Is ongelijkheid schuldig?

    Steeds meer economen suggereren dat ongelijkheid slecht is voor de groei. Het achterblijven van inkomens aan de onderkant lokt excessief leengedrag uit. Recent onderzoek lijkt dit te bevestigen.

    Tot voor kort stond het voor economen vast: er is een afruil tussen ongelijkheid en groei. Nivelleren is niet gratis, het maakt mensen minder gemotiveerd en zorgt voor verstorende belastingen. Inmiddels zijn er de nodige gaten in dat verhaal geschoten. Sterker nog, economen als nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz beweren het omgekeerde: dat ongelijkheid, na een bepaald punt, juist voor lagere groei zorgt. Er zijn verschillende redenen om te denken dat ongelijkheid slecht is voor de groei, maar misschien wel de meest belangrijke, zeker in deze tijd: ongelijkheid zorgt voor financiële instabiliteit. Aan de onderkant van de inkomensladder maken huishoudens hun achterblijvende inkomen goed door geld te lenen of op spaargeld in te teren, zo luidt de theorie. De financiële positie van de armste huishoudens verslechtert, zodat ze bij het minste of geringste failliet gaan of weer moeten gaan sparen met gigantische vraaguitval als gevolg. Hoeveel valt er voor dit verhaal te zeggen? Vast staat dat in elke opgaande conjunctuurcyclus in de Verenigde Staten er meer inkomen naar de bovenste 10 procent ging en de inkomensgroei van de onderste 90 procent ver achterbleef.   Wie zijn die gelukkige tien procent dan? In zijn boek Inequality and Instability laat James Galbraith zien dat de inkomensongelijkheid sterk geografisch is geconcentreerd. Haal je Manhattan, Silicon Valley en een paar olieregio's uit de statistiek dan verdampt opeens een groot deel van de toegenomen ongelijkheid sinds de jaren zeventig. Het suggereert in ieder geval dat er een verband bestaat tussen de ontwikkelingen in de financiële sector en de toegenomen inkomens aan de top. De financiële bubbels maakte miljardairs van puistige pubers in Silicon Valley en bankiers, hedgefondsmanagers en ander personeel uit de financiële sector van Manhattan en omstreken. Eén van de problemen in de aanloop naar de crisis was de verzwakte financiële positie van huishoudens. Collectief begon de huishoudsector in te teren op haar vermogen (meer uit te geven dan er binnenkwam). In een nieuw onderzoek naar de vermogensverdeling laten Emmanuel Saez en Gabriel Zucman echter zien dat dit niet gold voor iedereen in de huishoudsector. De onderste 90 procent van de vermogensverdeling teerde in op haar spaargelden of stak zich in de schulden, maar voor de bovenste 10 procent, of liever nog de bovenste 0,1 procent, was dat niet het geval. Terwijl tussen 2003 en 2007 de laagste 90 procent van de vermogensverdeling maar liefst 105 procent van haar inkomen uitgaf, spendeerde de top 0,1 procent slechts de helft van haar inkomen.   Geeft dat Stiglitz dan gelijk? Veroorzaakt ongelijkheid een schuldenprobleem? Dat is nog geen uitgemaakte zaak. Het contrast tussen de top en de bodem van de inkomensverdeling in spaargedrag is in ieder geval suggestief. Wat wel vast staat is dat voor iedereen die meer uitgeeft dan zijn inkomen er iemand is die minder uitgeeft dan zijn inkomen. De één zijn schuld is de ander zijn vermogen. Voor zo ver vermogen en schuld onevenredig verdeeld zijn, zoals de data laat zien, ligt er bijna per definitie een verband tussen ongelijkheid en schuldproblematiek. De vraag is alleen welke wat veroorzaakt: is ongelijkheid het gevolg van de financiële instabiliteit of is financiële instabiliteit het gevolg van ongelijkheid?

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Jesse Frederik

    In de zomer van 2011 ontvingen we per email een open sollicitatie van de 22-jarige Jesse Frederik uit Nijmegen die zichzelf o...

    Volg Jesse Frederik
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren