• Is patent niet een ander woord voor octrooi?

De dominante visie stelt dat mensen onderdeel zijn van de economie, terwijl de natuur een ‘externe’ factor is. Die gedachtengang is volgens Niko Roorda de oorzaak van tal van catastrofes. In het kader van duurzaamheid ontvouwt zich echter een fundamenteel andere visie: de omniconomie.

Er werd direct flink gereageerd op de vorige aflevering, in het forum. Inmiddels zijn er dik boven de honderd reacties. Over het model van de Vier Sferen wordt verschillend gedacht. Komt gedrag voort uit verhalen of eerder uit situaties, zoals Ludovica opmerkt? Beide, vermoed ik. Volgens Co3 was er een tijd waarin mensen nog leefden zonder verhalen. Ik betwijfel dat, net als (geloof ik) Annemiek van Moorst, maar ik geef onmiddellijk toe dat dat wat mij betreft een kwestie van definitie is: naar mijn gevoel werden onze voorouders mensen toen ze verhalen gingen vertellen. Maar dat is een mening, of een gevoel, dat kan ik niet hard maken.

ShonkaiDJ verwoordde het mooi, toen hij schreef: ‘Woorden zijn in mijn ogen de toverspreuken waarmee alles in onze werkelijkheid tot werkelijkheid is gemaakt. Hadden we geen woorden gehad dan waren we in roedels aan het jagen op de Steppe. Maar wij zijn machtige tovenaars.’

Dat is een poëtische opmerking, die me deed denken aan de opening van het Evangelie van Johannes (in de plechtige Statenvertaling van 1637): ‘In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God. Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is.’ Nee, ik ben geen christen, maar wel als zodanig opgevoed, en de woorden van ‘Johannes’ (waarvan de echte auteur onbekend is, zie de Encyclopaedia Britannica) roepen nog altijd gevoelens van betovering bij me op.

Inderdaad: we zijn machtige tovenaars geworden, we wanen ons zo’n beetje goden die met onze woorden en machines vrijuit over de natuur mogen beschikken. Helaas zijn we meer machtig dan verstandig, gezien de veel te grote voetafdruk die wij, zelfbenoemde goden, achterlaten.

Intussen wordt onze waan zo nu en dan afgestraft, want de gebeurtenissen worden niet alleen opgeroepen door onze menselijke woorden en verhalen, maar ook heus door krachten die groter zijn dan wij. Vulkaanuitbarstingen bijvoorbeeld, zoals Elmar Otter terecht opmerkte. Oh trouwens, dat ‘afgestraft’ bedoel ik niet letterlijk, want ik geloof niet in het lot, in goden of in magische krachten. De opmerking van ShonkaiDJ over toverspreuken heeft uiteraard betrekking op onze eigen gedachten en overtuigingen; echt toveren in de betekenis van ‘Wingardia Leviosa!’ kunnen we niet. Niet zonder apparatuur, althans.

Wat we wel kunnen, is ingrijpen om de negatieve effecten van onze eigen handelen tegen te gaan. Hiermee kom ik op de eigenlijke betekenis van mijn model van de Vier Sferen. Want ingrijpen kunnen we in elk van de vier sferen, maar elke sfeer biedt zo zijn eigen mogelijkheden en beperkingen. Dat is waar het in deze aflevering over gaat.

1.4. Ingrepen in de Vier Sferen

Ik wil met behulp van de Vier Sferen eens kijken wat men zoal doet om met de problemen om te gaan. Ik begin bovenaan: in de fenosfeer, getoond in Figuur 1.10:

Figuur 1.10. De Vier Sferen, aangevuld met moderne elementen

Ingrepen in de fenosfeer

Als mensen hun acties op die fenosfeer richten, zijn ze niet bezig met het aanpakken van de oorzaken van problemen – hetgeen behoort tot de politosfeer en lager – maar met leren leven met de gevolgen ervan. In een land als Nederland kun je bijvoorbeeld, nu de klimaatverandering een stijging van de zeespiegel veroorzaakt en een grillige, nu en dan heftige regenval, de zee- en de rivierdijken verhogen. Tegen gevaren elders in de wereld kunnen mensen bunkerachtige woningen bouwen, bestand tegen aardbevingen en zware stormen. Een bijzonder soort bunker is de Wereldzadenbank (‘Svalbard Global Seed Vault) – bijnaam de ‘ark van Noach’ – op het ijzige eiland Spitsbergen. Daar worden zoveel mogelijk zaden van plantenrassen opgeslagen, waaronder veel voedselgewassen.

