Prinsjesdag gekaapt door economen en modellen

    Prinsjesdag is gekaapt door economen. Met beperkte modellen om macro-economische voorspellingen te doen. Columnist Robin Fransman pleit voor veranderingen.

    Welkom in de Economocratie. Niet de politiek bepaalt nog wat het beleid moet zijn en hoe de begroting eruit moet zien. Hervormingen, bezuinigingen, het beleid, de begrotingen die het kabinet-Rutte vandaag presenteert: ze worden voorgeschreven, doorgerekend en bepaald door de economen van de Europese Commissie, het CPB en DNB. En voor de landen in Zuid-Europa ook nog door de ECB en het IMF. In Nederland laten we zelfs de verkiezingsprogramma’s doorrekenen en dan weten we precies hoeveel banen een partij creëert. Denken we. De macht is meer en meer geconcentreerd bij een beroepsgroep. Bij de economen die de crisis niet zagen aankomen en van wie de voorspellingen er de laatste jaren vaak naast blijken te zitten. Ja, natuurlijk hebben de politici nog het laatste woord. Maar wat is dat laatste woord nog waard. De macht die de economen en hun instituten met hun voorspellingen uitoefenen, is slechts beperkt onderworpen aan democratische controle. Europa is in rap tempo veranderd in een technocratie. In Europa hebben we het economische en begrotingsbeleid voor een belangrijk deel naar de Europese Commissie overgeheveld. De economen uit Brussel bepalen voor een belangrijk deel onze hervormingen en bezuinigingen. En misschien is dat ook wel nodig in een muntunie, maar het stelt wel eisen aan de manier waarop economen werken en hoe ze met hun voorspellingen omgaan.  

    Eenzijdigheid

    Er zijn parallellen te trekken tussen de economie en de meteorologie (studie van het weer) en de klimatologie (studie van het klimaat). In de micro-economie zijn de voorspellingen van economen de laatste jaren sterk vooruit gegaan, net als de weersvoorspellingen voor een à twee weken tegenwoordig behoorlijk betrouwbaar zijn. Weer- en klimaatvoorspellingen op langere termijn blijven moeilijker. En dat geldt ook voor macro-economische voorspellingen. We zijn gewoon nog niet zo ver. Maar als je de twee wetenschappen met elkaar vergelijkt dan zie je dat de klimaatwetenschap veel opener is. Oceanografen, geofysici, klimatologen, natuurkundigen, scheikundigen, biologen; ze dragen allemaal bij aan de ontwikkeling van klimaatmodellen en voorspellingen en ze werken allemaal bij instituten als het KNMI en de Universiteit van Wageningen. In de economische wetenschap zie je die verscheidenheid veel minder. Of het nou om DNB, CPB, IMF, ECB of de EC gaat, of invloedrijke afdelingen bij de Overheid als AEP en AFEP bij het Ministerie van Economische Zaken of het Ministerie van Financiën, het zijn bijna uitsluitend economen die je tegenkomt. En er zijn meer verschillen. Bij het KNMI gebruiken ze meerdere modellen naast elkaar. Als die modellen het oneens zijn dan wordt dat gemeld. En ze geven veel duidelijker onzekerheden, kansen en betrouwbaarheidspercentages aan. Die terughoudendheid zie je in de economie veel minder. Verkiezingsprogramma’s en effecten van beleidsmaatregelen worden doorgerekend door één model. Dat is per definitie een beperkt en gemankeerd model, maar daar komen dan wel puntschattingen uit met een precisie tot 1 cijfer achter de komma. En die modellen worden daardoor leidend in het publieke debat. ‘Mijn partij schept de meeste banen.’ Wee de econoom of de politicus die tegen de modellen ingaat met kwalitatieve of logische argumenten. Argumenten tellen minder dan modellen. Op een conferentie in 2012 zei Coen Teulings dat hij sterk twijfelde aan het nut van loonmatiging, maar hij moest toegeven dat ‘het model’ van zijn CPB ‘inderdaad aangeeft dat loonstijging geen positieve effecten heeft.’  

    Zijn de (CPB)modellen wel bruikbaar?

    Voor de leek is er geen twijfel mogelijk: economen zitten er al meer dan vijf jaar naast. Eerst de crisis niet voorspeld, en daarna structureel het herstel, of liever, de alsmaar voortdurende recessie níet, of fout voorspeld. Het is inmiddels een doorlopende grap in kranten, blogs en twitter; de ‘grafieken des doods’, waar voorspellingen van gerenommeerde instituten worden vergeleken met de realiteit. Er gaapt elke keer een groot gat tussen. De Volkskrant publiceerde in juni een artikel over voorspellingen van vooraanstaande economen. Ze zaten er flink naast. Zijn dit de mensen die ons beleid bepalen? Hebben die voorspellingen wel zin? En wat is eigenlijk de waarde van de economische wetenschap? Vragen die de laatste jaren steeds vaker worden gesteld. Niet alleen door niet-economen, maar ook door economen zelf. ‘Economen kunnen niet voorspellen, alleen aangeven waar de dilemma’s liggen, wat je kunt uitruilen tegen elkaar, en daarna moet de politiek beslissen,’ zei Lex Hoogduin op een KNAW-bijeenkomst. Het is een veelgehoorde verdediging. Maar ook een te makkelijke. Economen moeten een keuze maken. Of ze kunnen redelijk tot goed voorspellen, en dat vormt dan een legitimatie van hun macht. Of ze kunnen het niet, en dan moet het primaat weer helemaal terug naar de politiek en uiteindelijk de samenleving.  

    Openheid

    Een middenweg is ook nog mogelijk. Als economen redelijk goed kunnen voorspellen, maar er ook wel eens naast zitten, dan moeten ze daar open over zijn. Het is de macht die voortvloeit uit de soms juiste, soms foute voorspellingen, die een bijzondere verantwoordelijkheid geeft. En die de vraag opwerpt of de economische wetenschap en de praktische uitoefening daarvan wel voldoende open, divers en benaderbaar is. Die openheid hoeven economen niet te vrezen. Ondanks de missers van de laatste jaren zijn de voorspellingen door de bank genomen vaak heel bruikbaar. En dat economen ‘de crisis niet zagen aankomen’ mag een feit zijn voor leken, in werkelijkheid is het gewoon niet waar. De hoofdstroom in de economie zag de crisis inderdaad niet aankomen. Maar al in 2008, schreef Dirk Bezemer, Econoom aan de Universiteit van Groningen het artikel 'No one saw this coming' waarin hij alle economen noemt die de crisis wél tijdig hebben voorspeld. Sommigen werkten bij hedgefondsen en banken en verdienden miljoenen met hun voorspellingen. En Bezemer verklaart ook waarom ze dat konden: ze gebruikten modellen van de economie die rekening hielden met de rol van de financiële sector in de economie. Dat was op zichzelf niet nieuw. Ook De Nederlandsche Bank gebruikt vroeger zo’n model. Maar het model was ingewikkeld en duur, en de invloed van de financiële sector was toen relatief klein. Dus in de jaren ‘90 is het model versimpeld en is de financiële sector eruit gesloopt. Op dit moment is DNB bezig het er weer in te zetten. Dit toont mooi de mogelijkheden en beperkingen; een model kan lang goede voorspellingen doen zolang de omstandigheden niet sterk wijzigen en de economie relatief stabiel is. Maar de crisis en de hoge private schulden veranderde het gedrag van consumenten en ondernemingen zodanig dat de oude modellen ineens slecht gingen voorspellen. En dus zitten het IMF, het CPB, de DNB, de Europese Commissie, de ECB al vijf jaar scheef; de groei en het effect van hervormingen wordt keer op keer te positief ingeschat. Waar is de econoom of de instelling die ruiterlijk zegt: ‘Geachte politiek, even geen voorspellingen meer, want onze modellen werken nu niet.’  

    Controle van de macht

    Ok, een probleem hebben we dan wel: want we hebben die voorspellingen wel nodig. We moeten iets hebben om ons beleid op te baseren, we moeten iets weten van het effect van maatregelen. De hervormingen en bezuinigingen in Nederland zijn vooral gebaseerd op voorspellingen van DNB en CPB. En dat maakt de voorspellingen ook politiek interessant. Wie de voorspellingen beheerst, bepaalt mede het beleid. En beheerst daarmee een deel van de macht. Hoe we die macht controleren, is de vraag die daarmee aan de orde komt. Binnen de economie zijn er verschillende scholen, maar binnen de invloedrijke instituten is van die veelvormigheid weinig terug te zien. Logisch, want mensen hebben nu eenmaal de neiging om gelijkgestemden aan te nemen als collega en ondergeschikte. Wie niet behoort tot de economische mainstream maakt weinig kans, en dus worden ze gedomineerd door de neo-liberale school die in de jaren ‘80 en ‘90 groot is geworden. Economen buiten de mainstream zijn eenzaam. Ze noemen zichzelf ‘dissident-econoom’ of ‘heterodox econoom’ en er wordt niet met ze gepraat, hooguit praten ze langs elkaar heen. Het heeft iets weg van groupthink, een gesloten houding en een geringe neiging tot zelfonderzoek. In het openbare debat worden niet-economen door economen regelmatig weggezet als irrelevant. Onacceptabel voor een wetenschap als de macro-economie in deze onrijpe fase van ontwikkeling. In mei publiceerde het IMF een review van haar eigen handelen bij de steun aan Griekenland. Het is een hele eerlijke evaluatie van de fouten in beleid, en de fouten in de voorspellingen die ze in de loop der tijd maakte. De reactie van de Europese Commissie? Het IMF mag niet meer mee doen. De intellectuele zuiverheid van het IMF was niet nieuw, eerder had Olivier Blanchard, hoofd-econoom bij het IMF al twijfels geuit over de bruikbaarheid van de modellen voor de voorspellingen van begrotingstekorten. De reactie van Klaas Knot, de president-directeur van DNB toen: ‘Het bewijs is wel heel mager’. We hebben meer Blanchards nodig. En meer van dit type intellectuele eerlijkheid. En dan bij alle instituten. Meer transparantie over de onzekerheden, en een meer multidisciplinaire benadering. Macro-economie is ook de studie van het gedrag van allen. Daar kunnen, nee, daar moeten andere disciplines aan bijdragen als de wetenschap zich verder wil ontwikkelen. Wiskundigen, statistici, politicologen, sociologen, psychologen, biologen, en ja, ook financieel geografen. Tenslotte zou meer concurrentie wenselijk zijn. Meerdere CPB’s die met elkaar concurreren, zoals ze dat in Duitsland hebben. Of gewoon weigeren de verkiezingsprogramma’s door te rekenen, omdat die berekeningen onvolledig zijn. Laat zien waar je grenzen liggen. Alleen met meer openheid, meer concurrentie en een meer multidisciplinaire aanpak kan een technocratie aanvaardbaar zijn.   Robin Fransman is politicoloog, houdt zich beroepsmatig al jaren met economie bezig en is adjunct-directeur van Holland Financial Centre. Hij is bereikbaar via Twitter op @RF_HFC.

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Robin Fransman

    De dwarse denker Robin Fransman was jarenlang adjunct-directeur bij Holland Financial Centre (HFC). Daarvoor werkte hij onder...

    Volg Robin Fransman
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren