Pensioensparen voor de toekomst

    De toekomst van ons pensioenstelsel is in de maak. Robin Fransman spreekt vandaag de Kamercommissie Sociale Zaken en Werkgelegenheid toe en gaat daarbij in op wat zaken die hij tot nu toe mist in de discussie: maxima aan de (aftrekbare) pensioenpremies, een spaarplicht voor ZZP’ers en het hypotheekvrije eigen huis als de beste pensioeninvestering.

    Inbreng van Robin Fransman ter gelegenheid van het rondetafelgesprek met de Commissie Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Tweede Kamer, inzake Keuzevrijheid in het toekomstige pensioenstelsel, op 23 november 2015. Geachte leden van de Kamercommissie Sociale Zaken, Met plezier heb ik de brief van staatssecretaris Klijnsma over de toekomst van het pensioenstelsel gelezen. Het heeft even geduurd, maar we bewegen de goede kant uit. Toch zijn mijn inziens een aantal cruciale elementen in het denken over de toekomst van ons pensioenstelsel nog onderbelicht in de brief. Ik loop ze even met u door.

    Hoe hoog is een adequaat pensioen?

    Ons pensioen is niet gratis. Tussen 2008 en nu zijn onze pensioenpremies gestegen van 26 tot 34 miljard euro. Een stijging van 8 miljard. Dat leidde tot een verlaging van de belastinginkomsten van circa 4 miljard en van de koopkracht van nog eens 4 miljard, en een verhoging van de loonkosten van circa 5 miljard. Dat kost in het bedrijfsleven banen en leidt bij de overheid tot de noodzaak van extra bezuinigingen en lastenverzwaringen. Er is dan ook geen sprake van echte fiscale facilitering van het pensioen. De overheidsclaim op de toekomstige pensioenen wordt immers niet meegenomen in de begrotingskaders. Wat de overheid nu faciliteert in pensioenen haalt zij met hogere tarieven op het arbeidsinkomen van diezelfde burgers elders gewoon weer terug. Alleen betalen niet-pensioenspaarders zo mee aan het pensioenvermogen van burgers die dat wel doen.
    De benadering waarbij we onze pensioenambitie vaststellen en daarvan de premie afleiden is niet langer houdbaar.
    Zo zien we in het groot wat pensioen ook in het klein is: nu een offer maken, om in de toekomst ook goed te kunnen leven. Een prima streven, maar wel een met een natuurlijk maximum. De pensioenpremies zijn bij veel pensioenfondsen gestegen naar tussen de 20 en 25 procent van de loonsom. We kunnen die premies niet oneindig opvoeren. De benadering waarbij we onze pensioenambitie vaststellen en daarvan de premie afleiden is niet langer houdbaar. Bij de huidige omvang van de pensioenfondsen hebben wij de facto een beschikbaar premiestelsel. En dat blijft zo, ook bij hogere rentestanden. We moeten het daarom andersom gaan benaderen. Welk percentage van ons inkomen en onze koopkracht willen we maximaal nu inzetten ten behoeve van het pensioen? Dat moet het uitgangspunt worden. En dat raakt ook aan keuzevrijheid. Enerzijds is een minimale pensioenspaarverplichting gerechtvaardigd om een mogelijk toekomstig beroep op sociale voorzieningen te voorkomen, anderzijds is ook een maximum te rechtvaardigen, vanuit het besef dat te veel sparen ten koste gaat van de koopkracht, werkgelegenheid en overheidsfinanciën nu. Je kunt dan bijvoorbeeld denken aan een minimum van 10 procent pensioenpremie over het inkomen tot modaal en een maximum van 20 procent over het inkomen tot twee keer modaal. Premies daarboven zijn dan niet langer aftrekbaar. Maar daarbinnen moeten mensen zelf kunnen kiezen. En die keuze ook kunnen aanpassen, afhankelijk van de omstandigheden. De afweging tussen heden en toekomst hangt namelijk niet alleen af van persoonlijke voorkeuren, maar ook van persoonlijke omstandigheden en andere vermogenscomponenten die de burger heeft. Het is onmogelijk om voor het collectief de hoogte van een adequaat pensioen vast te stellen, louter aan de hand van de tweede pijler. Er is daarom ook geen rechtvaardiging om daar als overheid in op te treden, anders dan het eerder genoemde minimum en maximum.

    Wat is de grondslag voor het maken van onderscheid tussen werknemer en ondernemer?

    Er is nu een debat gaande over een mogelijke pensioenplicht voor ZZP’ers. Immers, uit onderzoek blijkt dat zij in grote getale niet of te weinig voor hun pensioen sparen. De groep zal in de toekomst in potentie een groot beroep doen op sociale voorzieningen en toeslagen en daarom is een minimale spaarplicht gerechtvaardigd. En zoals de pensioenpremie bij werknemers uit de loonsom komt, zou het dan bij die groep uit de tarieven aan klanten moeten komen. Ik zou het debat graag willen verbreden naar DGA-ondernemers met een Fiscale Oudedagsreserve (FOR). Ik begrijp van accountants- en brancheorganisaties dat er vele DGA-ondernemers zijn met een boekhoudkundige FOR die in de praktijk leeg blijkt. Mensen hebben dan niet alleen geen pensioen, maar ook nog eens een forse schuld aan de belastingdienst op hun pensioendatum. Ze hebben dan wel jarenlang belastingkorting genoten om de FOR op te bouwen, maar kunnen die niet terugbetalen. Niet alleen doen ze dan mogelijkerwijs een beroep op sociale voorzieningen, hun beroep op collectieve middelen is dan nog groter.
    De praktijk toont aan dat ZZP’ers, net als werknemers, tegen zichzelf in bescherming moeten worden genomen
    Het argument dat ondernemers en ZZP’ers niet ‘betutteld’ zouden moeten worden, houdt dan ook mijn inziens geen stand. De praktijk toont aan dat zij, net als werknemers, tegen zichzelf in bescherming moeten worden genomen en dat wij ook hier het collectief belang in het oog moeten houden. Tegelijkertijd biedt een systeem waarbij we als overheid de pensioenverplichting vormgeven met minimum- en maximumgrenzen voldoende flexibiliteit en keuzevrijheid voor ZZP’ers en ondernemers om hun ambitie vorm te geven en eventueel bij te stellen als het even tegenzit, terwijl tegelijkertijd het beroep op fiscale facilitering wordt gemaximeerd.

    Waarin beleggen we onze pensioenvoorziening?

    En dan tot slot, keuzevrijheid met betrekking tot waar we in beleggen. Dames en heren, het aller-allerbeste pensioenproduct is de hypotheekvrije eigen woning. Het gaat daarbij niet om de waarde van het huis, maar om het gratis wonen. Woonlasten zijn immers gelijk aan 20 tot 25 procent van de maandelijkse uitgaven. Met gratis wonen plus AOW kom je al een heel eind, dan is er in de tweede of derde pijler niet veel meer nodig.
    het aller- allerbeste pensioenproduct is de hypotheekvrije eigen woning
    Daarbij kan gratis wonen nooit worden gekort. Gratis wonen is altijd geïndexeerd en er is geen langlevenrisico bij gratis wonen. Tijdens de opbouw is een belangrijk deel van het rendement gegarandeerd. Dat is immers gelijk aan de bespaarde hypotheekrente. En als het nodig is, kun je het met een pensioenhypotheek omzetten in een maandelijks inkomen. Vergeleken met de markt-, rente- en tegenpartijrisico’s en de economische risico’s van beleggen in aandelen en schulden is investeren in gratis wonen in alle opzichten superieur. Bied mensen daarom de keuzevrijheid om hun pensioenpremie en hun pensioenkapitaal ten minste ten dele in te zetten voor aflossing van de eigen hypotheek. Een potentiële opwaartse druk op huizenprijzen of mogelijke verjubeling is met flankerend beleid uitstekend te voorkomen. En tegelijkertijd verminderen we zo effectief de uitgaven aan de hypotheekrenteaftrek. Dank u wel. Robin Fransman is bereikbaar op Twitter: @RF_HFC
    Over de auteur

    Robin Fransman

    De dwarse denker Robin Fransman was jarenlang adjunct-directeur bij Holland Financial Centre (HFC). Daarvoor werkte hij onder...

    Lees meer

    Volg deze columnist

    Dit artikel krijg je cadeau van Follow the Money.

    Diepgravende onderzoeksjournalistiek kost tijd en geld. Steun ons en

    word lid