© ANP: mammoetschip Pioneering Spirit

    Boren op de Noordzee nadert zijn einde, erkent zelfs de olie- en gasindustrie. Prima, zegt branchevereniging Nogepa. Opruimen is wettelijk verplicht en de olieprijs staat toch laag. 'Maar we moeten het wel slim aanpakken,' waarschuwt topman Jo Peters, 'misschien is hergebruik mogelijk.' Hoe toereikend is de wetgeving eigenlijk? En: hoe groot is de kans op een werkelijk soepele wisseling van de energiewacht op de Noordzee?

    In 1998 werd de toekomst van de olie- en gasindustrie op de Noordzee beslist, in het Portugese stadje Sintra. Na het felle gevecht in 1995 van Greenpeace tegen Shell over de plannen om het nutteloze Brent Spar platform te dumpen, realiseerde de sector zich dat er een gedeelde visie moest komen over wat er met platforms aan het einde van hun nuttige bestaan moet gebeuren. De in 1992 in het leven geroepen Ospar Conventie — waarin 15 lidstaten van het Ospar-verdrag en de EU samenwerken ter bescherming van het mariene milieu van de Noordzee — riep alle leden op om tijdens een grote conferentie hierover te onderhandelen. Aart Tacoma zat namens Rijkswaterstaat in het Nederlandse onderhandelingsteam in Sintra. ‘Ik zat letterlijk in de zaal tijdens de onderhandelingen over de Ospar beslissing in 1998,’ zegt Tacoma, tegenwoordig hoofd milieu bij Nogepa, belangenbehartiger van de gasindustrie in Nederland. ‘Engeland en Noorwegen hebben de grootste installaties, dus ook de grootste opruimkosten. Nederland en Denemarken zijn relatief kleine spelers, met kleinere platforms. Iedereen had dus zijn eigen mening over hoe dit vraagstuk het beste aan te pakken. Vanuit Nederland hebben we voornamelijk gekeken naar wat technisch mogelijk is.’

    'Wat je na gebruik kan verwijderen, moet je verwijderen'

    Ospar kan kiezen uit drie soorten maatregelen: beslissingen, aanbevelingen en richtlijnen. Tacoma legt uit dat beslissingen bindende maatregelen zijn voor de lidstaten van Ospar en dat betekent dat haar beslissingen omgezet moeten worden naar nationale wet- en regelgeving. Tijdens de Ospar conferentie in Sintra kwamen de lidstaten gezamenlijk tot zo’n bindende maatregel: Ospar beslissing 98/3.

    ‘Ospar beslissing 98/3 stelt dat wat je na gebruik kan verwijderen, moet je verwijderen,’ licht Tacoma toe. ‘Als het platform te groot is en je mensenlevens in gevaar brengt als je het platform gaat verwijderen, dan zijn er uitzonderingen en kan een operator een vergunning aanvragen bij de Minister van Economische Zaken om delen van de installatie in zee te laten staan. Het middel mag namelijk niet erger worden dan de kwaal. Maar in Nederland zijn die uitzonderingen niet of nauwelijks aan de orde. In Nederland zijn geen installaties die zo groot zijn dat ze aan de criteria voor een uitzondering voldoen.‘ Zulke grote installaties zijn wel te vinden in het Brent gasveld voor de kust van het Verenigd Koninkrijk.

    In feite moeten volgens de Ospar beslissing 98/3 — die in Nederland één op één is overgenomen in de Mijnbouwwet — alle platforms in het Nederlandse deel van de Noordzee na gebruik verwijderd worden. Het Nederlandse gas raakt op, aldus het Centraal Bureau voor de Statistiek vorige week. We zijn al voor 80 procent door onze reserves heen, dus de komende jaren moeten platforms die boven lege gasvelden staan volgens de wet ontmanteld worden. In totaal staan er 179 platforms, waarvan minimaal 22 nu al rijp zijn voor de schroothoop, aldus ontmantelingsspecialist Atlantic Marine and Offshore in een recent rapport. Hoe toereikend is de Mijnbouwwetgeving voor de ontmanteling van Noordzeeplatforms? En wat zijn de kansen voor de wisseling van de energiewacht op de Noordzee?

