Ter ere van het 200-jarig bestaan van de Koninklijke Marechaussee vindt in juni 2014 een grootscheepse oefening plaats in oefendorp Marnehuizen. Hier redt de marechaussee mensen uit een ingestort huis.
© ANP / Catrinus van der Veen

Papieren spoor legt bloot hoe Defensie haar eigen klokkenluider beschadigt

  • 'Heet Doorgelicht'. Dit lijkt mij wel een typfoutje.
  • K. is man. Ik zie niet goed wat je bedoelt; het 'ze' dat ik zie slaat op de gesprekspartners van K.
  • K is man of vrouw? ‘ze’ staat hier

Volgende week woensdag debatteert de Tweede Kamer over de staat van sociale veiligheid en integriteit bij het ministerie van Defensie. De Commissie-Giebels kwam over dit onderwerp tot een opmerkelijke conclusie: misstanden melden, beter niet. Het dossier van klokkenluider K., in bezit van Follow the Money, onderschrijft dat. Een papieren spoor als dit is een unicum.

Dit stuk in 1 minuut
  • Volgende week woensdag debatteert de Tweede Kamer over het rapport van de Commissie-Giebels, die onderzoek deed naar de sociale veiligheid bij Defensie. De commissie concludeert dat het ‘niet melden [van misstanden] de meest verstandige keuze’ is. De staatssecretaris kwam woensdag met haar beleidsreactie.

  • Vorig jaar deed een klokkenluider van de Marechaussee zijn verhaal bij Follow the Money. Hij meldde alcoholmisbruik, slechte medische zorg, rammelende evacuatieplannen en haperende wapens in missiegebieden als Kaboel, Jemen en Bagdad.

  • Dat hij deze misstanden openbaarde, werd hem niet in dank afgenomen. Hoe zijn werkgever zijn ongenoegen daarover uit, blijkt uit ruim 1.700 pagina’s aan interne rapporten, getuigenverklaringen en communicatieverkeer in handen van Follow the Money.

  • Ondanks tal van gelegenheden om zaken recht te zetten kiest Defensie steevast voor afdekken en afhouden.

  • Dit dossier is een unicum. Waar klokkenluiders normaliter hooguit tegenwerking vermoeden, leggen deze documenten het handelen van leidinggevenden richting een klokkenluider onomstotelijk vast.

Lees verder

Niets dan respect voor de moed en betrokkenheid van de collega, schrijft Defensie in een reactie aan Follow the Money vorig jaar over klokkenluider K. Goed dat hij officieel heeft gemeld dat zijn Brigade Speciale Beveiligingsopdrachten (BSB) van de Marechaussee ambassadepersoneel in Jemen, Kaboel en Bagdad met haperende wapens en incomplete evacuatieplannen moet beveiligen. En: er zijn maatregelen genomen om te zorgen dat dit nooit meer gebeurt.

In werkelijkheid is er meer energie gaan zitten in voorkomen dat een volgende klokkenluider zijn mond opendoet. Binnen een jaar doet zowel K.’s hoogste baas als zijn directe baas aangifte tegen de klokkenluider, nadat een leidinggevende hem bij het kopieerapparaat met een stapel papier in zijn handen ziet. Tussen die prints zit mogelijk gerubriceerde informatie van de vertrouwelijke server, redeneert de leidinggevende, en K. wil die ‘mogelijk gaan gebruiken anders dan voor operationele doeleinden’. Dat is een ernstig ambtsmisdrijf.

K. staat bij dat kopieerapparaat omdat hem te kennen is gegeven dat hij alleen in zijn eigen tijd aan zijn klokkenluiderszaak mag werken. Hij stuurt daarom drie ongerubriceerde e-mails door naar zijn privémail.

Dat is het begin van een ellenlang traject, waarvan tot op de dag van vandaag het einde niet in zicht is. Vorig jaar ontvouwde Follow the Money in een tweeluik welke behandeling klokkenluider K. vanaf zijn melding ten deel viel. K.’s dossier past naadloos in een patroon van rekken, afhouden en afdekken. Daarnaast is dit een klassiek geval van de boodschapper straffen.

Dat doet Defensie wel vaker, is het vermoeden. Maar waar het bij de meeste meldingen bij een vermoeden blijft, laat K. het er niet bij zitten. Hij dient samen met zijn procesjurist - Wiebe Herweijer van vakbond FNV Veiligheid - 126 klachten in, om zodoende zoveel mogelijk betrokkenen gehoord te laten worden door een klachtencommissie. Met als resultaat een papieren spoor van maar liefst 1.700 pagina’s aan rapporten, getuigenverklaringen, hoorverslagen, brief- en mailverkeer.

Op basis daarvan reconstrueert Follow the Money een tijdlijn, waaruit blijkt hoe K.’s leidinggevenden hem beschadigen.

Een niet-bestaand strafrechtelijk onderzoek

Voor de onderstaande tijdlijn heeft Follow the Money gebruik gemaakt van ruim 1.700 pagina’s. Hieronder vallen ook verklaringen van de leidinggevenden van K. Om de informatie zo compleet mogelijk te hebben en misinterpretaties of misverstanden te voorkomen, zijn alle betrokkenen vanaf 12 november diverse malen benaderd voor een reactie.

Gelijktijdig verwezen allen door naar woordvoering. Defensie en het OM antwoordden op dezelfde dag: 30 november. Defensie beantwoordde daarnaast op 7 december vervolgvragen. Hierin verwijzen zij (deels) naar het OM, dat ondanks herhaaldelijke verzoeken niet bereid is duidelijkheid te verschaffen. Voor zover mogelijk zijn de reacties opgenomen in onderstaande tijdlijn. De volledige reacties inclusief vervolgvragen zijn terug te lezen in het wederhoorkader onder dit artikel.

December 2015 Gesprekken tussen de Marechaussee en de Officier van Justitie wegens het vermoeden van lekken.

4 januari 2016 De plaatsvervangend commandant BSB deelt K. mee dat BSB aangifte tegen hem doet en dat de Rijksrecherche een onderzoek zal starten. K. wordt per direct elders geplaatst. Defensie meldt aan de Onderzoeksraad Integriteit Overheid (OIO), die op dat moment meldingen van een onveilige situatie in missiegebieden onderzoekt, ‘dat het Openbaar Ministerie bepaalde handelingen gepleegd door K. aan een strafrechtelijk onderzoek wenst te onderwerpen. Daarbij is aangegeven dat het Openbaar Ministerie het onderzoek ter uitvoering had belegd bij de Rijksrecherche’.

5 januari 2016 De commandant van de Koninklijke Marechaussee Harry van den Brink verklaart tijdens een hoorzitting van de OIO dat er aangifte is gedaan en dat er strafrechtelijk onderzoek tegen K. loopt wegens lekken.

6 januari 2016  Volgens het clusterhoofd Integriteit van de Marechaussee, luitenant-kolonel Gakes ging ‘iedereen ervan uit, gelet op de stelligheid van de mededelingen van de kant van het OM, dat het Rijksrecherche-onderzoek van start zou gaan’. Dat die dag iemand van de Rijksrecherche langskwam om de bestanden te bekijken, die K. naar zichzelf had geforward, werd gezien als een bevestiging van deze aanname.

Het is hier belangrijk te melden dat de Rijksrecherche bij vermeend strafbaar gedrag binnen de overheid een onderzoek kan instellen. Dat gebeurt echter alleen in opdracht van de Coördinatie Commissie Rijksrecherche (CCR) op verzoek van de hoofdofficier van justitie.

13 januari 2016 Omdat er vermoeden is van een strafbaar feit, wordt K. onderworpen aan een intern onderzoek naar plichtsverzuim en wordt hij gehoord over het lekken van informatie. Een kolonel en hoofd Juridische Zaken van de Marechaussee leiden de hoorzitting. Op de vraag van K. of ze ooit de gelekte stukken hebben gezien, antwoorden zij ontkennend.

26 januari 2016 K. vraagt zich ondertussen af hoe het staat met zijn meldingen over de gebrekkige veiligheid. De toenmalige secretaris-generaal (de hoogste ambtenaar bij Defensie) laat weten dat het hoofd Integriteit van de Marechaussee (luitenant-kolonel Gakes) de meldingen als een klacht heeft ingediend.

Het verschil tussen een ‘klacht’ en ‘melding van een vermoeden van misstand’ is van belang voor de rechtspositie van de klokkenluider. Bij melding van een misstand mag de melder geen negatieve gevolgen van diezelfde melding ondervinden: hij geniet zogeheten ‘klokkenluidersbescherming’. Hoewel de klokkenluider expliciet heeft laten weten een melding van een misstand te willen maken, heeft het hoofd Integriteit deze meldingen van onnodig onveilige situaties in missiegebied (onterecht) ingediend als ‘klacht’. Daarover oordeelt de Onderzoeksraad Integriteit Overheid (OIO) in juli 2016 ook dat Defensie de klokkenluider onvoldoende bescherming heeft geboden.

28 januari 2016 K. merkt in de praktijk weinig van klokkenluidersbescherming. Hij wordt door de commandant van de Marechaussee (via een zogeheten ‘ordemaatregel’) tijdelijk ergens anders geplaatst, namelijk op het Opleiding- en Trainingscentrum Koninklijke Marechaussee.

Hoewel hij (door een aanvullende maatregel) niet in contact mag komen met gerubriceerde informatie, wordt K. geplaatst op een afdeling met veel gerubriceerde informatie en ontvangt hij eveneens gerubriceerde e-mails vanuit de BSB.

9 maart 2016 De Coördinatie Commissie Rijksrecherche (CCR) geeft geen toestemming om over te gaan tot strafrechtelijk onderzoek. Want, zo luidt het belangrijkste argument: het gaat hier om een arbeidsconflict en/of klokkenluiderssituatie. 'De eventuele schending van de geheimhoudingsplicht was daar slechts instrumenteel aan.’

De CCR beslist onder voorzitterschap van een procureur-generaal van het Openbaar Ministerie of inzet van de geheimhoudingsplicht noodzakelijk is. Niettemin is te lezen in de verklaringen van meerdere functionarissen van de Marechaussee dat zij het niet verlenen van toestemming vreemd vonden, in de veronderstelling dat toestemming van de CCR een ‘formaliteit’ zou zijn.

16 maart 2016 De Officier van Justitie besluit, ‘zij het contre coeur’ (‘met tegenzin’), dat de Sectie Interne Onderzoeken van de Marechaussee het onderzoek naar K. inzake lekken moet uitvoeren. Deze organisatie valt onder de directe verantwoordelijkheid van degenen tegen wie K. een klokkenluidersmelding had gedaan.

23 maart 2016 De commandant van de BSB, luitenant-kolonel Hans Vroegh, doet aangifte tegen K. bij de Sectie Interne Onderzoeken van de Marechaussee.

24 maart 2016 De Marechaussee stuurt een brief naar de Onderzoeksraad Integriteit Overheid om mee te delen dat er alsnog onderzoek tegen K. loopt wegens vermeend lekken. De reden waarom de Rijksrecherche geen onderzoek doet (omdat er sprake is van een klokkenluiderszaak en/of arbeidsconflict) deelt zij de onderzoekers niet mee.

31 maart 2016 De Hoofdofficier van Justitie zet het onderzoek tegen K. ‘on hold’ en verklaart dat er ‘tot dan toe alleen een aangifte van de commandant van de BSB was opgenomen en enige informatie was verzameld’. De hoofdofficier begrijpt van de commandant van de Marechaussee dat men met K. een vaststellingsovereenkomst heeft opgesteld.

K. verklaart desgevraagd aan Follow the Money dat zijn raadsman en hij nooit een vaststellingsovereenkomst hebben gezien of daarover hebben gesproken.

14 juli 2016 De Onderzoeksraad Integriteit Overheid (OIO) komt met advies en beschrijft de aangedragen informatie over de aangifte en het strafrechtelijk onderzoek. K. wordt in het gelijk gesteld inzake de klokkenluidersmelding en dient te worden gerehabiliteerd.

Hoewel de OIO stevige kritiek uit over de personeelszorg laat de plaatsvervangend commandant van de BSB twee dagen later aan de Marechaussee weten dat ‘naast de vele verbeterpunten uit het rapport blijkt dat er ook zaken goed lopen, zoals de personeelszorg’.

12 september 2016 In een gesprek met plaatsvervangend secretaris-generaal Marc Gazenbeek, commandant Van den Brink en de landsadvocaat krijgt K. te horen dat hij blij moet zijn dat zij met het OM geregeld hebben dat K. niet wordt vervolgd. K. laat weten hier niet van gediend te zijn: hij wilde best voor de rechter komen om zijn onschuld te bewijzen.

30 september 2016 De Officier van Justitie bericht K. dat hij de zaak tegen hem wegens lekken seponeert. Hier ontbreekt echter de (verplichte) sepotcode, waardoor onduidelijk blijft op welke grond het sepot heeft plaatsgevonden. Het OM is niet bereid opheldering te verschaffen (zie wederhoorkader).

19 december 2016 Na herhaaldelijk aandringen mag K. (en zijn raadsman) zijn verhaal aan de (toenmalige) minister Hennis doen. De minister zegt toe dat zij met de commandant van de Marechaussee Van den Brink zal praten.

20 december 2016 Commandant van de Marechaussee Van den Brink bericht K.: ‘De kwestie is wat mij betreft aldus afgedaan.’ K. laat weten die conclusie niet te delen: ‘Ik ben berooid achtergelaten, zonder enige vorm van schadeloosstelling en rehabilitatie, ondanks dat Defensie dit de Onderzoeksraad Integriteit Overheid naar aanleiding van hun advies schriftelijk heeft toegezegd.’

9 januari 2017 De behandeling van de sinds 8 februari 2016 ingediende klachten (in totaal 126) door K. en zijn raadsman begint. Doel: verklaringen afdwingen van leidinggevenden om zodoende te reconstrueren wat er is gebeurd.

De klachten worden behandeld door een commissie onder voorzitterschap van generaal buiten dienst mr. Jan Peter Spijk.

15 februari 2017 Ondanks meerdere inzagemomenten en ruim een half jaar na het verschijnen van het advies van de Onderzoeksraad Integriteit Overheid (OIO) laat de secretaris-generaal van het ministerie van Defensie de Onderzoeksraad per brief weten dat de oorspronkelijke verklaring van de Commandant van de Marechaussee (waarin hij stelde dat er aangifte was gedaan tegen K. en de Rijksrecherche overging tot strafrechtelijk onderzoek) onjuist is verwerkt.

15 september 2017 De commandant van de Marechaussee verklaart dat hij het woord ‘aangifte’ niet heeft gebruikt: de onderzoekers van de OIO hebben zijn woorden verkeerd op schrift gesteld. Dit wordt volgens hem en de voorzitter van de klachtencommissie - Spijk - bewezen door het hoorverslag van de OIO-zitting op 5 januari 2016.

De voorzitter van de klachtencommissie, de commandant van de Marechaussee en de staatssecretaris weigeren dit hoorverslag te overleggen aan K. en zijn raadsman (ook al zijn zij dit volgens het klachtenreglement en de door Spijk zelf opgestelde ‘Procedurele aspecten’ wel verplicht).

Lees verder Inklappen

Op basis van bestudering van de ruim 1.700 pagina’s aan rapporten, getuigenverklaringen, hoorverslagen, brief- en mailverkeer komt Follow the Money tot de volgende observaties:

1. Er liep nooit strafrechtelijk onderzoek naar K., maar leidinggevenden hebben hem wel zeven maanden in die veronderstelling gelaten (en op basis daarvan maatregelen tegen K. genomen).

Tijdens de hoorzitting van de Onderzoeksraad Integriteit Overheid (OIO) krijgt K. te horen dat er aangifte tegen hem is gedaan en er strafrechtelijk onderzoek loopt. Dit is ook terug te lezen in het onderzoeksrapport van de OIO.

Wat K. niet weet is dat de Coördinatie Commissie Rijksrecherche (CCR) twee maanden later constateert (op basis van het verplichte vooronderzoek) dat het gaat om een ‘arbeidsconflict en/of klokkenluiderszaak’: de Rijksrecherche krijgt daarom geen toestemming om over te gaan tot strafrechtelijk onderzoek.

Opvallend genoeg geeft de Officier van Justitie, zij het ‘contre coeur’, vervolgens wel toestemming om onderzoek naar K. door de politieorganisatie van Defensie, de Koninklijke Marechaussee, uit te laten voeren. Dat is vreemd, omdat de Marechaussee bij het vermoeden van een strafbaar feit verplicht is de zaak door te spelen aan het Openbaar Ministerie. Waarom dan alsnog onderzoek doen naar iets wat al is afgeketst bij het OM, en waarom is de Marechaussee nu ineens wel de aangewezen instantie om onderzoek te doen? Wat is hier veranderd?

Dit werpt nog een vraag op: als het OM al heeft geconstateerd dat hier sprake is van een klokkenluiderszaak, waarom dan wel toestemming geven om de Marechaussee onderzoek tegen de klokkenluider te laten doen? Het gaat hier immers om een organisatie die onder de directe verantwoordelijkheid valt van degenen tegen wie K. een klokkenluidersmelding had gedaan (tevens de bovenliggende partij in een arbeidsconflict). Wordt het OM geen onderdeel van dit conflict door toestemming te verlenen voor onderzoek tegen een klokkenluider door degenen tegen wie de klokkenluider melding heeft gedaan?

Pas zeven maanden later ontdekt K. dat de aangifte tegen hem is geseponeerd


K. zelf komt er pas zeven maanden later, eind september, achter dat de aangifte tegen hem is geseponeerd. Toch werpt dit vooral nog meer vragen op: want uit deze brief blijkt dat er geen aangifte is gedaan op 5 januari bij het OM (zoals commandant van de Marechaussee Harry van den Brink verklaarde aan de OIO), maar op 23 maart bij de Sectie Interne Onderzoeken van de Marechaussee door de commandant van de BSB Hans Vroegh.

Op aanvraag van K en zijn raadsman, wordt door de plaatsvervangend secretaris-generaal beloofd dat er een ‘persoonlijk gesprek [met de Commandant van de Marechaussee] plaatsvindt om ervoor te zorgen dat duidelijk wordt wat hier is gebeurd, waarom dat is gebeurd en wat er nu moet gebeuren.' K. wordt gemeld dat hij vooral blij moet zijn dat de aangifte tot de verleden tijd behoort. Als hij - na maanden aandringen - tijdens een gesprek met de toenmalige minister van Defensie, Jeanine Hennis, aangeeft dat hij graag opheldering wil, komt er enige beweging. De opluchting is van korte duur. De dag erop krijgt K. een mail van commandant Harry van den Brink dat de zaak wat hem betreft ‘is afgedaan’.

2. Het Openbaar Ministerie en de Marechaussee communiceren onderling vooral mondeling over mogelijk strafrechtelijk onderzoek naar de klokkenluider. K. wordt daar zoveel mogelijk buiten gehouden, terwijl ondertussen de Sectie Interne Onderzoeken het e-mailverkeer tussen K. en zijn raadsman heet doorgelicht.

Getuigen weten hierdoor niet meer precies wie wat met wie heeft gesproken, of wat er wanneer op last van wie is besloten.
Herhaaldelijke verzoeken gemaakte afspraken op schrift te krijgen en op de hoogte gehouden te worden, zijn vergeefs. Defensie laat weten dat ‘de informatievoorziening aan betrokkene omtrent de uitvoering van het strafrechtelijk onderzoek, toen dat eenmaal door het OM was gelast, tekort is geschoten. De klacht van betrokkene is op dat punt dan ook gegrond verklaard [door de klachtencommissie].’

Belangrijk detail: er werd tot op het hoogste niveau overleg gevoerd. Maar al die tijd was er geen sprake van een opdracht aan de Rijksrecherche voor een strafrechtelijk onderzoek. Er was geen toestemming voor, dus is er ook geen onderzoek verricht. Om de hoogste ambtelijke en militaire leiding hierover te laten overleggen met de (hoofd)officier van Justitie, lijkt dan ook overdreven. Vragen hierover worden niet beantwoord: Defensie verwijst naar het OM en het OM verschaft geen duidelijkheid over de motivatie over dit besluit (zie wederhoorkader).

3.  De commandant van de Marechaussee (C-KMar) Harry van den Brink weigert opheldering te verschaffen over zijn verklaring van 5 januari waarin (staat te lezen) dat er ‘aangifte is gedaan bij de Rijksrecherche’.

Tijdens de hoorzitting van de klachtencommissie verklaart Van den Brink het woord ‘aangifte’ nooit in de mond te hebben genomen. Ergo: de onderzoekers van de Onderzoeksraad Integriteit Overheid hebben zijn verklaring verkeerd opgenomen.

Dat is een opvallende bewering, aangezien alle betrokkenen twee inzagemomenten hadden en leidinggevenden dit daarnaast op meerdere momenten hadden kunnen ophelderen. Defensie verschaft hierover ook geen duidelijkheid, maar verwijst naar een brief die een half jaar na publicatie van het OIO-rapport (en een maand na het starten van de klachtenprocedure waar deze vraag op tafel lag) is verzonden, waarin staat dat de verklaring verkeerd is opgenomen. Dit verklaart niet waarom - zoals expliciet gevraagd - dit niet is aangegeven tijdens de twee inzagemomenten voor publicatie van het OIO-rapport.

De commandant verwijst tijdens de klachtenprocedure naar zijn hoorverslag waaruit moet blijken dat hij het woord ‘aangifte’ nooit in de mond heeft genomen, maar weigert vervolgens een kopie van dit hoorverslag aan K. en zijn raadsman te overleggen. Volgens het klachtenreglement is hij wel hiertoe verplicht: alle partijen moeten immers inzage hebben in bewijsstukken. Tot slot stuurt de commandant (eveneens tegen de regels in) een ondergeschikte naar de hoorzitting van de klachtencommissie om namens hem het woord te doen.

4. De voorzitter van de klachtencommissie, Jan Peter Spijk, staat niet alleen toe dat de regels worden overtreden, maar neemt het er zelf ook niet zo nauw mee.

De klachtencommissie hoort getuigen zonder dat K. en zijn raadsman hiervan op de hoogte zijn. Uit e-mailverkeer blijkt dat er onderlinge afstemming plaatsvindt tussen de voorzitter van de commissie, het OM en getuigen. Hoewel alle klachten ‘afzonderlijk per individu’ worden behandeld, staat dezelfde raadsman alle beklaagden op initiatief en kosten van Defensie collectief bij. Deze raadsman, een luitenant-kolonel van de Marechaussee, benadert buiten de commissie om getuigen van K., terwijl K. nog altijd ‘in zijn eigen tijd’ (en voor eigen rekening) aan zijn zaak moet werken.

De voorzitter van de klachtencommissie Spijk grijpt, ondanks dit herhaaldelijk aan de laars lappen van de regels, niet in. Wanneer K. en zijn raadsman hun beklag doen over deze gang van zaken, beoordeelt Spijk vervolgens het handelen van Spijk om te constateren dat er niets aan de hand is.

5. De commissie is kritischer op de klagers dan op degenen die de regels overtreden.

Dat K. en zijn raadsman 126 klachten hebben ingediend, zich beklagen dat de regels niet worden gevolgd en eisen dat communicatie zoveel mogelijk op schrift verloopt, wordt hen niet in dank afgenomen. De voorzitter beklaagt zich over de vijf maanden vertraging die het onderzoek hierdoor oploopt. Ook is men niet te spreken over de hoeveelheid bewijslast die de klagers aandragen en constateert men dat het ‘feitelijk ondoenlijk [is] om al deze stukken te analyseren’. Tot slot verwijt de commissie de raadsman dat hij de klachten ‘niet zelden in naar objectieve maatstaven onnodig scherpe en als beledigend te duiden termen’ stelt. Hiermee wordt verwezen naar het gebruik van het woord ‘liegen’ en de term ‘handjeklap’.

Maar er is meer. De voorzitter van de klachtencommissie Spijk (benoemd tot medio 2021) is een bekende naam in een andere klokkenluiderszaak bij Defensie. Hij stelde namelijk het (nooit ondertekende) zwijgcontract op dat was bestemd voor Luchtmacht-klokkenluider Victor van Wulfen. Andere melders omschrijven vergelijkbare ervaringen aan Follow the Money. De werkwijze van afhouden en schade beperken voor Defensie, ten koste van de melder, is gezien Spijks meest recente promotie van belang: sinds vorige maand is hij directeur van de Centrale Organisatie Integriteit Defensie (COID), het nieuwe in te richten ‘externe en onafhankelijke’ meldpunt waarmee Defensie wil laten zien de aanbevelingen van de Commissie-Giebels serieus te nemen.

Afkeer van papieren spoor

De vraag is dus hoe groot het leervermogen is van Defensie. Zeker is dat de 126 klachten en daarbij behorende verklaringen een unicum vormen. Hoewel dit op het eerste gezicht exorbitant veel klachten lijken en Defensie dat hoge aantal aangrijpt om haar beklag te doen over de bijbehorende werklast, is daardoor een papieren spoor ontstaan waarover zowel de Nationale Ombudsman als het Huis van de Klokkenluiders zich kunnen buigen. Omdat de raadsman van K. altijd heeft geëist alle correspondentie op schrift bevestigd te zien, is voor het eerst nauwgezet te volgen welke behandeling melders van misstanden kunnen verwachten.

Dat is bijzonder, in een tijd waarin ambtenaren en bestuurders steeds minder op papier zetten, want ‘als er geen document bestaat, is het niet waar. Dat wil zeggen: bewijs het dan maar,’ constateerde RTL-journalist Pieter Klein vorige week in een column. Die ambtelijke afkeer van een paper trail is geen verrassing: het ziet er in het geval van K. niet al te rooskleurig uit. Des te opvallender is daarom de beleidsreactie van staatssecretaris Barbara Visser: zij legt de verantwoordelijkheid voor integriteit bij het middenkader (onderofficieren). Opvallend, omdat de Commissie-Giebels juist constateerde dat onderofficieren van alles op hun bord krijgen, maar het bijbehorende bestek (de middelen) kunnen vergeten. Wel worden er 'commandanten in hun kracht geplaatst', met 'dilemmakaarten' en 'integriteitstheater'. Het ziet er op papier allemaal mooi uit, maar de onderliggende structuren die de Commissie-Giebels aanwees als problematisch blijven intact. Niet melden van een misstand is inderdaad, zoals de Commissie-Giebels constateerde, de meest rationele optie voor Defensiemedewerkers.

We zien helaas heel vaak allerlei onfrisse zaken

Het tegenwerken van klokkenluiders en vergeldingen is volgens voormalig hoogleraar victimologie Peter van der Velden, die aan de Universiteit Tilburg uitgebreid onderzoek deed naar klokkenluiders, eerder regel dan uitzondering: ‘Je wordt neergezet als iemand die niet goed snik is, en naar de psychiater moet. Het is vaak moeilijk aan te tonen maar klokkenluiders weten dat er geen carrièrekansen meer voor ze zijn. We zien allerlei onfrisse zaken, en dat is helaas heel vaak het geval,’ zo laat hij FTM weten. Hij wijst er dan ook op dat Defensie waarschijnlijk geen uitzondering vormt: ‘We zien precies dezelfde mechanismen bij andere klokkenluiderszaken. Daarnaast moet je er ook rekening mee houden dat Defensie een grote werkgever is: ruim 50.000 mensen. Er zijn maar weinig bedrijven van deze omvang in Nederland. Dus de kans dat je dit soort zaken vaker tegenkomt, wordt vanzelf ook groter’.

Is deze behandeling van klokkenluiders een misstand op zich? ‘Het gaat hier om doelbewuste acties om mensen te pakken, dus dan is beschadiging een beter woord. Want dat is wat hier gebeurt. Mensen willen redelijk en eerlijk behandeld worden. Als mensen gerehabiliteerd zijn en ondertussen gaat het spelletje gewoon door en je wordt op allerlei manieren tegengewerkt, dan word je eigenlijk opnieuw in de situatie geduwd. Je wordt al gedwarsboomd omdat je hebt gemeld, en mensen hebben geen enkele behoefte aan een herhaling hiervan’, constateert Van der Velden.

Hij wijst nog op een tweede - en minstens zo belangrijk - neveneffect: ‘Alle mensen om zo'n persoon heen (collega’s, oud-collega’s) zien wat er gebeurt. De boodschap is: ‘Haal het niet in je hoofd om iets te melden’. Onderschat dit effect niet. Deze bangmakerij is niet alleen naar voor de klokkenluider zelf, maar ook voor de mensen binnen de organisatie: dit is wat er gebeurt.’

In deel II aandacht voor de vakbond, die de klokkenluider op het belangrijkste moment in de steek laat.  

Wederhoor Openbaar Ministerie

Op 12 november zijn de volgende vragen voorgelegd aan het Openbaar Ministerie Oost Nederland:

(1)   Was er sprake van strafrechtelijk onderzoek door de Rijksrecherche: zo ja, wanneer liep dat?

(2)   Was het OM op de hoogte dat er sprake was van een arbeidsconflict voortvloeiend uit een klokkenluiderszaak?

(3)   Zo ja: waarom is besloten in te stemmen met het doen van onderzoek naar een klokkenluider door een instantie (SIO) die onder de directe eindverantwoordelijkheid valt van de mensen op wie de meldingen van misstanden (die zijn erkend door onafhankelijk onderzoek destijds Onderzoeksraad Integriteit Overheid) betrekking hadden?

(4)   Is er binnen het OM discussie geweest of er op deze wijze geen arbeidsconflict werd gefaciliteerd waarbij sprake kon zijn van scheve machtsverhoudingen?

Hierop antwoordt het OM op 30 november (integrale weergave):

'Het Sectie Interne Onderzoeken [van de Marechaussee, red] heeft in 2015 een oriënterend onderzoek gedaan, waarvan de conclusie was dat er formeel gezien sprake was van een strafbaar feit. Het OM heeft zich in eerste instantie op het standpunt gesteld dat het SIO niet de aangewezen instantie was om verder onderzoek te doen. Hierna is er op verschillende momenten overleg geweest tussen het OM en de Rijksrecherche. Uiteindelijk is op 9 maart 2016 besloten dat in plaats van de Rijksrecherche toch de Sectie Interne Onderzoeken het onderzoek zou verrichten. In al die tijd is geen sprake geweest van een opdracht aan de Rijksrecherche om onderzoek te doen en is er door hen ook geen onderzoek verricht. Het onderzoek door het SIO is aangevangen met het opnemen van een aangifte op 23 maart. Eind maart is besloten om het strafrechtelijk onderzoek stil te leggen, omdat er gesprekken plaatsvonden tussen werkgever en werknemer om tot een regeling te komen. Betrokkene is nooit als verdachte gehoord. Op 30 september heeft betrokkene een brief ontvangen dat er naar aanleiding van de aangifte geen vervolging zal worden ingesteld. Omdat betrokkene niet als verdachte was gehoord, is dit geen formeel sepot.'

Omdat deze reactie eerder vragen opwerpt over de gang van zaken in plaats van dat ze helderheid verschaft, legde Follow the Money 3 december de volgende vragen voor aan het Openbaar Ministerie:

(1)   Voor wat betreft het ontbreken van een sepotcode (zie ook: artikel 27 WvSv en Aanwijzing gebruik sepotgronden 2014A007): waarom wordt door de OM de aanwijzing niet opgevolgd, maar het argument gebruikt dat de klokkenluider ‘niet als verdachte is gehoord’ terwijl hij wel als ‘verdachte was aangemerkt’? Zou sepotcode 71 hier niet op zijn plaats zijn?

(2)   Voor wat betreft het besluit dat ‘eind maart is besloten het strafrechtelijk onderzoek stil te leggen’. Het onderzoek zou zijn aangevangen op 23 maart. Vrijdag 30 maart is de laatste werkdag van de maand maart. Dus kan ik hieruit opmaken dat in een week is besloten? Aangezien het hier zou gaan om een heftig strafbaar feit dat raakt aan de integriteit van de overheid: wat maakt dat de gesprekken over een regeling tussen werkgever en werknemer prevaleren boven strafrechtelijk ingrijpen? Om wat voor regeling ging het precies en wie is de bron dat deze gesprekken plaats zouden vinden?

(3)   ‘Uiteindelijk is op 9 maart 2016 besloten dat in plaats van de Rijksrecherche toch de SIO het onderzoek zou verrichten'. Vanwaar de wijziging in opvatting, als immers eerst wordt besloten dat het SIO niet aangewezen is om het onderzoek te doen?

Ondanks herhaaldelijke verzoeken van Follow the Money hier duidelijkheid over te verschaffen, heeft het OM meermaals laten weten het bij de reactie van 30 november te laten.

Lees verder Inklappen
Wederhoor Defensie

Naar aanleiding van de vragen gesteld door Follow the Money op 12 november jl. heeft Defensie 30 november jl. en 7 december uitgebreid gereageerd. De (vervolg)vragen en hierop volgende reactie(s) zijn hieronder terug te lezen:

Algemene opmerkingen; feitenverloop rondom aangifte

Bij e-mail van 12 november 2018 heeft u in verband met een artikel op Follow the Money over de werking van interne onderzoeken naar misstanden, de behandeling van klachten en omgang met klokkenluiders binnen Defensie een aantal vragen gesteld. Uit uw e-mail begrijp ik dat de aanleiding voor het stellen van deze vragen is gelegen in een onduidelijkheid over een aangifte die tegen een klokkenluider van de BSB (hierna: betrokkene) is gedaan.

U schrijft in dat verband dat door C-KMar tegenover de Onderzoeksraad Integriteit Overheid (OIO) is verklaard dat op 5 januari 2016 aangifte is gedaan bij de Rijksrecherche, maar dat uit documenten blijkt dat deze aangifte echter op 23 maart 2016 is gedaan bij de SIO door C-BSB.

Ik merk in dat verband primair op dat deze beschrijving van de feiten klaarblijkelijk op een misverstand berust. C KMar heeft op 5 januari 2016 tijdens de hoorzitting van de OIO melding gemaakt van het bij hem op dat moment bekende besluit van het OM om een strafrechtelijk onderzoek naar betrokkene in te stellen en de uitvoering daarvan door de Rijksrecherche. Zulks blijkt uit het hoorverslag van die zitting. In de tekst van het advies van de OIO d.d. 14 juli 2016 is echter – ten onrechte - een andere lezing van die verklaring opgenomen, namelijk dat C KMar op 5 januari 2016 zou hebben verklaard dat er aangifte zou zijn gedaan bij de Rijksrecherche. Dat deze door de OIO in het advies opgenomen andere verwoording van de door C KMar afgelegde verklaring onjuist is blijkt ook evident uit de feiten, aangezien de aangifte eerst op 23 maart 2016 door C-BSB bij de SIO is gedaan.

Beantwoording vragen

1. Was er sprake van strafrechtelijk onderzoek door de Rijksrecherche: zo ja, wanneer liep deze?

Er is sprake geweest van strafrechtelijk onderzoek onder gezag van het openbaar ministerie nadat door de behandelend officier van justitie, op basis van een oriënterend onderzoek, werd vastgesteld dat sprake was van een vermoeden van een strafbaar feit. In dat kader lag de vraag voor of de Rijksrecherche of de Sectie Interne Onderzoeken (SIO) van de KMar het onderzoek zou doen. Er heeft uiteindelijk geen strafrechtelijk onderzoek door de Rijksrecherche plaatsgevonden.

De resultaten van het oriënterend – intern – onderzoek door SIO zijn eind 2015 gedeeld met de behandelend officier van justitie. Deze laatste zag in de resultaten van het onderzoeksrapport voldoende aanleiding om een strafrechtelijk onderzoek op te starten. Aanvankelijk is door het openbaar ministerie besloten dat de Rijksrecherche het strafrechtelijk onderzoek zou verrichten, in plaats van de SIO zelf (zoals gebruikelijk zou zijn). Het strafrechtelijk onderzoek van de Rijksrecherche zou formeel aanvangen na akkoord van de Coördinatiecommissie Rijksrecherche (CCR). Normaliter is dit een interne formaliteit, waardoor de behandelend officier van justitie (OVJ), de SIO, en de onderzoekers van de Rijksrecherche reeds werkafspraken hebben gemaakt over het te verrichten strafrechtelijk onderzoek. Tussen januari en maart 2016 zijn vooruitlopend op een formeel akkoord van de CCR reeds voorbereidingshandelingen getroffen, zoals het informeren van betrokkene. De CCR heeft op 9 maart 2016 besloten dat de Rijksrecherche het strafrechtelijk onderzoek niet zou uitvoeren.

2. Wat is er vervolgens gebeurd met het onderzoek van de SIO naar aanleiding van de aangifte gedaan op 23 maart 2016?

Nadat de CCR had besloten dat de Rijksrecherche het strafrechtelijk onderzoek niet zou uitvoeren, heeft de OVJ besloten dat de SIO het onderzoek zou verrichten, onder gezag van de OVJ. Het onderzoek van de SIO is aangevangen met het opnemen van de aangifte met betrekking tot het handelen van betrokkene op 23 maart 2016. Op 30 september 2016 heeft betrokkene een brief ontvangen van het OM met de mededeling dat er naar aanleiding van de aangifte geen vervolging zal worden ingesteld.

3. Hoe verhoudt dit onderzoek (bij de SIO) zich tot het strafrechtelijke onderzoek naar schending van het ambtsgeheim?

Zie hierboven inzake het oriënterend onderzoek door de SIO en de reactie onder 2.

4. Indien er geen strafrechtelijk onderzoek liep: op basis waarvan is besloten om het e-mailverkeer van de klokkenluider door de SIO te laten lichten?

De SIO heeft eind 2015 in het kader van een oriënterend onderzoek naar een vermoedelijk strafbaar feit en na toestemming van de secretaris-generaal het Defensie-account (ook wel het MULAN-account genoemd) van betrokkene onderzocht. Een dergelijk oriënterend onderzoek wordt uitgevoerd indien er concrete vermoedens zijn van integriteitsschendingen. Afhankelijk van de resultaten van het onderzoek kunnen disciplinaire of andere maatregelen worden getroffen. Voorts kan worden besloten tot het doen van een aangifte tegen de betrokkene. In interne Defensiereglementen is vastgelegd in welke gevallen en onder welke voorwaarden een dergelijk onderzoek mag plaatsvinden. Een onderzoek naar het MULAN-account vereist toestemming van de secretaris-generaal. Deze toestemming is desgevraagd op 9 november 2015 verleend.

Reactie op uw (voorlopige) constateringen

In uw e-mail geeft u aan dat uit de bij u bekende informatie een aantal voorlopige constateringen naar voren komt. Om te voorkomen dat een beeld ontstaat dat niet op feiten is gebaseerd, wordt hierna ook op deze voorlopige constateringen gereageerd.

(a) Er is dan wel sprake van een misverstand, dan wel sprake van creatief omgaan met de waarheid voor wat betreft het al dan niet lopen van een strafrechtelijk onderzoek door de OM naar de klokkenluider
Defensie meent met de antwoorden op de door u gestelde vragen een en ander te hebben opgehelderd.

(b) Er is contact geweest met de Officier van Justitie door alle partijen, behalve met de klokkenluider over de status van het onderzoek door de Rijksrecherche;

De Klachtenadviescommissie heeft in haar advies geconcludeerd dat de informatievoorziening aan betrokkene omtrent de uitvoering van het strafrechtelijk onderzoek, toen dat eenmaal door het OM was gelast, tekort is geschoten. De klacht van betrokkene is op dat punt dan ook gegrond verklaard.

(c) Klokkenluider in kwestie is 7 maanden in de waan gelaten dat hem strafrechtelijke vervolging boven het hoofd hing. Dit gegeven is tegen hem gebruikt gedurende sollicitatiegesprekken, maar ook gebruikt als motivatie voor ordemaatregelen;

- Bij brief van 30 september 2016 heeft het openbaar ministerie aan betrokkene medegedeeld dat er naar aanleiding van de aangifte geen vervolging zal worden ingesteld. Voor het overige verwijs ik naar de reactie onder (b), waarin is aangegeven dat de informatievoorziening aan betrokkene omtrent de uitvoering van het strafrechtelijk onderzoek tekort is geschoten.

- U refereert aan ordemaatregelen naar aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek. Betrokkene is op 4 januari 2016 door zijn plv. commandant geïnformeerd dat de Rijksrecherche strafrechtelijk onderzoek naar hem doet. Op 27 januari 2016 heeft een gesprek plaatsgevonden met betrokkene, diens raadsman en C-KMar over – onder andere - een tijdelijke tewerkstelling (TTW) op het OTCKMar. Deze TTW is geen ordemaatregel, hetgeen ook aan betrokkene is bevestigd per brief van 27 oktober 2016. Gelet op de verdenking van het strafbaar feit is aan betrokkene een beperking opgelegd om kennis te nemen van gerubriceerde c.q. gevoelige informatie. Deze beperking is per zelfde brief van 27 oktober 2016 opgeheven.

(d) Uw stelling dat strafrechtelijke vervolging tegen betrokkene is gebruikt gedurende sollicitatiegesprekken kan Defensie niet volgen.

(e) Gedurende de klachtenbehandeling zijn bovenstaande punten niet rechtgezet - maar is er daarentegen wederom contact geweest tussen alle partijen behalve met de klokkenluider zelf. Enkele voorbeelden: zo is er contact geweest tussen de voorzitter van de klachtencommissie en de OvJ en is laatstgenoemde gehoord als getuige zonder dat klokkenluider hiervan op de hoogte was (wat in strijd is met het reglement), er is door C-KMar een ondergeschikte gestuurd naar de hoorzitting van de klachtencommissie (wat eveneens in strijd is met het reglement).

- Het verloop van het strafrechtelijk onderzoek en de problematiek rondom de aangifte is tijdens de klachtbehandeling door de Klachtenadviescommissie in meerdere hoorzittingen aan de orde gekomen. De raadsman van betrokkene is in de gelegenheid gesteld om bij alle hoorzittingen aanwezig te zijn, tenzij dat (bijvoorbeeld in het geval van telefonisch horen) praktisch onmogelijk was. De raadsman van betrokkene heeft telkens de mogelijkheid gehad om inhoudelijk te reageren op alle hoorverslagen, ook die van de telefonische hoorzittingen. Dat de raadsman dit in veel van de gevallen om hem moverende redenen heeft nagelaten laat onverlet dat de mogelijkheid is geboden en volledige transparantie is betracht.

