Als je wetenschappelijke theorieën wilt ontwerpen, dan begin je met een zoektocht naar regelmatigheden, herhalingen, patronen. Dat gebeurde in oude protowetenschappen, en het gebeurt tegenwoordig nog steeds. Ook in de economie.

    Ik zend mijn nieuwe aflevering altijd in op woensdag, zo is met de redactie afgesproken, want dan hebben zij voldoende tijd om een fraaie webversie van mijn tekst te maken. Dat betekent, dat ik bijdragen van lezers in het forum nog tot en met de vroege woensdagochtend mee kan nemen in dit ‘Vooraf’ van de nieuwe aflevering en in de e-mail die jullie wekelijks van me ontvangen. 

    Tot en met woensdagochtend heb ik ook deze week weer een geweldige serie reacties kunnen lezen in het forum. Het valt me op dat het aantal lezers met relevante specialistische kennis snel toeneemt en dat is prachtig: ik prijs mezelf gelukkig met zulke commentatoren. Ook deze week is dat weer gebleken, onder meer nadat ik vroeg om commentaren op mijn figuur 2.2, waarin ik een stamboom presenteer van de economische scholen. Ik kreeg een reeks aanvullingen, die ik hier kort bespreek.

    • Jean Klijnen opperde: de fysiocratische school. Ik heb die toegevoegd. Ook noemde hij Supply-side economics. Mijn vraag aan alle lezers: is dat inderdaad te beschouwen als een school?
    • Annemiek van Moorst stelde voor om bij de Behavioristen toe te voegen: Daniel Kahneman. Dat heb ik gedaan, en na overleg ook Richard Thaler.
    • Hetty Litjens noemde Corporatisme. Ik heb wat twijfel of dit als een economische school gezien moet worden en heb er dus nog niets mee gedaan. Graag advies van de lezers. Hetty noemde ook de Doughnut economie. Die behoort tot het principe van de circulaire economie, die naar mijn idee niet als een school te zien is. Overigens kom ik op het werk van Kate Raworth nog terug.
    • Hans Potters stelde de econometrie van Tinbergen aan de orde. Ik denk dat hij doelt op de fysicalistische aanpak van Jan Tinbergen, die ik niet zie als een school. Terecht of onterecht? Graag commentaar van de lezers. Over fysicalisering lees je over twee weken meer.
    • Constance noemde: Public Choice school (Buchanan, Tullock); Stockholm School (Wicksell, Cassel, Heckser, Ohlin); en de kleinere École de Régulation (Boyer, Aglietta, Sallaird). Prachtige toevoegingen, die ik echter nog niet in de stamboom heb aangebracht, omdat ik niet weet op welke eerdere tak ik ze kan ‘enten’. Graag hulp van de lezers.
      Constance wees er ook op dat Menger niet bij de neoklassieke school hoort. Mijn vraag aan allen: mee eens? Zijn er misschien anderen die, naast Jevons, bij die school behoren te worden genoemd? Bij het Nieuw-Institutionalisme voegt Constance toe: North en Coase. Maar er staan bij die school al 4 personen; 6 is echt te veel. Wat zal ik doen?
    • Jean (niet: Jean Klijnen) wees op de Modern Monetary Theory (MMT: Randall Wray, Bill Mitchell, Stephanie Kelton, Warren Mosler, Wynne Godley, Steve Keen, William Mitchell, e.v.a.). Is dat echt te beschouwen als een afzonderlijke school? Ik heb mijn twijfels, het lijkt er eerder op dat het een theoretisch model is, behorend tot een of meer bestaande scholen. Wie helpt me?
    • Daarnaast heb ik zelf nog een vraag. In mijn stamboom hangen de ontwikkelingseconomie, de feministen, de behavioristen en de ecologische school er los bij, zonder uit iets anders te zijn voortgekomen. Help me: hoe haak ik ze vast aan het grotere geheel? Of moet dat juist niet, zoals Hetty Litjens voorstelt?

