Koning Willem-Alexander opent de nieuwbouw van Unilever op de campus van Wagenngen; december 2019.
© Arie Kievit

De overheid heeft, in het kader van de Kennis- en Innovatieagenda, extra geld uitgetrokken voor onderzoek dat de transitie naar kringlooplandbouw kan versnellen. Maar er is iets vreemds aan de hand met de manier waarop dat geld wordt verdeeld. Herman Lelieveldt zocht het uit, en vermoedt dat hij eerder de Staatsloterij zal winnen dan zijn onderzoeksvoorstel gehonoreerd te zien. ‘In de praktijk komt het erop neer dat een voorstel waarbij Wageningen niet betrokken is, vrijwel kansloos is.’

Dit stuk in 1 minuut
  • Het kabinet heeft in het kader van het topsectorenbeleid zes missies op het gebied van landbouw, water en voedsel geformuleerd en 15 miljoen euro beschikbaar gesteld voor publiek-private samenwerkingsprojecten die de omslag naar een duurzamer voedselsysteem moeten stimuleren. 
  • Van deze 15 miljoen euro is 10 miljoen euro gereserveerd voor Wageningen Research (WR). Alle overige instellingen moeten het met de resterende 5 miljoen doen, terwijl Wageningen ook nog eens op dat deel van het geld mee kan bieden.
  • In de programmateams die de projectvoorstellen op haalbaarheid beoordelen zitten alleen onderzoekers van Wageningen, niet van andere onderzoeksinstellingen.
  • Deze gang van zaken is symptomatisch voor de manier waarop de rijksoverheid Wageningen bevoordeelt bij de verdeling van onderzoeksgeld.
Lees verder

15 miljoen euro: zo groot is de pot geld die klaarstaat voor onderzoeksvoorstellen in het kader van de Kennis- en Innovatieagenda (KIA) Landbouw, Water en Voedsel. Gevraagd wordt om onderzoek dat de overgang naar de kringlooplandbouw kan vergemakkelijken en versnellen: denk aan het vergroten van de natuurlijke weerbaarheid van planten, een beter verdienvermogen voor boeren, en true pricing om keuzegedrag van consumenten duurzamer te maken. Wel opschieten, want uiterlijk 31 mei moet je een eerste idee inleveren.

Toch doe ik waarschijnlijk niet mee aan deze call: ik ben er inmiddels achter dat mijn kans om in de prijzen te vallen kleiner is dan die om de Staatsloterij te winnen, vanwege de manier waarop dit onderzoeksprogramma gefinancierd wordt. Wie de oproep goed leest, ziet dat liefst tweederde van het onderzoeksgeld, 10 miljoen, verplicht besteed moet worden bij Wageningen Research en er maar vijf miljoen beschikbaar is voor de overige kennisinstellingen. In de praktijk komt het erop neer dat een voorstel waarbij Wageningen niet betrokken is, vrijwel kansloos is.

Wageningen is voor Den Haag de one stop shop voor alles wat met landbouw te maken heeft

Hofleverancier

Waarom komen we toch steevast ‘Wageningen’ tegen in al het onderzoek naar landbouw en voedsel? Ik doorzocht de Kamerstukken van het afgelopen halfjaar en steeds kwamen ze tevoorschijn: of het nu gaat om de toename van stalbranden, de garnalenvisserij in Natura 2000-gebieden, de milieu-impact van drijfmest of de toekomst van kweekvlees: Wageningen is voor Den Haag de one stop shop voor alles wat met landbouw te maken heeft.

Om die status van preferred supplier te begrijpen, moeten we terug naar het eind van de 19e eeuw. Toen richtte de overheid de Dienst Landbouwkundig Onderzoek op om de Nederlandse landbouw tot grote hoogten te stuwen. Samen met de Landbouwhogeschool Wageningen ontstond zo een infrastructuur van onderwijs en onderzoek, die vandaag de dag voortleeft onder de ‘merknaam’ Wageningen University & Research, ‘een combinatie van een universiteit en marktgerichte researchinstituten die zowel in Nederland als internationaal uniek is’, aldus hun website. (Over de vaak onduidelijke grens tussen Wageningen Research en Wageningen University, schreef Vincent Harmsen eerder op FTM. Dit plaatje laat mooi zien hoe nauw de beide instellingen met elkaar verweven zijn.)

Er gaat veel ‘vast’ onderzoeksgeld naar Wageningen. Zo krijgt het de lieve som van bijna 100 miljoen euro – 27 miljoen instituutssubsidie en 70 miljoen programmasubsidie – voor de zogenaamde Wettelijke Onderzoekstaken (WOT), werk dat vroeger door de DLO werd gedaan. Denk daarbij aan onderzoek naar voedselveiligheid, de visserij, maar ook allerlei kengetallen over de landbouw, die iedereen kan raadplegen via de website Agrimatie. Tegen deze uitgaven is weinig in te brengen: voor goed beleid moet je de cijfers op een rijtje hebben en zolang de kwaliteit van dit werk in orde is, is het kosteneffectief om dit werk bij een vaste instelling onder te brengen en deze taken niet steeds opnieuw aan te besteden.

De ‘gouden driehoek’

Maar Wageningen Research – codenaam in beleidsstukken: WR – ontvangt naast het geld voor de WOT nog fors meer. Voor 2019 komt het totaalbedrag uit op maximaal 120 miljoen euro, onder meer bedoeld voor drie thema’s: ‘Klimaatslim, circulair, gezond voedsel en non-food produceren’, ‘Integraal zorgvuldige en duurzame dierlijke productieketens’ en ‘Natuurinclusieve samenleving’. Op basis van het regeerakkoord krijgt WR krijgt sowieso tot 2030 jaarlijks 25 miljoen aan extra innovatiemiddelen. Uit de verschillende stukken is niet duidelijk of dat laatste bedrag onderdeel is van die 120 miljoen zitten, of daar nog bovenop komt. 

De topsector wordt geleid door een ‘topteam van vertegenwoordigers uit bedrijfsleven, wetenschap en overheid’

De 10 miljoen die voor de KIA-call bij Wageningen Research besteed moet worden, komt ook uit deze pot: innovatiegeld in het kader van het topsectorenbeleid. Met dat beleid, dat in 2011 van de grond kwam, probeert het Nederlandse kabinet innovatie te stimuleren door ‘de krachten van ondernemers, wetenschappers en de overheid te bundelen’ en te investeren in wetenschappelijk onderzoek ten bate van vier thema’s. Landbouw, water en voedsel is daar een van, en de Topsector Agri & Food verdeelt het geldt voor het onderzoek naar landbouw.

De topsector wordt geleid door een ‘topteam dat is samengesteld uit vertegenwoordigers uit bedrijfsleven, wetenschap en overheid (de “gouden driehoek”)’. Het boegbeeld van het topteam is de in Wageningen opgeleide voormalige LTO- en Rabobank-bestuurder Dirk Duijzer, en ook de de directeur van de Social Sciences Group van Wageningen Research is lid van het topteam. Hij vertegenwoordigt in zijn eentje alle kennisinstellingen in Nederland.

Als de overheid voor haar kostbare belastinggeld het beste onderzoek wil krijgen, ligt het voor de hand dat alle onderzoekers in Nederland kunnen meedingen naar het topsectorengeld. Maar bij deze KIA krijgt Wageningen gegarandeerd 10 miljoen, terwijl de rest van onderzoekend Nederland het met vijf miljoen moet doen. En Wageningen mag ook nog eens meebieden op die resterende vijf miljoen. Hoezo level playing field?

Systeemverandering op twee fronten

Als niet-Wageningse onderzoeker heb je het nakijken. Ik kom tot die conclusie op basis van de in het verleden uitgevoerde projecten, waarvan er hier enkele zijn uitgelicht: bij 19 van de 22 was Wageningen betrokken. In slechts 6 gevallen zat er ook een andere kennisinstelling bij, maar dan altijd met Wageningen als mede-onderzoeker.

"Waarom mobiliseren we niet alle in Nederland aanwezige expertise in een open competitie?"

Ik twijfel niet aan de kwaliteit van de onderzoekers in Wageningen, maar waarom mobiliseren we niet alle in Nederland aanwezige expertise in een open competitie, zoals met het meeste onderzoeksgeld in Nederland gebeurt? Er zijn in Nederland onderzoeksinstellingen die zulk onderzoek even goed en wellicht beter kunnen doen: niet alleen andere universiteiten, maar ook hogescholen, en organisaties als het Louis Bolk Instituut of het Centrum voor Landbouw en Milieu.

De relevantie van deze andere kennisinstellingen is alleen maar groter geworden. Immers, de onderzoeksvragen rondom voedsel zijn breder dan de klassieke techno-optimistische aanpak waarin Wageningen altijd geëxcelleerd heeft; die opvatting van kringlooplandbouw heeft vooral aandacht voor de productiekant. Daar gaan we de omslag niet mee maken: elk gezaghebbend rapport dat tegenwoordig uitkomt, wijst in de richting van een systeemverandering op twee fronten: productie en consumptie, iets wat ook de Europese Commissie afgelopen week sterk benadrukte in haar nieuwe farm-to-fork strategie.

Bredere waaier

Dat betekent minstens twee dingen. Ten eerste hebben we in aanvulling op de reductionistische benadering die in Wageningen dominant is, ook een holistische, agro-ecologische benadering van het voedselprobleem nodig. Ten tweede vraagt dit om een bredere waaier aan disciplines dan Wageningen te bieden heeft: artsen, gezondheidswetenschappers, epidemiologen, sociologen, juristen, planologen, psychologen en economen.

Met andere woorden: wie de omslag naar kringlooplandbouw wil maken, moet vanzelfsprekend te rade gaan bij WUR-ecoloog Louise Vet, maar ook bij Pablo Tittonell van de Universiteit Groningen, of bij Henk Siepel uit Nijmegen. Wie alles wil weten over de obesogene omgeving kan niet om WR-onderzoeker Hans Dagevos heen, maar evenmin om de Maastrichtse gezondheidswetenschapper Onno van Schayck en de Utrechtse psycholoog Denise de Ridder.

Wie al zijn kennis uit dezelfde bron haalt, krijgt te maken met  blikvernauwing

Want als je al je kennis uit dezelfde bron haalt, krijg je een blikvernauwing die de omslag naar een nieuw voedselsysteem nodeloos vertraagt en bemoeilijkt. Neem de nationale eiwitstrategie, over de vraag hoe we de omslag van dierlijk naar plantaardig voedsel kunnen maken. Het ministerie van LNV – dat zijn kennis vrijwel uitsluitend uit Wageningen haalt – consulteert daarvoor momenteel de stakeholders. Maar gek genoeg gaat deze consultatie niet in op de consumptie van eiwitten en hoe we kunnen zorgen dat mensen minder vlees eten.

Het is dus een nationale eiwit-productiestrategie, stelt de Transitiecoalitie Voedsel in een brandbrief die ze begin mei aan de minister van Landbouw Carola Schouten stuurde. Cees van Bruchem, oud-medewerker van het Landbouw Economisch Instituut – inmiddels onderdeel van Wageningen Research – is tot hetzelfde inzicht gekomen. Hij hekelde deze maand in een column in het blad Boerderij dit ‘productiedenken’, dat niet alleen slecht is voor de natuur, maar ook voor het verdienvermogen van de boer.

"Waar niet-WR-aanvragers hun projecten voor 50 procent moeten co-financieren, hoeven hun Wageningse collega’s maar met 10 of 30 procent te komen"

Wie de gok toch wil wagen en een plan indient voor een deel van die vijf miljoen euro die voor iedereen beschikbaar is, ziet zich voor een nieuwe hindernis geplaatst. Bij het topsectorenbeleid moet je namelijk altijd voor co-financiering zorgen, bij voorkeur door het bedrijfsleven, of eventueel door andere maatschappelijke partijen. En ook hier heeft WR een streepje voor. Want waar niet-WR-aanvragers hun projecten voor 50 procent moeten co-financieren, hoeven hun Wageningse collega’s in voorkomende gevallen slechts met 10 of 30 procent over de brug te komen.

Er is natuurlijk één instelling in Nederland die van oudsher warme banden met het bedrijfsleven koestert. Dat is, jawel, de WUR, die inmiddels een campus heeft waar bedrijven als FrieslandCampina en Unilever hun eigen gebouwen hebben. Die constellatie zorgt ervoor dat zelfs voor de vijf miljoen die ook voor andere onderzoeksinstellingen beschikbaar zijn, Wageningen wederom een voorsprong heeft.

Opvallende constante: in alle programmateams zitten een of meer vertegenwoordigers van de WUR

En nog is de kous daarmee niet af, want wie gaat de onderzoeksvoorstellen eigenlijk beoordelen? Nu, dat gebeurt door programmateams die per onderdeel samengesteld zijn uit vertegenwoordigers van overheid, kennisinstellingen en stakeholders. Opvallende constante: in alle programmateams zitten een of meer vertegenwoordigers van de WUR, naast ambtenaren van LNV en wat medewerkers van het topsectorensecretariaat. Zelfs in de klankbordgroepen – die weer onder die programmateams vallen – zijn het vooral mensen van de WUR die de kennisinstellingen vertegenwoordigen. Verder zijn ze vrijwel uitsluitend gevuld met branche- en koepelorganisaties van wat in de VS Big Agriculture heet. De steeds sterker wordende onderstroom van bedrijven, wetenschappers en maatschappelijke organisaties die het anders willen aanpakken en zich bijvoorbeeld verenigd hebben in de Transitiecoalitie Voedsel, is vrijwel geheel afwezig.

De NWO kan dit beter

Hoe kan het anders? Waar we naartoe moeten, is een financieringssysteem waarbij al het geld voor onderzoek naar de kringlooplandbouw verdeeld wordt op basis van een open en transparante competitie voor onderzoeksgeld. De onderzoeksgelden die het ministerie van LNV nu rechtstreeks naar Wageningen overmaakt, zouden gewoon toegevoegd moeten worden aan het onderzoeksbudget van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Dat is immers de instantie die in Nederland onderzoeksgeld op een transparante en open manier verdeelt. En het is waar, de NWO ligt regelmatig onder vuur, maar dat komt vooral omdat er zo weinig geld te verdelen valt en het schrijven en beoordelen van voorstellen dus vaak verspilde moeite is.

De NWO let bij de verdeling van onderzoeksgeld op wetenschappelijke excellentie en maatschappelijke relevantie

Tegelijkertijd laat de NWO zien steeds beter in staat te zijn bij de verdeling van onderzoeksgeld wetenschappelijke excellentie en maatschappelijke relevantie te combineren. Dat zien we in de Nationale Wetenschapsagenda, maar ook in andere innovatieve programma’s. Kijk bijvoorbeeld eens naar de opzet van het programma MARET, waarbij de provincies en de NWO regionaal onderzoek naar de maatschappelijke aspecten van de energietransitie co-financieren. De NWO beoordeelde onderzoeksvoorstellen zowel op hun wetenschappelijke kwaliteit als hun maatschappelijke relevantie, en zorgde er samen met de meefinancierende provincies voor dat de onderzoeksprojecten stevig regionaal verankerd zijn. (Full disclosure: ik was een van de succesvolle mede-aanvragers voor een project binnen dit programma, waarvoor alle gepromoveerde onderzoekers verbonden aan Nederlandse universiteiten voorstellen konden indienen. De beoordeling was volledig transparant; ik had me daarom zonder problemen kunnen neerleggen bij een afwijzing, als een ander voorstel een hogere score had gehaald.)

De conclusie is klip en klaar. Deze topsectoren-call is een bedrijfsfeestje van de ‘gouden driehoek’. Anderen worden voor de vorm nog wel uitgenodigd, maar komen alleen binnen als ze iemand uit Wageningen kennen. Zullen we, nu we toch naar een ‘nieuw normaal’ toe moeten, meteen even afspreken dat we stoppen met het publiek financieren van dit soort private onderonsjes en we onderzoeksgeld gewoon weer volgens de regels gaan verdelen?

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Herman Lelieveldt
Auteur van ‘De Voedselparadox’. Onderzoekt voor FTM de machten en krachten die bepalen wat er op ons bord komt.
Gevolgd door 714 leden