Het meest ondemocratische pensioenstelsel ter wereld

1 Connectie

Onderwerpen

Pensioen
4 Reacties

Het is de vraag of Nederland 'het beste pensioenstelsel ter wereld heeft', zoals velen beweren. In ieder geval is het Nederlandse pensioenstelsel een van de meest ondemocratische ter wereld.

In tegenstelling tot de meeste landen kent Nederland een pensioenstelsel dat niet op een omslagstelsel, maar op levenslang sparen berust. De pensioenkassen puilen dan ook uit met een totaalbedrag van meer dan 1000 miljard euro, ongeveer anderhalf keer het bruto nationaal product van Nederland. Dat is veel geld, en lokt dus vanzelfsprekend de aasgieren aan. Een systeem van sparen heeft ontegenzeggelijk voordelen ten opzichte van een omslagstelsel waarbij jongeren voor ouderen opdraaien via de belastingheffing. Zo’n omslagstelsel komt in problemen zodra de demografische balans zodanig verandert dat er steeds meer ouderen dan jongeren komen. En die vergrijzing is een wijdverbreid hedendaags fenomeen. Er is dus ongetwijfeld iets te zeggen voor een spaarsysteem, zeker als je daar via een levensverzekeringscomponent een risicodeling over individuen en generaties aan verbindt. In elk geval ben je minder afhankelijk van vergrijzing van de bevolking omdat iedereen voor zijn eigen oude dag reserveert. Een ideaal systeem, zou je zeggen, en dat simpele beeld is ook precies de reden dat we tot vervelens toe vermoeid worden met de mantra dat we ‘het beste pensioenstelsel ter wereld’ hebben. Maar blijft dat zonnige beeld bij nadere beschouwing ook overeind? We gaan het bekijken.  

Machtsspel bij  de verdeling van de pensioenen

Werkende Nederlanders dragen gedurende hun werkzame leven een groot deel van de beschikbare loonruimte (in de orde van 20%) af aan pensioenfondsen. Laten we ons richten op de bedrijfstakpensioenfondsen waarbij zo’n 80% van werkenden en gepensioneerden verplicht (!) is aangesloten. De premie, waaraan zowel werkgever als werknemer een deel bijdragen, is onderdeel van een arbeidsvoorwaardenpakket dat in CAO onderhandelingen elke paar jaar tot stand komt. In die zin is pensioen niet speciaal, er zijn meer arbeidsvoorwaarden waaraan zowel werkgever als werknemer bijdragen. Te denken valt aan spaarloon en levensloop. Wat pensioen wel heel erg speciaal maakt, is dat het als enige component uit het arbeidsvoorwaardenpakket exclusief door werkgevers en vakbonden beheerd wordt, zonder enige vorm van democratische controle daarop door de werknemers. Terwijl toch de pensioengelden uit hun loonruimte en ten koste van hun direct besteedbare inkomen betaald zijn. Waarom zijn de pensioenen in zo’n uitzonderingspositie geplaatst met een sleutelrol voor de sociale partners? Wel, omdat zeggenschap over grote sommen geld financieel voordeel en macht oplevert, zo simpel is het. En dat geven werkgevers en vakbonden niet graag uit handen. Pensioen wordt dikwijls betiteld als uitgesteld loon, en die benaming geeft een mooi gevoel. Het zou immers om gewoon loon gaan, met als enige verschil dat het wat later uitbetaald wordt. Was het maar zo eenvoudig. Want als we iets nauwkeuriger kijken waar de eigendomsrechten van de pensioengelden berusten, dan is dat niet bij de individuele deelnemers, maar bij de sociale partners. Zij zijn dus niet alleen de beheerders, maar ook de juridische eigenaren van de pensioengelden. De verplichte deelnemers hebben slechts trekkingrechten, maar geen eigendomsrechten. Het verdelen van de pensioenpot, het beleggingsbeleid, het vaststellen van de premie, en besluiten over indexatie en kortingen zijn voorbehouden aan de sociale partners die de fondsbesturen uitmaken, zonder enige wezenlijke inbreng van de deelnemers.
Zeggenschap over grote sommen geld levert financieel voordeel en macht op
Wat is de rol van de overheid in dit geheel? Op papier helemaal geen omdat de sociale partners onafhankelijk van de overheid opereren, maar in de praktijk een doorslaggevende. Het is immers de overheid die de fiscale spelregels vaststelt en wetgeving regelt over hoe pensioenfondsen bestuurd dienen te worden. Voor De Nederlandsche Bank (DNB) is de schone taak van toezichthouder weggelegd, maar hierover merken critici graag op dat toezicht houden niet hetzelfde is als van gepaste afstand toezien. Het is de recente wetgeving over hoe de fondsen bestuurd gaan worden die de dominante rol van de sociale partners helaas weer voor vele jaren vastlegt. Waarom helaas? Dat gaan we zien.  

Sociale partners regelen pensioen onderling

Hoe zit het eigenlijk in iets meer detail met de representativiteit van die sociale partners, de risico’s die zij lopen, en de zeggenschap van de deelnemers? Moderne ideeën over ‘governance’ gaan ervan uit dat diegenen die risico dragen in een organisatie ook zeggenschap dienen te hebben. In het bedrijfsleven berusten verschillende vormen van zeggenschap bij de directie, bij de werknemers via hun ondernemingsraden, en bij de aandeelhouders op basis van de Code Tabaksblat. De vraag wie er dus risico lopen bij de pensioenfondsen is niet alleen maar een academische. De werkgevers bij de bedrijfstakpensioenfondsen betalen de afgesproken premies en daar houdt het mee op. Sowieso komt hun premiebijdrage uit de beschikbare loonruimte, dus als er al een probleem is, komt dat bij de volgende CAO onderhandelingen wel op tafel. De vakorganisaties lopen helemaal geen risico. Als er iets de laatste jaren duidelijk is geworden, dan is het wel dat het de deelnemers zijn die alle risico’s lopen, en niemand anders. Normaliter zou zich dat moeten vertalen in zeggenschap voor de deelnemers met een sterke inbreng ten aanzien van het reilen en zeilen van een pensioenfonds. Maar daar is merkwaardig genoeg helemaal geen sprake van. Zijn het dan misschien de vakbonden die de belangen van werkenden en gepensioneerden zo goed behartigen? Zij roepen zelf natuurlijk van wel, maar klopt dat?  

Werknemers hebben nauwelijks invloed

Het is een onbetwistbaar feit dat de representativiteit van de vakorganisaties zeer beperkt is. Zo’n 17% van de mensen die werken zijn vakbondslid, en dan gaat het vooral om autochtone mannen van boven de 50. Vrouwen en jongeren zijn sterk ondervertegenwoordigd, om over gepensioneerden maar helemaal niet te spreken. Niettemin claimen de vakbonden onbeschaamd het alleenrecht op de helft van de bestuurszetels in de fondsen op. In dit verband is het curieus om te constateren dat het de sociale partners in de Stichting van de Arbeid zijn die menen de belangen van mensen die per definitie geen arbeid verrichten, namelijk alle gepensioneerden, te kunnen en moeten behartigen. Bovendien is het goed te beseffen dat er nauwe banden zijn tussen de vakbonden en partijen als PvdA, CDA, en CU, net zo goed als de werkgeversorganisaties nauw gelieerd zijn aan de VVD. De sociale partners genieten dus aanzienlijke politieke steun in de huidige Tweede Kamer, en de belangen van de deelnemers zijn hieraan ondergeschikt.
Het doet sterk denken aan Chinese democratie
Medezeggenschap in pensioenland valt helaas niet serieus te nemen. Er zijn deelnemersraden, maar die worden bevolkt door vakbondsleden die niet verkozen maar door hun bond aangewezen worden. Bovendien hebben deelnemersraden uitsluitend adviesrecht, dus als ze al iets vinden dat kritisch is ten aanzien van het bestuur van de pensioenfondsen, voor de helft bestaand uit leden aangewezen door dezelfde vakbonden, dan heeft het geen effect. Natuurlijk doet dit allemaal sterk denken aan Chinese democratie. Het hoeft evenmin te verbazen dat voorzitters van deelnemersraden die geacht worden de belangen van alle deelnemers te dienen, zich ooit in het publieke debat mengen of enige bekendheid in de media genieten. Deze parodie op medezeggenschap speelt zich uitsluitend af binnen de muren van de vergaderzaal van het pensioenfonds. Naar buiten doet de lobby van de pensioenfondsbesturen, de Pensioenfederatie die bekostigd wordt met gelden onttrokken aan de fondsen, zijn uiterste best om op genante wijze nieuwkomers buiten de deur te houden.  

Het pensioenfiasco

Een pragmaticus zal nu tegenwerpen dat dit waarschijnlijk allemaal wel zo is, maar dat waar het echt om gaat het realiseren van de pensioentoezegging is. Hoe goed slagen de fondsen daarin? Voor de deelnemers is uitsluitend de koopkracht van hun pensioen op het moment dat ze dat ontvangen van belang. Het onderscheid dat men graag maakt tussen nominale pensioenen en het korten daarvan en het achterwege laten van indexatie is volstrekt kunstmatig. Zowel door het niet betalen van indexatie (al jarenlang gemeengoed), als ook door kortingen op de nominale pensioenen (bepaald geen uitzondering), treedt koopkrachtverlies op, en dat is wat de deelnemer aangaat. Voor jongeren wordt het toekomstige pensioen, voor gepensioneerden het huidige pensioen sterk uitgehold. Voor een fonds als het ABP geldt voor de koopkracht van het aanvullende pensioen het volgende: een pensioen van € 10 000 op 31-12-2003 had met indexatie moeten groeien tot € 11932 op 1-4-2013. Werkelijk pensioen: € 10895. Totaal gemist op 1-1-2014: € 5077 (> 10%). En het ABP is bepaald geen gunstige uitzondering in de lijst van grote bedrijfstakpensioenfondsen, het kan nog veel slechter. Voor dit pensioenfiasco zijn diverse redenen aan te voeren. Natuurlijk beperken pensioenfondsen hun analyse graag tot de extreem lage rekenrente. En inderdaad, door het beleid van dit kabinet om ‘de euro tot elke prijs te behouden’ en toe te staan dat de ECB al jarenlang een historisch lage rente afdwingt, is de facto gekozen tegen de financiële belangen van de pensioenfondsen. Zij worden gedwongen hun toekomstige inkomsten te waarderen tegen een historisch lage rente, terwijl hun toekomstige verplichtingen eerder groeien dan afnemen. Dit laat onverlet dat er andere factoren van belang zijn die maar liever niet te veel benadrukt worden. In het verleden zijn er grote grepen in de kassen gedaan (b.v. zo’n € 15 miljard bij het ABP), zijn er jarenlang geen kostendekkende premies geheven, is jarenlang ontkend dat er problemen met de bestuurskwaliteit zouden zijn, is er fundamentele kritiek op het beleggingsbeleid (b.v. op 1 juli 2013 bij Omroep MAX onder de veelzeggende titel ‘Zwarte Zwanen, gokken met uw pensioenpremie’), met name over de uitwassen van groteske beloningen van  hedgefund-bestuurders. Dat dus los van het probleem van de rekenrente alles botertje tot de boom zou zijn, is misleiding van de eerste orde.
In het verleden zijn er grote grepen in de kassen gedaan
Het had allemaal zo mooi kunnen zijn. Doordat we in Nederland een spaarsysteem en geen omslagsysteem hebben voor de aanvullende pensioenen, spaart in grote lijnen iedere generatie voor zijn eigen pensioen. Wel moet aan een aantal voorwaarden voldaan zijn. Er dient altijd een kostendekkende premie geheven te worden, er dient een verstandig en realistisch beleggingsbeleid gevoerd te worden, er dienen geen grepen in de kas gedaan te worden, en er dienen geen politiek hobby’s met pensioengelden bekostigd te worden. En dat zijn precies de redenen waarom zaken in het verleden grondig mis zijn gegaan en ook in de toekomst problemen dreigen te geven. Het verheugende feit dat wij met zijn allen ouder worden levert weliswaar een opwaartse druk op de uit te keren pensioenen, maar dit effect is in de orde van zo’n 5-10% van de pensioengelden. Als dat in Nederland een onoverkomelijk probleem zou zijn, wat moeten landen met een omslagstelsel dan wel niet? Bovendien komen demografische ontwikkelingen niet zo maar onverwacht uit de lucht vallen. Men kan hier jaren op anticiperen.  

Pensioenstelsel moet op schop

Waar staan we nu? Als ik iets geleerd heb in de politiek, dan is het dat een cynische analyse doorgaans de juiste is. Zo is de ‘visie’ van het huidige kabinet op de pensioenen eenvoudig. Als bewerkstelligd kan worden dat een deel van de pensioengelden aangewend kan worden voor de aanpak van maatschappelijke problemen, dan zou dat mooi zijn. Weliswaar gaat het kabinet daar niet over, maar daarom niet getreurd. Door druk uit te oefenen op de sociale partners en hen de smakelijke worst voor te houden dat hun bestuursmacht gehandhaafd blijft en nieuwkomers (jongeren en gepensioneerden) grotendeels geweerd zullen worden, worden diezelfde sociale partners opeens erg inschikkelijk als het gaat over de pensioengelden van de deelnemers. Dan opeens toont men zich bereid tot investeringen in infrastructuur en in hypotheken. Vooral dat laatste is natuurlijk curieus. Slechte hypotheken zijn een belangrijke oorzaak van de huidige financiële crisis, maar het zou van onbenul getuigen als pensioenfondsen die overnemen. Goede hypotheken (die bestaan ook) leveren de banken een mooi rendement op, dus waarom zou men die overdragen aan de fondsen? Ook buitenlandse banken tonen opvallend weinig animo om op de Nederlandse hypotheekmarkt te gaan opereren. Dat zou te denken moeten geven. Waar laat dit alles de verplichte deelnemers? Graag wordt ons aangepraat dat er een generatieconflict zou bestaan in de pensioenwereld. De werkelijkheid is dat er een pensioenprobleem is dat jong en oud zwaar treft, zij het op heel verschillende manieren. De vooruitzichten van jongeren voor hun financiële toekomst worden sterk beperkt, terwijl de koopkracht van ouderen nu al onder zeer grote druk staat. Over inflatie spreken we dan maar niet. Bij het ontbreken van indexatie is echter over een periode van zo’n 15 jaar en bij een bescheiden inflatie van 2% (in werkelijkheid nu al bijna 3%) een verlies van koopkracht van ruim 30% te verwachten. Van deze overheid valt helaas niets te verwachten behalve knakenjagerij. Zij maakt deel uit van de grote groep aasgieren die boven de goedgevulde pensioenpotten cirkelen. En bij cirkelen blijft het helaas niet….
Deelnemers in pensioenfonds lopen alle risico’s maar hebben nauwelijks zeggenschap
De belangen van deelnemers in de pensioenfondsen, jong en oud, dreigen volledig ondergeschikt te worden aan die van overheid en sociale partners. Zij lopen alle risico’s maar hebben nauwelijks zeggenschap. Zij worden geconfronteerd met een situatie van ‘over ons maar zonder ons’. Jongeren hebben in een arbeidsmarkt waar 40 jaar werken bij dezelfde baas niet meer aan de orde is, terecht grote bezwaren tegen de doorsnee premie. Ook de positie van zzp’rs in pensioenland dient versterkt te worden. Gepensioneerden aan wie beloften zijn gedaan en bij wie verwachtingen zijn gewekt zullen zich niet zonder slag of stoot schikken in een proces dat hun verworven rechten ontneemt en dat zo onschuldig ‘invaren’ heet. Helaas kenmerken met name ouderenorganisaties zich door treurige verdeeldheid. Zolang echter het pensioenstelsel niet grondig op de schop gaat, waarbij ondermeer representatieve bestuursdeelname en zeggenschap van alle deelnemers, het opheffen van de gedwongen winkelnering, herziening van eigendomsrechten met oog voor de toenemende individualisering van de samenleving, en het invoeren van leeftijdscohorten bespreekbaar worden, zijn de belangen van alle werkende en gepensioneerde Nederlanders volstrekt onvoldoende gewaarborgd. Dergelijke elementen moeten de inzet zijn van een breed verzet tegen de huidige ontwikkelingen dat bij voorkeur gedragen wordt door alle generaties. Maar dat is stof voor een andere column. Kees de Lange is senator voor de Onafhankelijke Senaatsfractie (OSF).

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Over de auteur

Kees de Lange