    Alle commentaren zijn enorm nuttig om de stamboom meer solide te maken. Om je een idee te geven van mijn waardering, laat ik je zien hoe ik de literatuurverwijzing naar de bronnen van de stamboom heb aangepast. Die is nu:

    Durden (2014), Chang (2014). Met toevoegingen via een forumdiscussie op Follow the Money van Jean Klijnen, Annemiek van Moorst, …

    Ik noem Jean en Annemiek, omdat ik hun opmerkingen in de stamboom heb kunnen verwerken. Zodra ik weet wat ik met alle overige opmerkingen doe (of niet), pas ik de literatuurverwijzing verder aan. Jean, Annemiek en anderen: mocht je bezwaar hebben tegen vermelding, laat me dat dan even weten, dan haal ik hem weg.

    En dan nu: de nieuwe aflevering. Daarin beschrijf ik de eerste van een lange reeks economische mythen. Hoe goed ben jij in patronen herkennen?

    2.3. Patroonherkenning en gezichtsbedrog

    Elke tak van wetenschap begint bij patroonherkenning. Stel dat je eerst nog helemaal niets begrijpt van de wereld om je heen en in stomme verwondering om je heen staart, dan zul je vroeger of later gaan inzien dat er bepaalde dingen zijn die bij herhaling tevoorschijn komen. Je kijkt nog eens beter en begint een soort van regelmatigheid te ontdekken. Dat brengt je tot hypothesevorming, bijvoorbeeld in de vorm van: als ik daar-en-daar kijk, of als ik zo-en-zo doe, dan zal iedere keer… enzovoorts. Ga je dan door, dan kom je wellicht tot een verklaring: de regelmatigheid treedt op doordat… 

    Het ontwerpen van zulke verklaringen is op zichzelf nog geen wetenschap, want daar is meer voor nodig: een kritische toetsing, onder meer met betrekking tot de empirisch waarneembare feiten. Als de feiten de verklaring tegenspreken, dan zul je hem moeten verwerpen, of op zijn minst herzien. Tenzij je natuurlijk kunt begrijpen dat de waarneembare feiten toch niet zo ‘feitelijk’ zijn, omdat er misschien wel sprake is van gezichtsbedrog of iets dergelijks.

    Als je de empirische toetsing achterwege laat of verwaarloost, is er een dikke kans dat je verhalen ontwikkelt die mythen zijn: bijgeloof, sprookjes. Dat gebeurde door de eeuwen heen (en nog steeds) veelvuldig in de kunsten en in tal van magische stromingen, religies en filosofische scholen. Het is precies die kritische empirische toetsing die wetenschap van hen onderscheidt. Maar in de protowetenschappelijke fase kent ieder vakgebied zijn eigen fascinerende mythen. Ik begin met een schilderachtig verhaal uit de protofase van de oudste wetenschap.

    Patroonherkenning in de protonatuurkunde: De Kosmische Bokaal

    Uit de protonatuurkunde stamt een prachtige mythe. Het verhaal is afkomstig van een van de grote namen uit de ontwikkeling van de sterrenkunde: Johannes Kepler (1571–1630). Ik heb zijn naam al eens genoemd: hij was degene die vaststelde dat de planeten niet in cirkels om de zon bewegen maar in ellipsbanen. Newton heeft dankbaar gebruik gemaakt van de ‘Drie Wetten van Kepler’ om er zijn eigen Drie Wetten mee te maken, die het begin betekenden van de eerste echte wetenschap.

    Maar Kepler verkeerde beslist nog in een protowetenschappelijke tijd, en dat is te merken. Want in zijn vroege jaren, toen hij net als iedereen nog meende dat de planeten in cirkelbanen bewegen, viel hem iets op.

    Kijk. Er zijn zes planeten, nietwaar? Vanaf de Zon, van binnen naar buiten: Mercurius, Venus, wijzelf, Mars, Jupiter en Saturnus. (De overige, vanaf Uranus, waren in Keplers tijd nog niet ontdekt.)

    Elk van die zes beweegt in een cirkelbaan, en van cirkels kun je gemakkelijk bollen maken als je even driedimensionaal denkt. Die bollen zijn concentrisch: ze liggen als schillen om elkaar heen en hebben allemaal hetzelfde middelpunt, de Zon. Tussen die zes schillen bevinden zich vijf tussenruimten.

    Dat getal ‘vijf’ is heel bijzonder. Want al sinds lang was uit de wiskunde bekend dat er precies vijf ‘volmaakte’ veelvlakken bestaan: ruimtelijke figuren die op een bijzondere manier uit vlakken zijn opgebouwd. Een van deze ‘Platonische polyeders’ is de kubus. Voor alle vijf geldt, dat ze bestaan uit allemaal gelijkzijdige zijvlakken van dezelfde soort en grootte: driehoeken, vierkanten of vijfvlakken. Je ziet ze in Figuur 2.3. Ik zal je nu niet vermoeien met het bewijs, maar je kunt vrij eenvoudig aantonen dat het onmogelijk is om buiten die vijf nog een ander volmaakt veelvlak te construeren.

    Welnu: vijf tussenruimten in de volmaakte kosmos; vijf volmaakte veelvlakken. Dat kón geen toeval zijn. En dus ging Kepler ijverig aan de gang. Hij paste om de schil van Mercurius een van de veelvlakken: precies klem eromheen. Daaromheen paste precies de schil van Venus. Om die schil werd een ander veelvlak geklemd, en jawel: de schil van onze eigen Aarde paste wederom exact. Zo ging het verder, totdat alle schillen en veelvlakken op waren. Dit was geweldig! Gods geometrische plan voor het universum was onthuld.

    Vol trots schreef Kepler zijn ontdekking in 1596 op in zijn boek Mysterium Cosmographicum. Daarin maakte hij een schets van zijn model, dat hij de ‘Kosmische Bokaal’ noemde. De schets zie je in Figuur 2.4. Daar is het helaas bij gebleven, want Keplers inspanningen om fondsen te werven voor een echte bokaal in zilver zijn gestrand, dus ik kan je geen foto tonen.

    Ach, hoe jammer is het dat het kosmische plan wreed verstoord werd, nota bene door Keplers eigen hand! Want ja, later bewees hij zoals gezegd dat de planeetbanen niet cirkelvormig maar elliptisch zijn. Maar hé, dit was nog de protowetenschappelijke tijd, niet? Johannes paste er gewoon een mouw aan. Met wat (overdrachtelijk) knippen, zagen en lijmen zag hij kans om de Bokaal opnieuw te construeren. In 1621 schreef hij een nieuwe versie van zijn boek. Maar slechts weinigen konden zijn enthousiasme overnemen. Dat was geen wonder: de Kosmische Bokaal was een sprookje. Een mooie mythe.

    Patroonherkenning in de moderne tijd: het Gezicht

    Kepler had, meende hij, een bijzonder patroon in het universum ontdekt. Hij was niet de enige die enthousiast aan patroonherkenning deed. Want we doen het allemaal o zo graag, patronen herkennen. Zo hebben alle mensen een bijzonder talent voor het ontdekken van gezichten. Niet alleen als we mensen zien, zelfs ook bij levenloze voorwerpen. Deze vaardigheid wordt ‘pareidolia’ genoemd. Een beroemd voorbeeld is het ‘gezicht op Mars’, dat in 1976 door een NASA-satelliet werd gefotografeerd. De foto, getoond in Figuur 2.5, zorgde voor nogal wat opschudding, die evenwel overbodig bleek toen een nieuwe, veel scherpere foto uit 2007 aantoonde dat het om een gewone rotsformatie ging. Het bleek (letterlijk) te gaan om gezichtsbedrog, niet ontstaan in de werkelijkheid maar in de waarneming.

    Patroonherkenning in de proto-economie: golfbewegingen

    Ook economen zijn gretig op zoek naar bijzondere patronen. Dat geldt des te meer als het gaat om het op en neer bewegen van de economische conjunctuur, want daar hangt veel van af. Soms trekt de economie aan en gaat het fantastisch, maar een poosje later zakt alles in, gaan beurskoersen (geleidelijk of dramatisch snel) omlaag en gaat er van alles failliet. Wie zou er niet deze verschijnselen willen begrijpen, of beter nog: voorspellen of zelfs voorkómen?

    Om je te laten zien welk principe men toepast om patronen te ontdekken in op het eerste gezicht volslagen chaotische conjunctuurbewegingen, introduceer ik eerst: het optellen van grafieken. In Figuur 2.6 zie je daarvan een voorbeeld. In de bovenste helft zijn drie fictieve golfbewegingen afgebeeld. Het zijn harmonische golven: ze gaan op een vloeiende, wiskundig precies omschreven manier (als sinusoïden) op en neer in de loop van de 220 jaren van de grafiek. Golf 1 is de traagste: zijn periode is 220 jaar en zijn amplitude, zijn maximale uitwijking uit het midden, is 9.

    Je telt de drie golven op door voor ieder afzonderlijk jaar – afgelezen op de horizontale as – de hoogte van elke golf af te lezen, de drie getallen op te tellen en de uitkomst in een nieuwe grafiek te plotten. Het resultaat staat in de onderste helft van Figuur 2.6. Daarin kun je de vorm van golf 1 nog goed herkennen, en dat geldt ook voor golf 2 en golf 3.

    Zoals gezegd: de onderste grafiek is verkregen door de waarden van de drie golven gewoon op te tellen. Lineair op te tellen, zoals dat heet. Dat mag alleen als je voldoende reden hebt om aan te nemen dat de drie golven onderling onafhankelijk zijn, dat wil zeggen dat ze elkaars patroon niet verstoren. Bij geluidsgolven is dat netjes het geval, vandaar dat je in een samenspel van zang, gitaar en piano de drie afzonderlijke stemmen keurig kunt herkennen. Als dat niet zo is, dan mag je de golven niet lineair optellen. In het gunstigste geval komen er dan complexere wiskundige bewerkingen aan te pas die sterk afhankelijk zijn van de situatie. In veel praktijkgevallen is er zelfs helemaal geen manier te bedenken om elkaar verstorende golven betekenisvol samen te voegen.

    Nu zijn economen niet bezig met het samenvoegen van golven. Ze hebben juist de tegenovergestelde taak: om een grillige ontwikkeling op te splitsen in diverse nette golfbewegingen. Een karakteristiek voorbeeld zie je in Figuur 2.7. In deze grafiek zie je de ontwikkeling van het bruto binnenlands product (bbp) van de afgelopen ruim twee eeuwen. Om precies te zijn zie je niet het bbp zelf maar de stijgingen en dalingen daarvan (Δbbp) voor de Verenigde Staten vanaf 1800 en vanaf 1950 ook voor de wereld als geheel. De keuze van deze grafiek is niet toevallig, want economen beschouwen de toe- of afname van het bbp als een cruciale indicator voor de stand van de economie. Waar de curve boven de nullijn ligt stijgt het bbp, waar hij eronder ligt daalt het. Aangezien de grafiek gemiddeld wat meer boven dan onder de nullijn ligt, groeit het bbp in de loop van de jaren.

    De figuur is uiterst grillig, en op het eerste gezicht lijkt het onmogelijk om er een patroon in te herkennen. Maar de economen beschikken uiteraard niet alleen over deze ene grafiek, ze hebben er duizenden, aangezien je naar tal van andere verschijnselen kunt kijken: beurskoersen, handelsprijzen van allerlei afzonderlijke grondstoffen en producten, bedrijfswinsten, inkomens, noem maar op.

    Voor een aantal van zulke afzonderlijke economische verschijnselen menen economen een patroon te hebben ontdekt. Zo wordt beweerd dat er een golfbeweging te herkennen is in de investeringen in infrastructuur. Deze cyclus wordt de ‘Kuznets swing’ genoemd. Die heeft ook betrekking op andere economische ontwikkelingen, aldus economen, waaronder de bekende varkenscyclus. 

    Zij ontdekten ook de ‘Juglar cyclus’, die gaat over kredieten in industriële investeringen. En er is de ‘Kondratieff golf’, die betrekking heeft op alles, dat wil zeggen, op de conjunctuur als geheel. In totaal zijn er wel vijf golfbewegingen geconstateerd, elk met hun eigen ritme. Ze bewegen gelijktijdig, dwars door elkaar heen.

    Het is erg knap! Om vijf van zulke schommelingen gewaar te worden, te midden van duizenden verschillende variabelen waarvan er vele wild op en neer bewegen. Om geloofwaardig vijf periodieke ontwikkelingen dwars door elkaar heen aan te tonen, mag je verwachten (a) dat de vijf golven redelijk onafhankelijk van elkaar zijn, want als ze elkaar over en weer de hele tijd beïnvloeden, wordt het een rommeltje en zullen ze nooit afzonderlijk te herkennen zijn. Herken je ze dan toch, dan zie je spoken. En (b) dat hun perioden en amplituden behoorlijk stabiel zijn, anders kun je er werkelijk alle kanten mee op redeneren. 

    Aan deze voorwaarden is helaas in de verste verte niet voldaan. Om te beginnen kunnen de gepostuleerde cycli nooit onderling onafhankelijk zijn. Zo heeft de conjunctuur als geheel, beschreven in de ‘Kondratieff golf’, per definitie invloed op alle economische verschijnselen, dus ook op de andere golven. Daarnaast is het moeilijk voorstelbaar dat de golfbewegingen in de investeringen in bijvoorbeeld industrie en infrastructuur volledig onafhankelijk van elkaar kunnen zijn. 

    Wat betreft de perioden van de vijf cycli: hier is een overzicht.

    1. Kitchin cyclus: periode = 3 tot 5 jaar.
    2. Juglar cyclus: periode = 7 tot 11 jaar.
    3. Kuznets swing: periode = 15 tot 25 jaar. 
    4. Kondratieff golf: periode = 45 tot 60 jaar.
    5. Grand Super Cycle: periode = 70 of meer jaren.

    Je ziet: de perioden hebben alle vijf een zeer ruime marge. Dat geldt ook voor hun amplituden: de ene ‘golf’ is veel heftiger dan de vorige of de volgende. Daardoor kun je er gerieflijk alle kanten mee op.

    Daar komt nog eens bij dat de zaak verder vertroebeld wordt door het optreden van andere, niet-periodieke verschijnselen waarvan we zeker weten dat ze echt bestaan. Onder meer: 

    1. Trends die permanent doorwerken, bijvoorbeeld technologische innovaties, toename van welvaart, politieke ontwikkelingen, de opkomst of ondergang van economische grootmachten, klimaatverandering.
    2. Ruis, dat wil zeggen: toevallige veranderingen, zoals het weer in een bepaald jaar.
    3. Eenmalige grote incidenten, bijvoorbeeld wereldoorlogen en pandemieën.

    Dat alles maakt het erg onwaarschijnlijk dat de stand van de economie echt op deze manier kan worden beschreven – laat staan verklaard. Maar om meer duidelijkheid te verkrijgen heb ik de beweerde afzonderlijke golven weer samengevoegd, om te kijken wat dat zoal kan opleveren. Voor dat doel heb ik een spreadsheet ontworpen dat de uitkomsten aanbiedt in de vorm van een grafiek. Aangezien de vijf golven kennelijk tussen ruime grenzen willekeurig fluctueren in periode en amplitude, heb ik in het spreadsheet gebruik gemaakt van de ‘random’-functie, die deze willekeur nabootst. Door de berekening herhaaldelijk uit te voeren krijg ik dankzij de ingebouwde willekeur iedere keer een andere grafiek, en aldus een mooie variatie aan uitkomsten. Eén zo’n uitkomst zie je in Figuur 2.8. Net als in Figuur 2.6 toont de bovenste helft de afzonderlijke golven, waaraan ik drie niet-periodieke verschijnselen heb toegevoegd. De onderste helft geeft de optelling. Aangezien ik weet dat de afzonderlijke golven niet onderling onafhankelijk zijn, heb ik geen lineaire optelling gebruikt maar een andere rekenkundige bewerking (‘binair’).

    Mijn grafische experiment toont aan dat je met behulp van de door de economen geclaimde vijf cycli oneindig veel grafieken kunt fabriceren. Als je het maar lang genoeg volhoudt, kun je niet alleen de waargenomen grafiek van Figuur 2.7 maar ook iedere andere denkbare grafiek reproduceren. De theorie van de vijf cycli kan alles verklaren en verklaart dus helemaal niets. 

    Hoe ziet de theoretische economie dit zelf? Om te beginnen is het interessant om een paar voorgestelde definities van ‘cyclus’ te bekijken. Algemeen wordt als basisdefinitie gehanteerd dat een cyclus is…

    "… een vorm van fluctuatie (…) [die] bestaat uit expansies die in ongeveer dezelfde tijd plaatsvinden in veel economische activiteiten, gevolgd door vergelijkbare algemene recessies, inkrimpingen en oplevingen die uitlopen in de expansiefase van de volgende cyclus. Deze reeks wijzigingen is terugkerend maar niet periodiek; in duur variëren cycli tussen meer dan één jaar en tien of twaalf jaar.”

    Niet periodiek! Inderdaad. Maar als je het hebt over ‘cycli’ die niet periodiek zijn, wat zeg je dan eigenlijk? Alleen maar dat er zo nu en dan iets omhooggaat en een tijdje later weer omlaag. Wat heb je daaraan?

    Oké, deze definitie is uit 1946 en dus al vrij oud. Maar een veel recentere bron zegt niet veel anders: “Cycli bestaan uit twee delen: pieken en dalen.”

    Desondanks menen bepaalde econometristen dat ze met behulp van een in de fysica veel toegepast methode genaamd spectraalanalyse de aanwezigheid van echte golven kunnen aantonen, wat merkwaardig is, aangezien deze methode alleen werkt met vaste perioden en amplituden.

    Terecht schreef Noah Smith een publicatie met de titel “Economische patronen zien die niet bestaan. Die grafiek met regelmatige pieken en dalen? Reken er niet op dat het meer is dan willekeurige ruis.

    De ‘Vijf Cycli’ zijn een mythe, evenzeer als de Kosmische Bokaal van Kepler en het Gezicht op Mars.

    Deze conclusie laat maar weer eens zien hoe snel je in de val kunt lopen van het ‘herkennen’ van patronen die geen betekenis hebben. De economische cycli passen daarmee prachtig in een rij onzinpatronen die ontdekt zijn en verteld worden in een vermakelijk boek door Tyler Vigen. Zo bewijst hij dat er een correlatie (statistische samenhang) van maar liefst 95% is tussen het eten van kaas en het aantal dodelijke ongelukken in bed in de VS in de periode van 2000 tot 2009. In diezelfde periode is er zelfs een correlatie van 99% tussen de consumptie van margarine per persoon en het aantal echtscheidingen (in de staat Maine). Toch maar echte boter eten?

    Na deze vrolijke conclusie wordt het tijd om eens wat andere mythen van de economisch theorieën te onderzoeken, om te beginnen een opmerkelijke categorie.

    Tenslotte

    Helaas: die mythen moeten een weekje wachten tot de volgende aflevering. Die gaat er heel wat brengen! Een flink deel ervan valt in de categorie ‘vanzelfismen’, zoals je zult zien. Het wordt opnieuw een vermakelijke aflevering, beloof ik je. Een van de ‘helden’ uit mijn jeugd komt erin voor: iemand uit de eerste Star Trek-serie. Kun je raden wie, en waarom?

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Niko Roorda

    Gevolgd door 709 leden

    Niko Roorda is spreker, schrijver en consultant. Hij promoveerde in sociale wetenschappen en is specialist in duurzaamheid.

    Volg Niko Roorda
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren
    Dit artikel zit in het dossier

    Een duurzame economie

    Gevolgd door 1233 leden

    Onze economie is in zijn wezen niet duurzaam. Was ze dat wel, dan zou de wereld er een stuk beter uitzien. Het goede nieuws i...

    Volg dossier