© Boomerang Create

Red de politieke journalistiek van de dood

  • L

Gastauteur Jan Kuitenbrouwer onderwerpt de politieke journalistiek aan een uitgebreide analyse. Wat is factchecken eigenlijk nog waard in een wereld waarin kijkcijfers allesbepalend zijn, waarin politici zelf rechtstreeks met de burgers en hun kiezers kunnen communiceren en waarin politieke debatten tot een castingshow zijn verworden?

De laatste tijd wordt veel geschreven en gepraat over de journalistiek. Vrijwel altijd is de toon zorgelijk. De journalistiek is in crisis, en het zal erger worden voor het ooit weer beter wordt. Het verdienmodel staat onder druk, internet holt de kwaliteitsjournalistiek uit en het ontzag voor de vrije pers is tanende. ‘Winter is coming,’ schreef Jay Rosen, mediacriticus en hoogleraar journalistiek aan de New York University.

Elk lichtpuntje, elk succesje, wordt gekoesterd. Begin 2017 was er zo’n moment waaruit journalisten over de hele wereld moed putten, al was het maar voor even. Het was op 16 februari. Donald Trump, een maand eerder beëdigd als president van de Verenigde Staten, hield een persconferentie. Hij zou de benoeming van een minister van Arbeid bekendmaken. NBC en ABC en CBS en CNN en FoxNews en MSNBC en CSpan en Al Jazeera en BBC World, ruimden er live zendtijd voor in. Trump besteedde een minuut of drie aan de ministeriële benoeming, waarna hij naadloos overschakelde op een van zijn inmiddels vertrouwde, meanderende monologen over hoe fantastisch hij is en hoe schandalig oneerlijk de media, de fake media, daar (geen) verslag van deden. Van het feit, bijvoorbeeld, dat hij de verkiezingen gewonnen heeft met de ‘grootste marge in het electorale college sinds Ronald Reagan’.

Peter Alexander, correspondent van NBC News, stak zijn hand op. Dat klopt niet, stelde hij. De grootste marge in het electorale college sinds Reagan was de overwinning van George Bush senior, met 426 kiesmannen, Trump had er 304. Ook Clinton en Obama wonnen met een grotere marge, beide keren. Trump werd er niet warm of koud van. Als hij aan zijn leven als projectontwikkelaar in New York iets heeft overgehouden, dan is het een dikke huid en een ijzeren repertoire van dooddoeners. ‘Well, maybe,’ zei hij schouderophalend. ‘I was given that information. Waar was ik? O ja, de fake media…’

Staatstelevisie in privéhanden

Terwijl Trump alweer doordenderde, als een klapwiekende combine harvester die nog een hectare te gaan heeft, hield de wereld even op met draaien. BREKEND: Trump live op onjuistheid betrapt door factcheck NBC! Radio, televisie, Facebook, Twitter, de blogs, de nieuwssites – Peter Alexanders factcheck was het nieuws van de dag. Peter Alexander was een held! Trump, die altijd zo denigrerend en beledigend over journalisten spreekt, werd even goed op zijn nummer gezet! Door een journalist! Kijk, zo doe je dat. Met feiten. BAM!

De persconferentie zou uiteindelijk 77 minuten duren. Naar schatting dertig  miljoen Amerikanen zaten voor de buis, en wereldwijd nog eens tien miljoen kijkers. Kosten voor Trump: nul dollar.

Ideaal moment voor de networks om tegen toptarief extra commercials weg te zetten

Er loopt een brede rode loper van het Witte Huis naar de Amerikaanse huiskamer. Harry Truman begon ermee, en sindsdien hebben zijn opvolgers steeds meer gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de bevolking regelmatig via de televisie toe te spreken. In die zin is ook de Amerikaanse televisie een vorm van staatstelevisie, zij het in privéhanden. In de rest van de wereld is het niet anders. In dictaturen en totalitaire staten heeft het staatshoofd uiteraard onbeperkt toegang tot de ether, in democratische landen is het geen recht, maar wel een voorrecht. Ik vermoed dat als Mark Rutte elke maand het Nederlandse volk zou willen toespreken, de omroepen om de uitzendrechten zouden vechten.

Gratis publiciteit kun je omrekenen alsof het gekochte reclameruimte was. ‘Mediawaarde’ noemt men dat. De vrije publiciteit die bijvoorbeeld politici genereren, wat zou het kosten als zij die moesten kopen, als een adverteerder? Er is een bureau in Amerika dat zich in deze berekening specialiseert, het heet MediaQuant. Hoe hun rekenmodel er precies uitziet houden ze geheim, maar hun cijfers worden in de Amerikaanse pers vaak geciteerd. Wat die cijfers vooral interessant maakt zijn niet eens de absolute bedragen, het zijn immers virtuele dollars, maar de verhoudingen onderling. Volgens MediaQuant scoorde Barack Obama gedurende zijn termijn als president tussen de 200 en de 500 miljoen dollar mediawaarde per maand. Hillary Clintons record, in de maand juli 2016, was 430 miljoen. In januari 2017, de maand van zijn inauguratie, scoorde Donald Trump 817 miljoen dollar. MediaQuant houdt van dag tot dag de scores bij. Trumps maandelijkse gemiddelde ligt rond de 800 miljoen dollar, ruim anderhalf keer zoveel als Obama.

Met deze persconferentie zou Trump opnieuw voor tientallen miljoenen aan mediawaarde verdienen. Een televisieoptreden van de Amerikaanse president is een miljoenengeschenk van de media-industrie aan het Witte Huis en van het Witte Huis aan de media-industrie. Trump begon elf minuten te laat. Slordige organisatie? Nee, berekening. Het miljoenenpubliek zit klaar in gespannen afwachting, de show kan elk moment beginnen. Een ideaal moment voor de networks om nog even wat extra commercials weg te zetten tegen een toptarief. Dat deden ze dus ook, allemaal. Ka-ching! Trump en zijn mensen zitten in de antichambre gewoon te wachten, met één oog op het scherm en het andere op de klok. Op het moment dat zij het sein krijgen dat het nu toch echt moet beginnen omdat de kijkers anders gaan zappen of koffie zetten of de hond uitlaten – iets dat tv-marketeers realtime kunnen zien – maakt Trump zijn entree. De directeuren van alle televisiezenders die meedoen, slaan het glimlachend gade. Nicely done.

En dan is daar de getalenteerde en bijzonder vakkundige Washington-correspondent Peter Alexander, die deze 77 minuten durende commercieel-politieke coïtus nog even van een quasi journalistiek tintje voorziet. Door één (1) van de vele, vele verzinsels die Trump zoals gewoonlijk weer rond strooide te falsifiëren. Eindstand: 30-1. De journalistieke eer van NBC is gered. En, gelet op het wereldwijde gejuich dat uitbrak, die van de hele journalistiek. Peter Alexander blij, zijn collega’s blij, Trump blij, de televisiebonzen blij, iedereen blij. Enfin, behalve de nieuwsredacteur die zei: ‘Maar Donald Trump verkoopt vooral onzin, waarom zenden wij dat eigenlijk uit? Is dat ‘nieuws’?’

Onderdeel van de crisis van de journalistiek: journalisten hebben minder ruimte om zelf te bepalen wat belangrijk is

Die camera’s stonden daar niet omdat de media verwachtten dat Trump iets belangwekkends zou zeggen, zij stonden daar omdat zij wisten (hóópten) dat hij weer zou gaan raaskallen. En van de tsunami van nonsens die de zaal in rolde, wist één van de aanwezige journalisten welgeteld één brokstukje te falsifiëren. Trump loog over de omvang van zijn overwinning! Goed dat er een camera bij was! Maar als er geen camera bij was geweest, had hij het waarschijnlijk niet gezegd. Het coveren van een persconferentie van Donald Trump door de media is in feite het uitlokken van desinformatie. Precies het omgekeerde van wat de journalistiek zou moeten doen.

Het is dan ook niet de chef van de nieuwsredactie van NBC die bepaalt of een persconferentie van Donald Trump live wordt uitgezonden. Dat besluit de directie, op basis van te verwachten kijkcijfers (lees: reclameopbrengsten). Ook dat is onderdeel van de crisis van de journalistiek: de ruimte voor journalisten om te bepalen wat belangrijk en relevant is, is smaller geworden. De klassieke rolverdeling van een hoofdredacteur die over de inhoud gaat en een uitgever die het commerciële beleid bepaalt, wordt bij steeds meer media ongedaan gemaakt. Bij NRC Handelsblad draagt de hoofdredacteur beide petten tegelijk, en via een bonusregeling is hij zelf direct belanghebbende bij de jaarwinst. Kiest hij te vaak voor kwaliteit boven oplage, dan is hij een dief van zijn eigen portemonnee.

"Politiek is een televisiegenre geworden en televisiesterren worden gecast. De opdracht van een moderne Nederlandse politicus is ‘doorbreken’."

Politiek als lucratief televisiegenre

Het gevolg is dat steeds meer journalisten hun tijd besteden aan zaken waarvan zij als professional het nut niet inzien, maar die nodig zijn om de aandeelhouders tevreden te stellen. ‘Donald Trump mag slecht voor het land zijn, hij is verdomde goed voor CBS,’ sprak Leslie Moonves, de directeur van CBS, in het voorjaar van 2016, toen de presidentiële verkiezingscampagne op stoom kwam. ‘Ik bedoel, wie had dit verwacht? Ik heb nog nooit zoiets meegemaakt! Het geld rolt binnen, het is geweldig! Sorry, het is vreselijk dat ik het zeg. Maar kom op, Donald, ga zo door!’ En Moonves had het niet over de reclame-inkomsten uit verkiezingsspotjes, de Trump-campagne gaf daar nauwelijks geld aan uit, hij had het vooral over de kijkcijfers van het campagnenieuws, die door Trump op een alltime high zaten. De politiek werd een lucratief televisiegenre. En iedereen kijkt.

En dus verduidelijkt de NOS de Amerikaanse verkiezingsuitslagen met een enorme paardenrenbaan (jaja, het horse race frame) waarop een rode olifant (de Republikeinen) en een blauwe ezel (de Democraten) hobbelend om de koppositie strijden, als in een familiekwis. En bij elke nieuwe tussenstand mag Astrid Kersseboom ze weer een beetje verschuiven. Televisiedebatten voor de Nederlandse verkiezingen worden opgeleukt met quizvraagjes en vakantiefoto’s, en de loting voor dat debat, verricht met genummerde balletjes, wordt in zijn geheel live uitgezonden. Hét Hilversumse oerformat om het hele gezin voor de buis te krijgen zal altijd Spel zonder grenzen blijven; ook bij de enscenering van politieke televisiedebatten dient het als leidraad. Er moet een kwisvraagje in, een improvisatie-opdrachtje en een showblokje. ‘Zo direct gaan we tegen de wind in behangen, maar nu eerst: de zeephelling!’

Politiek is een televisiegenre geworden en televisiesterren worden gecast. De opdracht van een moderne Nederlandse politicus is ‘doorbreken’: gescout worden, auditie doen en de rol krijgen. De Haagse redacteuren die bij dit circus als spreekstalmeester moeten optreden, doen loyaal mee. Luis in de pels én quizmaster, wie had dat gedacht?

Een districtenstelsel (België, Frankrijk, Groot Brittannië, Amerika) biedt nog enige compensatie voor dit mechanisme. Ook daar moeten politici mediageniek zijn, maar er is een tweede criterium dat hun lot bepaalt: wat zij voor elkaar krijgen voor hun district. Dáár moeten ze goed voor de dag komen, oog in oog met de plaatselijke kiezer. En als ze eenmaal in het nationale parlement zitten, hoeven zij geen extreme dingen meer te roepen en de talkshows af te lopen om populair te worden:, ze moeten regelen wat ze back home beloofd hebben. Doen ze dat niet, dan sturen de kiezers de volgende keer een ander, met min of meer dezelfde missie. Logrolling,pork barrels, bringing home the bacon, niet voor niets gaat het in de Angelsaksische politiek zo vaak over goed gevulde magen en een winddicht huis.

Nederland heeft geen districtenstelsel, de meeste politici hebben helemaal geen achterban. Kamerleden worden niet gekozen op een direct belang, maar op identificatie en affiniteit, en een handjevol stemmen kan genoeg zijn:  voor één Kamerzetel zijn 60.000 stemmen nodig. De Groep Bontes/Van Klaveren, een tweekoppige afsplitsing van de PVV, had aanvankelijk slechts 1.539 stemmen, een factor 40 minder.

Casten voor een Broadway-productie

Een kieslijst wordt door de partijtop samengesteld als een ensemble van elkaar aanvullende stemmen en persoonlijkheden. Zoals je een toneelstuk cast, of een operette.

Een goed voorbeeld zijn de lotgevallen van Pieter Hilhorst. Een intellectueel met interessante, progressieve ideeën, maar nul politieke ervaring. De PvdA-top cast hem als understudy en opvolger voor Lodewijk Asscher, de Amsterdamse wethouder die partijleider moest worden. A star is born. Pieter heeft geen district, geen achterban, geen ervaring en geen machtspositie. Het enige wat Pieter heeft is ambitie, idealen, charme, en bekendheid van televisie. Verstand van financiën en bestuurlijke ervaring: nul. Maar het maakt niets uit, want hij heeft ‘uitstraling’. Stagecraft.

Oké, zegt het kijkerspubliek, laat maar eens wat zien. Maar Pieter is niet tegen de druk opgewassen aan, Pieter is uit vorm, Pieter kan de rol niet aan en zijn optreden is een debacle. De jury is vernietigend. Een flop! Asscher & Samsom, de producenten, halen hun schouders op en tellen hun knopen. ‘Tja, wij zagen wel wat in hem, maar dat is er helaas niet helemaal uitgekomen. Jammer!’ De politiek als Broadway-productie. Wie zalen vult, mag blijven. Next!

De pers smult. Wat een verhaal. En om verhalen draait het in de moderne journalistiek. Oplages dalen, dus het product moet aantrekkelijker. Populairder, toegankelijker. Je kunt nieuwsverhalen in twee genres indelen: thematisch en episodisch. In thematische stukken draait het om een kwestie, in episodische om een gebeurtenis. Over armoedebestrijding bijvoorbeeld kun je schrijven door alle relevante feiten en ontwikkelingen op een rij te zetten, of door een dag mee te lopen met een gemeentelijke armoedebestrijder. Thematische stukken gaan over structuren, episodische over mensen. Episodische stukken zijn populairder dan thematische, en krijgen op redacties steeds meer de voorkeur. De journalist als informant maakt plaats voor de journalist als verhalenverteller. Storytelling!

Ook de ‘moeilijke vragen’ die journalisten aan politici stellen, zijn een theatraal ritueel

Iedereen kent het beeld van het Haagse perskorps dat tijdens een formatie eindeloos rondhangt op het Binnenhof om paraat te zijn wanneer iemand naar buiten komt. In een tijd van schaarse mankracht en krimpende budgetten bij de nieuwsmedia loopt daar een legertje professionals maandenlang de tijd te doden, om zo nu en dan als levende microfoonstandaard te dienen voor een onderhandelaar die een communiqué voorleest, een boodschap die hij net zo goed aan het ANP had kunnen mailen, zodat dat kostbare leger professionals intussen iets nuttigs had kunnen doen. Maar het gaat niet om de feiten, het gaat om het verhaal.

