Beeld © Rosa Snijders

In de strijd tegen overgewicht presenteert het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) een nieuwe aanpak om het voedselaanbod gezonder te maken. Ruim twee jaar lang heeft een select gezelschap hierover vergaderd. VWS claimt de regie, maar uit onderzoek van Het Onderzoekslab blijkt dat de voedingsindustrie een flinke vinger in de pap heeft gehad.

Dit stuk in 1 minuut
  • Al jarenlang probeert het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) vet, zout en suiker uit bewerkt voedsel te halen. Een eerder akkoord uit 2014 tussen het ministerie en het bedrijfsleven hierover bleek te vrijblijvend en leverde weinig op.
  • In de hoop op meer succes, ontwikkelde VWS een nieuw plan waarin ze naar eigen zeggen ‘de regie’ neemt. Voor dit nieuwe plan vergaderde het ministerie twee jaar lang met diverse partijen – van gezondheidsfondsen tot het bedrijfsleven.
  • Uit onderzoek van Het Onderzoekslab, een samenwerking tussen The Investigative Desk en De Coöperatie, blijkt echter dat de industrie nog altijd in grote mate het tempo en de doelstellingen bepaalt.
  • De gezondheidsfondsen pleiten al jaren voor bindende afspraken met voedingsproducenten. Lange tijd wilde het ministerie hier niet in mee, maar na een kritische evaluatie van het De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) kondigde VWS begin vorig jaar een verkenning van de juridische mogelijkheden aan. Het ministerie verwacht dat deze verkenning voor aankomende zomer is afgerond.
  • Het is de vraag of wetgeving voor minder vet, suiker en zout in Nederlandse voedingsproducten zinvol is. Producten die elders in Europa zijn goedgekeurd kunnen namelijk niet zomaar uit Nederlandse supermarkten geweerd worden. Hierdoor is het ministerie ook in de nieuwe aanpak grotendeels afhankelijk van de welwillendheid van de industrie. 
Lees verder

Noem zijn industriële bakkerij geen fabriek, want dan zwaait er wat. ‘Daarmee trap je een bakker echt op zijn ziel’. Ray Rademaker, kwaliteitsmanager bij Bakkerij Visser laat ons de meterslange machines zien waarmee hij en zijn collega’s het dagverse brood produceren. Bij een hoge koeltoren houdt hij even stand. De installatie is tot de nok gevuld met tijgerbroden die langzaam ronddraaiend op kamertemperatuur komen. ‘Dit is toch het mooiste wat er is,’ glimlacht hij, kijkend naar de broden die bestemd zijn voor de Jumbo-filialen in de regio.

Industriële bakkerijen zoals die waar Rademaker werkt, bakken gezamenlijk 85 procent van alle supermarktbrood en zijn verantwoordelijk voor een zeldzaam succes in de strijd tegen hart- en vaatziekten. Bewust van hun maatschappelijke verantwoordelijkheid besloot de bakkerijsector collectief om de hoeveelheid zout in brood te verminderen. Met resultaat. Zo is het zoutgehalte van het brood van Bakkerij Visser met een kwart teruggebracht. Wim Kannegieter, directeur van de Nederlandse Vereniging voor Bakkers, is trots: ‘Nederlands brood heeft het op twee na laagste zoutgehalte van Europa.’

Het kan dus wel: het recept van voedingsmiddelen aanpassen om zo ons eten gezonder te maken. Toch krijgt het succes van de bakkersbranche vooralsnog nauwelijks navolging. Uit wetenschappelijk onderzoek en overheidsadviezen blijkt dat de dagelijkse inname van vet, zout en suiker sinds de jaren ’80 nauwelijks gedaald is. De helft van de Nederlandse volwassenen is intussen te dik en hart- en vaatziekten zijn één van de meest voorkomende doodsoorzaken. De coronacrisis maakte nog eens extra duidelijk wat de risico’s van overgewicht zijn. 

Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) presenteerde eind februari de Nationale Aanpak Productverbetering: een nieuw plan om het voedselaanbod gezonder te maken. Het plan behelst een uitgebreid systeem van productcategorieën en reductiedoelen dat producenten moet prikkelen hun receptuur te verbeteren. VWS claimt bij het ontwikkelen van het plan de leiding te hebben gehad, maar de industrie speelde nog steeds een hoofdrol. Dat blijkt uit de verslagen van de overleggen tussen overheid, industrie en gezondheidsfondsen en uit gesprekken die Het Onderzoekslab voerde met betrokkenen.

Voedselproducenten werden bij iedere stap geraadpleegd, mochten meepraten over hun eigen reductiedoelen en de meetwijze daarvan, en hoeven hun recepturen slechts stapsgewijs aan te passen. Bovendien maakt Europese regelgeving het voor VWS lastig bedrijven te dwingen. Daardoor is het ministerie in grote mate afhankelijk van de welwillendheid van de industrie.

Een snufje zout en twee klontjes suiker

Dat VWS met dit plan de regie heeft willen nemen, komt door ervaringen uit het verleden, legt een hoge ambtenaar die anoniem wil blijven uit. Hij doelt op het Akkoord Verbetering Productsamenstelling dat de industrie in 2014 sloot. In zes jaar tijd moest het voedselaanbod in de supermarkt dusdanig minder vet, zout en suiker bevatten dat de consument zich makkelijker aan de aanbevolen dagelijkse hoeveelheden kon houden. Uit de eindevaluatie die het RIVM in 2021 uitvoerde, bleek echter dat de gezette stappen nauwelijks verschil hadden gemaakt: Nederlanders krijgen dagelijks slechts een ‘snufje zout en twee suikerklontjes’ minder binnen dan vóór het 2014-Akkoord. ‘Als je het achteraf bekijkt, dan waren de doelstellingen veel te ambitieus voor dit instrument alleen,’ biecht de ambtenaar op.

‘Vergeet niet dat één op de twee Nederlanders te dik is’

En dus doet VWS het dit keer helemaal anders. In de oude aanpak lag het initiatief voor het opstellen en uitvoeren van de reductieplannen geheel bij de industrie. Bedrijven bepaalden welke stappen werden gezet en hoe groot deze stappen waren. Dit keer worden de plannen geschreven door VWS. Het ministerie richt zich daarbij niet langer alleen op de achterblijvers (de producten die het meest ongezond zijn), maar wil ook de voorlopers stimuleren beter te worden. De monitoring van de voortgang valt vanaf nu onder de verantwoordelijkheid van VWS en – in navolging van het Preventieakkoord – heeft het ministerie dit keer ook maatschappelijke organisaties bij de ‘stakeholderoverleggen’ betrokken. ‘Kortom: de dynamiek is anders, de spelregels zijn anders en de samenstelling van het overleg is anders,’ zegt de ambtenaar.

Het geweten van Coca-Cola

Carolien Martens is sinds 2013 belangenbehartiger van de Hartstichting en een van de stakeholders in de Nationale Aanpak Productverbetering. Ze ontvangt ons op het hoofdkantoor van de Hartstichting in Den Haag, in de buurt van station Ypenburg. De veertiger met licht krullend haar en een dik, blauw brilmontuur houdt zich al jaren bezig met productverbetering, zoals het aanpassen van de receptuur van voedingsmiddelen in jargon wordt genoemd. ‘Ik heb gewoon een heel sterk rechtvaardigheidsgevoel,’ zegt ze daar zelf over. ‘Als ik in deze kamer kijk zie ik geen mensen met overgewicht, maar vergeet niet dat één op de twee Nederlanders te dik is.’

Dat sociale engagement neemt ze mee naar de onderhandeltafel. Volgens de andere afgevaardigden, van overheid en bedrijfsleven, is Martens tijdens de overlegsessies met VWS de felste gesprekspartner. Keer op keer hamert ze op hardere doelstellingen, verplichtende maatregelen en een strakke tijdlijn. ‘Een strenge aanpak is de enige manier om resultaat te boeken,’ verzucht ze. ‘De industrie heeft aangetoond dat ze niet in staat is op eigen initiatief de benodigde stappen te zetten.’ 

Martens spreekt ook uit eigen ervaring. Tussen 2007 en 2009 werkte ze als ‘het geweten’ bij Coca-Cola. Hun beleid was heel erg gestoeld op keuzevrijheid van de consument. Daarom bedacht ze een list: ‘Als je het hebt over keuze, moet je dan niet op de knop van een frisdrankautomaat kunnen zien hoeveel calorieën er in de verschillende soorten blikjes zitten?’ Zo wilde ze de dorstige voorbijganger nog één keer laten nadenken over zijn of haar keuze. ‘Want als je eenmaal op de knop hebt gedrukt is het gewoon te laat.’ Pas jaren later zag ze die calorieën voor het eerst op een frisdrankautomaat. Martens was toen al vertrokken bij het frisdrankbedrijf; werken aan de maatschappelijke kant paste haar beter. ‘Coca-Cola heeft mijn blik verruimd, maar ik heb het idee dat ik bij de Hartstichting écht het verschil kan maken.’ 

Dat verschil probeert Martens te maken door op 19 februari 2019 aan te schuiven bij het eerste stakeholdersoverleg onder leiding van VWS over de hoeveelheid zout, suiker en vet in ons voedsel. Behalve de Hartstichting zijn er vertegenwoordigers van de Consumentenbond aanwezig. Aan de andere kant van de tafel treffen zij de levensmiddelenindustrie en de horeca. Sinds het eerste overleg kwam het gezelschap nog elf keer bij elkaar. Het paste binnen de strategie van VWS om draagvlak te creëren voor de nieuwe aanpak, maar daar had Martens geen boodschap aan. Samen met de Consumentenbond legde de Hartstichting direct een aantal eisen neer: wetgeving voor de industrie om reductietargets te behalen, sancties bij het niet nakomen van de afspraken en ambitieuze doelen met een termijn van vijf jaar.

Vrijblijvende maatregelen

Met haar dadendrang oogst Martens lof: ‘Carolien? Die is heel pittig. Perfect voor haar rol, een beetje dat activistische,’ vertelt Gerda Feunekes terwijl ze een boksbeweging maakt. Als directeur van het Voedingscentrum is ze aanwezig bij ieder stakeholdersoverleg. Ook van haar mag het nieuwe akkoord wel een tandje strenger: ‘We zitten allemaal te kijken hoe dit dwingender kan. Daar past bij dat VWS de regie neemt en dit niet aan de markt overlaat.’ 

VWS moet ook de industrie aan boord houden, en daar kijken ze toch iets anders naar het onderwerp gezonde voeding

Toch merkt Martens dat VWS in de praktijk veel ruimte overlaat aan de industrie. Na twee jaar overleggen constateert ze dat de partijen weinig zijn opgeschoten. Er liggen nog altijd alleen vrijblijvende maatregelen op tafel. 

Ook bij het stakeholderoverleg van april vorig jaar komt VWS niet aan haar eisen tegemoet. Martens verwijt het ministerie dat het nieuwe akkoord ‘tegen zelfregulering aanschurkt’. Het plan om de industrie tien jaar de tijd te geven noemt ze ‘niet erg ambitieus’. Maar VWS ziet geen reden om voor een hardere aanpak te kiezen. Charles Wijnker – op dat moment Directeur-Generaal Voeding, Gezondheidsbescherming en Preventie bij het ministerie van VWS en voorzitter van het overleg – reageert: ‘Het is al minder vrijblijvend, er is vooralsnog geen koers om scherper te worden.’ VWS moet ook de industrie aan boord houden, en daar kijken ze toch iets anders naar het onderwerp gezonde voeding.

Het moet vooral lekker zijn

Marc Jansen is ook altijd bij de overleggen aanwezig. Hij is al twintig jaar de directeur van het Centraal Bureau voor de Levensmiddelenhandel (CBL), de koepelorganisatie van supermarkten. Met hun huismerken zijn supermarkten belangrijke voedingsproducenten. Jansen vindt dat er niets mis is met zelfregulering en spreekt lovend over het aanbod van de supermarkt. ‘In iedere supermarkt loop je als eerste tegen het groente- en fruitschap aan. Het is uiteindelijk aan de consument om dan een gezonde keuze te maken.’

Ook Christine Grit, Manager Voeding en Gezondheid bij de Federatie van de Nederlandse Levensmiddelen Industrie (FNLI), legt de verantwoordelijkheid voor een gezond voedingspatroon bij de consument. Na haar studie diëtetiek begon ze haar loopbaan in het bedrijfsleven. ‘Ik ben – het klinkt misschien gek – begonnen bij de suikerindustrie. Toen ben ik naar de koekjes, snoepjes en chocolade gegaan en daarna bij de FNLI geëindigd.’ 

Tijdens de overleggen over de nieuwe Nationale Aanpak Productverbetering  vertegenwoordigen Jansen en Grit samen de voedingsmiddelenindustrie. Voor hen is één ding duidelijk: ze willen zich inzetten voor gezondere voedingsmiddelen, maar het nieuwe akkoord mag niet ten koste gaan van de productkwaliteit en de smaak. ‘Als je dan te snel gaat, raak je de consument kwijt,’ zegt Grit. De supermarktbezoeker kiest namelijk met zijn smaakpapillen. 

De industrie verzocht VWS om bij de vermindering van zout, vet en suiker niet met twee, maar met drie decimalen achter de komma te werken

Dat herkent ook Antonio Alvarez Butron. Hij is Innovation Chef bij Hive, het hypermoderne Food Innovation Centre van Unilever, waar hij experimenteert met nieuwe smeersels en dressings. Gevraagd wat hij zou doen als de hoeveelheid zout in mayonaise morgen gehalveerd moet zijn, reageert hij enthousiast: ‘Het zou een leuke uitdaging zijn, maar je kunt niet verwachten dat de consument het dan lekker vindt.’

Unilever kijkt wel uit om de consument nog eens tegen de haren in te strijken. Toen het bedrijf resoluut 18 procent zout uit Cup-a-Soup haalde steeg het aantal klachten van twee naar duizend per week. Geschrokken draaide Unilever de wijziging terug en voerde de reductie vervolgens stapsgewijs uit. Tien jaar later is de vermindering van 18 procent alsnog behaald. ‘Die geleidelijkheid is dus heel belangrijk,’ benadrukt supermarktman Jansen. Zo belangrijk, dat de industrie VWS verzocht om bij de vermindering van zout, vet en suiker in de nieuwe aanpak niet met twee, maar met drie decimalen achter de komma te werken.

Ansjovis en smeltzout

Aanpassing van de receptuur heeft niet alleen invloed op de smaak, maar ook op de textuur en houdbaarheid van voedingsmiddelen. Hoe makkelijk een recept is aan te passen, verschilt per product. Zo kun je bijvoorbeeld makkelijker zout uit ingeblikte groenten halen dan uit vleeswaren, waar het een belangrijke rol in de conservering speelt. Om de industrie tegemoet te komen wil VWS maatwerk leveren. Soortgelijke producten zijn in groepen ingedeeld. Daarvoor geldt straks eenzelfde reductiedoel, want je kunt niet voor ieder afzonderlijk product afspraken maken. 

Bij het vorige akkoord was het aan de industrie zelf om deze productcategorieën te bepalen, met uiterst gedetailleerde productgroepen tot gevolg. Zo werden de worstenbroodjes gescheiden van de saucijzenbroodjes en ketchup belandde in een andere categorie dan currysaus. ‘Je moet je niet laten verleiden om in die details te gaan, dan is het niet meer werkbaar,’ meent Feunekes van het Voedingscentrum. Voor de consument is saus gewoon saus.’

Ditmaal schakelt VWS het RIVM in om met een minder gedetailleerde indeling te komen. ‘Maar het moest ook weer niet te algemeen worden,’ legt Wieke van der Vossen uit. De voedseltechnologe was namens het Voedingscentrum betrokken bij de ontwikkeling van de categorieën. ‘Een salami bevat nu eenmaal meer zout dan bruine bonen. Als je het zoutgehalte van een blik bruine bonen toepast op een salami, dan is het geen salami meer.’ Met het nieuwe systeem hopen het ministerie en het RIVM ook de salamiproducenten aan boord te krijgen. ‘We wilden de criteria laten aansluiten op het product van de fabrikant.’

In de hoop dat de nieuwe aanpak zo werkbaar mogelijk is, organiseert VWS gelijktijdig met de stakeholderoverleggen meerdere drukbezochte klankbordsessies. Tijdens deze sessies mogen levensmiddelentechnologen schieten op de productindeling van het RIVM, met bijzondere discussies tot gevolg. Zo werd er betwist of ansjovis tot de categorie ‘vissen’ of de klasse ‘smaakmakers’ behoort. Ook de indeling van smeerkaas met smeltzout blijkt een hersenkraker: de een vindt het een ‘kaas met smeltzout’, de ander een ‘gewone’ smeerkaas.

Als de nieuwe productindeling in februari 2022 verschijnt zijn er dertien productgroepen vastgesteld, die weer zijn onderverdeeld in eenenzestig subgroepen, van ‘vleeswaren samengesteld rauw’ tot ‘luxe brood naturel en zoet’. Ketchup en currysaus zitten dit keer wel in dezelfde categorie, maar saus blijkt nog steeds niet gewoon saus: VWS erkent vijf verschillende groepen sauzen, waaronder ‘warme sauzen op groentebasis’, ‘sauzen op basis van emulsie’ en ‘pindasaus’.

Tredensysteem

Nu de productcategorieën bepaald zijn, kan het ministerie de doelen voor iedere subgroep opstellen. Daarvoor ontwerpt het RIVM een systeem met vier treden, met in trede 1 de gezondste producten (binnen de productgroep) en in trede 4 de meest ongezonde. VWS rekent erop dat het tredensysteem fabrikanten zal motiveren om hun receptuur te verbeteren. Waarom zou je immers een ongezond product maken als een andere fabrikant bewijst dat je datzelfde product ook met veel minder zout, vet of suiker kunt produceren? 


Martijn Katan, emeritus hoogleraar voedingsleer

"Je kunt niet van bedrijven verwachten dat ze vrijwillig hun producten zo gaan veranderen dat ze er minder van verkopen"

Op basis van de productindeling van het RIVM bepaalt VWS dat in 2030 het merendeel van de producten naar de categorie met de gezondste samenstelling moet zijn opgeschoven. Of liever: met de minst ongezonde samenstelling. Want producten die in trede 1 vallen, zijn niet per se daadwerkelijk gezond. Als alle vet-, zout- en suikerreducties zijn doorgevoerd, is het meest ongezonde blik bruine bonen nog altijd gezonder dan de gezondste salami.  Dit maakt dat er voor producenten in het systeem geen prikkel is om hun producten gezonder te maken dan die van de concurrent.

Nauwelijks stokken en wortels  

Dit gebrek aan prikkels is ook de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) opgevallen. In de zomer van 2021 publiceerde die een rapport over de Nationale Aanpak Productverbetering. De RVO beoordeelde het opgetuigde stelsel van productcategorieën en gezondheidcategorieën als veel te ingewikkeld en kraakt het gebrek aan ‘wortels en stokken’: er is geen budget om bedrijven die productinnovaties onderzoeken te subsidiëren en VWS kan gemaakte afspraken niet afdwingen. De RVO vroeg zich af of wetgeving niet ‘een effectiever middel is’ dan een ‘vrijwillige deelname aan een convenant met alleen een inspanningsverplichting’. 

Ook uit de praktijk blijkt dat wetgeving soms nodig is. Toen de industriële bakkers met het plan kwamen om zout te reduceren, stapten ze zelf naar de overheid met het verzoek om het zoutgehalte in brood wettelijk vast te leggen. Zout is een belangrijke smaakmaker, en veel mensen vinden zoutarm brood minder lekker. Hierdoor vreesden industriële bakkerijen dat hun brood minder goed zou verkopen dan dat van de bakker om de hoek. Met wetgeving wist de bakkersindustrie één lijn te trekken voor alle bakkers – ook de ruim tweeduizend ambachtelijke bakkers. 

De Nutri-Score en het tredensysteem

De Nutri-Score is een Europees verband ontwikkeld scoresysteem voor de gezondheid van voedingsmiddelen. Net als bij het energielabel worden bij de Nutri-Score letters uitgedeeld: een ‘A’ voor de gezondste producten en een ‘E’ voor de minst gezonde producten.

Het oorspronkelijke plan van VWS was om de Nationale Aanpak Productverbetering te koppelen aan de Nutri-Score. Op deze manier zouden vet-, zout- en suikerreducties ook zichtbaar worden voor de consument, in de vorm van een betere letter.

De invoering van de Nutri-Score laat echter op zich wachten, wegens ellenlange discussies op Europees niveau en een zeer voorzichtig opererend ministerie. VWS wil voorkomen dat de Nutri-Score eenzelfde lot begaat als het ‘vinkje’, waar de consument massaal het vertrouwen in verloor.

Nu het tredensysteem voor productverbetering af is en de Nutri-Score nog op zich laat wachten, is het de vraag of de twee aan elkaar gekoppeld zullen worden. Pas als de definitieve rekenregels achter de Nutri-Score bekend zijn, zal het RIVM kijken of dat kan. 

Mocht dit niet mogelijk zijn, dan gaan de systemen los van elkaar verder. Dat zal tot de nodige verwarring bij de consument kunnen leiden. Als een product een betere Nutri-Score krijgt, wil dat niet zeggen dat het een trede opschuift in het tredensysteem, of andersom.

Lees verder Inklappen

Martijn Katan, emeritus hoogleraar Voedingsleer aan de VU Amsterdam, denkt ook dat wetgeving het meest effectief is. ‘Je kunt niet van bedrijven verwachten dat ze vrijwillig hun producten zo gaan veranderen dat ze er minder van verkopen. Daar komt dit plan in feite wel op neer. Zolang het allemaal op vrijwillige basis is en er geen straffen staan op het overschrijden van de grenzen, verwacht ik er niet veel van.’

Het RVO-rapport werd opgemerkt in politiek Den Haag. In de voorzet voor het regeerakkoord van VVD en D66 verscheen plotseling dat er ‘ambitieuze en niet-vrijblijvende afspraken met de voedingsmiddelenindustrie voor productverbetering werden gemaakt.’ De tekst haalde het regeerakkoord, waarin de coalitie beloofde dat zij ‘bindende afspraken maken met de industrie over gezondere voedingsmiddelen.’ Na het regeerakkoord ging de vlag bij de Hartstichting uit: ‘We waren ontzettend blij en tevreden,’ blikt Martens terug. Maar met deze slag is de strijd nog niet gewonnen.

Ook VWS was van het rapport onder de indruk. Bij het volgende stakeholdersoverleg in september 2021, was er een nieuwe voorzitter, Victor Sannes, die Charles Wijnker heeft opgevolgd als Directeur Voeding, Gezondheidsbescherming en Preventie. Sannes deelde de deelnemers mee dat VWS een ‘juridische verkenning’ was gestart. 

Voor het eerst onderzoekt het ministerie nu of het zout-, suiker- en vetmaxima voor bepaalde productgroepen kan opleggen, of sancties mogelijk zijn en of deelname verplicht kan worden. ‘Dat was wel een van de belangrijkste gevolgen van het RVO-rapport,’ vertelt de anonieme ambtenaar van VWS. Hoognodig, volgens Martens. ‘Wil je impact hebben en effectief zijn, dan heeft dit beleid echt een bindend karakter nodig. Anders bereik je hetzelfde als met de oude aanpak.

Ruzie met de hele Europese Unie

Wettelijke maatregelen zijn nodig om te voorkomen dat de nieuwe aanpak opnieuw op vrijwillige inzet rust, maar het invoeren van zout-, vet- en suikermaxima brengt complicaties met zich mee. ‘Door Europese regelgeving kan Nederland geen producten die elders in Europa zijn goedgekeurd bij de grens tegenhouden,’ legt voedingsjurist Suzan Slijpen uit. Nederlandse producenten vrezen de concurrentie van buitenlandse producenten die nog wel onverminderd zoete, zoute en vette producten in Nederlandse supermarkten mogen aanbieden. ‘Het is dus meer een concurrentieprobleem dan een juridisch probleem.’

Voor bakker Ray Rademaker en zijn collega’s speelde dit probleem niet. De bakkersbranche blijkt een zeldzaam voorbeeld waarbij VWS wetgeving heeft ingezet om zout te reduceren. Brood is een dagvers product en wordt hierdoor voornamelijk in Nederland gebakken. Nederlandse bakkers hebben daarom nauwelijks last van buitenlandse concurrentie. 

Voor vrijwel alle andere producten in de supermarkt is er wél concurrentie uit het buitenland. De voedingsmiddelenindustrie maakt zich dan ook weinig zorgen over wetgeving. ‘Dan krijgt Nederland dikke ruzie met de hele Europese Unie,’ zegt Christine Grit. Ook Marc Jansen leunt rustig achterover als we over bindende maatregelen beginnen: ‘Ik ben héél benieuwd hoe VWS dat zou gaan invullen.’ 

VWS verwacht de juridische verkenning in de eerste helft van 2022 af te ronden. Omdat de productindeling en de verbeteringsdoelen voor 2030 bekend zijn, kunnen bedrijven al ‘aan de slag,’ vertelt Jansen. Hij laat een korte pauze vallen. ‘Of niet’. 

Het Onderzoekslab is een samenwerking van The Investigative Desk en de Coöperatie. Deze publicatie is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten. Het onderzoek is mede uitgevoerd door journalist Manon Dillen.

Reactie van Staatssecretaris Maarten van Ooijen (VWS)

‘Om mensen te helpen om vaker de gezonde keuze te maken en niet te veel suiker, zout en vet te eten, moeten we heel veel tegelijkertijd doen. Zo gaan we bijvoorbeeld de belasting op frisdrank verhogen, het btw-tarief op groente en fruit verlagen naar 0 procent en bevorderen we dat het aanbod in sportkantines en op scholen gezonder wordt. Ons beleid is erop gericht dat meer mensen vaker kiezen om te eten volgens de Schijf van Vijf. Maar de realiteit is natuurlijk dat mensen ook veel producten buiten de Schijf eten. Daarom is het zo belangrijk dat bedrijven blijven werken aan het verbeteren van de samenstelling van deze producten. In het coalitieakkoord is afgesproken dat we bindende afspraken maken met de industrie over gezondere voedingsmiddelen. Daar zijn we dan ook mee aan de slag met de nieuwe aanpak, met een sterkere regierol voor VWS. We hebben oog voor de dilemma’s en ingewikkeldheden die daarbij kunnen spelen. Maar we gaan het wel doen, voor een gezonder Nederland.’

 

Lees verder Inklappen