© ANP Xtra / Roos Koole

Op zoek naar de waarheid in een rammelend jeugdzorgsysteem

    De jeugdzorg in Nederland is bij lange na niet onfeilbaar. Onder tijdsdruk worden kinderen uit huis geplaatst op basis van vermoedens die nooit worden getest. Gezinnen worden om onduidelijke redenen ontwricht. Follow The Money schreef eerder al over ouders die onterecht worden verdacht van Münchhausen-by-proxy, maar er zijn meer gevallen waar het misgaat.

    Toen Khadija en Omar uit Nijkerk dertien jaar geleden op een woensdag in november de deur opendeden, was een politiemacht die hen van hun jonge kinderen kwam scheiden waarschijnlijk wel het laatste wat ze hadden verwacht. Kraamvisite had meer voor de hand gelegen, gezien de geboorte van hun dochter Yasmina twee weken eerder.  

    Verstandelijk gehandicapt en psychiatrisch gestoord, zo beoordeelden hulpverleners het stel. Ze zouden niet in staat zijn om voor hun pasgeboren dochter en twee jaar oude zoontje te zorgen. De rechter sprak een ondertoezichtstelling uit met een uithuisplaatsing. In de eerste instantie zou die tijdelijk zijn, maar de kinderen zijn nooit meer thuis komen wonen. Khadija en Omar werd uiteindelijk het ouderlijk gezag zelfs ontnomen, de zwaarste maatregel die de rechter ouders kan opleggen. Maar was die maatregel wel terecht? Het dossier van de familie roept daarover twijfels op: belangrijke redenen die jeugdbeschermers aan de rechter voorlegden om de kinderen uit huis te halen en te houden, blijken feitelijk niet juist te zijn. En dat gebeurt vaker in de jeugdbescherming. 

    Het kan overal misgaan

    Duizenden gezinnen krijgen jaarlijks te maken met juridische maatregelen door de jeugdbescherming. De overheid grijpt in principe alleen in als kinderen gevaar lopen of in hun ontwikkeling bedreigd worden. Maar de beoordeling hiervan gaat niet altijd goed. Er blijken serieuze problemen te bestaan bij het verzamelen van bewijs om ingrijpende beslissingen te onderbouwen. Het feitenonderzoek bevat regelmatig fouten, stelde de Kinderombudsman in 2013 al vast in het rapport ‘Is de zorg gegrond?’. De Tweede Kamer, die de evaluatie van de recent ingevoerde Jeugdwet met belangstelling volgt, is bekend met de zorgen over waarheidsvinding in de jeugdbescherming. Vorig jaar nam de Kamer een motie aan van Vera Bergkamp (D66) om met een actieplan voor verbetering te komen. Die motie vormde aanleiding voor een recent congres over waarheidsvinding in de jeugdbescherming, met medewerking van het ministerie van Veiligheid en Justitie. Het moet anders, stellen professionals, wetenschappers, vertegenwoordigers van ouders en kinderen, maar ook jeugdbeschermingsinstanties zelf. 

    Follow the Money besteedde eerder al aandacht aan slecht onderbouwde onderzoeken van Veilig Thuis, het meldpunt voor kindermishandeling en huiselijk geweld, die tot meerdere tuchtklachten leidden. De families Leek en De Haan, die hun verhaal eerder dit jaar deden tegenover Follow the Money en EenVandaag, werden slachtoffer van deze handelswijze. Het BNNVARA-programma Zembla besteedt woensdagavond uitgebreid aandacht aan die kwestie. Zembla heeft deskundigen voor de camera die stellen dat Veilig Thuis niet aan waarheidsvinding doet in gevallen waarin ouders verdacht worden van Münchausen-by-proxy. Dat leidt in sommige gevallen zelfs tot het ten onrechte scheiden van kinderen en hun ouders. 

    "Ik wilde kolven, zodat Yasmina het nog kon drinken bij het pleeggezin, maar dat mocht niet. Ik moest het wegspoelen"

    Maar het gebeurt niet alleen ouders die verdacht worden van Münchausen. Overal in de jeugdbescherming kan het misgaan. Zo publiceerde ouderplatform Ouders Online in augustus het verhaal van Omar en Khadija. GZ-psycholoog en orthopedagoog Piet Wentzel stortte zich op verzoek van het platform jarenlang op de zaak en constateerde dat er van alles was misgegaan in het geval van Omar, Khadija en hun kinderen. Follow the Money kreeg inzage in zijn volledige dossier en de door hem opgestelde onderzoeksrapporten over de zaak om het verhaal nog eens te toetsen op hoe er met de feiten om is gegaan. In hoeverre hebben jeugdbeschermers aan waarheidsvinding gedaan? 

    Traumatisch 

    Hoe ingrijpend de gevolgen van een definitieve uithuisplaatsing zijn, wordt duidelijk tijdens een gesprek met Khadija en Omar in een restaurant nabij hun woonplaats. 

    Zuigeling Yasmina werd op 17 november 2004 uit huis gehaald, samen met haar twee jaar oude broertje Yassine. Moeder Khadija bleef achter met een pijnlijke voorraad moedermelk in haar boezem. ‘Ik wilde kolven, zodat Yasmina het nog kon drinken bij het pleeggezin, maar dat mocht niet. Ik moest het wegspoelen.’ Dertien jaar later maakt de herinnering aan de traumatische uithuisplaatsing Khadija nog zo boos dat ze haar woorden bij vlagen bijna letterlijk uitspuugt. Af en toe wordt het gesprek onderbroken door het gebabbel van de drie jaar oude Kaoutar, de jongste dochter van het stel. Zij werd niet uit huis geplaatst. Dezelfde Raad voor de Kinderbescherming die jarenlang stelde dat Omar en Khadija niet in staat zijn hun kinderen op te voeden, oordeelde in 2014 na eigen onderzoek dat er de toen nog ongeboren Kaoutar bij haar ouders een goed thuis te wachten stond. 

    Het gezin is een van de duizenden die jaarlijks te maken krijgt met een door de rechter opgelegde uithuisplaatsing. Ruim zeventienduizend kinderen en jongeren zijn in het eerste halfjaar van 2016 uit huis geplaatst, rapporteert het Centraal Bureau voor de Statistiek. In 9665 gevallen raakten de ouders het wettelijke gezag over hun kinderen kwijt en stonden de kinderen onder voogdij van een gecertificeerde instelling, zoals uiteindelijk ook met de kinderen van Omar en Khadija gebeurde. 

    ‘Bemoeizorg’

    Hun zaak begint met zorgen vanuit een GGZ-instelling waar Omar vanaf 2003 gesprekken heeft. Hij heeft in de jaren negentig psychische hulp gezocht en is toen gediagnosticeerd met schizofrenie. Ook met Khadija wordt gesproken. De GGZ-medewerkers hebben de indruk dat het stel zwakbegaafd is, maar testen dat vermoeden nooit en stellen geen diagnose. Als Omar twee afspraken mist, maakt de behandelaar zich zorgen. In het kader van ‘bemoeizorg’ legt hij in mei 2004 een onaangekondigd huisbezoek af.

    De GGZ-medewerkers verklaren dat Khadija mogelijk een psychiatrische stoornis heeft, maar dat wordt nooit getest

    De GGZ-medewerkers treffen een chaotisch huishouden aan: Omar en Khadija blijken op het punt staan te verhuizen. Binnen 24 uur leggen ze opnieuw een onaangekondigd bezoek af. Waarom dat gebeurde, is niet duidelijk — en volgens onderzoeker Wentzel zeer ongebruikelijk. Khadija reageert wantrouwend en het stel is verontwaardigd over het tweede bezoek: ze hebben de eerste keer al aangegeven dat ze midden in de verhuizing zitten en een afspraak willen maken nadat die achter de rug is. Dat wordt door de GGZ-medewerkers opgevat als paranoia en een weigering om instanties toe te laten in huis. Ze verklaren dat Khadija mogelijk een psychiatrische stoornis heeft, maar die aanname wordt nooit getest.

    Na het bezoek rapporteren de GGZ-medewerkers aan het Advies en Meldpunt Kindermishandeling (AMK, dat tegenwoordig Veilig Thuis heet) dat Omar zijn medicijnen vermoedelijk niet slikt. Ze beweren een vol doosje medicijnen te hebben gezien. Nooit wordt duidelijk of ze het doosje ook op inhoud gecontroleerd hebben en of er daadwerkelijk meer medicijnen in zaten dan de bedoeling was. 

