Pensioenen: wie stopt de waanzin van de risicovrije rekenrente?

    De pensioenfondsen staan er een stuk rooskleuriger voor dan politici doen geloven. Ze staren zich volgens gastcolumnist Cees Roelofs ten onrechte blind op de risicovrije rekenrente. Wie stopt de pensioenwaanzin?

    In Het Financieele Dagblad van 14 april wijdt de redactie meer dan een hele pagina aan het onderzoek dat FD Pensioen Pro heeft gedaan onder twaalf Europese landen. Daaruit blijkt dat Nederland het enige land is dat de aanvullende pensioenen heeft gekort en nog steeds kort. Zweden en Ierland voerden wel een korting door vanwege de oplopende vergrijzing maar die betrof het op het omslagstelsel gebaseerde staatspensioen, te vergelijken met onze AOW. De aanvullende pensioenen in Nederland zijn gebaseerd op het kapitaaldekkingssysteem waarbij iedere deelnemer individueel spaart om op de pensioendatum een kapitaal te hebben opgebouwd dat groot genoeg moet zijn om daaruit een levenslang pensioen te kunnen betalen. Alleen het overlijdensrisico wordt collectief gedeeld, terwijl door de lange looptijd van het pensioencollectief ook de beleggingsrisico’s voor alle leeftijden worden geminimaliseerd. De vergrijzing heeft daardoor dan ook nauwelijks enige invloed op de betaalbaarheid van de aanvullende pensioenen. De enige vraag die telt luidt: is er genoeg gespaard? Zo ja, dan is er niets aan de hand en kunnen de opgebouwde pensioenen probleemloos worden uitbetaald.

    Financieel Toetsings Kader

    Of er genoeg is gespaard wordt vastgesteld door het berekenen van de dekkingsgraad. Is deze 100% dan zou er genoeg in kas zijn om alle pensioenaanspraken te kunnen betalen. In ons land eist de overheid een extra buffer van 5% om eventuele tegenvallers op te kunnen vangen. Deze dekkingsgraad wordt berekend door de reële waarde van het opgebouwde pensioenkapitaal te delen door de berekende contant gemaakt waarde van de opgebouwde pensioenrechten (de toekomstige verplichtingen). Een fractie van deze verplichtingen moet de volgende maand worden betaald, de rest uitgesmeerd over een periode van meer dan 60 jaar als ook de jongste deelnemer is overleden. Essentieel is dan hoeveel rendement levert dat opgebouwde pensioenkapitaal in de komende meer dan 60 jaar nog op? Hoe hoger het rendement des te minder kapitaal er nodig is. Gemiddeld moeten de pensioenverplichtingen globaal pas over 30 jaar worden uitbetaald. Voor een betalingsverplichting over 30 jaar van € 1000 is bij een rendement volgens het Financieel Toetsings Kader (FTK) van 2,8% een bedrag nodig van €437. Bij een rendement van circa 7,5%, wat de pensioensector de afgelopen 22 jaren maakte, is slechts € 114 nodig. Bij een voorzichtige rendementsverwachting van 6% is € 174 voldoende.

    Onmogelijke pretentie

    Het door de overheid vastgestelde FTK schrijft voor dat de waarde van deze pensioenrechten met behulp van de zogeheten risicovrije rekenrente gewaardeerd moeten worden op marktwaarde. Deze risicovrije rekenrente is een met behulp van wiskundige modellen geconstrueerde rekenrente, afgeleid van de speculatieve handel in renteswaps, die de onmogelijke pretentie heeft om 60 jaar vooruit het verloop van de rentestand te kunnen voorspellen. Eind 1992 was de 10-jaarsrente 7,52%. Iemand die toen gezegd zou hebben gezegd dat eind april 2014 deze rente op 1,76% zou liggen (de laagste stand in 700 jaar) zou door iedereen voor gek zijn verklaard. Maar nu de overheid, gesteund door De Nederlandsche Bank en een hele rits van hoogleraren, beweert dat zij in staat is om de rente 60 jaar vooruit te kunnen voorspellen, durft niemand te zeggen dat dit waanzin is. En met deze theoretische waanzin gaat men de werkelijkheid te lijf.

    De werkelijkheid

    En wat is deze werkelijkheid? Er zijn grote verschillen in de lange termijn rendementen die de verschillende pensioenfondsen realiseerden en nog steeds realiseren. Het hanteren van één gelijke rekenrente voor alle pensioenfondsen miskent deze werkelijkheid. Zelfs al zou men in staat zijn de rentestand voor de komende 60 jaar te kunnen voorspellen dan zegt dat niets over de te behalen rendementen. Tot 2008 was er een vaste rekenrente van 4%. De pensioensector maakte al die jaren een vele malen hoger rendement met als gevolg dat in de 80-er jaren de pensioenpotten dreigden over te lopen met als gevolg premievakanties en ‘terugstorting’ aan werkgevers, waaronder de overheid (ABP). Ook na de invoering in 2008 van de risicovrije rekenrente maakt de pensioensector al vijf jaar op rij rendementen die een veelvoud zijn van deze alsmaar dalende rekenrente. De vier grootste pensioenfondsen, samen goed voor ruim de helft van de sector, maakten in de periode 2009 – 2012 zelfs een gemiddeld rendement van 12,4% bij een theoretische rekenrente van nog geen 3%. Toch mochten zij al die jaren niet indexeren en moesten 3 van de 4 fondsen kortingen doorvoeren.

    Overdekking van 600 miljard

    Het gevolg van deze absurd lage theoretische rekenrente is dat het gezamenlijke pensioenkapitaal van de pensioensector in een steeds sneller tempo stijgt. In 1998 bedroeg het 101% van het bbp, in de 10 volgende jaren steeg het naar 119%. Sedert de invoering in 2008 van de risicovrije rekenrente schoot het in slechts 5 jaar steeds sneller omhoog van 119% naar 170% van het bbp in 2012. In euro’s van 710 miljard eind 2008 naar 1007 miljard eind 2012 (cijfers van DNB). De onzinnig lage rekenrente zorgt voor veel te lage dekkingsgraden waardoor indexering van de pensioenen verboden werd, kortingen werden afgedwongen en premies moesten worden verhoogd. De dekkingsgraad van de totale pensioensector schommelt rond de 100%. Om alle toekomstige pensioenen te kunnen betalen, is bij een te verwachten rendement van 6% geen 1007 miljard nodig maar is globaal (174/437 x 1007) 400 miljard voldoende. Er is dus nationaal gezien een overdekking van ruim 600 miljard. Hierin ligt de verklaring waarom het Nederlandse pensioenvermogen/kapitaal steeds sneller stijgt.
    Desondanks is Nederland het enige Europese land dat nog steeds de pensioenen kort
    Het echt benodigde kapitaal van circa 400 miljard groeit aan met het verschil tussen het werkelijk behaalde rendement en de wettelijke rekenrente. Het bedrag van de overdekking van circa 600 miljard groeit jaarlijks aan met het volle bedrag van het behaalde rendement. En dan blijven de afgedwongen premieverhogingen nog buiten beschouwing. Op grond van dit mechanisme mogen we verwachten dat het pensioenvermogen eind 2013 rond de 1200 miljard zal bedragen, een bedrag waar Guus Bosman, voorzitter van de Nederlandse Bond voor Pensioenbelangen, in het FD van 21 februari ook op uitkomt. In dat geval heeft Nederland in zes jaar tijd een bedrag van 490 miljard extra gespaard, genoeg om in één keer de totale staatsschuld af te lossen. En deze gigantische besparing ging ten koste van de bestedingen van zowel consumenten als bedrijven en dreef ons in een recessie.

    Wereldkampioen sparen

    Ter bevestiging van het voorgaande, een nog een overtuigender realiteit. Het pensioenkapitaal van het op één na grootste Pensioenfonds Zorg en Welzijn (PFZW) groeide in de periode 2008 – 2012 met 82% terwijl de pensioenuitkeringen slechts met 17% stegen. Het PFZW heeft eind 2012 een pensioenkapitaal van bijna 130 miljard, voldoende om 50 jaar lang alle huidige pensioenen te kunnen betalen. Een rendement van 2% op dit kapitaal is voldoende om alle pensioenen tot in lengte van jaren te kunnen betalen zonder dit kapitaal aan te spreken. Echter na 35 jaar zijn alle huidige gepensioneerden op een enkeling na allemaal dood en begraven. De gemiddelde overleving van de huidige gepensioneerden ligt beneden de 15 jaar. Daarvoor is (15/50 x 130) 40 miljard voldoende en dan is het te behalen rendement nog buiten beschouwing gelaten. Maar indexeren vindt de toezichthouder te riskant. De buffers moeten nog hoger. Nederland is al jarenlang wereldkampioen sparen voor de oude dag. Per hoofd van de bevolking is dat in ons land € 70.000, gevolgd door Zwitserland met € 68.000 en met afstand als derde Groot-Brittannië met € 28.000. Desondanks is Nederland het enige Europese land dat nog steeds de pensioenen kort. Wie stopt de waanzin van de theorie van de risicovrije rekenrente? **** Cees Roelofs (81) is gepensioneerd financieel directeur van een middelgrote landelijke instelling. Hij ging in 1992 reglementair met pensioen. ‘Bij PGGM kon men op zijn 60e met pensioen.’ Hij schreef nadien twee studies over het pensioenvraagstuk getiteld Misplaatste Paniek en De Nieuwe Kleren van de Keizer.
    Over de auteur

    Gastauteur

    FTM.nl biedt opiniemakers de gelegenheid om – op uitnodiging – een bijdrage aan maatschappelijke discussies te leveren.

    Lees meer

    Volg deze columnist

    Dit artikel krijg je cadeau van Follow the Money.

    Diepgravende onderzoeksjournalistiek kost tijd en geld. Steun ons en

    word lid