© ANP / Bas Czerwinski

De economische religie

'De economie groeit, dus het gaat goed met Nederland.' Dit soort uitspraken hoor je vast wel eens voorbij komen. Maar klopt dat wel? Waar praten we nu eigenlijk over als we het over de economie hebben? Lees meer

Economie is een sociale wetenschap – het gaat over mensen en hun interactie. In veel economische discussies is deze menselijke factor alleen ver te zoeken en wordt er vooral gegoocheld met cijfertjes. Economie wordt zo een onnavolgbaar onderwerp voor iedereen die niet van wiskunde houdt; en daar lijdt het maatschappelijk debat onder. Economische argumenten worden regelmatig op dogmatische wijze ingezet om politieke besluiten te legitimeren – zonder aandacht te schenken aan de sociale implicaties. De economische leer vormt zo de perfecte sluier voor machtsmisbruik.

Het geloof in 'economische groei' heeft daarmee veel weg van een religie: in de veronderstelling dat het goed voor ons is – maar zonder echt te begrijpen waarom – lopen we als makke lammetjes achter de predikers van de economische waarheid aan. In het dossier 'De economische religie' ontkrachten we economische mythes en belichten we het maatschappelijke aspect achter de cijfertjes.

Economie is namelijk geen exacte - maar een sociale gedragswetenschap en in tegenstelling tot de natuurwetten kunnen we ons gedrag wel veranderen.

37 Artikelen

Blind afbouwen van de staatsschuld? Investeer liever in de samenleving

Het gaat goed met de economie, maar de samenleving merkt daar weinig van. In dit artikel beargumenteren Rodrigo Fernandez en Nicolas Zeolla dat met een alternatief financieel beleid structureel minimaal 10 miljard kan worden vrijgemaakt voor de publieke sector, zonder dat dit de houdbaarheid van de overheidsfinanciën in gevaar brengt.

Nederland verkeert in historisch ongekende financiële wateren. De rente op de uitgifte van nieuwe overheidsschuld is negatief, dat wil zeggen: aflossen van de overheidsschuld kost geld. Het overschot op het buitenland (in de vorm van export en financiële stromen) is 9% van het Bruto binnenlands product (bbp). Dat is in vergelijking met het buitenland disproportioneel hoog. Zelfs olie-exporterende landen als Saudi-Arabië en Noorwegen hebben niet zulke hoge overschotten. Tegelijkertijd is de staatsschuld als percentage van het bbp ongekend laag (49%) en heeft de begroting een overschot van ruim 11 miljard.

Het is maar om te zeggen: er was niet vaak een gunstiger moment voor onze overheid om te investeren. Toch handhaaft het kabinet een ijzeren discipline: de overschotten op de begroting moeten worden gebruikt om de staatsschuld af te bouwen. Extra geld voor de publieke sector komt er maar nauwelijks, terwijl juist die aan alle kanten kraakt door geldgebrek en na jaren nog steeds wacht op het beloofde zoet na het zuur.

Het is aanlokkelijk om op de automatische piloot de schuld verder te blijven aflossen, maar vanuit een financieel oogpunt valt er weinig voor te zeggen.. Het is niet te rechtvaardigen dat bezuiniging op bezuiniging gestapeld blijft worden zonder budgettaire noodzaak: de publieke sector, van Staatsbosbeheer tot de rechtspraak, zucht onder de krappe jas. Het sociale weefsel en het verdienvermogen van Nederland wordt aangetast door gebrek aan betaalbare woningen, bezuinigingen op universiteiten en een krakend openbaar vervoersnetwerk.

Kortom, zuinigheid komt ook met een prijs. Één die met name door toekomstige generaties wordt betaald.

In augustus ‘lekte’ in de Telegraaf een — niet verder uitgewerkt — plan van de coalitie uit om een fonds van 50 miljard euro op te richten voor specifieke projecten die zich terugverdienen. Zo’n plan is echter niet hetzelfde als een structurele verruiming van de begroting. In feite is het idee van het kabinet om een fonds op te richten dat buiten de ‘parlementaire balans’ wordt geplaatst; wie het beste toegang zal krijgen tot dit fonds, laat zich raden. We zagen al de goedkeurende glimlach bij VNO-NCW en ideeën over Schiphol in zee kwamen meteen op tafel.

Zelfs overheidsinvesteringen die niets opbrengen, kunnen al het welzijn vergroten

Het kan ook anders. In dit stuk laten we aan de hand van een aantal aannames en bestaande projecties van het CPB en het IMF zien hoe groot de budgettaire ruimte is bij een aantal scenario’s. De cijfers laten zien dat bij het bevriezen van de schuld als percentage van bbp (de schuldquote) van 50% — waarbij de schuld in verhouding tot het bbp alleen stijgt in periode van een recessie — de jaarlijkse uitgaven structureel met minimaal 10 miljard euro kunnen stijgen in 2020.

Er is wel degelijk een alternatief 

Uiteraard zijn deze cijfers, net als de onderliggende projecties van het CPB en het IMF, met onzekerheid omgeven. Ze laten echter wel zien, dat een discussie over de budgettaire ruimte moet worden gevoerd. De bedragen die tegen lage kosten geleend kunnen worden, zijn namelijk aanzienlijk.

De budgettaire ruimte neemt met het huidige beleid toe tot 14 miljard euro in 2024. Laten we de schuldquote — dat wil zeggen, de verhouding van de overheidsschuld tot het bbp — echter stijgen naar 55% van het bbp, dan zou dit betekenen dat een ruimte ontstaat van 23 miljard euro in 2020.

Nederland wordt hierdoor niet meteen ‘Italiaans’, zoals we menig cynisch commentaar op Twitter al kunnen zien aankomen. De Nederlandse overheidsschuld is met 49% van het bbp laag en het begrotingsoverschot met 1,5% van het bbp hoog ten opzichte van andere landen van de EU. Nederland is op dit moment een positieve uitschieter, ver verwijderd van Italië: dat laatste land heeft een overheidsschuld van 132% van het bbp en combineert dat met een begrotingstekort van 2,1% van het bbp.

Doen we een kosten-batenanalyse, dan zien we dat de kosten van de staatsschuld negatief zijn. Zelfs overheidsinvesteringen die niets opbrengen, kunnen dus al het welzijn vergroten. Uitgaven aan de rechtspraak, energietransitie, onderwijs, infrastructuur, het verlagen van de belasting, om maar wat te noemen, leveren bij deze kostenstructuur bijna allemaal netto winst op.

De algemene principes voor de houdbaarheid van de staatsschuld hangen samen met de ontwikkeling van de rente, de inflatie en het bbp. De staatsschuld is in algemene zin houdbaar zolang de rente op de staatsschuld gelijk of lager is dan de groei van het bbp plus de inflatie.

Bas Jacobs, hoogleraar economie en overheidsfinanciën, is van mening dat de bestaande berekening van de houdbaarheid van de overheidsfinanciën moet worden aangepast aan de nieuwe werkelijkheid. Bestaande projecties van het CPB gaan uit van een discontovoet (rekenrente) van 3%; volgens Jacobs is de eerder 1,5%.

Het is allemaal speculeren. Hoe dan ook moeten we in ons achterhoofd houden dat te veel aflossen ook hoge kosten met zich meebrengt, voor het heden en de toekomst: het levert een lager verdienvermogen op en doet nog meer afbreuk aan de publieke sector.

De Nederlandse staatsschuld is een veilige haven voor beleggers

De schuld naar nul reduceren is om verschillende redenen geen goed idee, net zo min als het te ver laten oplopen van de tekorten dat is. De Nederlandse staatsschuld is een veilige haven voor beleggers en het verlaagt niet de rentelasten omdat de rente negatief is. Het voorstel om een bodem onder de schuld van minimaal 50% van het bbp te leggen, blijft ruim binnen deze algemene marges voor de toekomstige houdbaarheid van de staatsschuld. Hiermee stijgt bovendien in nominale termen de begroting mee met de economische groei.

De cijfers: Hoeveel geld kunnen we dan eigenlijk uitgeven?  

We komen nu bij ons gedachte-experiment. We gaan uit van aantal aannames en gebruiken de data en toekomstige projecties van het CPB (voor de jaren 2020 tot 2024) en het IMF (vanaf 2020 tot verder in de toekomst). Voor een volledig overzicht van de data en de gebruikte methode verwijzen wij naar het langere blogartikel dat we hierover schreven. 

Het idee is om te kijken hoeveel de budgettaire ruimte toeneemt met verschillende schuldquotes. We hebben gekeken naar 5 verschillende scenario’s:

  • In het baseline-scenario, wordt de huidige situatie beschreven. Het begrotingsoverschot wordt grotendeels gebruikt om de staatsschuld af te lossen.
  • In scenario 1 wordt de schuld geherfinancierd en blijft deze nominaal gelijk.
  • in scenario 2 loopt de overheidsschuld op tot 50% van het bbp;
  • in scenario 3 loopt de overheidsschuld op tot 55% van het bbp en
  • in scenario 4 loopt de overheidsschuld op tot 60% van het bbp.

In de grafiek hieronder zien we wat de verschillende scenario’s betekent voor de EMU- schuld, dat wil zeggen, de schuld van het rijk, lokale overheid en sociale fondsen, als percentage van het bbp. Dit is een ‘goed weer’-scenario, dat een economische neergang niet meeneemt.  Sinds de financiële crisis — de grootste in de laatste 80 jaar — in 2007 begon, heeft de overheidsschuld 12 jaar nodig gehad om terug op het niveau van rond de 50% van het bbp te komen. Een ‘normale’ recessie betekent een lagere toename van de overheidsschuld in de neergaande periode, met een kleinere bezuiniging als gevolg en een kortere tijd om terug te komen op een lager schuldniveau.

Ons voorstel om de schuld te stabiliseren op minimaal 50% van het bbp betekent dat bij een normale conjuncturele neergang de schuld voor een bepaalde periode kan oplopen tot 60% van het bbp.

In deze grafiek zien we dat het verschil in de schuldquote behoorlijk groeit richting 2030. Het verschil tussen de hier geprojecteerde overheidsschuld van het baseline-scenario en scenario 2 is 30% van het bbp. In 2024 zou de overheidsschuld bij scenario 2 dus een krappe 90 miljard euro groter zijn dan het geplande baseline-scenario.

De vragen die hieruit volgen, zijn politiek: tegen welke prijs willen we de staatsschuld verlagen? En hoeveel staatsschuld is een groter verdienvermogen (en een hogere kwaliteit van de publieke voorzieningen vandaag) ons waard? De kosten van de schuld zijn laag (negatief zelfs), terwijl de kosten van het verlagen van de schuld hoog zijn (het strakke budgettaire kader in de publieke sector wordt gehandhaafd, de belastingen zijn hoog). Hierom moeten we ons afvragen of het niet beter is om meer schuld uit te geven tegen gunstige voorwaarden om de publieke sector, van het rijk tot gemeenten, een grotere financiële speelruimte te geven.

Als we kijken naar de totale uitgaven in de verschillende scenario’s richting 2024 (grafiek 2), dan zien we het verschil ook toenemen in de tijd. In 2024 zouden in deze projectie de totale collectieve uitgaven 15,5 miljard euro groter zijn in scenario 2 vergeleken met het baseline-scenario. In deze berekeningen blijft het begrotingstekort in alle scenario’s binnen 3% van het groei- en stabiliteitspact.

De Nederlandse publieke sectoris al te lang uitgehongerd. Er bestaat nu een budgettaire ruimte om de publieke bestedingen te vergroten. Een andere Prinsjesdag is daarom mogelijk: naast het vergroten van de bestedingen en het verlagen van de belasting met jaarlijks minimaal 10 miljard, kan bijvoorbeeld ook gedacht worden aan het ‘budgetneutraal’ terugdraaien van het voornemen om de vennootschapsbelasting voor het grootbedrijf te verlagen. Hiermee komt het totaal uit op 13 miljard per jaar en neemt het elk jaar toe.

Kortom: door te investeren in een sterkere publieke sector, een lagere belasting op arbeid, een effectief klimaatbeleid en grotere sociale cohesie, verjagen we het calvinistische spook en maken we Nederland bestendig voor de toekomst.

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Over de auteur

Nicolás Zeolla

Econoom en onderzoeker aan de Universiteit van San Martín (Buenos Aires).

Volg Nicolás Zeolla
Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
Annuleren
Over de auteur

Rodrigo Fernandez

Onderzoeker bij SOMO; schrijft over hervorming van financiële markten, monetair beleid en belastingen.

Volg Rodrigo Fernandez
Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
Annuleren
Dit artikel zit in het dossier

De economische religie

Gevolgd door 1103 leden

'De economie groeit, dus het gaat goed met Nederland.' Dit soort uitspraken hoor je vast wel eens voorbij komen. Maar klopt d...

Volg dossier