- De behandelend OvJ is door de voorzitter van de Klachtadviesinstantie als getuige gehoord, naar aanleiding van enkele klachten van betrokkene omtrent het verloop van het strafrechtelijk onderzoek. De Klachtenregeling Defensie en de op basis daarvan aan partijen bekend gemaakte procedurele voorschriften voorzien daarin. Betrokkene en diens raadsman zijn in de gelegenheid gesteld te reageren op het terzake opgemaakte verslag. Er is op dit punt niet in strijd met de Klachtenregeling Defensie gehandeld.

- C-KMar heeft zich bij de tweede hoorzitting ter behandeling van de tegen hem ingediende klachten wegens verhindering doen vertegenwoordigen door het Hoofd van het cluster Juridische Zaken Staf KMar. Naar aanleiding van een klacht omtrent deze vertegenwoordiging is een nader onderzoek naar de juistheid daarvan ingesteld, op grond waarvan de gang van zaken als juist is beoordeeld. Ook op dit punt is niet in strijd met de Klachtenregeling Defensie gehandeld.

Op basis van dit antwoord zijn de volgende vervolgvragen gesteld met name over de nog bestaande onduidelijkheden omtrent de aangifte:

(1) Aangezien de OIO een protocol heeft omtrent getuigenverklaringen, en alle betrokkenen minstens twee inzagemomenten hebben om feitelijke onjuistheden te voorkomen – maar ook de C-KMar meerdere mogelijkheden heeft gehad om opheldering hierover te verschaffen; wat zijn de overwegingen geweest hier drie jaar later beklag over te doen en niet eerder in het traject opheldering te verschaffen?

Zowel in het verslag van de hoorzitting van CKMar op 5 januari 2016 als in het concept-advies van de OIO was de verklaring van CKMar dat het Openbaar Ministerie had besloten een strafrechtelijk onderzoek in te stellen naar betrokkenen en dat de Rijksrecherche het onderzoek zou gaan uitvoeren, correct opgenomen. Eerst in het definitieve advies van de OIO is deze verklaring onjuist verwerkt. Bij brief d.d. 15 februari 2017 heeft de Secretaris-Generaal van het ministerie van Defensie de OIO hierover desgevraagd op de hoogte gesteld.

(2)   Er is inderdaad 23 maart aangifte gedaan, maar pas nadat bleek dat de RR geen strafrechtelijk onderzoek zou doen. De CCR gaf namelijk geen toestemming om over te gaan tot strafrechtelijk onderzoek (het gaat hier dus niet, zoals het antwoord suggereert, om een kwestie van ‘welke instantie het onderzoek’ zal uitvoeren). Het belangrijkste argument van de CCR was dat er sprake was van een arbeidsconflict en/of klokkenluiderssituatie, en dat de ‘eventuele schending van de geheimhoudingsplicht daar slechts instrumenteel aan was’. Desondanks en ‘contre coeur’ heeft de OvJ alsnog toestemming gegeven aan de SIO.

Ook dit gegeven werpt vragen op (overigens ook voor het OM, maar het onderstaande beperkt zich tot datgene wat betrekking heeft op Defensie).

Als er sprake was van een arbeidsconflict en/of klokkenluiderssituatie – waarom is alsnog besloten om (als een van de partijen in dit conflict en nadat de CCR geen toestemming verleende) aan te dringen op onderzoek naar de klokkenluider? Was de C-KMAR zich bewust van de onevenredige (machts)positie binnen dit conflict?

De stelling dat zou zijn aangedrongen op een onderzoek kan Defensie niet volgen.

Maar ook: als de SIO (die bij vermoeden van een strafbaar feit volgens de SG aanwijzing A/989) direct het OM moet inschakelen in eerste instantie werd gezien als niet de juiste instantie om het onderzoek naar de klokkenluider te doen, waarom was de SIO dan na het negatieve advies van de CCR ineens wel de juiste instantie? Wat is hier veranderd?

Het is niet aan Defensie uit te leggen wanneer een RR- of SIO-onderzoek volgt.

(3)   Ervan uitgaande dat de OIO inderdaad de getuigenverklaring van C-KMar per abuis verkeerd heeft genoteerd, dan werpt dit nieuwe gegeven ook weer vragen op.

Zo is te lezen in het hoorverslag van hoofd SIO Kleijbergen (9 november 2017; regel 246): ‘Ook zou een verklaring worden opgenomen van de voorzitter van de OIO met de vraag of hij klager heeft verzocht om stukken te verzamelen voor de OIO (getuige geeft aan dat het antwoord trouwens nee is).’

De OIO is door de SIO inzake de aangemerkte verdachte klokkenluider al voor de aangifte van maart 2016 gehoord. Betekent dit dat de SIO al onderzoek deed naar de klokkenluider zonder toestemming van het OM?

Deze aanname is niet correct.

(4)   Tot slot nog een laatste vraag. De volgende mensen waren betrokken bij gesprekken over het mogelijk schending van het ambtsgeheim door de klokkenluider:

CKMAR Generaal Brink,

PLV CKMAR Generaal Peperkoorn,

CHEF KAB Kolonel Wiersma,

HOOFD CLUSTER INTEGRITEIT Lkol Gakes,

HOOFD SIO Majoor Kleijbergen,

C-BSB Lkol Vroegh,

Officier van Justitie,

Hoofdofficier van Justitie,

Landsadvocaat,

PSG Mark Gaazebeek

In al die tijd was er geen sprake van een opdracht aan de Rijksrecherche om onderzoek te doen en is (op advies van de CCR) ook geen onderzoek verricht. Waarom dan wel op dit niveau diverse gesprekken? Als er (nog) geen sprake is van een onderzoek, acht Defensie deze inzet capacitair proportioneel?

Naar aanleiding van het onderzoek en advies van de OIO hebben er onder leiding van de PSG gesprekken plaatsgevonden met CKMar en betrokkene en zijn raadsman, in aanwezigheid van de landsadvocaat. Die gesprekken werden gevoerd om te komen tot compensatie en eerherstel van betrokkene. Het onderwerp van deze gesprekken was derhalve niet het strafrechtelijk onderzoek tegen betrokkene.

Lees verder Inklappen

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Over de auteur

Dieuwertje Kuijpers

Gevolgd door 900 leden

Geopolitiek junkie. Statistiek-pieler. Niet geïnteresseerd in politieke poppetjes, wel in mechanismes die deze voortbrengen.

Volg Dieuwertje Kuijpers
Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
Annuleren