In landen waar het goed gaat kun de inwoners vluchtelingen opnemen uit streken waar het minder gaat. Als de rampspoed dan in de tot dan toe veilige havens toeslaat, wordt het ook voor de welvarenden tijd om berooid te vluchten. Je ziet al deze opties ingetekend in Figuur 1.10, waar ik de in de vorige afbeelding getoonde woorden voor het gemak even naar links opzij heb geveegd. In de nieuwe figuur zie je in de fenosfeer nog wat andere keuzen die je zou kunnen maken. Een veel gekozen optie is ‘ontkennen’, bijvoorbeeld van de klimaatverandering – vermoedelijk meestal tegen beter weten in. Deze levenskeuze wordt dikwijls gecombineerd met ‘feestvieren’ tot de wereld vergaat, hoewel het regelmatig voorkomt dat al eerder een ander soort einde wordt bereikt via een van de twee brugscenario’s die ik al eerder noemde. Beide behoren tot typisch fight-, flight- or freeze-gedrag, net zoals boos worden op boodschappers (wetenschappers, pers), wegrennen of ogen stevig dichtknijpen.

Ingrepen in de politosfeer

Als je vervolgens naar de politosfeer kijkt, één sfeer dieper, dan helpt Figuur 1.10 om te zien waarom wetten en regels niet diep genoeg gaan. Zij zijn, net als bezuinigingen of juist extra uitgaven, voorbeelden van beleid voor de korte termijn. Ze zijn nuttig, maar ze veranderen niets aan de twee sferen eronder. Je kunt wetten invoeren of afschaffen zoveel als je wilt. Je kunt internationale organisaties oprichten, zoals de Europese Unie, de Verenigde Naties, het Internationaal Monetair Fonds, noem maar op, en dat is geweldig. Je kunt wereldwijd doelen van duurzame ontwikkeling afspreken, de Sustainable Development Goals (SDG’s). Die hebben zeer zeker belangrijke successen tot gevolg. Op een kleiner schaalniveau, dat van industriële branches of afzonderlijke bedrijven, kun je werken aan recycling, aan MVO, aan nieuwe technologieën.

Ook individuele mensen kunnen in belangrijke mate bijdragen. In de rol van burger of consument kunnen we in ons privéleven afval scheiden, zuinig zijn met energie en zonnecellen plaatsen, onnodige verpakkingen weigeren en honderden andere dingen. En tijdens het werk, dus in de rol van professional, geldt eveneens dat iedereen kan bijdragen aan duurzame ontwikkeling, in wat voor beroep of branche ook, als zelfstandige dan wel als leidinggevende of werknemer op elk niveau in een organisatie, zoals ik in mijn boeken aan de hand van een grote verzameling voorbeelden heb aangetoond.

Weet je nog hoe ik het huidige boek begon? ‘Het is prachtig,’ schreef ik. ‘Nee, echt. Zo hard als er aan duurzaamheid gewerkt wordt.’ En dat meen ik ook. Maar het is niet genoeg. Want ook de GROTE verhalen moeten opnieuw verteld worden.

Ingrepen in de mythosfeer

Gelukkig gebeurt dat ook. Kijk in Figuur 1.10 naar de mythosfeer. Naar de verhalen die je daar ziet. Een belangrijk voorbeeld is het verhaal van de circulaire economie, die de kringloopgedachte uit de natuur in het hart van de economie probeert te brengen. Gangbare namen voor dit verhaal waren in de jaren 1990 design for disassembly (DfD) en integraal ketenbeheer (Supply Chain Management, SCM). Later stond een voorname kringloopambassadeur op, Michael Braungart, die het verhaal C2C noemde: cradle to cradle, ‘van de wieg tot de wieg’. De volgende hoofdambassadeur was Kate Raworth, die er de naam doughnut economy aan gaf. Hoewel de verhalen dus steeds opnieuw verteld worden en daarmee steeds sterker en meeromvattend worden, blijft de basisgedachte dezelfde: het sluiten van kringlopen, net zoals de natuur dat al een paar miljard jaar doet. Je kunt het basisidee van de circulaire economie met zijn kenmerkende twee cycli vinden in Figuur 1.11.

 

Figuur 1.11. Circulaire economie, met zijn kenmerkende twee cycli

Een ander verhaal in de mythosfeer is de tegenhanger van de machtige globaliseringstrend: ‘small is beautiful’, met een pleidooi voor lokale markten en gemeenschappen. De naam van het verhaal is ontleend aan de titel van een befaamd boek van Ernst Friedrich Schumacher uit 1973. Nieuwe verhalen in hetzelfde thema worden in de 21e eeuw verteld, in de vorm van honderden kleinschalige initiatieven, bijvoorbeeld met plaatselijke munteenheden zoals de Chiemgauer in Oostenrijk, de natas in Emmen, de blés (‘Bon Local pour l’Économie Solidaire’) in Grez-Doiceau, Wallonië, en de Salt Spring Dollars in Canada. Je kunt er ook de permacultuur bij onderbrengen, net als allerlei vormen van biologische landbouw.

Al die nieuwe verhalen, van circulaire economie tot en met de permacultuur, maken deel uit van één prachtig verhaal dat ze allemaal omvat. Dat is duurzame ontwikkeling: hét GROTE verhaal van de eenentwintigste eeuw.

Ingrepen in de logosfeer

Het zijn prachtige nieuwe verhalen, daar in de mythosfeer. Maar er is een groot bezwaar. Ze blijven grotendeels dezelfde woorden gebruiken. Ook in de circulaire economie wordt gesproken over winst, waarde en eigendom. Over rechtspersonen, ondernemingen en staten. Over geld. Dat geldt zelfs voor ‘small is beautiful’, al lijken de aanhangers ervan dat niet te willen weten: bedenk bijvoorbeeld dat ook lokale munten uiteindelijk gewoon geld zijn.

Nieuwe verhalen vertellen met oude woorden: dat is niet voldoende. Want die woorden kloppen niet, zoals ik ga vertellen.

Het is waar: er zijn wel degelijk ook nieuwe woorden bijgekomen. Kijk maar in Figuur 1.10 op de onderste rij, in de logosfeer. Ik heb daar een aantal woorden toegevoegd die sterk gerelateerd zijn aan circulaire economie (‘levenscyclus’), aan ‘small is beautiful’ of aan andere aspecten van duurzame ontwikkeling. Het zijn deze woorden die het mogelijk maken om op dit moment een GROOT verhaal over duurzaamheid te vertellen. Velen, steeds meer mensen zelfs, vertellen dat verhaal. Ik ben er één van, ik vertel het verhaal sinds 1991. In de loop van de jaren wordt het verhaal steeds sterker en meeromvattend, en dat is prachtig. Een recente toevoeging aan het verhaal zijn de SDG’s die ik zojuist noemde: de zogeheten ‘Agenda 2030’, waarin concrete doelen en beleid internationaal zijn overeengekomen voor de periode van 2015 tot 2030.

En toch is dat allemaal nog niet genoeg. Want: de ingrepen in de fenosfeer zijn uiteindelijk niets meer dan symptoombestrijding – of zelfs dat niet eens. Beleidsmatige ingrepen in de politosfeer zijn kortetermijnbeleid, en dat geldt zelfs voor de mythosferische, imposante en redelijk succesvolle SDG’s, want die zijn gedefinieerd voor een periode van slechts 15 jaar, en ze verbeteren weliswaar de omstandigheden, maar ze nemen geen diepe oorzaken weg.

Het nieuwe GROTE verhaal dat aan de mythosfeer is toegevoegd, duurzame ontwikkeling, levert ons een nieuwe manier van kijken naar de werkelijkheid. Voor de middellange termijn – pakweg een of twee generaties – is dat uitstekend. Maar het verhaal wordt toegevoegd aan de bestaande verhalen over de menselijke samenleving. ‘Aangekleefd’. Het duurzaamheidsverhaal wordt daarmee nog niet in het hart van het wereldwijde menselijke systeem opgenomen, want het verandert niet de fundamentele structuren.

Daarom is dit de kern van mijn boodschap in dit boek:

Intrinsieke duurzaamheid:

Als het verhaal over duurzaamheid zoals het thans verteld wordt succesvol is, wordt de wereld een stuk duurzamer. Maar: de mensheid zal dan tot in lengte van jaren, eeuwen en millennia hard moeten blijven werken om de wereld duurzaam te blijven houden. En dan komt er ooit, vroeger of later, een tijd waarin de duurzaamheidsinspanning verzwakt, waarna de samenleving afglijdt in de richting van onduurzame catastrofes.

Daarom is de uiteindelijke opdracht van het duurzaamheidsverhaal om een wereld te creëren die vanzelf, autonoom, naar duurzaamheid toetrekt, zónder dat mensen daar moeite voor hoeven te doen.

Dit is het principe van de intrinsieke duurzaamheid.

De succesvolle uitvoering van de opdracht om intrinsieke duurzaamheid tot stand te brengen gaat ons de uiteindelijke langetermijnoplossing opleveren. Hoe die oplossing er uit zal zien, dat weet ik niet. Ik kan het je niet vertellen, want niemand kan dat op dit moment. We hebben er de benodigde kennis en inzichten nog niet voor. Sterker: de woorden die we thans gebruiken zijn er niet goed genoeg voor. Dus we moeten nieuwe woorden uitvinden.

Wat ik wel weet is dat we een bestaand verhaal moeten gaan vervangen. Het nieuwe verhaal zal zo drastisch anders zijn dan het oude, dat het een nieuwe naam moet krijgen. Het oude verhaal, dat dient te worden afgeschaft, heet: economie. Het nieuwe verhaal noem ik omniconomie. Figuur 1.12 laat op een compacte manier zien waarom deze paradigmaverschuiving noodzakelijk is.

 

Figuur 1.12. Paradigmaverschuiving: van Economie naar Omniconomie

Wat Figuur 1.12 in de bovenste helft laat zien is de huidige dominante opvatting in het economisch denken. Volgens die visie beschrijft de economische wetenschap het economische systeem. Van dat systeem maken tal van actoren deel uit: bedrijven, staten, infrastructuur, patenten en octrooien. En mensen. De economie beschouwt mensen als economische dingen, hetgeen op een (voor mij) afschuwelijke manier tot uitdrukking wordt gebracht in de term ‘menselijk kapitaal’: een van de termen die volgens mij zo snel mogelijk moet worden verbannen naar het verleden, omdat hij de spot drijft met de menselijke waardigheid.

Buiten het economisch systeem bevindt zich, volgens de traditionele opvatting, de natuur, die wordt aangeduid met een al evenzeer afschuwelijke term: ‘externaliteit’. De hoofdtaak van de economie is om zo efficiënt mogelijk waardevolle zaken uit de natuur te halen en die in de economie op te nemen, te internaliseren. Economen noemen dat waardecreatie. De economie is het ‘universum’: alleen wat zich daar in bevindt is van belang, al het andere is irrelevant.

Het is deze dominante visie – mensen zijn onderdelen van de economie, de natuur is iets externs – die oorzaak is van tal van catastrofes. In het kader van duurzaamheid ontvouwt zich echter een fundamenteel andere visie, die je in de onderste helft van Figuur 1.12. Volgens die visie bestaat ons ‘universum’ uit de gehele planeet Aarde, dat wil zeggen: uit de levende en de niet-levende natuur. Mensen maken deel uit van die natuur, inclusief alles wat we hebben geproduceerd: huizen, snelwegen, internet, geld; en ook liefde, trouw, solidariteit; en bovendien agressie, haat, oorlog.