    Enkele maanden later, na de geboorte van Yasmina, meldt ook de kraamverzorgster zorgen. Na een paar dagen kraamzorg ontstaat een conflict over wie het huishouden moet doen. Na de geboorte van het eerste kind werd dat door de kraamzorg gedaan. Maar de tweede kraamverzorgster ziet dat niet als haar taak. Op advies van de huisarts sturen Omar en Khadija de vrouw na een paar dagen weg. Ze maakt melding van de troep in het huishouden, haar indruk dat Khadija niet voldoende gevoel heeft voor wat de baby nodig heeft en het vermoeden dat het gezin geen contact heeft met buren en familie.

    Op geen van de verklaringen van hulpverleners wordt wederhoor gevraagd bij het gezin: die blijken in verband met de ramadan pas ’s avonds familie op visite te krijgen. Ook de kraamverzorgster zelf controleert niet hoe haar verklaring in het rapport van het meldpunt kindermishandeling wordt weergegeven. Later zal ze in een gesprek met onderzoeker Wentzel verklaren dat haar verklaring anders is opgeschreven dan ze hem destijds heeft gedaan, en blijkt ze geschrokken van de gevolgen van haar melding. Maar in 2004, ruim een week na haar verklaring, worden de kinderen met spoed uit huis gehaald. 

    Onbewezen vermoedens

    Het AMK schreef een rapport en verzocht de Raad voor de Kinderbescherming om de rechter om een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing te vragen. De Raad nam de rapportage van het meldpunt over, en dat schetste een somber beeld van het gezin. De belangrijkste redenen om de kinderen met spoed uit huis te plaatsen, zijn de nooit geteste verstandelijke vermogens van het stel, de stoornis van Omar, het onbewezen vermoeden dat hij medicijnen niet slikt en het ongeteste vermoeden van een mogelijke stoornis bij Khadija.

    Khadija blijkt helemaal geen stoornis te hebben

    Deze vermoedens zullen het stel nog lang achtervolgen, ook al wordt er (pas) in 2008 een intelligentietest gedaan door de GGZ en worden Omar en Khadija op basis daarvan en op basis van observatie door de behandelaar als normaal intelligent beoordeeld. Omar’s behandelteam verklaart in 2006 op papier dat hij in ieder geval twee jaar medicijntrouw is en geen symptomen ervaart van schizofrenie. Zijn stoornis is vanaf dat moment volgens de behandelaren geen enkele reden om zijn kinderen niet op te kunnen voeden. Khadija blijkt helemaal geen stoornis te hebben. Desondanks worden de oorspronkelijke beweringen tot en met 2012 steeds opnieuw door de Raad van de Kinderbescherming aan de rechter gepresenteerd als feiten.

    In eerste instantie was de uithuisplaatsing van Yassine en Yasmina tijdelijk, althans, dat werd de ouders meegedeeld door een medewerker van de Raad van de Kinderbescherming. Eerst verbleven de kinderen bij een zus van vader, maar zonder medeweten of toestemming van de ouders worden ze na een week verplaatst naar een plek die jarenlang geheimgehouden wordt. Begin 2005 werd het verblijf in het pleeggezin verlengd, tot grote teleurstelling en woede van de ouders. 

    Het gezin krijgt een voogd toegewezen van de William Schrikker Groep, die als gecertificeerde instelling verantwoordelijk is voor uitvoering van de maatregel en de jeugdzorg op zich neemt. In eerste instantie heeft de voogd als doel het onderzoeken van een mogelijke terugkeer van de kinderen naar hun ouders. Omar en Khadija mogen hun jonge kinderen slechts eenmaal in de twee weken vier uurtjes bezoeken bij een familielid. De voogd regelt dat de ouders twee jaar lang professionele opvoedondersteuning krijgen van organisatie Icare. De behandelaar van Icare is tevreden over Omar en Khadija. Zo tevreden dat ze voorstelt om de kinderen wat meer contact met hun ouders te laten hebben, en hen zelfs een nachtje te laten logeren bij hun eigen ouders. Maar de voogd van de William Schrikker Groep verbiedt dit, om onduidelijke redenen. 

    Onderzoeker Piet Wentzel keek als GZ-psycholoog en orthopedagoog naar de video-opnamen uit die periode en constateert dat de omgang die daarop te zien is voldoet aan wat van ouders en kinderen verwacht mag worden: ‘Op deze beelden tonen de ouders dat zij wel degelijk in staat zijn leiding te kunnen geven aan de ontwikkeling van hun kinderen.’ 

    "De beweringen over de geestelijke gezondheid en verstandelijke vermogens worden nooit gerectificeerd"

    Ouders op afstand

    De ouders zeggen hierop het vertrouwen in de voogd op. Hij wordt vervangen door een collega in 2007. Tijdens een gesprek hierover krijgen de ouders te horen dat hun kinderen voorlopig nog niet naar huis mogen en dat de bezoekregeling niet wordt uitgebreid. Dit ondanks de tevredenheid van de opvoedondersteuner van Icare. Het begint langzaam duidelijk te worden: de William Schrikker Groep werkt er niet naartoe dat Yassine en Yasmina weer bij hun ouders zullen gaan wonen. Het nieuwe doel van de WSG wordt volgens een indicatiebesluit van dat jaar: ‘Ouders leren ouders op afstand te zijn.’ 

    In 2009 verlengt de rechter alle maatregelen weer. Nu begint vooral zoon Yassine gedragsproblemen te krijgen in het pleeggezin. Zijn IQ wordt getest en is laag. Hij wordt eens in de maand uit logeren gestuurd bij instelling ’s Heeren Loo. Bij zijn ouders mag hij eens in de maand twee uurtjes op bezoek. Ook dochter Yasmina begint problemen te krijgen in het pleeggezin. Ze wordt uit logeren gestuurd bij een pleegzus, tot woede van de ouders. Dat staat te lezen in het onderzoeksrapport van onderzoeker Wentzel, ze geven aan zelf hun kinderen te kunnen en willen opvangen. De voogd van de William Schrikker Groep, waarmee de ouders inmiddels een uiterst gespannen verhouding hebben, verzoekt in 2011 om Omar en Khadija te ontheffen uit hun ouderlijk gezag. Daarover meldt de voogd zelf in het proces-verbaal nog maar eens: ‘Door de verstandelijke beperking van de ouders, bestaat er onmacht bij hen de minderjarigen zelf op te voeden.’ 

    De rechter volgt het advies van de voogd. Omar en Khadija gaan in hoger beroep, maar krijgen geen gelijk. De beweringen over hun geestelijke gezondheid en verstandelijke vermogens worden nooit gerectificeerd. Na het hoger beroep zijn Omar en Khadija het gezag over hun kinderen kwijt. Yassine wordt uiteindelijk in 2014 helemaal op ’s Heeren Loo geplaatst, weer weg van zijn pleeggezin en zusje. Yasmine woont nog steeds in het pleeggezin, en begint ook probleemgedrag te vertonen. In de rapportages van de William Schrikker Groep worden daarvoor verschillende diagnoses van de kinderen genoemd die onderzoeker Wentzel in twijfel trekt. Bovendien ontbreekt er volgens Wentzel iets belangrijks: ‘Nergens wordt de mogelijkheid genoemd van een relatie tussen de gedragsproblemen van de kinderen en hun bewogen leven in de pleegzorg na een traumatische, abrupte en met politiegeweld gepaard gaande uithuisplaatsing. Terwijl dat zeker voor de hand zou liggen.’ 

    Ontluisterend rapport

    Het verhaal van Khadija, Omar en hun kinderen is een drama voor alle gezinsleden. De aanvankelijke beweringen over de geestelijke toestand van het stel, die niet getest was en later is weersproken, heeft gedurende het hele proces een belangrijke rol gespeeld. Hoe kan het dat de hulpverlening en vooral de rechter zo lang zijn blijven varen op achteraf gezien onjuiste informatie? 

    Beschuldigingen aan het adres van ouders worden niet altijd gecontroleerd

    Het rapport ‘Is de zorg gegrond’ dat de Kinderombudsman  in 2013 presenteerde, gaat over alle knelpunten die jeugdbeschermers ervaren in hun werk als het gaat om waarheidsvinding en geeft meer inzicht in hun belevingswereld. De onderzoekers spraken met kinderen, ouders, professionals, rechters, vertegenwoordigers van de voormalige meldpunten voor kindermishandeling, tegenwoordig Veilig Thuis, en de jeugdzorginstanties. Er werd onderzoek gedaan naar tientallen dossiers. Het resultaat is ontluisterend. De belangrijkste conclusie van het rapport is dat in het feitenonderzoek door jeugdzorginstanties en de Raad voor de Kinderbescherming met regelmaat fouten gemaakt worden en dat de werkwijze van jeugdbeschermers niet voldoende kwaliteitswaarborgen kent. 

    Veel van wat ouders, kinderen en professionele vertegenwoordigers signaleren komt overeen met de klachten van Omar en Khadija, en van de families Leek en de Haan waarover we eerder schreven. Beschuldigingen aan het adres van ouders worden niet altijd aan wederhoor onderworpen of gecontroleerd bij de bron. Ontlastende feiten halen de rapportage niet altijd en hulpverleners lijken nogal eens aan tunnelvisie te leiden. Bovendien is er zeker niet altijd sprake van inhoudelijke controle van een eerste rapportage door de Raad voor de Kinderbescherming. 

    Kwaliteit van rapportages

    De instanties zelf blijken ook te worstelen met hun verantwoordelijkheid. Interviews in het rapport schetsen het beeld van welwillende jeugdzorgmedewerkers die onder tijdsdruk veel zaken moeten afhandelen, bang zijn om onveilige situaties te missen, niet altijd even sterk zijn in het schrijven van rapportages en daar ook niet goed voor opgeleid zijn. ‘Gedragswetenschappers en teamleiders geven aan dat de kwaliteit van de rapportages (sterk) verschilt per jeugdbeschermer/hulpverlener.’ 

    Jeugdbeschermers zelf zijn zich er verrassend genoeg niet altijd van bewust hoe belangrijk hun rapportage kan zijn voor de beslissingen die later over een gezin worden genomen. Vaak neemt de Raad voor de Kinderbescherming hun werk bijvoorbeeld zonder eigen onderzoek over, zo verklaren medewerkers van het voormalige Bureau Jeugdzorg. ‘De raad toetst alleen op papier,’ wordt er volgens het rapport gezegd door deze medewerkers. Volgens hen gaan rechters bijna altijd akkoord met hun verzoek tot het nemen of verlengen van een maatregel. 

    "Zijn we nou kinderen aan het redden of een gezin aan het kapotmaken?"

    Ook de medewerkers van de Raad voor de Kinderbescherming die in het rapport geciteerd worden bevestigen dat ze niet zelden geconfronteerd worden met onduidelijke rapportages door jeugdbeschermers. Ook zij staan onder tijdsdruk en ook zij leven met de onzekerheid in hun werk dat een verkeerde beslissing voor een kind fataal uit kan pakken. De geïnterviewden geven aan dat familiedrama’s in de media effect hebben op hun werk. Maar andersom twijfelen Raadsmedewerkers ook regelmatig of ze met een maatregel wel de juiste beslissing nemen: “Natuurlijk flitst het bij zo’n spoedbeslissing weleens door mijn hoofd: “zijn we nou kinderen aan het redden of een gezin aan het kapotmaken?” Dat is het moeilijkst van mijn werk. Soms heb je gewoon geen tijd om dingen driedubbel te onderzoeken.”

    Ingrijpen in de vrijheid 

    Kamerlid Vera Bergkamp maakte van waarheidsvinding in de jeugdbescherming een van haar speerpunten. Naast haar motie voor een actieplan ter verbetering van waarheidsvinding in de jeugdbescherming, die aanleiding was voor voornoemd congres in november, was ze eerder medeverantwoordelijk voor het introduceren van een artikel in de Jeugdwet van 2015 waarin bepaald is dat gecertificeerde instellingen voor jeugdbescherming aan waarheidsvinding moeten doen. Tegenover Follow the Money reageerde Bergkamp eerder al op de zaken rond Münchhausen-by-proxy, die ook in de uitzending van Zembla te zien zijn en waarin ontlastende informatie werd weggelaten in de rapporten van jeugdbeschermers: ‘Er kunnen natuurlijk vermoedens zijn van kindermishandeling. Natuurlijk moet daar onderzoek op volgen. Maar op het moment dat blijkt dat sterk bewijs in de richting van onschuld niet serieus genomen wordt, dat vind ik echt wel heel erg.’ Het pleidooi voor een actieplan voor verbetering was dan ook hard nodig.

    Dat vindt ook mr. dr. Jolande uit Beijerse, universitair hoofddocent strafrecht,  jeugdstrafrecht en jeugdbeschermingsrecht aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Namens de universiteit was zij een van de organisatoren van het congres dat op 10 november verbeterpunten moest opleveren voor de waarheidsvinding. ‘Het jeugdbeschermingsrecht kent bijzonder veel problematische zaken. Twee van de sprekers uit de advocatuur hadden al moeite om voor dit congres een selectie te maken uit de casussen uit hun eigen praktijk waarin er iets misgegaan was. Dat kom je in het jeugdstrafrecht niet zo snel tegen.’ 

    Instanties lijken nu open te staan voor verbeteringen

    Er zit een verschil in de manier waarop jeugdstrafzaken en jeugdbeschermingszaken behandeld worden. In het strafrecht, ook het jeugdstrafrecht, grijpt de staat in de vrijheid van de burger in. Daar hoort een grondige waarheidsvinding bij. Zolang iemand niet wettig en overtuigend schuldig is bewezen, gaan we ervan uit dat die persoon onschuldig is. Jeugdbescherming is niet gericht op het vaststellen van schuld, maar op het beschermen van kinderen in potentieel schadelijke situaties. Daarbij kan niet altijd hard bewijs geleverd worden en geeft het oordeel van de jeugdbeschermer de doorslag. Dat oordeel moet zo goed mogelijk onderbouwd worden met feiten, maar het ontbreekt aan de strenge waarborgen die het strafrecht wel kent. Volgens Uit Beijerse zou ook het jeugdbeschermingsrecht die waarborgen moeten bevatten: ‘Uiteindelijk is het in het geval van een uithuisplaatsing of een voogdijmaatregel toch ook de staat die zeer zwaar ingrijpt in het privéleven van burgers. En dat kan voor zowel ouders als kinderen heel ernstige gevolgen hebben. Zo bezien valt er wel wat voor te zeggen dat voor zo’n maatregel ook een hoge bewijslast zou moeten gelden.’ 

    Mogelijke verbetering

    Ook jeugdbeschermers waren present op het congres, dat desalniettemin een gevoelig onderwerp behandelt voor hulpverleners en de Raad van de Kinderbescherming. Hierin lijkt een kentering gaande. De Kinderombudsman constateerde al dat in het verleden de boodschap van jeugdbeschermers was dat waarheidsvinding de hulpverlening in de weg kan staan, als die tenminste zo strikt opgevat wordt als in het strafrecht. Maar nu lijken instanties, met de motie van Bergkamp als extra stok achter de deur, open te staan voor verbeteringen. Uit Beijerse: ‘Uiteindelijk is het ook in het belang van goede hulpverlening natuurlijk, dat er echt aan goede gedegen waarheidsvinding wordt gedaan.’ 

    De op het congres voorgestelde knelpunten en mogelijke verbeteringen variëren van meer forensische vaardigheden toevoegen in de opleiding van jeugdbeschermers tot extra mogelijkheden tot rechtsbescherming van ouders. Uit Beijerse: ‘Nu is het bijvoorbeeld zo dat er niet automatisch een advocaat wordt toegewezen. Dat gebeurt pas wanneer er een gesloten plaatsing in een instelling wordt gevraagd bij de rechter. Een ondertoezichtstelling, en zeker een uithuisplaatsing, zouden daar ook voor in aanmerking kunnen komen. Maar ook in het eerste drangkader (+ vrijwillige maatregelen onder dreiging van juridische maatregelen, EvA) is er al behoefte aan. Mensen hebben daar nu geen hulp bij en worden ook niet op hun rechten gewezen.’

    Alle verbeterpunten, waarvan hier een overzicht te vinden is, moeten samen een actieplan opleveren dat in het voorjaar van 2018 aan de Tweede Kamer wordt gepresenteerd.

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Eelke van Ark

    Gevolgd door 795 leden

    Eelke vond vanuit de Achterhoek de weg naar Follow the Money. Ze heeft zich vastgebeten in het Nederlandse zorgstelsel.

    Volg Eelke van Ark
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren