ik ’s nachts bijvoorbeeld te piekeren over de vraag hoe een Turk die zich democraat noemde toch vóór een militaire coup kon zijn. Met mijn verhalen uit die tijd is journalistiek gezien niets mis. Maar toch: als ik ze nu teruglees, lijken ze een zekere diepgang te ontberen. Meningen over Turkije had ik in die tijd nog niet. Of ze sluimerden en borrelden slechts. Niets om met de wereld te delen, vond ik. Bovendien was ik net aangekomen uit Nederland. Het zou wel erg oriëntalistisch zijn om dan meteen met die Nederlandse bril opinies te gaan spuien. Eerst maar eens leren door de bril van al die verschillende groepen in Turkije naar het land te kijken.

    Schijn van objectiviteit in verslagen

    Ik hoorde in die tijd bij de grote groep buitenlandse correspondenten in Turkije. Een bont gezelschap van freelancers en journalisten in vaste dienst, uit alle hoeken van de wereld. De meesten van hen spreken zich niet echt uit over ontwikkelingen in Turkije: ze doen er puur verslag van. De journalisten in vaste dienst mógen zich van hun bazen op het hoofdkantoor van hun krant, tv-zender of persbureau ook niet uitspreken in gepeperde blogposts, op Twitter of als Turkije-watcher in een artikel van iemand anders. Die grote media willen hun (schijn van) objectiviteit ophouden, en een positie kiezen hoort daar niet bij.

    Die grote media willen hun (schijn van) objectiviteit ophouden, en een positie kiezen hoort daar niet bij

    Onder de freelancers zijn de redenen om zich niet uit te spreken volgens mij diverser: ze hebben geen tijd om te bloggen, vrezen misschien dat het hun imago als ‘objectief journalist’ schaadt en daardoor opdrachtgevers kan kosten. En bij sommige journalisten, freelance of in vaste dienst, zit het misschien gewoon niet zo in hun aard zich uit te spreken.

    2 januari 2012: alles wordt anders

    Voor mij veranderde alles op 2 januari 2012. Dat kan ik zeggen als ik terugkijk, want op de dag zelf had ik nog geen idee. Vijf dagen eerder had het Turkse leger met een bombardement aan de Iraakse grens 34 Koerdische burgers vermoord. Ik woonde toen nog in de Istanbulse wijk Üsküdar en probeerde van daaruit te begrijpen wat er ver weg aan de grens met Irak was gebeurd. Dat viel niet mee. Ik had het nieuws over het bombardement de volgende ochtend op Twitter gelezen, waar ook de foto’s werden gedeeld van de lichamen van de vermoorde mannen en jongens die in dekens gewikkeld en op muilezels naar de doorgaande weg werden vervoerd. Ik zette de tv aan voor meer informatie, maar geen enkel Turks kanaal berichtte over de meer dan dertig doden. Ik was geschokt en deelde dat gevoel op Twitter. Een kennis bij een grote tv-zender reageerde meteen. In een persoonlijk bericht, alleen aan mij gericht, zei deze journalist dat er een rechtstreeks telefoontje van ‘Ankara’ was gekomen. Van de regering mocht niet over het bloedbad worden bericht tot er een officiële bevestiging was.

    Stelling nemen

    Ik volgde het nieuws dus via Twitter en via Koerdische media, maar dat riep met mijn beperkte kennis van toen ook vragen op. Koerdische media berichten immers voor een doelgroep met oneindig veel meer achtergrondinformatie over en vooral ook ervaring met de Koerdische kwestie. Ik kon hun berichtgeving niet in de juiste context plaatsen. Er zat maar één ding op: naar Roboski, het dorp waar de meeste slachtoffers van het bombardement woonden. Daar ging ik, op 2 januari 2012. Sindsdien ben ik een verslaggever in problemen. Daar waren toen nog geen tekenen van. Niemand viel mij lastig, ook niet de militaire politie bij checkpoints in het zuidoosten, die op mijn verblijfsvergunning konden zien dat ik journalist was. Ik voelde me vrij mijn werk te doen. Toen, begin 2012, nog wel. Zonder dat ik het doorhad was een ander mechanisme in werking getreden. Mijn positie als buitenlands correspondent begon langzaam te veranderen. Haast onmerkbaar maakte ik me los van de groep waar ik toch zeker vijf jaar bij had gehoord.