Mensen zijn in de nieuwe visie geen onderdelen van de economie, integendeel: de economie is een onderdeel van de menselijke activiteiten – naast tal van andere activiteiten die niet economisch van aard zijn (maar daar vaak naar worden toegetrokken met behulp van geld): bijvoorbeeld beeldende kunst, muziek, dans, poëzie, spel, gezelligheid, erotiek, ontspanning, vrede.

Dat betekent, dat het economische stelsel niet moet worden beschreven als een volledig systeem maar als slechts een aspectsysteem, dat binnen het volledige systeem – planeet Aarde, ons ‘universum’, ons ‘huis’ – over slechts een kunstmatig beperkte verzameling van eigenschappen, relaties en ontwikkelingen gaat. In bepaalde situaties kan dat best nuttig zijn. Maar als het gaat om het wereldwijd ontwikkelen van een langetermijnbeleid, is het een onmogelijke inperking van het beeld: het levert op zijn best een oogkleppenvisie op.

Omdat de zogeheten ‘economische wetenschap’ desondanks de economie tracht te bestuderen als een zelfstandig systeem in plaats als een aspect van een groter systeem, maken de economische theoretici gebruik van termen die misleidend zijn. Van foute woorden, zoals ‘menselijk kapitaal’ en ‘externaliteit’. Het is dan ook geen wonder dat het vakgebied economie op allerlei manieren faalt, met als gevolg het opdoemen van catastrofes in elk van de drie P’s. Het vakgebied ‘economie’ is dan ook nog helemaal geen wetenschap: het is een protowetenschap. Ik ga je spoedig vertellen wat dat is, om vervolgens te laten zien dat de economie inderdaad zeer zeker geen volwassen wetenschap is.

Hetzelfde geldt overigens voor enkele andere zogeheten ‘wetenschappen’ die aspecten van ons ‘universum’ trachten te beschrijven. Je kunt denken aan de politicologie. Aan de sociologie en aan de ecologie. Elk daarvan bestudeert een (te) beperkte selectie van alle relevante variabelen en processen in ons Aardse universum. Voor het realiseren van intrinsieke duurzaamheid is een nieuwe wetenschap nodig, die al die gebieden met elkaar integreert, zodat de diverse aspectsystemen niet afzonderlijk maar in hun complexe samenhang bestudeert. Ik noem deze geïntegreerde wetenschap omniconomie: het voorvoegsel ‘omni’ staat, net als in ‘omnibus’ en ‘omnivoor’, voor ‘alles’.

Ik weet niet hoe die omniconomische wetenschap eruit gaat zien. Ik weet niet welke woorden het nieuwe vakgebied gaat gebruiken of welke verhalen daarmee verteld gaan worden. Maar ik weet wel een route waarlangs we dat samen kunnen ontdekken. Want ik heb een plan.

Tenslotte

Nu ik het model van de Vier Sferen heb uiteengezet, ga ik in de komende twee afleveringen het plan beschrijven. In de eerste daarvan bespreek ik een drietal voorwaarden waaraan het plan moet voldoen. Ik doe dat in de vorm van antwoorden op drie vragen. De vragen geef ik je nu alvast, op de antwoorden moet je nog even een week wachten. De vragen zijn: Kan dat wel, intrinsieke duurzaamheid? Betekent intrinsieke duurzaamheid dat er nooit meer iets mag veranderen? En: Garandeert intrinsieke duurzaamheid eeuwige stabiliteit?

Daarna bespreek ik, in wat de laatste aflevering van Hoofdstuk 1 gaat zijn, het plan zelf. Dat gedeelte lees je over twee weken. Tot die tijd nodig ik je uit om in het forum alvast eens stevig te filosoferen over de drie vragen.

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Over de auteur

Niko Roorda

Gevolgd door 652 leden

Niko Roorda is spreker, schrijver en consultant. Hij promoveerde in sociale wetenschappen en is specialist in duurzaamheid.

Volg Niko Roorda
Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
Annuleren
Dit artikel zit in het dossier

Een duurzame economie

Gevolgd door 1086 leden

Onze economie is in zijn wezen niet duurzaam. Was ze dat wel, dan zou de wereld er een stuk beter uitzien. Het goede nieuws i...

Volg dossier