Ons huidige economische denken heeft alle kenmerken van een protowetenschap, betoogt Niko Roorda. Maar wat is dat eigenlijk? Tot slot van hoofdstuk 1 moeten we hiervoor terug naar de 6e eeuw.

    Ik hoop dat je een goede jaarwisseling hebt gehad. Welkom in 2018. Bedankt voor alle bijdragen aan de forumdiscussie, die al tot heel wat bijstellingen van mijn teksten hebben geleid. In het nawoord van deze aflevering zie je daarvan een voorbeeld. Ik hoop dat jullie forumdiscussies in 2018 net zo constructief zijn, of zelfs nog meer! De namen van de mensen met de belangrijkste bijdragen zal ik in het boek in mijn dankwoord vermelden. (Mits je onder je eigen naam schrijft, vanzelfsprekend…)

    De vorige aflevering eindigde met paragraaf 1.4, dat een stukje wetenschapsgeschiedenis bood. Het ging over Isaac Newton, die de eerste wetenschappelijke discipline op poten zette: de natuur- en sterrenkunde. Dat verhaal vormt de opmaat naar de twee onderwerpen van deze nieuwe aflevering. Om te beginnen: impetuswoorden. Dat is een term die ik zelf bedacht heb: het woord bestond nog niet. De twee samenstellende delen wel, zoals je zult lezen. Het woord is van cruciaal belang voor het boek, en dat geldt ook voor het tweede onderwerp van vandaag: protowetenschap. Verderop in het boek zal in detail worden bewezen dat het vakgebied van de economie zo’n protowetenschap is, en wat de dramatische gevolgen daarvan zijn. Daarom is het van groot belang dat de term eerst zorgvuldig wordt geïntroduceerd, en dat gebeurt in deze aflevering. Met behulp van de tekst van deze keer kun je zelf alvast een inschatting maken: is het vakgebied economie inderdaad zo’n protowetenschap? (En hoe zit dat met andere vakgebieden?)

    Vanaf nu ga ik ook mensen benaderen om lid te worden van de wetenschappelijke adviesraad. Ik zou onder meer ook graag willen communiceren met toonaangevende experts in het buitenland. Voor dat doel is het nodig dat de hoofdstukken van mijn boek in het Engels vertaald worden. Ik kan dat zelf wel doen, maar daar kleven twee bezwaren aan. Ik spreek en schrijf aardig Engels, maar nooit perfect, want ik ben geen native speaker van het Engels. Daarnaast zou het maken van vertalingen me veel tijd kosten, die ik liever steek in het bestuderen van tal van boeken en artikelen, in het voeren van gesprekken met allerlei mensen en natuurlijk in mijn schrijfwerk: samen is dat al meer dan een fulltime baan. 

    Daarom wil ik de hulp vragen van een of enkele lezers. Ben jij misschien bereid om enkele delen in het Engels te vertalen, of ken je iemand die dat wil doen? Laat het me even weten, alsjeblieft.

    1.5. Impetus en andere impetuswoorden: wie de goede woorden niet bezit, kan niet helder denken

    Kent u het woord ‘impetus’? Alle kans van niet. En dat is geen wonder, want het wordt in onze tijd niet meer gebruikt. Het woord is weggegooid. Aangezien het woord desondanks in dit boek een belangrijke rol gaat spelen, is het handig als u weet hoe het wordt uitgesproken. De klemtoon ligt op de eerste lettergreep, de ‘e’ is een stomme ‘e’, en de ‘u’ klinkt als ‘oe’.

    In de middeleeuwse natuurkunde, tot Newton, was impetus een kernbegrip. Men puzzelde al heel lang, op zijn minst sinds Aristoteles, over wat er aan de hand was met voorwerpen die in beweging waren. Waren die soms ‘bezield’, ‘geladen’, of wellicht ‘geïnfecteerd’ met iets? Zo ja, met wat dan?

    Joannes Philoponus gaf in de 6e eeuw A.D. als antwoord: met onstoffelijke bewegings-enérgeia. Het woord enérgeia dankte hij aan Aristoteles, en het betekent zoiets als werkendheid. Voorbeelden van enérgeia zijn plezier, geluk en beweging.

    In onze huidige tijd zijn wij geneigd om te zeggen dat het vraagstuk naar de geaardheid van bewegende voorwerpen niet is opgelost door er een naam op te plakken, maar Philoponus was er vermoedelijk toch heel tevreden mee. Wat geen wonder was, omdat zoiets voor en tijdens de middeleeuwen wel vaker gebeurde, en zelfs nu nog weleens. Woord bedacht, etiket geplakt, probleem opgelost.

    Philoponus werd in de 11e eeuw geciteerd door Avicenna, die uitlegde dat een in beweging gebracht voorwerp een ‘neiging’ bezit. In de 12e eeuw voegde Nur ad-Din al-Bitruji daaraan een ‘verlangen’ toe, om te verklaren hoe de beweging vanuit een Eerste Beweger in de Hemelse 9e sfeer is overgedragen aan de andere sferen, waardoor alle activiteiten die we thans waarnemen op gang zijn gekomen.

    In de 14e eeuw bracht Jean Buridan de discussie vanuit de Arabische wereld naar christelijk West-Europa. Hij bedacht het woord impetus, als een ‘bewegingshandhavende’ eigenschap van voorwerpen nadat die door een externe oorzaak in beweging gebracht zijn. Impetus is, zo stelde hij in of rond het jaar 1362, een kracht die een voorwerp in staat stelt om te bewegen in de richting waarin de beweger het heeft gestuurd: omhoog, omlaag, opzij of in een cirkel. Giambattista Benedetti bracht daar in 1585 een correctie op aan waarbij hij cirkels uitsloot en impetus beperkte tot rechtlijnige bewegingen.

    Dat was ongeveer de stand van de discussie die Isaac Newton aantrof toen hij in de zeventiende eeuw zijn natuurkundige theorieën begon te ontwerpen. Stelt u zich voor: met alle tot dan toe gevoerde discussies kon men geen enkele berekening uitvoeren. Geen formules, geen wiskunde, niets. En dus ook geen voorspellingen, althans geen kwantitatieve en dus keihard verifieerbare voorspellingen vóórdat een beweging bij wijze van experiment werd uitgevoerd. Het was allemaal nog filosofie: over de (levenloze) natuur, vandaar de terechte naam ‘natuurfilosofie’. 

    Wel is te zien hoe de discussie vorderde. Volgens Aristoteles, die met betrekking tot de natuurfilosofie gedurende meer dan duizend jaar als ontwijfelbare autoriteit beschouwd werd, is het de natuurlijke neiging van voorwerpen in het ondermaanse (op aarde dus) om af te remmen en tot stilstand te komen; voorwerpen die in beweging blijven, hebben daarvoor een voortdurende bewegingsoorzaak nodig. In het bovenmaanse daarentegen is het het natuurlijke gedrag van objecten om in cirkels te blijven bewegen zonder af te remmen. Maar gaandeweg, via de discussies van bovengenoemde heren, drong het besef door dat beide beweringen onjuist waren. Het is de natuurlijke neiging van voorwerpen, zowel op aarde als (volgens Benedetti) in de kosmos, om in een rechte lijn te bewegen en dat ook te blijven doen, doordat deze voorwerpen impetus bezitten. Juist om af te remmen, af te buigen of zelfs in een cirkel te bewegen, hebben voorwerpen een externe oorzaak nodig.

    Zoals u ziet, legde de ene natuurfilosoof ‘impetus’ uit als een enérgeia, wat een beetje lijkt op ons woord ‘energie’ maar niet helemaal hetzelfde betekent. Een ander sprak van een kracht, en een derde noemde het een ‘neiging’. Men was duidelijk nog zoekende, in een speurtocht die moest leiden tot een echt begrip van wat beweging nu precies was. In de laatste eeuwen voordat Newton helderheid bracht, kwam men dichtbij: ze waren ‘warm’, zoals wij dat zouden zeggen. Denk maar aan een kind dat een verstopt cadeautje zoekt, waarbij u aanwijzingen geeft: ‘Je bent koud. Brrr: nu nog kouder!’ (Kind draait zich om.) ‘Ha, nu ben je iets warmer. Ja, warm, héél warm!’ (Kind rukt cadeautje triomfantelijk tevoorschijn.)

    Het was Newton die het cadeautje tevoorschijn haalde toen hij ontdekte dat ‘impetus’ feitelijk een vermenging is van een aantal verschillende begrippen, waaronder: kracht, energie, impuls en traagheid. Toen Newton deze impetus uiteen ploos in die verschillende begrippen, slaagde hij erin om wiskundige formules te ontwerpen die echt werkten, dat wil zeggen: waarmee hij bewegingen niet alleen kon begrijpen, maar ook voorspellen. Doordat Newton de goede woorden kende, kon hij de juiste dingen zeggen. 

    Vandaar dat hij nuchter opmerkte: ‘Hypotheses non fingo’: ik verzin geen hypothesen (Newton, 1713). Waarmee hij wilde zeggen: mijn formules zijn afgeleid uit en getoetst aan de werkelijkheid, en het klopt. Dat is de reden waarom Newtons werk beschouwd wordt als het begin van de wetenschap. Daarna was het mengwoord ‘impetus’ overbodig geworden en werd het weggegooid.

    In de laatste eeuwen vóór Newton verkeerde het denken in een overgangsfase. Men bedreef niet meer pure filosofie zoals Aristoteles en Avicenna. Maar het was ook nog geen zuivere wetenschap. Men was ‘warm’, als iemand die in de ochtendschemering de weldra opkomende zon zoekt. Het was de overgangsfase van filosofie naar wetenschap. Het was protowetenschap.

    Protowetenschap wordt gekenmerkt door een aantal goed herkenbare eigenschappen. In het volgende gedeelte komen die naar voren. Eén ervan is: het gebruik van woorden waarmee je – achteraf beschouwd – ‘warm’ bent, dus in de buurt komt, maar nog niet helemaal goed zit. U zult zien dat iedere wetenschap, in de protofase, zulke woorden gebruikt. Dit boek zal ze impetuswoorden noemen. 

    Samengevat

    Een impetuswoord is een woord waarmee men nog niet de essentie te pakken heeft van wat een bepaald vakgebied inhoudt. Het is een diffuus woord, waarvan het gebruik tot verwarring kan leiden, vanwege een vage of zelfs paradoxale betekenis, die achteraf gezien wellicht in de buurt van een meer succesvolle term ligt of zelfs een vermenging van meerdere van zulke termen is. Bij voortschrijdend inzicht zal het woord weggegooid worden, of op zijn minst opnieuw gedefinieerd.

    Lees verder Inklappen

    Verderop, in hoofdstuk 4, zullen diverse voorbeelden van impetuswoorden gegeven worden. In uiteenlopende vakgebieden, bijvoorbeeld in de scheikunde, de biologie en de geneeskunde, toen die nog in de fase van protowetenschap verkeerden. Daarna zult u zien dat de huidige economie heel wat van zulke impetuswoorden bezit. BNP bijvoorbeeld: Bruto Nationaal Product.

    1.6. Definities van protowetenschap

    Protowetenschap is zoiets als het ochtendschemergebied tussen filosofie en wetenschap. Dat is een nogal vage beschrijving, en aangezien het woord in dit boek een aanzienlijke rol zal vervullen, is het goed om een nadere definitie te geven. Liefst een definitie die aansluit op wat anderen hebben geschreven.

    De term wordt door uiteenlopende auteurs gebruikt. Sommigen geven een soort van definitie. De meesten niet: die doen alsof iedereen allang weet waar ze het over hebben, hetgeen doet vermoeden dat ze het zelf ook niet precies weten. Veelal bieden de definities niet veel houvast. Protowetenschap is bijvoorbeeld “het begin van een wetenschap die nog in een klinisch ontwikkelingsstadium verkeert,” (Kennedy, 1959), “waarin er een constante wisselwerking bestaat tussen een snel groeiende verzameling waarnemingen en theorieën die voortdurend worden veranderd om nieuwe ontdekkingen op te nemen.” Of “een discipline die hoopt zich te bewijzen als een wetenschap,” (This, 2008) die “intelligente suggesties levert in plaats van duidelijke antwoorden.” “Per definitie beschikt een protowetenschap niet over alle kenmerken van een volledig ontwikkelde wetenschap”, laat Mahner (2013) ons weten. Daar schiet je dus niet zo heel veel mee op, net zomin als met “de waarnemingsgegevens zijn onbevestigd en de methodologie is nog onsystematisch”, zoals Kaplan & Barach (2002) beweren.

    In plaats van te benadrukken dat protowetenschap een nog onvolwassen soort wetenschap is, kun je het ook omschrijven als iets wat niet langer filosofie genoemd mag worden. Dan wordt protowetenschap zoiets als “de bestudering van normatieve criteria voor het gebruik van experimentele technologie in de wetenschap”, volgens chemiefilosoof Brakel (2000), “die van filosofie verschilt door zich te richten op de praktijk waarin nieuwe concepten en wetten niet worden ‘ontdekt’ maar ‘geconstrueerd’.” Waarmee in elk geval duidelijk wordt dat sommige filosofen van ingewikkelde teksten houden.

    Gelukkig is er één persoon die wat meer duidelijkheid geeft. Het gaat om de befaamde wetenschapsfilosoof Thomas Kuhn, die veel heeft gezegd en geschreven over de ontwikkeling van de wetenschap. Hij is het bekendst geworden door zijn beschrijving van de ‘wetenschappelijke revoluties’ (Kuhn, 1962), waarvan de Copernicaanse revolutie, waarbij Copernicus het middelpunt van het heelal verlegde van de aarde naar de zon, de bekendste is. 

    Slechts bij één gelegenheid gebruikte Kuhn de term ‘protowetenschap’. Tijdens een congres ter ere van hem in 1970 merkte hij op:

    “Er zijn veel gebieden – ik zal ze protowetenschappen noemen – waarin de uitoefening weliswaar toetsbare conclusies voortbrengt, maar die met hun ontwikkelingspatronen desondanks meer lijken op filosofie of kunst dan op de gevestigde wetenschappen. Ik denk bijvoorbeeld aan gebieden zoals scheikunde en elektriciteitsleer vóór het midden van de achttiende eeuw, aan de studie van erfelijkheid en evolutie voor het midden van de negentiende, of aan veel van de sociale wetenschappen vandaag.

    In deze gebieden [...] zijn onophoudelijke kritiek en een voortdurend streven naar een geheel nieuwe start primaire krachten, en dat is ook nodig. Net als de filosofie en de kunsten boeken ze echter geen duidelijke vooruitgang. Ik concludeer dan ook dat de protowetenschappen, net als de kunsten en de filosofie, iets missen dat, in de volwassen wetenschappen, overtuigender vormen van vooruitgang mogelijk maakt. Dat is echter niet iets wat kan worden opgeleverd door een of ander methodologisch voorschrift.”

    Het valt niet mee om een nette formele definitie van ‘protowetenschap’ te geven die concreter is dan de optelsom van het bovenstaande. Maar er is een andere manier om duidelijkheid te brengen, en dat is door een opsomming van kenmerken te geven. Die kenmerken, die samen protowetenschap goed herkenbaar maken, zijn:

    1. Er bestaan scholen die elkaar beconcurreren om de kern van het vakgebied. Daaruit blijkt dat de essentie van het vakgebied nog niet gepakt is.
    2. De heersende paradigma’s zijn – op zijn minst deels – impetuswoorden.
    3. Met behulp van die impetuswoorden worden vragen gesteld en verhalen verteld (‘mythen’) die verwarrend, wazig, tegenstrijdig, paradoxaal of aantoonbaar niet waar zijn.
    4. Er wordt gebruikgemaakt van methoden die succesvol zijn in andere vakgebieden, maar minder in dit vakgebied.
    5. Experimenten worden niet of weinig uitgevoerd, en voor zover ze dat worden, zijn de resultaten niet of slecht herhaalbaar.
    6. Er is geen of weinig voorspellende kracht of andere vorm van ‘succes’.

    Deze kenmerken zullen u misschien niet allemaal onmiddellijk duidelijk zijn. Dat hoeft ook niet, want in hoofdstuk 4 worden ze een voor een in detail besproken. Zo zult u typische voorbeelden zien van impetuswoorden in diverse (voormalige of huidige) protowetenschappen, en zal onder meer ‘succes’ gedefinieerd worden.

    Daarmee zal hoofdstuk 4 antwoord geven op de vraag: hoe herken je een protowetenschap? Vervolgens gaat dat hoofdstuk in op de vraag in hoeverre de economie een protowetenschap is. Daarbij zal blijken dat de economie aan alle zes de kenmerken voldoet.

    Daarna zal hoofdstuk 4 de nog veel spannendere vraag bespreken, namelijk hoe een protowetenschap kans ziet om door te groeien naar een echte wetenschap. U zult zien dat daarbij vaste en kenmerkende verschijnselen optreden, steeds opnieuw. Dat zal blijken aan de hand van een aantal vakgebieden:

    • Natuurkunde in de 17e eeuw
    • Scheikunde in de 18e eeuw
    • Biologie in de 19e eeuw
    • Geneeskunde in de 20e eeuw
    • Neuropsychologie in de 21e eeuw
    Samengevat

    Een protowetenschap is een vakgebied dat zich in een overgangsfase bevindt tussen filosofie en wetenschap, waarbij men nog niet de essentie te pakken heeft van wat dat vakgebied inhoudt. Een protowetenschap is herkenbaar doordat het vakgebied alle of de meeste van de zes zojuist genoemde kenmerken bezit.

    Lees verder Inklappen

    Tot slot

    Hiermee is hoofdstuk 1 voltooid. Op één punt na: ik heb in een van mijn reacties op het forum van Follow the Money aangekondigd dat ik, na het lezen van jullie inbreng in het forum, een aantal misverstanden ga voorkomen door een korte paragraaf in te voegen, getiteld: ‘Wat dit boek niet doet (en wat wel)’. Ik heb dat gedeelte nog niet geschreven, maar ik heb wel al besloten dat ik in ieder geval zal uitleggen:

    • Het boek is geen pleidooi voor meer wiskunde in de economica, of voor andere vormen van nabootsing van andere takken van wetenschap, maar juist voor de ontwikkeling van geheel eigen originele vormen van wetenschap.
    • Het boek eist een keiharde empirische toetsing van economische hypothesen.
    • Het boek is geen pleidooi voor voorspellende kracht van de economica, maar voor een veel algemener criterium: succes in de breedste zin. Wat ‘succes’ inhoudt, definieer ik verderop (in hoofdstuk 4). Voorspellende kracht is slechts één van tal van vormen van succes, zoals je daar zult zien.
    • Het boek doet zelf geen voorstel voor een nieuw economisch systeem. Zo’n nieuw systeem kan ik helemaal niet bedenken, ik heb daarvoor onvoldoende economische kennis en inzichten. Ik kijk van buitenaf naar het vakgebied: mijn specialismen zijn sterrenkunde (BSc), wetenschapsfilosofie en theoretische natuurkunde (MSc), duurzame ontwikkeling, onderwijs- en organisatiekunde (PhD). Niemand kan op dit moment zo’n nieuw economisch systeem ontwerpen, omdat er een fase aan vooraf moet gaan waarin voldoende wetenschappelijke inzichten verkregen worden. Dat is immers de strekking van het boek.
    • Het boek pleit wel voor een pad dat mensen in staat zal stellen om uiteindelijk een nieuwe economie te ontwerpen: een wereldwijd systeem dat intrinsiek duurzaam is, zoals ik in hoofdstuk 1 heb beschreven.
    • Hoe dat pad zou kunnen lopen, dat is het hoofdonderwerp van het boek. Het boek is, kort gezegd, een routeplanner.
    • Het boek streeft niet naar volledigheid. Er zullen heel wat economische onderwerpen zijn die niet of nauwelijks aan de orde komen. Verwante onderwerpen, bijvoorbeeld uit de psychologie of de politicologie, zullen zwaar onderbelicht blijven, en daar zullen sommige mensen vast ontevreden over zijn, ik waarschuw maar vast. Ik bespreek alleen onderwerpen die relevant zijn voor het ‘Pad’.

    Tot slot herhaal ik nog even (en dat zal ik blijven doen): de links naar de groeiende literatuurlijst en de voorlopige inhoudsopgave zijn te vinden op https://niko.roorda.nu/books/fundamenteel-nieuw-economisch.

    De volgende aflevering, het begin van hoofdstuk 2, staat gepland voor over twee weken, tot dan.

    Over de auteur

    Niko Roorda

    Gevolgd door 164 leden

    Niko Roorda is spreker, schrijver en consultant. Hij promoveerde in sociale wetenschappen en is specialist in duurzaamheid.

    Lees meer

    Volg deze auteur
    Dit artikel zit in het dossier

    Een duurzame economie

    Gevolgd door 175 leden

    Onze economie is in zijn wezen niet duurzaam. Was ze dat wel, dan zou de wereld er een stuk beter uitzien. Het goede nieuws i...

    Lees meer

    Volg dossier

    Dit artikel krijg je cadeau van Follow the Money.

    Diepgravende onderzoeksjournalistiek kost tijd en geld. Steun ons en

    word lid
    Verbeteringen of aanvullingen?   Tip de auteur Annuleren