Dat is ook de functie van de ‘moeilijke vragen’ die journalisten aan politici stellen: een theatraal ritueel. Dankzij een grondige briefing van zijn spindoctor weet de politicus al lang welke vragen er komen en dankzij een gedegen mediatraining heeft hij zijn antwoorden klaar. En soms misschien niet. Dan schuttert hij, verspreekt zich of flapt er iets doms uit. Of dat iets betekent voor het landsbestuur – en zo ja: wat – is onduidelijk, maar we hebben tenminste een verhaal.

Hetzelfde geldt voor Peter Alexander van NBC, die Trump corrigeerde. Het gaat niet om het feit – Donald Trump verkondigt leugens en onzin, what else is new? – het gaat om het verhaal. Met zo’n incident kan een tv-zender dagen vooruit. Well done Peter, maar is dat echt waar je van droomde toen je als student voor een major in journalism koos? Dag in dag uit voor microfoonstandaard spelen en zo nu en dan een minuscuul feitje corrigeren? Als een autojournalist die zijn journalistieke geweten sust door te mopperen over de plaatsing van de asbak? De journalistiek verliest steeds meer haar greep op de politiek, terwijl de politiek haar greep op de journalistiek versterkt.

Ooit vormden de nieuwsmedia voor een politicus de sleutel tot het publiek – ze waren van levensbelang. Zo werden persimperiums gebouwd met grote politieke invloed, en ontstond de ‘persbaron’: een vermogende figuur met een politieke agenda, die hij met behulp van zijn krant probeerde te verwezenlijken. Met de macht van de onthulling, de macht van de mobilisatie, en desnoods de macht van de leugen. Orson Welles portretteerde dit type persbaron in Citizen Kane, Ayn Rand deed hetzelfde in The Fountainhead.

Een beetje politicus is nu zijn eigen perstycoon

De enige mediatycoon die daar nog een beetje op lijkt, en die zijn macht zo gebruikt, is Rupert Murdoch. Tony Blair dacht dat hij zijn New Labour-agenda wel zonder Murdochs medewerking kon realiseren, maar uiteindelijk moest hij toch bij hem op de thee. Een rechts-reactionaire mediamagnaat en een links-liberale premier, rara, wie doet concessies aan wie? Via Fox News en de Wall Street Journal wist Murdoch ook de campagne van Donald Trump nog wind in de zeilen te blazen, maar het zal waarschijnlijk de laatste keer zijn dat een mediamagnaat in die positie verkeerde. Dankzij internet.

Internet was hét instrument waar de democratie op had gewacht, zeiden de pioniers begin jaren negentig. Eindelijk een manier voor iedereen om zich over alles te informeren en over alles mee te praten, onafhankelijk van het machtsbevestigende, pseudo-objectieve mediasysteem. Radicale transparantie zou de kwaliteit van het publieke debat op een heel nieuw niveau brengen. Democratiseer kennis en informatie, en je democratiseert de wereld. Het liep een beetje anders. Internet betekende een explosie van semi-, quasi- en pseudo-informatie, onmiddellijk en gratis toegankelijk. Vervolgens kwamen de blogs en sociale media, die het iedereen mogelijk maakte een eigen publiek te bereiken. En inmiddels zijn politici dankzij internet zelf persbaron geworden.

Een blik op de cijfers laat zien dat sociale media populisme belonen

Begin 2018 had Barack Obama 95.4 miljoen volgers op Twitter, Donald Trump in totaal 60 miljoen, Hillary Clinton 18.5, Emmanuel Macron 2.1 miljoen, Theresa May 389.000 (van Angela Merkel is geen gecertificeerd account bekend). (Hier de laatste cijfers.)

Op schaal zien we in Nederland hetzelfde. Geert Wilders: 908.000 Twitter-volgers, Mark Rutte: 895.000, Alexander Pechtold: 660.000, Lodewijk Asscher: 257.000. Emile Roemer: 190.000, Jesse Klaver: 153.000, Sybrand Buma: 73.000. NRC Handelsblad heeft een oplage van ongeveer 200.000, de Volkskrant van 300.000.

Mark Zuckerberg beweert dat het aantal likes en followers van politici op Facebook correleert met hun verkiezingsresultaten, maar een blik op de cijfers laat zien dat dit niet klopt. Wilders heeft ongeveer tien keer zoveel likes op Facebook als Rutte, en Marine Le Pen bijna tien keer zoveel als Macron. Kortom: de sociale media belonen populisme. Ervan uitgaande dat een Twitter-gebruiker echt geïnteresseerd is in de politicus die hij volgt, terwijl er genoeg krantenlezers zijn die het politieke nieuws overslaan, kun je concluderen dat de nieuwe media als kanaal voor politici oneindig veel aantrekkelijker zijn geworden dan de oude.

Zo verschuift de machtsbalans tussen politiek en oude media in het voordeel van de politiek. Ze hebben de oude media steeds minder nodig. ‘Overheden en politici kunnen het filter van media steeds gemakkelijker negeren,’ schreef Tom-Jan Meeus in 2016 in NRC. Politici zijn voortaan de mainstream media – en traditionele media, zeker kranten, zijn als dragers van invloed naar de periferie verdreven.’ Het logische gevolg: om zich niet uit de markt te prijzen, stellen de mainstream media zich inschikkelijker op als doorgeefluik voor het narratief. Niet de journalistiek bepaalt de politieke agenda, zoals zij zichzelf graag wijsmaakt, de politiek bepaalt de journalistieke agenda. De vierde macht wordt verder ingeklemd tussen de derde en de vijfde. En wellicht moeten wij dit tableau uitbreiden met een zesde macht, niet de politiek, niet de onafhankelijke pers, niet de pr-industrie, maar de grote internetconcerns, Google, Facebook en Twitter, die de politiek een krachtig platform en een haarfijn vertakt advertentiemedium verschaffen, plus real-time coaching en feedback richting de populairste, best scorende boodschap.

Vandaar ook dat politici steeds minder beschroomd zijn om de oude media aan te vallen. De bekendste voorbeelden zijn Trump, Putin, Erdogan, en bij ons Geert Wilders, maar ook ‘gewone’ politici veroorloven zich nu laatdunkende opmerkingen over de pers die vroeger anathema waren. Ooit was dit het voorrecht van autoritaire leiders op weg naar een dictatuur, denk aan Hitler en zijn ‘Lügenpresse’, vandaag kan ook een democratische politicus zich die houding veroorloven. Dankzij internet. ‘Mediakritiek is een vrijwel risicoloos onderdeel van de politiek geworden,’ schreef Tom-Jan Meeus. ‘De lulletjes van het schoolplein uitlachen.’


Karl Rove

"Wij zijn nu een imperium, en met onze acties creëren wij onze eigen realiteit."

‘Wij scheppen nu onze eigen realiteit’

Politici liggen echt niet wakker van de intelligente weekendanalyses van Martin Sommer, Paul Jansen of Tom-Jan Meeus. Die liggen alleen wakker als ze een half jaar niet bij Pauw of Jinek aan tafel hebben gezeten. Het dominante narratief wordt gemaakt door de politieke berichtgeving van alledag, die voortkomt uit een complex samenspel tussen politici, journalisten, beleidsadviseurs, woordvoerders, spindoctors, lobbyisten, et cetera, die vage populatie die ook wel wordt aangeduid als ‘politiek Den Haag’, en waarvan het dagelijkse product ook wel news framing wordt genoemd. Kritische, onafhankelijke analyses van die frames worden gelezen door de fijnproevers, die doorbladeren tot het derde katern. Dat is voer voor the reality based community.

Die term komt van Karl Rove. Rove was sinds begin jaren negentig de belangrijkste strategist van George W. Bush, en tot 2008 een sleutelfiguur in de Republikeinse partij. Sommigen in de Republikeinse partij noemden hem liefkozend turd blossom (strontbloesem), vanwege zijn onfrisse praktijken. Hij startte een fluistercampagne dat de Democratische gouverneur van Texas, Ann Richards, lesbisch was (Richards verloor van Bush), dat John McCain een buitenechtelijk kind bij een zwarte vrouw had (McCain verloor de nominatie) en dat Bush-rivaal John Kerry geen oorlogsheld was maar een angsthaas die zijn maten op een kritiek moment in de steek had gelaten, (Kerry verloor van Bush). Geen van die dingen was waar.

De media slikten het verhaal als zeehonden een toegeworpen vis

Rove was adjunct-stafchef van George W. Bush, in 2004, toen in de New York Times een groot stuk verscheen, ‘Without a doubt: faith, certainty and the presidency of George W. Bush’. De auteur, politiek redacteur Ron Suskind, beschreef gedetailleerd hoe Bush en zijn team, onder leiding van Rove, zich steeds meer afsloten voor informatie van buiten en zich terugtrokken in de sekte-achtige beslotenheid van Bush’ hervonden geloof in God. Zij waren op een missie van God, en alleen geloof kon de missie doen slagen. Experts die gewend waren het Witte Huis van advies te dienen, stonden gefrustreerd en verwonderd langs de kant. Het stuk is een knap staaltje verslaggeving, narrativisme op z’n best. Suskind beschrijft zijn eerste ontmoeting met Rove, in 2002. Hij had een kritisch portret geschreven van Karen Hughes, de directeur communicatie van het Witte Huis. Rove ontbiedt hem op het Witte Huis.

Het was het jaar dat Bush de wereld had weten te overtuigen dat Sadam Hussein een kernwapenarsenaal had en uit de weg geruimd moest worden. Een verzinsel, vakkundig opgebouwd uit vervalste documenten, gemanipuleerde inlichtingenrapporten, suggestief beeldmateriaal en zelfs een glazen ampul gevuld met bakpoeder (‘dry anthrax’) als bewijs van Sadams duivelse plannen. Het werkte. De media slikten het verhaal als zeehonden een toegeworpen vis. De wereld trok ten oorlog tegen Irak. Precies als in Wag the Dog, een geniale satire op de Amerikaanse politiek van Barry Levinson, had het Witte Huis een geopolitieke fictie gecreëerd. Wie dat in 1997, toen Wag the Dog uitkwam, had voorspeld was voor gek verklaard. Na McCains zwarte bastaard en Kerry’s vaandelvlucht was dit Roves meesterstuk: een oorlog op grond van een verzonnen casus belli.

En dan, op een middag, heeft hij een weerspannige journalist tegenover zich, die even moet worden bijgepraat. ‘Weet je, Ron,’ zegt Rove, ‘jij behoort tot de reality based community. Jij behoort tot de mensen die geloven dat oplossingen voortkomen uit een bedachtzame bestudering van de waarneembare werkelijkheid.’

Suskind knikt en mompelt iets over de Verlichting en het empirisme. Rove onderbreekt hem. ‘Zo werkt de wereld dus niet meer. Wij zijn nu een imperium, en met onze acties creëren wij onze eigen realiteit. En terwijl jullie die realiteit bestuderen, zorgvuldig en gewetensvol, zoals jullie dat doen, handelen wij opnieuw, en scheppen weer andere werkelijkheden, die jullie ook kunnen bestuderen. En dat is hoe de kaarten liggen. Wij zijn de hoofdrolspelers van de geschiedenis, en jij, jullie allemaal – jullie rol is slechts om te bestuderen wat wij doen.’ Ook de politiek was postmodern geworden.

Feiten weerleggen het verhaal niet

Een werkelijkheid creëren, hoe doe je dat? De judicious students of discernable reality, de Suskinds van deze wereld, heb je er in elk geval niet bij nodig. De oorlog in Irak was al maanden bezig toen de eerste berichten verschenen dat Sadams wapenprogramma waarschijnlijk één grote hoax was. Bush’ realiteitscreateur had zijn werk toen al lang gedaan.

Hoe? Een belangrijk wapen is taal. Framing. De eerste keer dat ik erover las was in 2007, toen ik in een uithoek van het internet een vertrouwelijk memo van mediastrateeg Frank Luntz tegenkwam, waarin hij uitlegde hoe de Republikeinen over illegale immigratie dienden te praten. Stap voor stap legt hij uit welke woorden, in welke situatie, tegenover welk deel van het electoraat, wel en niet werken. Niet eerder was in de Amerikaanse politiek zo grondig nagedacht over taal. Ook de schroom om voluit op emotie te communiceren werd afgeschud, in de wetenschap dat dergelijke boodschappen hun werk ook doen als zij weerlegd worden door feiten. En dus verruilden de Republikeinen de term tax reduction voor tax relief , noemden zij late term abortion voortaan partial birth abortion, en de successiebelasting werd death tax. De fight against terrorism werd the war on terror, enzovoorts, enzovoorts.

Een eigen taal is een eerste stap op weg naar een eigen wereldbeeld

George Lakoff, Berkeley-liberal en neurolinguïst, legde de Democraten geduldig uit hoe dit mechanisme werkt en adviseerde ze hetzelfde te doen. Met wisselend succes. Een van de redenen dat Hillary Clinton er niet in slaagde het Amerikaanse zorgstelsel te herzien en Barack Obama wel, is dat Obama besefte hoe het vocabulaire rond de gezondheidszorg Republikeins geframed was, en dat hij zijn eigen taal moest ontwikkelen. Niet zeggen ‘universal coverage’ (eenheidsworst) maar ‘quality’ en ‘affordable’. Niet ‘competition’ maar ‘choice’ en ‘control’. Niet ‘government’ maar ‘public’, enzovoorts.

Ook in de Nederlandse politiek is framing inmiddels gemeengoed. Sterker, soms help ik organisaties erbij. Ik beschouw het als eerbaar en legitiem: uiteindelijk is het een vorm van overtuigingskunst, net als de klassieke retorica. Er zijn mensen en organisaties die de wereld iets te vertellen hebben, maar de taalvaardigheden missen om dat effectief te doen. Politieke partijen huren professionals in om hun logo te ontwerpen en posters vorm te geven; waarom zouden zij dat niet ook voor hun verbale boodschap doen? Mind you: dan hebben we het nog niet over het verzinnen van een wapenarsenaal als excuus om een oorlog te beginnen. Een eigen taal is een eerste stap op weg naar een eigen wereldbeeld.

Ooit was politieke taal een beschrijving van de werkelijkheid, gevolgd door een interpretatie, maar beschrijving en interpretatie worden de laatste jaren meer één geheel. De man met de meest uitgesproken opvattingen in de Tweede Kamer is Geert Wilders, en juist hij gebruikt termen als ‘ik vind’ of ‘het is mijn mening’ minder dan bijna alle andere Kamerleden, blijkt uit onderzoek. Wilders heeft namelijk geen meningen, zijn meningen zijn feiten. Zijn interpretatie is een werkelijkheid in zichzelf, een parallel universum, een taal. Hij is daarmee een trendsetter: bij andere partijen gaat het ook gestaag die kant op. Neem de VVD.

Het post-empirisme van Mark Rutte

Sinds de jaren zeventig bestaat er een therapie voor zelfrealisatie genaamd NLP, neurolinguïstisch programmeren, een pseudo-wetenschappelijke gedragsleer om vooruit te komen in het leven. De kern is dat je voor jezelf een schijnwereld creëert, en doordat je je naar die schijnwereld gedraagt, maak je hem tot realiteit. Hét NLP-cliché: ‘Dit is geen catastrofe, dit is een uítdaging!’ ‘Wij zijn niet geïnteresseerd in wat “waar” is,’ schrijven de grondleggers van NLP, ‘alleen wat bruikbaar is telt.’ Donald Trump is van huis uit een salesman, en elke salesman in Amerika volgt NLP-trainingen.

Bernard Wientjes, met ragfijne ironie: ‘Wij hebben besloten dat de crisis per 1 januari 2016 voorbij zal zijn.’

Ook Mark Rutte volgde ze, bij het Phoenix instituut in Utrecht, gespecialiseerd in NLP. Je hoort het soms. Bij de presentatie van het Sociaal Akkoord, eind 2015, nam Ruttes post-empirisme Ratelband-achtige vormen aan. We zaten in de crisis, de consument hield de vinger op de knip, maar, zei Rutte, als wij nu massaal huizen, flatscreen-tv’s en auto’s ging kopen, zou de economie weer aantrekken! Vervolgens deed hij een beroep op de media om toch vooral ‘positief’ over het akkoord te berichten, opdat zijn magische voorspelling zichzelf zou vervullen. VNO-voorzitter en medeondertekenaar Bernard Wientjes zat ernaast en trok een wenkbrauw op, maar hij wilde geen spelbreker zijn en zei met ragfijne ironie: ‘Wij hebben besloten dat de crisis per 1 januari 2016 voorbij zal zijn.’

Ook dit is nog geen gefabriceerde nucleaire terreurdreiging à la Rove, maar een poging tot het creëren van een schijnwerkelijkheid is het zeker. Politieke mirages zijn niet nieuw. Dries van Agt droomde van een ‘ethisch reveil’, Ruud Lubbers fantaseerde over een ‘no-nonsense maatschappij’, maar dat waren particuliere vergezichtjes, gedebiteerd op een partijcongres en misschien nog eens aangehaald in een interview. Dat is andere koek dan de ‘participatiemaatschappij’, die in het regeerakkoord en de troonrede stond en de grondslag vormde voor wetgeving (WMO), die aan de man gebracht werd met een STER-campagne die door Reclame Code Commissie werd veroordeeld als misleidend. De WRR schreef daar in 2017 het rapport Weten is nog geen doenover, dat waarschuwt tegen dit fictiedenken bij de overheid. Tegen de retreat from empiricism.

Hoe moet een journalist daarmee omgaan? De term ‘participatiemaatschappij’ komt voor in stukken van het CDA, de PvdA en de VVD, maar nooit in dezelfde betekenis. Als je zo’n term als journalist overneemt, ben je dan medeplichtig aan ‘werkelijkheidscreatie’?

Frames overnemen

Het is een van de vragen waarmee Joris Luyendijk worstelt in Het zijn net mensen, over zijn jaren als correspondent in het Midden-Oosten. Als ergens een framing war woedt, is het daar. Sommige dilemma’s die Luyendijk beschrijft, zijn futiel. Moeten wij Moebarak de ‘president’ van Egypte noemen of de ‘dictator’? Tja, het één is een titel, het ander een kwalificatie, wat is het probleem? We noemen Donald Trump in nieuwsberichten toch ook gewoon de ‘president van Amerika’ en niet de ‘geschifte vastgoedboer die per ongeluk in het Witte Huis terecht kwam’?

Maar bij andere voorbeelden ligt het lastiger. De ene partij spreekt van ‘bezette gebieden’, de andere van ‘betwiste gebieden’; wat maak je daar als journalist van? Luyendijk: ‘Er zijn geen objectieve woorden. Ieder kamp heeft zijn eigen termen, en afhankelijk van wiens termen je overneemt, vertel je het verhaal uit diens perspectief. Een alternatief is er niet, tenzij je het nieuws wilt beginnen met een zin als: ‘Vandaag zijn in Judea en Samaria / de Palestijnse gebieden / de bezette gebieden / de betwiste gebieden / de bevrijde gebieden drie onschuldige Palestijnen / moslimterroristen / Arabische nieuwkomers bruut vermoord / uitgeschakeld / geëlimineerd door de Zionistische vijand / Israëlische defensietroepen / bezettings- troepen.’ Of uit Irak: ‘Vandaag hebben Zionistische kruisvaarders / Amerikaanse bezettingstroepen / coalitiekrachten een basis aangevallen van het moslimverzet / soennitische terroristen / Iraakse opstandelingen.’

Daar heeft Luyendijk een punt: het moderne, snelle nieuws biedt weinig ruimte voor meta-scepsis. De praktijk is dat de journalistiek zulke frames vaak gewoon overneemt, vaak onbewust. Voor mij als taalzeloot blijft het verwonderlijk hoe weinig de meeste mensen nadenken over de betekenis van woorden, ook schrijvers. ‘Tja, zo noem je dat nu eenmaal.’

Waterpistooltje

In Slate vertelde Ron Suskind meer over de communicatiestrategie van de regering-Bush. ‘When I was at the White House in 2002, I had a variety of discussions with them about their newfangled message control machine, and their prized discipline. They made a clear decision: We will ignore as best we can the mainstream press and let’s see if there’s any penalty for doing that. The view of Karen Hughes, Bush’s former chief communications advisor, was, “We’re not concerned; we don’t see there being any penalty from the voters for ignoring the mainstream press.” That’s innovation.’

En dat was in 2002, vijftien jaar geleden. Fox News was nog klein, Breitbart moest nog opgericht worden, de blogosphere stond in zijn kinderschoenen, Alex Jones en Infowars waren een marginaal verschijnsel, de oprichters van Twitter en Facebook zaten nog op de middelbare school. Karl Rove kon ‘werkelijkheden creëren’ met een waterpistooltje, vergeleken bij het communicatiegeschut dat Donald Trump thans tot zijn beschikking heeft. En, in proportie, elke moderne politicus.

Het is ironisch: de oude media hebben de politiek afgericht, en met die vaardigheden doen politici nu hun voordeel op hun eigen communicatiekanalen. En het internet kan daarbij iets anders, iets dat kranten niet kunnen: maatwerk leveren. Specifieke boodschappen voor specifieke kiezers met specifieke prioriteiten. Barack Obama was de eerste Amerikaanse presidentskandidaat die deze toen nog primitieve mogelijkheden benutte. Inmiddels is dit systeem vele malen krachtiger en verfijnder geworden, door de voortdurende aanwas van digitale personalia en de perfectionering van de modellen door firma’s als Cambridge Analytica. Als politicus kun je tegenwoordig rechtstreeks terecht bij Facebook en Google. De campagne van Donald Trump heeft die mogelijkheden optimaal benut en wist zo in cruciale districten ‘pockets’ van potentiële kiezers over de streep te trekken. Van die ontwikkeling hebben wij ongetwijfeld nog maar het begin gezien.

Karen Hughes had het nog braafjes over het ‘negeren’ van de mainstream media. De opvolger van de opvolger van haar baas, Donald Trump, is communicatief gezien al zo self-supporting dat hij de ‘de lulletjes van het schoolplein’ niet alleen kan negeren, maar dag in dag uit kan krenken, denigreren en beschimpen.

En wat doen de lulletjes? Die staan met hun potlood in de aanslag om het allemaal braaf te noteren. En steken trots hun vinger op als ze een onjuist feitje ontdekt hebben. Waar zouden we zijn zonder de pers?

Tijd voor een nieuwe rolverdeling

Leslie Moonves van CBS stond Trump nog aan te moedigen als een pooier die geld ruikt

Zo groeit de kloof tussen de mediapolitieke schijnwereld en de tastbare wereld van ‘gewone, normale mensen’, zoals Rutte ze graag noemt, alsof normaalheid en gewoonheid verschillende dingen zijn. Totdat er een politicus opstaat die die kloof exploiteert. Een buitenstaander die eerst nog wordt afgedaan als irrelevante schertsfiguur, totdat hij substantieel gaat scoren in de peilingen en de politieke journalistiek wakker schrikt. Ik heb het over Pim Fortuyn in het Nederland van de jaren nul, de Geert Wilders van de jaren tien, maar ik zou het ook over Donald Trump anno 2016 kunnen hebben. Alle drie werden groot gemaakt door kiezers uit een niet-bestaande realiteit. Huh? Wie wáren die mensen? De verbazing is begrijpelijk. Geobsedeerd als ze waren met de operette in Washington, ontging het de media wat er in de Midwest met de blue collar workers gebeurde, en gebiologeerd door de dwaze capriolen van Trump, hielpen zij hem aan de overwinning. Met Wilders en Fortuyn ging het precies zo.

Leslie Moonves van CBS stond Trump nog aan te moedigen als een pooier die geld ruikt, zijn ambtgenoot van CNN, Jeff Zucker, sloeg een paar maanden na de verkiezingen al een andere toon aan. ‘If we made any mistake last year, it’s that we probably did put on too many of his campaign rallies in those early months and let them run,’ zei hij onlangs. ‘There was an attraction to put those on air, because you never knew what he would say.’

Om goed werk te kunnen leveren, beweren politieke journalisten altijd, moet je ‘toegang’ hebben. Relaties, accreditaties, een ‘netwerk’. Dat idee stamt nog uit de tijd dat de journalist iets had dat de politiek wilde hebben – een publiek – en de politiek iets dat de journalist wilde hebben – de waarheid. De basis voor een wederzijds profijtelijke transactie. Maar als wat de journalist te bieden heeft de politicus in toenemende mate koud laat, werkt die transactie niet meer.

Daarom moet het anders. De politieke journalistiek zit op een dood spoor. Het is tijd voor een nieuwe rolverdeling. In die zin heeft Donald Trump de journalistiek juist een dienst bewezen: een duwtje, zeg maar een duw, in de rug om zich weer toe te leggen op haar eigenlijke taak.

De politiek wil werkelijkheden creëren. De taak van de journalistiek is om werkelijkheden te beschrijven. Vandaar mijn suggestie: vergeet wat politici allemaal zeggen en kijk meer naar wat zij doen. Sluit die Haagse redacties. Gooi een doek over die kooi. Dan wordt het stil, en kunnen wij onze aandacht richten op zaken die er echt toe doen.

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Over de auteur

Jan Kuitenbrouwer

Journalist, schrijver en presentator.

Volg Jan Kuitenbrouwer
Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
Annuleren