    Mijnbouwwet

    De Mijnbouwwet bevat in principe drie belangrijke juridische ingrediënten voor het verwijderen van offshore platforms. Ten eerste verplicht artikel 44 de exploitanten tot verwijdering na gebruik. Ten tweede stelt artikel 44 ook dat de Minister van Economische Zaken (EZ) in staat is om een tijdslimitiet op te leggen voor verwijdering. Ten derde stelt artikel 47 van de wetgeving dat het binnen het mandaat van de minister is om exploitanten te dwingen financiële zekerheid te verschaffen, bijvoorbeeld via een bankgarantie.

    Minister Kamp (EZ) kan dus volgens de Mijnbouwwet een deadline voor de ontmanteling opleggen aan de exploitant. Energiebeheer Nederland (EBN), het staatsbedrijf dat in alle Nederlandse olie- en gasvelden participeert, zegt echter in een rapport dat dit tot op heden nog nooit is gedaan. Tot nu toe zijn er slechts enkele platforms in Nederlandse wateren verwijderd en gemiddeld duurde het vier jaar voordat bij een stilliggend platform over is gegaan tot ontmanteling, maar dat is ook wel eens opgelopen tot 12 jaar.

    De minister kan een deadline voor ontmanteling opleggen aan de exploitant, maar dat is nog nooit gedaan

    Tacoma meent dat het blijkbaar niet nodig is geweest de exploitanten te verplichten over te gaan tot ontmanteling. Tacoma: ‘Op het moment dat een veld leeg is, moet de operator een plan indienen van wat hij met dat platform gaat doen.’ Tacoma zegt dat het plan dan door de overheid wordt beoordeeld en wel of niet goedgekeurd, en dat de enkele installaties die al zijn afgebroken ook zijn verwijderd binnen de afgesproken termijn. ‘Dus dan is er ook waarschijnlijk geen reden geweest dat de minister moet zeggen dat het voor een bepaalde datum moet worden weggehaald,’ speculeert Tacoma. ‘De exploitanten maken zelf hun plannen hoe ze daarmee omgaan en leggen die voor aan de minister, conform de wetgeving.’

    Olieprijs

    Volgens sommigen laat de Mijnbouwwet ontmanteling daarentegen te veel over aan de exploitanten. ‘De bevoegdheden toegekend aan de minister in de Mijnbouwwet zijn in juridische termen discretionair,’ aldus Geert-Jan Hoek, ceo van Venture Counsels en voormalig hoofd juridische zaken bij Heerema Marine Contractors. ‘Onze minister kan exploitanten via een soort dwangbevel een tijdslimiet of financiële verplichting opleggen. Maar dit is tot nu nooit gebeurd.’

    Anne-Mette Jørgensen, als ecosysteemconsultant betrokken bij milieu-onderzoek in de Noordzee, is het met Hoek eens. Jørgensen: ‘De overheid zou een veel grotere rol moeten spelen in het beslissen wanneer en hoe de platforms verwijderd moeten worden en wat de verschillende opties zijn voor het laten staan van bepaalde delen. Ook zou er een opruimfonds moeten komen, dat exploitanten jaarlijks verplicht een bedrag over te maken. En dat beheerd wordt door EBN. Zoals de wetgeving nu is, dan worden de platforms op een moment weggehaald wanneer het de olie- en gasbedrijven goed uitkomt.’ De verwijdering van Noordzee gasplatforms is volgens Hoek en Jørgensen nu overgeleverd aan de grillen van de olieprijs.


    Anne-Mette Jørgensen, ecosysteem consultant

    "Zoals de wetgeving nu is, dan worden de platforms op een moment weggehaald wanneer het de olie- en gasbedrijven goed uitkomt"

    De huidige lage olieprijs biedt een goed moment om over te gaan op ontmanteling, aldus Nogepa. Voor de exploitanten is verwijdering namelijk een kostenpost zonder enige vorm van inkomen ter compensatie, dus moeten de kosten van verwijdering zo laag mogelijk gehouden worden. Secretaris-Generaal Peters van Nogepa: ‘Wat betreft afbreken van de platforms, gaat dat natuurlijk van je resultaat af. Het is dus zo, dat als de olieprijs hoog is, je dan eigenlijk door wilt produceren. Wanneer de prijzen hoog zijn, is er ook een gevecht om de juiste aannemers met het juiste materiaal, wat ontmantelen duurder maakt. Maar als de prijs laag staat, het gasveld leeg is en het platform geen geld meer oplevert, dan moet je het afbreken. Daar heb je dan ook geld voor gereserveerd. Maar je moet niet per se meteen ontmantelen de dag nadat je stopt met produceren.’

    In het belang van Nederland

    Het laaghouden van de verwijderingskosten is volgens Peters ook in het belang van Nederland, omdat de overheid via haar staatsbedrijf EBN (Energie Beheer Nederland) voor 40 procent participeert in alle gasvelden. Na decennialang profijt te hebben gehad van de gasbaten — waarvan volgens Peters bijna driekwart van elke euro aan opgepompt gas in de staatskas terechtkomt — moeten ook de opruimkosten nu gedeeld worden door de exploitanten en de samenleving via de overheid en EBN.

    Het laaghouden van de opruimkosten is ook in het belang van Nederland

    De geschatte opruimkosten lopen volgens EBN elk jaar op. Vooral het sluiten van de putten blijkt vaak een duur proces te zijn; kosten vallen volgens EBN soms tot wel 50 procent hoger uit dan ingeschat. Het staatsbedrijf dat in alle Nederlandse gasvelden participeert, houdt op dit moment een reserve aan van 3,9 miljard euro voor de ontmanteling van offshore-installaties. Voorzichtige schattingen van Follow the Money laten echter zien dat de kosten tot zo’n 11 miljard euro kunnen oplopen. Volgens die schatting kampt EBN dus met krappe opruimreserves. Wanneer die ontoereikend blijken om de oplopende ontmantelingskosten te dekken, dan zouden budgetoverschotten afgewenteld kunnen worden op de belastingbetaler. EBN is tot nu toe niet in staat geweest vragen te beantwoorden over de toereikendheid van de aangehouden opruimreserves.

    Nogepa-topman Jo Peters zegt dat er echter een verschil is tussen geschatte kosten en gereserveerde kosten. ‘Ja, van de paar platforms die zijn weggehaald, waren er gevallen dat de gemaakte kosten meer waren dan wat er was gereserveerd,’ geeft hij toe. ‘Dat is niet per se omdat de kosten slecht zijn ingeschat, maar eerder dat er voorzichtig is gereserveerd.

    Geen keuze

    Bij olie- en gasbranchevereniging Nogepa is geen twijfel over dat de platforms na hun levensduur verwijderd moeten worden. ‘Wij zijn er niet voor eeuwig,’ erkent Peters. ‘Dat zien we en dat accepteren we. Dat brengt met zich mee dat de installaties die we hebben gebouwd en gebruikt zullen moeten afbreken, want dat is een wettelijke verplichting. Dat gaan we ook doen.’ Nu het gas opraakt en de olieprijzen ook laag zijn, staat ontmanteling hoger op de agenda bij Nogepa, die hiervoor een aparte werkgroep heeft opgericht.

    Nogepa stelt dat ontmanteling, in tegenstelling tot de publieke opinie, niet onderaan de prioriteinlijst bungelt. Dit omdat decommissioning — het ontmantelen, van zee halen en slopen van platforms — eigenlijk al vanaf het begin van een olie- of gasoperatie speelt. Peters: ‘Je weet dat je het ooit een keer moet opruimen. Het wordt ons vaak verweten dat we niet willen opruimen. Maar er valt niks te willen, het moet volgens de wet gewoon opgeruimd worden. Bovendien verliest de exploitant alleen maar geld als hij platforms aanhoudt die niets meer opleveren. Maar dat wil niet zeggen dat je ontmanteling als een kip zonder kop moet aanpakken.'


    Jo Peters, secretaris-generaal Nogepa

    "Er valt niks te willen, de platforms moeten volgens de wet gewoon opgeruimd worden"

    ‘Slim’ aanpakken

    De Mijnbouwwet stelt immers wel dat, maar niet hoe en wanneer de platforms moeten worden verwijderd. ‘We willen integraal te kijken naar de Noordzee,’ zegt Nogepa topman Jo Peters, ‘naar alle belangen van vissers, ecologen, windindustrie, olie- en gasindustrie, en de scheepvaart. Wat is dan de optimale weg naar de energietransitie op de Noordzee? We willen kijken of we samen kunnen werken zodat we efficiënt kunnen worden in het afbreken van platforms. Zo kan het goedkoper worden dan wanneer iedereen dat voor zichzelf zou moeten uitvogelen. Hoewel de Mijnbouwwet ons verplicht alles na gebruik te verwijderen, is de Mijnbouwwet niet bedoeld om de activiteiten op de Noordzee te optimaliseren.’

    Oude platforms kunnen nog ingezet worden op nieuwe gasvelden

    Ten eerste is het volgens Nogepa niet slim om té vroeg over te gaan tot ontmanteling. ‘We hebben nog voorraden die we zouden kunnen inzetten voor de gaswinning,’ stelt woordvoerder Arendo Schreurs. Naar verwachting zal hij spreken over de onontgonnen — maar duur om naar boven te halen — gasreserves in de Noordzee. Het ministerie van Economische Zaken schrijft vorig jaar in een persbericht dat er in de bestaande gasvelden nog 118 miljard kubieke meters winbaar gas aanwezig is, en nog 165 miljard kubieke meter gas aanwezig in onontdekte velden. Deze velden zijn nu echter economisch niet haalbaar. Om de gasindustrie tegemoet te komen, biedt het ministerie een investeringsaftrek van 25 procent. Bedrijven moeten dan wel binnen twee jaar overgaan tot productie, anders vervalt de vergunning.

    Maar een groot deel van de velden waar nu gas wordt gewonnen raakt in de komende jaren uitgeput, schrijft het ministerie. ‘Dat betekent dat de bijbehorende infrastructuur ook dreigt te verdwijnen, terwijl deze infrastructuur nodig is voor rendabele winning uit de andere kleine velden.’ Schreurs is het eens met Economische Zaken: ‘In elk scenario hebben we tot 2050 nog gas nodig. Ons belang is om ervoor te zorgen dat dat bij voorkeur Nederlands gas is. De infrastructuur die er nu nog ligt hebben we nodig om dat te kunnen exploreren en produceren. Als je die infrastructuur nu weghaalt, komt die nooit meer terug.’


    Arendo Schreurs, woorvoerder Nogepa

    "In elk scenario hebben we tot 2050 nog gas nodig. Ons belang is om ervoor te zorgen dat dat bij voorkeur Nederlands gas is"

    Ten tweede werkt Nogepa samen met de windenergie-industrie aan een integrale aanpak van de energietransitie op de Noordzee. Afgelopen juni hebben de gas- en windsector samen een manifest ondertekend waarin zij afspreken gezamenlijk de mogelijke synergiën in kaart te willen brengen. Nogepa secretaris-generaal Peters: ‘We willen ook kijken of anderen nog tijdelijk kunnen profiteren van wat er nu nog staat aan platforms. Als wij een platform moeten afbreken en 500 meter verderop moet een transformatorhuis gebouwd worden voor de nieuwe windmolenparken, dan kunnen we wellicht wat samen doen.’

    Ten derde sponsort de olie-en gassector regelmatig onderzoek naar de milieueffecten van de platforms. Het blijkt dat de veiligheidszones rondom de platforms ertoe leiden dat er natuurgebieden zijn ontstaan, waar veel vissoorten kunnen schuilen voor de sleepnetten van de commerciële visserij. In de Golf van Mexico zijn meer dan 400 ontmantelde platforms veranderd in kunstmatige riffen, die met elkaar nu het grootste netwerk van kunstmatige riffen ter wereld vormen. Maar uiteindelijk gaat het toch om speldenprikjes op de Noordzee — een totaalgebied iets kleiner dan Texel — en is het dus nog maar de vraag hoeveel invloed deze ‘natuurgebieden’ daadwerkelijk hebben op het ecosysteem.

    Aannemers staan te popelen

    Deze initiatieven, vaak aangewakkerd en gesponsord door de olie- en gasindustrie, bieden veel aanknopingspunten om het verwijderen van Noordzeeplatforms uit te stellen. Maar volgens ceo van offshore consultancy Venture Counsels Geert-Jan Hoek wordt het marktpotentieel voor Nederlandse offshore-aannemers daardoor ook zwaar onderbenut. Die staan volgens hem — en overigens ook volgens Nogepa — te popelen om over te gaan tot ontmanteling van gasplatforms op de Noordzee. Technisch gezien zijn ze daar bovendien beter dan ooit toe in staat.

    Megaschip Pioneering Spirit vertrok eerder dit jaar uit Rotterdam

    Allseas is een van de bedrijven met die technische know-how. Het offshore bedrijf van Edward Heerema, heeft dit jaar zijn mammoetschip Pioneering Spirit gelanceerd. Het grootste schip ter wereld — 382 meter lang en 124 meter breed — heeft 2,4 miljard euro gekost en kan platforms tot 48.000 ton in één keer optillen. Platforms in het Nederlandse gedeelte van de Noordzee zijn vrij klein: de helft van de Nederlandse platforms op de Noordzee weegt minder dan 2.500 ton en 75 procent weegt minder dan 1.500 ton.

    Het markpotentieel van ontmanteling voor aannemers is erg groot

    Hoek stelt dat de aannemers ook geld mogen verdienen aan de teloorgang van de olie- en gasindustrie op de Noordzee. Hoek: ‘Als een oliemaatschappij nieuwbouw nodig heeft, dan moeten alle aannemers snel komen opdraven met het juiste materieel tegen de juiste prijs, maar nu dat de markt wat minder is, staan die projecten in de ijskast.’ Tegelijkertijd is ontmanteling nu aantrekkelijk en is het marktpotentieel voor Nederlandse aannemers volgens Hoek erg groot. Maar hij zegt dat de overheid dit ‘gewoon negeert’. Hoe moet de overheid dit marktpotentieel dan benutten? ‘Enerzijds aan de fiscale kant faciliteren met bijvoorbeeld btw vrijstellingen, en aan de andere kant via het actief naleven van de Mijnbouwwet, door eindelijk verplichtingen te stellen zoals een tijdslimiet en financiële garantiestellingen.’

    In de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk zijn ze al verder met het aanscherpen van de wet om de bovenstaande nuances in te bouwen. Daar wachten ze niet op ontmantelingsplannen van de exploitanten, maar sturen ze actief notices uit naar de operators van platforms die ontmanteld moeten worden — daar ook wel idle iron genoemd — en zijn financiële garantiestellingen verplicht zodat de kosten nooit voor de rekening komen van belastingbetalers. In Californië hebben ze een rigs-to-reef wet ingevoerd, om de overgang van platforms naar kunstmatige riffen te faciliteren.

    De Nederlandse overheid zou zich volgens Hoek net als in Amerika en Engeland actiever moeten opstellen ten aanzien van de ontmantelingskwestie. Nederland staat wereldwijd bekend om haar ‘natte’ aannemers, zoals Hoek ze noemt. Hoek: ‘In de Grondwet staat dat de overheid staatsrechtelijk primair moet dienen tot het scheppen van positieve voorwaarden voor de ontwikkeling van de economie en samenleving. Wij kunnen met onze aannemers marktleiders in het ontmantelen van platforms worden.’


    Geertjan Hoek, ceo Venture Counsels

    "Wij kunnen met onze aannemers marktleiders in het ontmantelen van platforms worden"

    Maar er staat natuurlijk nergens in de Grondwet dat offshore aannemers een cruciale rol moeten spelen bij ontmanteling. Nu is het simpelweg zo dat volgens de wet de platforms na gebruik verwijderd moeten worden. Rest de vraag wanneer ‘na gebruik’ precies is? Ontmanteling blijkt erg afhankelijk van de olie- en gasprijzen en daarmee van de economische haalbaarheid van nieuwe gasvelden in de Noordzee. Dan zijn er nog mogelijkheden voor hergebruik van de platforms in de windindustrie of als kunstmatige riffen. ‘Maar ook daarna komt opruimen, in elk geval,’ garandeert Nogepa topman Jo Peters. De olie- en gassector is voorlopig nog niet klaar met de Noordzee.

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Lorenzo Fränkel

    Lorenzo studeerde milieu-economie aan de VU Amsterdam, en richt zich met passie op de grote energietransitie. Voor Follow the...

    Volg Lorenzo Fränkel
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren
    Dit artikel zit in het dossier

    Schroothoop Noordzee

    Gevolgd door 132 leden

    De gasvelden in de Noordzee raken leeg, maar de zee staat nog vol met verouderde platforms. Exploitanten zijn wettelijk verpl...

    Volg dossier