    Mijn onderzoek naar het bombardement leerde mij Turkije op een heel andere manier kennen

    Mijn onderzoek naar Roboski leerde mij Turkije op een heel andere manier kennen. Door de combinatie met mijn karakter – het type dat haar mond niet kan houden – begon ik stelliger positie in te nemen dan welke andere Turkije-correspondent dan ook. En dat leidde er weer toe dat ik meer dan ooit ging nadenken over het vak, en over hoe ik dat zo gewetensvol mogelijk kon uitoefenen.

    Nieuwswedstrijd met Turkse media

    Internationale media, overvloedig bediend door de tientallen correspondenten in de twee grootste steden Istanbul en Ankara, berichtten meteen over het bloedbad van Roboski. De meeste deden dat uren eerder dan de Turkse media – een wedstrijdje dat natuurlijk makkelijk te winnen was. Zoals het gedegen journalistiek betaamt, hielden de media de eerste uren en dagen vele slagen om de arm, want zo kort na het bombardement was er nog veel onduidelijk en, zoals dat heet, ‘onbevestigd’. Uit eigen waarneming kon nog niemand berichten, want het duurt even voor je vanuit Istanbul of Ankara in de provincie Şirnak bent. Zelf werkte ik in die tijd onder meer voor het persbureau ANP, en ook in mijn stukken bouwde ik de onzekerheden in die er toen nog waren. De enige verslagen kwamen van Koerdische media: hun netwerk van verslaggevers reikt tot de kleinste gemeenschap, en er was ook al snel een fotograaf uit de regio ter plaatse. Die bevestiging kwam rond het middaguur, in de vorm van een verklaring van het leger. De Turkse kanalen zonden de verklaring uit, en dat was dat. Zij schurken óf tegen de regering aan, óf moeten er bevelen en uitzendverboden van opvolgen. Veel tv-kanalen en kranten zijn in handen van grote bedrijven die bijvoorbeeld ook actief zijn in telecom, infrastructuur of industrie. Wie zich niet aan de ‘richtlijnen’ van de regering houdt, kan goede zakendeals met de overheid wel vergeten of een politiek gemotiveerd belastingonderzoek tegemoetzien, inclusief torenhoge boete. De internationale pers volgde wel journalistieke regels, en voegde aan zijn berichtgeving over de toedracht van het Roboski-bloedbad de visie van de autoriteiten toe, waarin termen werden gebruikt als ‘separatistische terroristische organisatie’, ‘zware wapens’, ‘aanvallen’ en ‘terroristen’. De nieuwsberichten en ooggetuigenverslagen in de Koerdische media dringen niet gemakkelijk door tot de internationale pers. De media, die overigens grotendeels in het Turks berichten, worden vooral gelezen en bekeken door Koerden zelf en een handvol Turken. Internationale media beschouwen ze over het algemeen niet als betrouwbare bron. Want de Koerdische media zijn immers onderdeel van de Koerdische politieke beweging, en die is partij in het conflict. Daarbij: één bron is volgens de regels van het journalistieke spel géén bron. Met deze journalistieke standaarden heb ik geen enkel probleem. Waar ik wél een probleem mee heb is dat veel grote internationale media het bloedbad van Roboski nog steeds presenteren als ‘hoogstwaarschijnlijk een ongeluk waarbij smokkelaars voor PKK-strijders werden aangezien’.

    Geen ongeluk, dat bombardement

    Het was geen ongeluk. En echt, dat is niet lastig te achterhalen voor de gemiddelde Turkije-correspondent. Als ik dit met buitenlandse collega’s bespreek, stellen ze me natuurlijk kritische wedervragen. Hoe kan ik nu absoluut zeker weten dat het géén ongeluk was? Dat kan ik niet, zeg ik dan. Dat kan namelijk niemand, omdat de belangrijkste documenten over het bombardement zo strikt geheim zijn dat zelfs de parlementaire commissie die ‘Roboski’ moest onderzoeken er geen toegang toe had. Maar als het een ongeluk was, waarom dan geen openheid van zaken? Er zijn nog veel meer aanwijzingen dat het bombardement een gerichte aanval was op een groep smokkelende burgers, weet ik na anderhalf jaar onderzoek naar het bombardement. Het voert te ver alle bewijs hier uit de doeken te doen – ik heb het allemaal opgeschreven in mijn boek De jongens zijn dood uit 2014 – maar dat het geen ongeluk was, staat voor mij als een paal boven water.

    ik heb het allemaal opgeschreven in mijn boek De jongens zijn dood uit 2014

    Voeg daar Turkijes donkere geschiedenis van het vermoorden van burgers aan toe én de gewoonte (massa)moorden onder het tapijt te vegen en de waarschijnlijkheid dat het een ongeluk was slinkt tot vrijwel nul. Ik vraag mijn collega’s dan naar hun reden om het bombardement als ongeluk te blijven omschrijven. Die vraag blijft onbeantwoord. En toch blijven ze dat zinnetje schrijven: ‘waarbij burgers omkwamen die voor PKK-strijders werden aangezien’. Dat verwijt ik ze.

    Westerse journalistiek, dat werkt niet in Turkije

    De westerse journalistiek wil ‘twee kanten’ van een verhaal laten horen en daarmee een soort objectiviteit bereiken. Dit mechanisme werkt niet altijd slecht in landen waar de journalistiek een rijke traditie heeft. Vaak zijn dat landen waar de regering aansprakelijk kan worden gehouden voor haar daden, waar autoriteiten zich niet bemoeien met de pers, waar wetten zijn voor openbaarheid van bestuur en waar functionarissen benaderbaar zijn voor journalisten, die dan ook zeer kritische vragen kunnen stellen zonder in de problemen te komen. In Turkije werkt het niet op die manier. De staat heeft een ferme economische grip op de meeste media. Sterker: enkele van de grootste regeringsgezinde kranten zijn welbeschouwd in handen van de regering. Een voorbeeld is Sabah: ooit een redelijke krant maar nu een publicatie die continu de loftrompet steekt over de AKP-regering. De omslag kwam in 2007, toen de krant in handen kwam van een groot concern waar de schoonzoon van president Erdoğan de scepter zwaait. Ook heeft Turkije geen functionerende wet waarmee burgers en journalisten de overheid kunnen dwingen informatie openbaar te maken. Ministers, parlementsleden, premier Davutoğlu en president Erdoğan (voorheen premier) bemoeien zich voortdurend en op de meest uiteenlopende manieren met de media. Ze gaan in speeches tekeer tegen journalisten, die vervolgens online onder vuur komen te liggen van een scheldend en tierend AKP-leger. Erdogan ontbood in 2011 hoofdredacteuren op een bijeenkomst, waar ze instructies kregen over wie wel of niet te interviewen (wel: AKP-politici, niet: Koerdische politici en anderen die het niet met de regering eens zijn) en over het aantal minuten dat aan bepaald nieuws besteed mag worden. Ministers en parlementariërs, laat staan de premier en de president, geven zelden tot nooit interviews aan media die niet aan hun kant staan, maar richten zich uitsluitend in toespraken tot de pers. En als ze wel in een tv-programma verschijnen, zal er nooit ook maar één zelfs maar een beetje kritische vraag worden gesteld. Zo blijft elke leugen van de regering, en dat zijn er nogal wat, onbevraagd. En erger: elke leugen komt op deze manier uitgebreid in het nieuws. Buitenlandse media kunnen zich niet aanpassen aan die Turkse werkelijkheid. Zij hebben slechts hun journalistieke regels waaraan ze aan kunnen vasthouden. Dat leidt ertoe dat ze nogal eens - te - dicht tegen de waarheid van de regering aanschurken.

    De overheid had snel vier organisaties in het vizier

    Je zag het bijvoorbeeld na de dubbelaanslag in Ankara in oktober 2015, waarbij meer dan honderd doden vielen en honderden mensen gewond raakten. De regering liet al snel weten dat ze vier verdachte organisaties in het vizier had: Islamitische Staat, de PKK, en twee in het Westen onbekendere en niet aan de PKK gerelateerde extreem-linkse organisaties, de DHKP-C en de MLKP. Ook in buitenlandse media werd dat viertal vaak genoemd. Natuurlijk: de regering dient geciteerd te worden in zulke situaties. Maar is het niet de taak van journalisten om te zoeken naar de waarheid en om context te bieden? Dan kun je zo’n volstrekt ongeloofwaardig rijtje toch niet weersproken laten? Er hoort extra commentaar bij, waarin duidelijk wordt gemaakt, al is het maar in één zinnetje, dat het op dat moment in het belang van de regering was om de PKK in een kwaad daglicht te stellen maar dat de PKK in haar haast veertigjarige bestaan nog nooit een aanslag op zo’n groot burgerdoel heeft gepleegd en al sinds jaren het beleid heeft geen burgers meer als doelen van aanslagen te kiezen. En hen die dat wel doen hard te straffen.

    Het straatje van de regering

    Het resultaat van het weglaten van die informatie past precies in het straatje van de regering. Met andere woorden: met onvolledige berichtgeving werk je als journalist mee aan de manipulatie van het nieuws door de regering.

    Je bent medeplichtig aan het verspreiden van regeringsleugens en je verleent ze zelfs legitimiteit

    Je bent medeplichtig aan het verspreiden van regeringsleugens en je verleent ze zelfs legitimiteit. Ik ben blij dat ik niet als vaste verslaggever aan dergelijke grote internationale titels verbonden ben. Ik schrijf natuurlijk wel voor mainstream media en ook voor grote buitenlandse titels, maar als freelancer heb ik veel invloed op de verhalen die ik schrijf en hoe ik ze schrijf. Een bijkomend voordeel voor een freelancer is dat je ook heel gemakkelijk je eigen platforms kunt creëren. Zoals ik deed met mijn boek over ‘Roboski’, mijn eigen websites voor columns en commentaren en mijn eigen plek op de Amerikaanse journalistieke crowdfundingsite Beaconreader.com. En er is Twitter natuurlijk, een dienst die ik veel gebruik om live verslag te doen van mijn journalistieke leven met mijn poten in de modder en waar ik mijn werk kan delen en onder de aandacht kan brengen.

    Zelfregulering, de enige oplossing

    De opkomst van internet is trouwens, in zekere zin, vooralsnog de redding geweest van de journalistiek in Turkije. De regering kan tv-zenders opdragen wat ze wel en niet uitzenden en kranten in een houdgreep nemen, columnisten laten ontslaan en buitenlandse journalisten het land uit gooien. Maar tegen het toenemend aantal onafhankelijke websites kan ze nauwelijks iets uitrichten. Vooral T24.com en Diken.com.tr (diken is Turks voor ‘doorn’) trekken veel bezoekers. En omdat sites relatief weinig kosten, zijn ze minder gemakkelijk te manipuleren. Natuurlijk: de sites kunnen worden geblokkeerd, maar zelfs als dat zou gebeuren, weet het lezerspubliek wel een manier te vinden om de site toch te bereiken. Deze twee grote en steeds invloedrijkere sites zijn wérkelijk journalistiek onafhankelijk en leveren niet alleen nieuws maar ook scherp commentaar. Er zijn echter wel meer fundamentele veranderingen nodig dan een paar goedbezochte sites om de journalistiek in Turkije uit het slop te krijgen. Er is van oudsher iets fundamenteel mis, en daarover lees je in rapporten over persvrijheid in Turkije zelden tot nooit. Wat in Turkije ontbreekt is namelijk een mechanisme van zelfregulering. Uiteindelijk is zelfregulering de enige manier waarop een gezonde journalistiek zichzelf scherp houdt. Zonder zelfregulering kan een dynamische, verantwoorde en goede journalistiek nooit van de grond komen. Wat je nodig hebt voor een journalistiek die kritisch naar zichzelf kijkt, is een medialandschap waarin alles in de eerste plaats om de journalistiek draait.

    Media moeten journalistieke keuzes maken

    Gerespecteerde media – ook die waar ik voor werk, zoals de BBC en The Independent in Groot-Brittannië, en in Nederland De Groene Amsterdammer en Het Parool – zijn opgericht om journalistieke redenen. Ze maken elke dag journalistieke keuzes. Het beleid om keuzes op journalistieke gronden te maken, is doorgaans vastgelegd in een redactiestatuut en er is een hoofdredacteur die er zit om de journalistieke integriteit van de krant of de zender te bewaken en de journalistieke onafhankelijkheid van zijn of haar redactie te verdedigen. In Turkije worden door media nauwelijks journalistieke keuzes gemaakt. Veel kranten en tv-zenders zijn niet om journalistieke redenen opgericht maar puur als gereedschap om in te zetten in het beleid van megabedrijven die zaken moeten doen met de overheid. En nu de polarisatie elke dag toeneemt, zijn media bijna uitsluitend nog in te delen in vóór de regering – of er direct aan verbonden – en tégen de regering. Wat er op de voorpagina belandt of wat de belangrijkste items zijn in een tv-journaal, wordt niet op journalistieke maar op politieke gronden bepaald.

    De regeringskranten zijn absolute sterren in het verzinnen van nieuws

    Ondertussen is het niveau zó ver gezakt, dat de artikelen waarmee de regering of juist de oppositie zwart worden gemaakt steeds vaker gewoon uit de duim worden gezogen. De regeringskranten spannen daarbij de kroon en zijn absolute sterren in het verzinnen van nieuws. Een extreem voorbeeld is Takvim. In augustus 2015 opende deze krant met het verhaal over een jonge vrouw die door de PKK was ontvoerd en gedrogeerd, en door de gewapende groep een bomgordel om had gekregen. Er stond zelfs een foto bij van de vrouw. En inderdaad: ze had een bomgordel om en bevond zich in het gezelschap van PKK-strijders. Maar ook de échte foto dook al snel op. De vrouw was per bus op reis geweest in het oosten van Turkije, waar ze bij een wegblokkade van de PKK de bus uit moest, samen met alle andere passagiers. De PKK blokkeert zo geregeld wegen om haar macht en aanwezigheid in die delen van het land te onderstrepen. Ze controleren de identiteitskaarten van de reizigers en geven een lesje PKK-ideologie, waarna de reizigers hun reis weer kunnen vervolgen. Op de echte foto stond de jonge vrouw in een rij voor de bus samen met andere passagiers, een paar PKK-strijders eromheen. Takvim had de vrouw en een PKK’er uit de foto geknipt, in een afgelegen landschap geplakt met nog wat andere strijders eromheen en had haar een bomgordel om haar middel gegeven. Het resultaat werd op de voorpagina gezet. De vrouw, zo bleek later, was door de berichtgeving ernstig in problemen gekomen: ze was herkend en mensen uit de stad waar ze woonde verdachten haar van PKK-sympathieën. Hoe kun je zo’n krant aanspreken op zijn journalistieke verantwoordelijkheid als de keuzes die worden gemaakt helemaal niets met journalistiek te maken hebben?

    Subjectief, maar open en onderbouwd

    Variaties op deze praktijk zijn elke dag in de Turkse media te vinden. Of het nu gaat om verzonnen verhalen of om verhalen die worden opgeblazen of juist doodgezwegen om politieke redenen. Met waarheidsvinding heeft dat allemaal niets meer te maken. Natuurlijk: er zijn journalisten die hun werk wel naar eer en geweten willen doen, maar die komen in zo’n ajournalistieke omgeving geheid in de knel. Het aantal columnisten en journalisten dat in Turkije om politieke redenen en niet zelden na druk uit Ankara wordt ontslagen, is enorm. Dat je als commentator en opiniemaker in Turkije bekendheid geniet, biedt daarbij geen extra bescherming. Integendeel, zo hebben onder anderen de invloedrijke commentatoren Ece Temelkuran, Hasan Cemal en Amberin Zaman moeten ondervinden. Mensen verwijten mij wel eens dat ik door mijn manier van werken niet objectief ben. Ik heb zo mijn meningen, dat is waar en inderdaad zeer subjectief. Maar ik vind het ook een taak van de journalistiek om het nieuws te duiden en van commentaar te voorzien. Omdat ik mijn onderwerp – Turkije en de Koerdische kwestie – goed ken, vind ik het ook geen probleem mijn meningen onderbouwd met mijn lezers te delen.

