Als het gaat om succesvolle wetenschap, is het eerste waaraan menigeen denkt: voorspellende kracht. Hoe zit dat in de economie? In dit slot van het derde hoofdstuk gaat Niko Roorda in op die vraag. En: een belangrijke aankondiging.

    Vooraf

    Beste lezers,

    Er gaat iets veranderen in de reeks publicaties rondom mijn boek over ‘intrinsiek duurzame economie’. Dat gebeurt op verzoek van de redactie van Follow the Money

    De boekpublicatie heeft een nogal ander karakter dan de overige publicaties op FTM, die vooral online verschijnen vanwege de actuele nieuwswaarde. Mijn boek over Omniconomie is van een andere aard: het biedt een zorgvuldige maar daardoor ook langzame opbouw van een fundamenteel nieuwe visie op economie. Natuurlijk is ook dat bijzonder actueel, en dat blijkt onder meer uit nieuwsberichten van de laatste paar dagen:

    “Miljoen soorten met uitsterven bedreigd. Wat kunnen we doen?” 

    Dat bracht het tv-programma Nieuwsuur in het afgelopen weekend, en ze waren de enige niet, want alle grote nieuwsmedia in de wereld vertelden hetzelfde rampzalige nieuws: niet alleen de ecosystemen worden zeer ernstig bedreigd, ook de mensheid zelf. Het welzijn van tenminste 3,2 miljard mensen wordt erdoor ernstig bedreigd.

    De kersverse Radboud-hoogleraar Ingrid Visseren-Hamakers, mede-auteur van het IPBES-rapport dat het onderzoeksresultaat bekendmaakte, stelde in een interview

    “De belangrijkste weeffout is hoe we onze economie hebben vormgegeven.”

    Die uitspraak illustreert treffend dat het thema van mijn boek behoorlijk actueel is. Maar, zo’n soort actualiteit is van een andere aard dat de acute van-dag-tot-dag nieuwswaarde van de onderwerpen waarover FTM doorgaans publiceert, voorzien van achtergronden op basis van diepgravende onderzoeksjournalistiek. 

    Op zichzelf was dit gegeven natuurlijk allang bekend. De redactie en ik hadden overeenstemming over de publicatie van mijn boek in afleveringen. Maar bij evaluaties bleek de redactie dat het wekelijkse publicatieschema van mijn afleveringen meer en meer de aandacht begon af te leiden van de hoofdtaak van FTM; er kwamen commentaren binnen waaruit bleek dat niet iedereen dat op prijs stelde. 

    Dat effect werd nog eens versterkt doordat ik met mijn schrijfproject een herstart maakte, waardoor het publicatieproces lang ging duren. Voor die herstart — vanaf de aflevering van 12 januari 2019 — waren goede redenen, voortkomend uit voortschrijdend inzicht. Maar alles bij elkaar leverde dat een onverwacht lang project op voor FTM, waarmee de redactie begrijpelijkerwijs niet echt gelukkig was.

    Bovendien meldden de hoofdredacteuren mij dat de belangstelling voor mijn boek daalde: blijkbaar nam het aantal mensen dat mijn publicaties daadwerkelijk las gaandeweg af. Ik moet je zeggen dat ik dat gegeven niet zelf waarneem, aangezien de enige graadmeter waarover ik zelf beschik, het aantal volgers van mij als auteur, nog altijd continu oploopt. Ook aan discussie naar aanleiding van mijn publicaties ontbreekt het niet: zo zijn er op de aflevering van 21 april maar liefst 230 reacties ingetypt. Maar de redactie beschikt over meer gegevens dan ik, en ik twijfel niet aan hun conclusies.

    En dus heeft de hoofdredactie contact met me opgenomen en de wens uitgesproken om tot een vereenvoudigde publicatiereeks te komen. Dat betekent dat het wekelijkse karakter per direct verdwijnt. Het zal je misschien zijn opgevallen dat er op de afgelopen zondag geen aflevering verscheen; de tussenliggende tijd was nodig voor overleg. Daaruit is voortgekomen dat ik nog een beperkt aantal episodes online ga brengen. Je krijgt niet, zoals oorspronkelijk gepland, in de loop van de komende maanden het gehele boek te lezen. Wil je dat wel, dan zul je moeten wachten totdat het boek als geheel wordt uitgegeven. In plaats daarvan ga je circa één keer per maand een aflevering ontvangen, die steeds zal bestaan uit een ‘hoogtepunt’ van een bepaald hoofdstuk.

    Voor dat doel is een voorlopige planning gemaakt. Op grond van die planning ontvang je vandaag de slotparagraaf van mijn hoofdstuk 3. Die sluit derhalve niet aan op de vorige aflevering die op 28 april verscheen. Je maakt een sprongetje in hoofdstuk 3 en leest alleen nog de analyse waarmee ik dat hoofdstuk afsluit.

    Volgens het voorgenomen publicatieschema ontvang je vervolgens rond half juni een keuze uit hoofdstuk 4, gevolgd door een pauze vanwege de zomervakantie, waarna selecties uit de verdere hoofdstukken in de loop van het najaar op FTM verschijnen, naar verwachting ongeveer eens per maand.

    Reacties

    Ik ben benieuwd naar jullie reacties: aan de ene kant inhoudelijk, reagerend op de inhoud van de tekst die je hieronder gaat zien. Aan de andere kant op de koerswijziging met betrekking tot de publicatie van mijn boek. Laat ons weten wat je ervan vindt, alsjeblieft.

    Hulp

    Dan is er nog iets anders. Volgens mij is de tekst van mijn boek waardevol. Oké, ik ben natuurlijk bevooroordeeld, maar ik geloof in het plan dat ik beschrijf om tot een intrinsiek duurzame economie, of beter: omniconomie te komen; en analyses zoals die van het bovengenoemde IPBES-rapport maken duidelijk hoe ongelooflijk belangrijk het vinden van zulke intrinsiek duurzame oplossingen is.

    En dus maak ik me zorgen. In de eerste plaats natuurlijk over de wereldwijde problemen, die catastrofaal dreigen uit te pakken. Maar vervolgens ook over de mate waarin de oplossingsroute die ik voorstel voldoende bekendheid gaat krijgen. De vereenvoudiging van het publicatieschema op FTM helpt natuurlijk niet echt mee. Als er buiten de nog resterende publicaties op FTM weinig tot niets gebeurt aan pr rondom mijn boek, dan zegt dat boek ‘plop’, eindigt na de uitgave als papieren en digitaal boek misschien hier en daar in een boekenkast of ereader en heeft daarna geen enkel effect. Dat zou ik heel erg vinden.

    Daarom vraag ik dringend om jullie hulp. Als je misschien voor bepaalde media werkt – kranten, tijdschriften, uitgeverijen, nieuwsbrieven, theaters, tv, radio, internetmedia of wat dan ook – stuur me dan een persoonlijk bericht en help me om mijn plan onder de aandacht te brengen. Werk je daar niet zelf maar beschik je over nuttige contacten bij zulke media, help me dan om met hen in overleg te komen. Wijs ze op de informatiepagina: https://niko.roorda.nu/books/omniconomics. Werk je misschien voor wetenschappelijke instituten, universiteiten, hogescholen, bedrijven, financiële instellingen, politieke of maatschappelijke organisaties? Ga met me in gesprek. Werk je daar niet maar ken je er mensen? Wijs ze op mijn werk, breng ons met elkaar in contact. Help me om lezingen te verzorgen, discussies te voeren, wat dan ook. 

    Kortom, als je gelooft dat mijn boek waarde heeft: help dan om die waarde tot uiting te laten komen. Kijk op https://niko.roorda.nu/contact voor mijn contactgegevens.

    Niko Roorda

    Na deze noodkreet: hier is het slot van Hoofdstuk 3.

    3.5. Analyse

    De definitie van ‘protowetenschap’, gegeven in de aflevering van 3 maart 2019, noemt een reeks van zeven kenmerken. Zes daarvan zijn in Hoofdstuk 2 besproken, dat op FTM gepubliceerd werd als de afleveringen van 3 maart tot en met 7 april. Het zevende is het onderwerp van Hoofdstuk 3, waarvan de publicatie begon op 14 april: Er is geen of weinig voorspellende kracht of andere vorm van ‘succes’. Het is tijd om daarover conclusies te trekken.

    Voorspellende kracht

    Als het gaat om succesvolle wetenschap, is het eerste waaraan menigeen denkt: voorspellende kracht. Het is niet voor niets dat het zevende criterium van ‘protowetenschap’ dat expliciet noemt. Zo schrijft Gilboa:

    “Zowel bij academici als onder leken is de standaardvisie op economie dat het een wetenschap is die in de eerste plaats voorspellingen moet kunnen doen. Het geven van uitleg is belangrijk, maar meestal verwacht men dat een wetenschappelijke discipline meer doet dan alleen maar feiten achteraf uitleggen. (…) Voorspellingen zijn essentieel voor de wetenschap. Het succes van de economie bij het genereren van voorspellingen is echter gemengd. Het is duidelijk dat er veel gevallen zijn waarin economische analyse kwalitatieve voorspellingen oplevert, met krachtige inzichten die ons in staat stellen trends te voorspellen, economische systemen te vergelijken, enzovoort. Toch wordt economie niet beschouwd als een succesvolle wetenschap als het gaat om kwantitatieve voorspellingen.”

    Of het juist is dat de economische wetenschap in veel gevallen krachtige inzichten en kwalitatieve voorspellingen oplevert, is twijfelachtig. Maar veel belangrijker is, dat – zoals in Hoofdstuk 2 en 3 bij herhaling duidelijk werd – de voorspellende kracht van de economische wetenschap op cruciale momenten faalt, namelijk wanneer de economie dreigt in te storten en het ‘erop of eronder’ is, zoals in de jaren rond 2008. Zelfs als een redelijke mate van voorspellende kracht op andere momenten misschien wel aanwezig is – maar dat staat geenszins vast – is dat van ondergeschikt belang: het is alsof technici een tv-toestel ontwerpen dat geen klachten oplevert, ‘behalve wanneer het aan staat’. Het is dan ook geen wonder dat de economisch historicus Steve Keen in zijn boek over de Grote Recessie venijnig opmerkt: “'s Werelds leidende macro-economisten waren de laatsten die in staat waren zich te realiseren dat er een grote economische crisis aanstaande was.” In 2012 voegde hij daaraan toe: 

    De economische en financiële crisis is veroorzaakt door bevooroordeeld eigenbelang en frauduleus gedrag op ongekende schaal. Maar dit gedrag kon niet zo groot zijn geworden als dat gedrag niet was afgedekt door de dominante theorie van de economie, die bekend staat als ‘Neoklassieke economie’.”

    Kijk ook naar wat vooraanstaand econoom en New York Times-columnist Paul Krugman schreef in 2009. “Hoe konden economen het zo mis hebben? (…) Het is moeilijk te geloven, maar niet zo lang geleden feliciteerden economen zichzelf met het succes van hun vakgebied.” 

    Nassim Nicholas Taleb legde in zijn Zwarte Zwaan Theorie uit hoe gebeurtenissen maar al te vaak volkomen onverwacht opdoemen, grote effecten veroorzaken, en vervolgens achteraf worden begrepen of zelfs ‘voorspeld’. Nadat de ramp plaatsvond bleek dat velen het van tevoren hadden zien aankomen. Inderdaad: “feiten achteraf uitleggen”, zoals Gilboa het noemde. Dat soort ‘wetenschap’: daar heb je wat aan…

    Als wetenschap niet in staat is om op de belangrijkste momenten deugdelijke voorspellingen te doen, aan wat voor andere vormen van succes zou je dan kunnen denken? Ik noem er een aantal.

    Waarheid en werkelijkheid

    Moderne wetenschap heeft niet de ambitie om waarheden op te sporen. Ik ga daar nu niet uitvoerig op in, in Hoofdstuk 5 kom ik erop terug. Maar wel mag je verwachten dat er een duidelijke, aangetoonde relatie is tussen de wetenschappelijke modellen en theorieën en de werkelijkheid. Het is precies dat, wat wetenschap onderscheidt van andere denk- en belevingsstijlen zoals filosofie, kunst, magie en religie.

    Over de mythen, voortvloeiend uit de veel te sterke vereenvoudigingen die economen toepassen om hun modellen te ontwerpen is in het vorige hoofdstuk uitvoerig geschreven. De grootste mythe is misschien wel die van de Homo Economicus, die niet meer is dan een karikatuur. In haar veelgeciteerde boekThe World in the Model: How Economists Work and Think’ geeft Mary S. Morgan een uitgebreide beschrijving van de diverse gietvormen waarin de mens door de diverse economische scholen is geperst en noemt ze ‘cartoon-like’. Haar werk levert een verbijsterend overzicht van zulke uiteenlopende stripfiguren, “speciaal ontworpen om te leven in de hoogst geïdealiseerde wiskundige wereld van neoklassieke economische theorieën”. Zoals de Mens van Frank Knight die altijd over perfecte kennis beschikt en dus, aldus Knight, niets anders kan zijn dan een ‘automaat’. Een ‘robot’, zouden we tegenwoordig zeggen.

    Bruna Ingrao trekt dan ook een vernietigende conclusie over de pretenties van de ‘economische wetenschap’ door te wijzen op “de paradoxale co-existentie in de economie van de ambitieuze pretenties tot harde wetenschap, en de ideeën over wiskundige modellen als fictieve verhalen over economische Wonderlanden, die domineren in de onderzoekspraktijk en worden weerspiegeld in studies over methodologie.”

    Natuurlijk: ieder wetenschappelijk model is een vereenvoudiging van de werkelijkheid. Een model dat dat niet is, is noodzakelijkerwijs minstens zo omvangrijk als het gehele universum, aangezien het dat universum compleet zou moeten bevatten. Ieder model is gebouwd rondom een verhaal, dat bij een te sterke versimpeling de hoedanigheid van ‘mythe’ aanneemt. “Verhalen vormen een integraal onderdeel van modellen”, schreef de zojuist al genoemde Mary S. Morgan in een eerdere publicatie, en legde uit:

    “In de huidige onderzoekspraktijk in de [economische] discipline worden wiskundige modellen opgevat als geboren uit de verbeelding van de econoom, flexibel aanpasbaar om redenen van interpretatie of technisch gemak. Een model is de formalisering van een of andere fictieve wereld. De criteria die worden gebruikt om modellen te associëren met de verklaring van economische gebeurtenissen zijn losjes en controversieel. Er bestaat geen gedeelde, gestructureerde canon om de betekenis van een model te valideren of af te wijzen, en zelfs het criterium van empirische validatie heeft zijn aantrekkingskracht verloren. (…)

    Modellen in de economische theorie moeten worden opgevat als fabels, ficties of gedachte-experimenten met fictieve zaken. Academische gemeenschappen valideren modellen op basis van hun veronderstelde technische nieuwigheid, of vanwege mode, ideologie en macht.”

    Flexibel aanpasbaar. Fabels en ficties. Nieuwigheid, mode, ideologie en macht: dat zijn volgens Morgan de bepalende factoren voor de creatie van nieuwe economische verhalen. Samen hebben de talrijke economische scholen een bonte bundel verhalen gecreëerd die zozeer uiteenlopen dat bijna ieder denkbaar economisch verhaal wel ergens een keer verteld is, waardoor bij elke economische ontwikkeling wel een verhaal te vinden of op maat aan te passen is. Daardoor is de kans dat sommige verhalen, op bepaalde momenten, in een zekere mate, betekenisvolle relaties vertonen met de werkelijkheid niet te onderscheiden van toeval.

    Coherentie, consensus

    Samenhang, interne coherentie, is een andere indicator van succes van een wetenschap. Van een geslaagd wetenschappelijk vakgebied mag je op zijn minst verwachten dat de favoriete modellen en theorieën een beetje met elkaar overeenstemmen, zodat de grondslagen in ieder geval in consensus zijn vastgesteld. Het grote aantal economische scholen die voortdurend tot strijdige verhalen en conclusies komen maakt duidelijk dat dat niet het geval is. Woodford formuleert het vlijmscherp:

    “Zoals Robert Lucas heeft opgemerkt, is het een teken van een succesvolle wetenschappelijke revolutie dat fysici zichzelf niet nog steeds bestempelen tot ‘Einsteiniaanse natuurkundigen’.” 

    Met andere woorden: als de natuurkunde nog in hetzelfde stadium verkeerde als de economie met zijn strijd tussen Keynesiaanse, Ricardiaanse, Marxistische, Marshalliaanse en Walrasiaanse stammen, dan zouden Einsteinianen thans in gevecht zijn met Newton’s Getuigen en Keplerigen, terwijl Maxwellers de Bohristen en de Heisenbergers in de pan zouden hakken. In werkelijkheid bestaan al die persoonsverheerlijkende stammen of sekten niet, ik heb hun namen slechts voor deze gelegenheid bedacht.

    De praktijk

    Behalve inspirerende en liefst realistische verhalen en inzichten verwacht je van solide wetenschap ook praktisch nut. Zo is er de praktische uitwerking van de natuurkunde in de vorm van allerhande technologie. De scheikunde levert ons de chemische technologie en de materiaalkunde, en samen met de biologie ook de farmaceutische industrie; terwijl ons vanuit de biologie en de geneeskunde adviezen en methoden bereiken ten behoeve van een gezonde leefstijl en genezing.

    Wat mag je van een volwassen economische wetenschap verwachten? De economie heeft een aantal concrete resultaten geboekt. Een gedeelte van de mensheid verkeert op een nooit eerder gezien niveau van welvaart en macht. Maar dat is een nogal betrekkelijk succes, want een ander gedeelte leeft in absolute armoede of zelfs slavernij, terwijl de huidige welvaart bij voortzetting van het gangbare beleid (business as usual) niet is vol te houden.

    Een ander succes dat wordt toegeschreven aan de economie is het afnemen van het aantal oorlogen sinds de Tweede Wereldoorlog: er wordt wel gesproken van de ‘Lange Vrede’, de ‘Long Peace’. Die zou, naast de kernwapendreiging van de Koude Oorlog, ook het gevolg zijn van de grote onderlinge verwevenheid en het gedeelde belang van de economieën van alle landen en regio’s. Voor een deel is het aantal oorlogen inderdaad afgenomen: de moderne geschiedenis van Europa is daarvan een geslaagd voorbeeld, want tussen de lidstaten van de Europese Unie is nog nooit oorlog geweest, en dat is een unicum in de uiterst bloedige geschiedenis van het Europese continent. Maar het is niet duidelijk in hoeverre dat een economische verdienste is. En voor de wereld als geheel is een significante daling van de oorlogsellende niet aangetoond: “De modellen geven aan dat het naoorlogse vredespatroon nog minstens 100 tot 140 jaar zou moeten duren om een statistisch significante trend te worden.”

    Tegenover deze bescheiden succesclaims staan heel wat falende resultaten. Kantelpunten bedreigen de menselijke samenleving en de natuur, onder meer als gevolg van roofbouw, klimaatverandering, de zesde uitstervingsgolf, dode zones in de oceanen, pieken in temperatuur en vochtigheid die het leven van honderden miljoenen bedreigen, een snel oplopende ongelijkheid in welvaart en macht en een bijbehorend gevoel van vervreemding en verlies van solidariteit bij velen, en zo nu en dan het uitbreken van economische crises. Nee, de BV Planeet staat er slecht voor, zoals Figuur 3.20 symbolisch laat zien. Die figuur illustreert hoe in het jaar 1950 de wereldwijde ecologische voetafdruk gelijk was aan 50% van de planetaire biocapaciteit, en in 1971 – op de allereerste ‘Earth Overshoot Day’ – aan 100%. De situatie in 2020 is uitgebeeld als een indrogende vrucht; het is onze huidige taak om te voorkomen dat het afgebeelde plaatje van 2050 werkelijkheid wordt.

    Praktijk en theorie

    “Ja, maar…” is een veelgehoord tegenargument, “al die mislukkingen en dreigingen zijn het gevolg van het beleid van politici en bestuurders, niet van de economische theorie.” Dat roept de vraag op of de praktijk wel echt gebaseerd is op de modellen van de theoretici. Voor een deel is die vraag al beantwoord toen ik in de aflevering van 27 januari 2019 wees op de uitspraken van Robert Lucas, Ben Bernanke, Jean-Philippe Cotis en Eugene Fama. Hun dubbele petten, als universitair hoogleraar en als bestuurder bij Fed (de Amerikaanse centrale bank), OECD of elders, bewijzen dat de theorie en de praktijk onlosmakelijk verweven zijn. Bankdirecteuren en ministers van financiën worden hoogleraar aan gerenommeerde wetenschappelijke instellingen, terwijl onderzoekers niet alleen adviseurs zijn van regeringen maar daar ook maar al te vaak lid van worden.

    Maar het gaat verder dan persoonlijke unies. Ook de economische modellen zelf worden structureel gebruikt om adviezen en concreet beleid mee te bepalen. Fisher beschreef in 2017 in concrete verhalen hoe dat in de Verenigde Staten verloopt, via door de regering en de Fed ingestelde adviesorganen waaronder de Board of Governors en de Federal Open Market Committee (FOMC). Christiano bevestigde dat en liet zien hoe hetzelfde gebeurt bij de Europese Centrale Bank, het Internationaal Monetair Fonds, de Sveriges Riksbank, de Bank of Canada en de Schweizerische Nationalbank. Zij allemaal maken uitvoerig gebruik van DSGE- en verwante modellen waarvan in de aflevering van 31 maart bleek hoe onrealistisch ze zijn. Kortom, jazeker: de economische theorie en de praktijk zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De successen en mislukkingen van de praktijk zijn volledig toe te rekenen aan de achterliggende economische theorie.

    Conclusie

    Daarmee is gebleken dat het theoretische vakgebied van de economie volledig voldoet aan alle zeven kenmerken van protowetenschap. Het vakgebied verkeert nog steeds, in de woorden van Michael Reagan, in een “pre-paradigmatisch stadium van ontwikkeling waarin nog consensus moet worden bereikt over basisbegrippen en theoretische aannames”. De economische theorie staat bol van fictieve verhalen, versimpelingen, vooroordelen en dogma’s, waarover Gilles de Hollander schreef: “Een wetenschappelijk dogma is niet te doorbreken. Ook slecht onderbouwde wetenschappelijke theorieën zijn moeilijk onderuit te halen. Zo lang de echoput door blijft klinken dat iets nou eenmaal zo is, dan is er niets opgewassen tegen een hardnekkig wetenschappelijk dogma.

    De conclusie is: de economie is een protowetenschap. Het is onmiddellijk toegegeven: die conclusie berust op een definitie die ik zelf ten behoeve van dit boek heb opgesteld, en dat kun je zien als een zwak punt. Maar wie van mening is dat de conclusie daardoor ongerechtvaardigd is, die nodig ik uit om een eigen definitie van ‘protowetenschap’ te ontwikkelen en te onderzoeken tot welke conclusies die leidt met betrekking tot de status van de economie.

    Dat de economie een protowetenschap is, betekent dat het vakgebied met één been in de wetenschap staat en met het andere in andere vormen van menselijke creativiteit. Deels in de filosofie, bijvoorbeeld in de ethiek. Of misschien eerder in de religie? Het is informatief om het boek Sapiens van Yuval Noah Harari te citeren. Hij schrijft

    Met Harari’s definitie als uitgangspunt blijkt de economie onmiskenbaar religieuze trekken te bezitten. Want de vele mythische ‘vanzelfismen’, besproken in de aflevering van 24 maart, duiden op een irrationeel vertrouwen in een bovenmenselijke orde waarbij economische wetten min of meer worden gelijkgesteld aan natuurwetten: een gelijkstelling die onterecht is, aangezien natuurwetten worden ontdekt terwijl economische wetten, net als juridische en voetbalwetten, door mensen zijn uitgevonden. Aan de economische wetten zijn vervolgens morele waarden en gedragsnormen ontleend die heel het menselijk leven vormen en sturen. Wie schulden maakt schendt de economische wet en mag de deurwaarder verwachten. Eén vanzelfisme bestaat evenwel echt, het is geen mythe maar een werkelijk geldende economische wetmatigheid: rijk maakt rijker.

    De goden van deze economische religie zijn de multinationale CEO’s en de beleggers, de machtigen en rijken, de miljardairs die elke dag opnieuw hun rijkdom vergroten. Voor wie de gewone mensen irrelevant zijn, behalve als winstobjecten. De multinationals zijn hun tempels. Technologische visionairen zijn hun profeten: zij spreken al over ‘transhumanen’, noemen hen homo sapiens+ en voorspellen hen een Hemelse lotsbestemming, uiteraard alleen weggelegd voor wie veel kan betalen. De zojuist genoemde Harari zelf ging in een volgend boek nog een stapje verder en schrijft over de homo deus, die volgens hem binnenkort gemakkelijk 150 jaar oud kan worden. Dat geldt alleen voor de rijksten onder ons, veronderstel ik, want als ook de gewone mensen, inclusief de armen en de slaven, die leeftijd bereiken zal de wereld nog veel voller worden en de ecologische voetafdruk verdubbelen: het zou de allergrootste ecologische ramp ooit zijn.

    Ja, sommige mensen zijn in hun eigen ogen inderdaad goden geworden. Totdat hun hybris hen ten val brengt, samen met de gehele rest van de wereldwijde samenleving. Want de primitieve religieuze protostatus van de economie, in combinatie met de hoogmoed van de machtigen, is levensgevaarlijk: niet alleen voor alle individuele mensen maar zelfs voor al het leven op de prachtige planeet Aarde.

    Tenslotte

    Eerst even een opmerking terzijde: ik hoop dat je het cynisme hebt herkend toen ik schreef over de veronderstelling dat alleen de rijkste mensen hun levensduur gaan verlengen tot 150 jaar, dus niet de armen en de slaven. Vanzelfsprekend pleit ik er niet echt voor dat de bestaande absurde ongelijkheid lang de weg van levensverlenging nog eens verdubbeld wordt. Maar dat had je vast al in de gaten.

    Ik keer teug naar de woorden van Professor Ingrid Visseren-Hamakers: 

    “De belangrijkste weeffout is hoe we onze economie hebben vormgegeven.”

    Ik vermoed dat het iedereen wel duidelijk is, na het lezen van mijn conclusie van hoofdstuk 3 hierboven, dat het met de huidige economische kennis en inzichten – of het gebrek daaraan – volstrekt onmogelijk is om de wereldeconomie zodanig te herscheppen dat de rampzalige duurzaamheidsproblemen geëlimineerd worden. Om daaraan te werken is veel meer nodig, en de eerste, noodzakelijke stap daartoe is het opnieuw uitvinden van het vakgebied, niet als proto- maar als volwassen wetenschap, en niet uitsluitend gericht op de economie maar op de gehele omniconomie. 

    Van het plan dat ik voor dat doel heb, heb je nog niet veel gezien. Een korte beschrijving ervan verscheen in de afleveringen van 10, 17 en 24 februari. De echte uiteenzetting volgt in de komende hoofdstukken, waaruit zoals gezegd een selectie gaat verschijnen op FTM. 

    Ik eindig deze aflevering met de introductie waarmee het boek opent, waarin het plan in het kort wordt aangekondigd.

    Inleiding: het Plan

    We snappen gewoon nog niet goed wat we doen. We denken vaak dat we een goed doordacht economisch systeem in elkaar hebben gezet, maar in werkelijkheid is de wereldwijde economie gewoon maar zo’n beetje spontaan ontstaan. Zonder doel, zonder ontwerp, zonder inzicht. De economie is een knutselwerkje waarvan we zelf niet eens begrijpen hoe het werkt. Dat is het probleem. Daarom gaat er in de wereld zo verschrikkelijk veel fout.

    Dat kan anders. Beter. Een plan daarvoor beschrijf ik in dit boek.

    We begrijpen de fundamentele verbanden in de economie nog niet. Omdat er van alles verkeerd gaat, sleutelen we en draaien aan alle knoppen, maar het helpt niet. Want we weten niet wat we moeten doen om een stabiele, veilige en duurzame wereld te creëren. Die economie, die krijgen we maar niet in de vingers. Economie is nog lang geen wetenschap, en dus komt ieder economisch beleid neer op aanmodderen. Op tasten in het duister.

    De economische theoretici zouden dolgraag hun vakgebied met evenveel succes opbouwen als de natuurwetenschappen, die in de afgelopen eeuwen grandioze resultaten behaalden. Natuurkunde, scheikunde en biologie hebben grootse theoretische bouwwerken geconstrueerd die onze inzichten in de fysieke werkelijkheid enorm hebben vergroot. Dat levert geweldige successen op. Moderne technologie is in staat om robots op andere planeten te laten landen. Om alle mensen online met elkaar te verbinden, om tal van ziekten te genezen of zelfs voorkomen, en om voldoende voedsel te produceren voor wel tien miljard mensen.

    Tegelijkertijd slaagt de economie er niet in om zelfs maar de meest elementaire zaken voor elkaar te krijgen. Als gevolg van onze economische bedrijvigheid wordt de natuurlijke leefomgeving systematisch verwoest. Dier- en plantensoorten sterven massaal uit. In oceanen groeien de dode zones. Het klimaat verandert, land- en poolijs smelt, zeeën rijzen, nog in deze eeuw gaan wereldsteden onderlopen. Vluchtelingenstromen van honderden miljoenen mensen lijken onafwendbaar. Terwijl een minderheid van de mensheid een nooit eerder geziene welvaart kent, en terwijl er meer dan genoeg voedsel is om alle monden te vullen, verkeren honderden miljoenen mensen in de meest schrille omstandigheden van armoede, ondervoeding en gebrek aan veiligheid, gezondheidszorg en onderwijs. Rijken worden in hoog tempo rijker, de exploderende ongelijkheid ondermijnt de solidariteit in de samenleving. En nog steeds stort de wereldwijde economie van tijd tot tijd op chaotische wijze in elkaar als zeepbellen klappen en beurzen instorten.

    Terwijl de technologie in de 21e eeuw is beland, verkeert de economie nog in het Stenen Tijdperk.

    Ons onvermogen, in vijfentwintig scholen

    Oplossingen om de economie meer succesvol te maken worden van alle kanten aangeboden. Meer dan vijfentwintig economische scholen vechten met elkaar over de meest elementaire onderwerpen. Als de natuur- en sterrenkunde nog in datzelfde primitieve stadium was, zouden de astronomen vandaag twisten over de vraag hoe je de toekomst kunt afleiden uit de stand van de planeten.

    Tegelijk wordt er, met enig succes, gewerkt aan het duurzamer maken van de wereld. Maar de duurzaamheid die we thans realiseren verandert de wereld niet op een fundamentele manier, omdat we nog niet weten hoe dat zou kunnen. Omdat we onze eigen economische en politieke processen niet begrijpen en ze dus ook niet kunnen herontwerpen. Als gevolg daarvan leidt de huidige duurzame ontwikkeling tot ‘aangekleefde’ duurzaamheid: dat is duurzaamheid waarbij wij – dat wil zeggen: de toekomstige generaties – voortdurend moeite zullen moeten blijven doen om hem in stand te houden. Dat soort duurzaamheid is instabiel, hij valt omver zodra je stopt met je inspanningen, omdat hij niet fundamenteel in het wereldwijde systeem is geïntegreerd. En dat is niet goed genoeg: wat we nodig hebben is een vorm van duurzaamheid die van zichzelf stabiel is. Zodat hij overeind blijft, zelfs als we er niet op letten. Ik noem dat: ‘intrinsieke duurzaamheid’. Het is het doel van mijn plan en van dit boek, en het moet het doel worden van duurzame ontwikkeling en in feite van de gehele samenleving.

    En dus is de eerste, noodzakelijke stap van het plan: erkennen dat de economie als vakgebied nog in de verste verte geen wetenschap is. Ons onvermogen toegeven. Economie is niet meer dan een ‘protowetenschap’, die een aantal kenmerken van beginnende wetenschap vermengt met eigenschappen die eerder behoren bij religie, bij filosofie, bij magisch denken en bij plat bijgeloof. In het eerste gedeelte van dit boek bewijs ik keihard dat de economie nog echt zo’n protowetenschap is. Waarna ik laat zien hoe ongelooflijk schadelijk en gevaarlijk dat is, aangezien tal van regeringen, bestuurders en directies niet beseffen dat de ‘wetenschappelijke feiten’ die ze als basis hanteren voor hun beslissingen en hun strategisch beleid in werkelijkheid sprookjes zijn. Mythen. Verhalen die verteld worden met behulp van woorden die niet deugen omdat ze onze gedachten verkeerde kanten op sturen.

    Eerst begrijpen, dan pas bouwen

    De logische volgende stap van mijn plan is: het aanwijzen van een weg waarlangs een echte, volwassen wetenschap ontwikkeld kan worden. Ik zal duidelijk maken dat zo’n wetenschap niet alleen over economie kan gaan, net zoals – pakweg – autotechnologie niet alleen maar over het chassis mag gaan maar over de gehele auto en zelfs over de wegen en de verkeerswetten. Zo ook moet de nieuw te ontwikkelen volwassen wetenschap niet alleen gaan over economie, maar ook over sociologie, psychologie, politiek, milieu, natuur, zon en wind en nog veel meer. Deze nieuwe wetenschap, die nog niet bestaat, moet een naam hebben: ik noem hem ‘omniconomie’, een woord dat begint met ‘omni’: ‘alles’.

    Ik hoop dat je niet verwacht dat ik in mijn eentje die omniconomie even ga ontwerpen. Dat kan natuurlijk helemaal niet: die wetenschap kan alleen ontwikkeld worden als wetenschappers van allerlei vakgebieden intensief interdisciplinair met elkaar samenwerken. Beter nog: als daarbij bovendien de brede samenleving betrokken wordt, zodat wetenschap en maatschappij samen besluiten wat voor wereld, wat voor samenleving, de nieuwe omniconomische modellen dienen op te leveren.

    Hoewel ik niet in mijn eentje de omniconomische wetenschap kan ontwikkelen, kan ik wel laten zien welke wegen we kunnen bewandelen om dat te laten gebeuren. Dat is de kern van mijn plan, waarvoor ik nauwkeurig de ontwikkelingen bestudeer die in voorbije eeuwen hebben geleid tot de thans zo succesvolle wetenschapsgebieden. Ik zal laten zien dat belangrijke elementen voor de totstandkoming van nieuwe wetenschappen waren: het beschikbaar komen van nieuwe instrumenten, van nieuwe wiskundige of logische technieken en denkmodellen en zelfs van nieuwe woorden. Voorbeelden uit het verleden waren: de telescoop, de klok en de kansrekening.

    Ook nu, in de 21e eeuw, is er een geweldige hoeveelheid van zulke innovatieve elementen beschikbaar. Deze keer zijn dat: computers, internet, big data, complexiteit, netwerktheorie, zelflerende systemen, kunstmatige intelligentie, virtual reality, artificial life en nog veel meer. Samen gaan die ons in staat stellen om de zo hard nodige omniconomische wetenschap te creëren. 

    Zodat we snappen wat we doen. Zodat we doelgericht een wereldwijd menselijk systeem kunnen opbouwen waarin duurzaamheid een intrinsieke eigenschap is van de menselijke samenleving, vanzelfsprekend harmonieus ingebed in de natuurlijke samenleving van onze planeet.

    Tot binnenkort. In de tussentijd hoop ik van je te horen.

    Niko

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Niko Roorda

    Gevolgd door 677 leden

    Niko Roorda is spreker, schrijver en consultant. Hij promoveerde in sociale wetenschappen en is specialist in duurzaamheid.

    Volg Niko Roorda
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren
    Dit artikel zit in het dossier

    Een duurzame economie

    Gevolgd door 1162 leden

    Onze economie is in zijn wezen niet duurzaam. Was ze dat wel, dan zou de wereld er een stuk beter uitzien. Het goede nieuws i...

    Volg dossier