    Omdat ik mijn onderwerp goed ken, vind ik het geen probleem mijn meningen onderbouwd met mijn lezers te delen

    Tegelijkertijd geloof ik dat waarheidsvinding de belangrijkste taak is van de journalistiek. Het bombardement van Roboski eind 2011 riep zo veel vragen bij me op, dat ik besloot het te gaan onderzoeken. Mijn zoektocht die begon op 2 januari 2012 heeft mijn leven en werk radicaal veranderd. Vanuit die zoektocht naar antwoorden over het bombardement, maar ook mijn kennis over de Turkse staat en over de Koerdische kwestie, schrijf ik nu mijn stukken. Objectiviteit is niet twee kanten aan het woord laten. Objectiviteit is niet denken dat de waarheid wel ‘ergens in het midden’ zal liggen – de waarheid ligt niet zo vaak in het midden als we graag denken. Het is nu juist de taak van de journalistiek de waarheid te zoeken in de kluwen van informatie.

    Ik ben voor velen ongrijpbaar

    Sinds ik me actief in de discussie ben gaan mengen – ook met een column op Diken.com.tr – was ik niet langer gewoon één van de vele buitenlandse journalisten in Turkije. Maar daardoor ben ik ook onderdeel geworden van de polarisatie in het land, helemaal natuurlijk doordat de Koerdische kwestie nog altijd zo enorm gevoelig ligt. Tegelijkertijd hoor ik ook niet tot de groep binnenlandse journalisten, die ófwel actief bijdragen aan het a-journalisteke medialandschap, ófwel in de problemen komen omdat ze wel journalistieke standaarden hanteren, zoals de journalisten die ik hierboven noemde. Dat maakt mij voor veel mensen ongrijpbaar. Ook voor de Turkse autoriteiten, denk ik, die niemand onder druk kunnen zetten om mij te ontslaan. Mij langdurig opsluiten kunnen ze ook al niet, zoals ze wel doen met tientallen vooral Koerdische journalisten die worden vervolgd om banden met terrorisme. Ik schrok me dan ook wild toen er begin 2015 ineens op mijn voordeur in Diyarbakir werd geklopt en ik na het openen van de deur acht man en één vrouw van de antiterreureenheid van de plaatselijke politie aantrof, een paar zware wapens op mij gericht. Mijn huis werd doorzocht, ik moest mee naar het bureau voor ondervraging. Die inval had niet als een verrassing moeten komen.

    Ook de pers ontsnapt niet aan de polarisatie

    Ik had me als buitenlands, meer precies Europees journalist in Turkije de afgelopen jaren redelijk beschermd gevoeld. En misschien was het ook wel zo dat mijn Europese paspoort me beschermde en ervoor zorgde dat problemen met mijn perskaart en mijn verblijfsvergunning (die in Turkije elk jaar moeten worden vernieuwd) telkens toch weer werden opgelost. Dat ik in 2015 werd gearresteerd, uiteindelijk drie nachten in een cel werd opgesloten en daarna het land uit werd gezet, is dan ook misschien wel een teken dat Turkije zich steeds minder aantrekt van wat de EU vindt van de Turkse omgang met journalisten en met de persvrijheid. Volgens de Turkse autoriteiten ben ik 'een gevaar voor de openbare orde, veiligheid en gezondheid.' Maar het is vooral een teken van de steeds verder voortschrijdende polarisatie in Turkije, waar de pers niet aan ontsnapt, óók niet de pers die zich wél door journalistieke principes wil laten leiden.

    In haar verhaal voor Follow The Money geeft journalist Fréderike Geerdink voor het eerst inzicht in haar journalistieke beslissingen en de gevolgen daarvan. Bovenstaand stuk is een voorpublicatie uit het boek Blad voor de Mond over persvrijheid wereldwijd, dat op 3 mei 2016 verschijnt - de dag dat voor de 25-ste keer de internationale dag van de persvrijheid wordt gevierd.

    Crowdfundingactie

    Investeer in journalstieke verhalen over persvrijheid

    Deze week is een crowdfundingactie van start gegaan voor de financiering van drie verhalen voor het boek Blad voor de Mond over persvrijheid wereldwijd: over ‘vluchtjournalisten’, sociale media en beeldende media. Meer informatie op Yournalism.nl.

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Gastauteur

    Gevolgd door 289 leden

    FTM.nl biedt opiniemakers de gelegenheid om – op uitnodiging – een bijdrage aan maatschappelijke discussies te leveren.

    Volg Gastauteur
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren