Center for Fermentation Innovation: prroeffabriek van DSM (Delft) voor het testen van productieprocessen met micro-organismen.
© ANP / Lex van Lieshout

Nederland hielp industrie bij potentiële ondermijning productveiligheid

    Op initiatief van Nederland werden in 2016 de criteria veranderd waaraan toekomstig EU-beleid wordt getoetst. Het zogenaamde innovatieprincipe werd geïntroduceerd, een idee van de bedrijfslobby, om ervoor te zorgen dat de EU niet te snel hinderlijke regels oplegt omwille van productveiligheid. De Tweede Kamer werd hierover niet geïnformeerd.

    Op 26 mei 2016 schreef Nederland Europese geschiedenis. Op initiatief van onze bewindslieden besloten de EU-lidstaten die dag dat Europese wetten en regels voortaan aan een nieuwe toets worden onderworpen, wat een grote impact kan hebben op toekomstig Europees beleid.

    Tot dan toe vormde het voorzorgsbeginsel (‘precautionary principle’) een belangrijk uitgangspunt voor Europees beleid. Dat principe houdt in dat wanneer een beleidsmaatregel ernstige schade kan veroorzaken aan mens of milieu, men beter het zekere voor het onzekere kan nemen. In de praktijk betekent dit bijvoorbeeld dat wanneer het aannemelijk is dat een product de volksgezondheid kan schaden, dat product niet wordt toegelaten.

    Maar op die voorjaarsdag in 2016 besloten de Europese staatssecretarissen en ministers die over wetenschap en economische zaken gaan, om daar voortaan een tweede principe naast te zetten: het innovatieprincipe. Het idee: zodra Europese beleidsmakers het voorzorgsbeginsel willen inroepen, moeten ze óók afwegen of ze daarmee niet de innovatieve belangen van bedrijven schaden. Een reconstructie.

    Denktank

    Invoering van het innovatieprincipe werd gepropageerd door het European Risk Forum (ERF). Deze denktank wordt gefinancierd door bedrijven die minder gediend zijn van strenge regels rondom mogelijk onveilige producten. De ledenlijst bestaat vooral uit chemiebedrijven die opereren op het gebied van plantenveredeling, medicijnen voor vee, brandstoffen en plastics. Ook tabaksgiganten Philip Morris en British American Tobacco stonden tot enkele maanden terug op de lijst. In reactie op de vraag waarom deze bedrijven daarvan zijn verdwenen, meldt ERF dat leden ‘nu eenmaal komen en gaan’.

    Vooral het voorzorgsbeginsel is het ERF een doorn in het oog

    Het ERF stelt met name rapporten op over de vraag hoe de Europese Unie risico’s voor het welzijn van mens, dier en milieu inschat. Een overzicht van hun publicaties laat zien dat de denktank daar consequent vraagtekens bij plaatst. Vooral het voorzorgsbeginsel is het ERF een doorn in het oog: al in 2009 drong het bij beleidsmakers aan op relativering daarvan, omdat het bedrijfsactiviteiten onnodig zou hinderen. In 2011 publiceerde het ERF een eigen studie met ‘aanbevelingen’ voor aanpassing van dit beleidsprincipe.

    Wanneer deze lobby echter onvoldoende gehoor vindt bij de Europese Commissie, gooit het ERF het over een andere boeg. In februari 2013 publiceert ERF-voorman Dirk Hudig op de Brusselse nieuwssite Euraktiv een vlammend betoog, met als strekking dat beleidsmakers te voorzichtig zijn geworden en daardoor de broodnodige innovatie in de weg staan. Bijna terloops noemt hij het voorzorgsbeginsel als voorbeeld van een uit de hand gelopen principe waar innovatieve bedrijven hinder van ondervinden. Hudig besluit: ‘Het is daarom essentieel dat de juiste beleidsomgeving tot stand komt, ten behoeve van innovatie, behoud van werkgelegenheid en kwaliteit van leven in Europa.’

    Schakelen

    Een half jaar later, in oktober 2013, stuurt het ERF namens twaalf ceo’s een open brief aan José Manuel Barroso, Herman van Rompuy en Martin Schulz; indertijd respectievelijk president van de Europese Commissie, president van de Europese Raad, en voorzitter van het Europees Parlement. Het ERF spreekt daarin zijn ‘grote bezorgdheid’ uit over regelgeving die het innovatieve klimaat hindert, met name rond een reeks aan technologieën, zoals ‘engineering, chemie, landbouw- en medische wetenschap’. Hun boodschap: introduceer een ‘innovatieprincipe’, zodat ‘wanneer voorzorgswetgeving in overweging wordt genomen, ook de impact op innovatie de volle aandacht krijgt in het beleids- en wetgevingsproces’.

    Zo zag het innovatieprincipe het licht in Europa. Het ERF viel niet langer het voorzorgsbeginsel an sich aan, maar plaatste er een principe tegenover dat even zwaar moest wegen. Een nieuwe benadering, maar met hetzelfde doel: minder hinderlijke regelgeving.

    Algemeen belang

    In een telefoongesprek met FTM vertelt Hudig waarom het belangrijk was om met dit nieuwe principe te komen. ‘Europa is niet rijk aan grondstoffen en niet rijk aan goedkope arbeidskrachten’, zegt hij. ‘Dus hoe er met innovatie wordt omgegaan is een heel groot thema. Het idee achter het innovatieprincipe is dat als men met nieuwe maatregelen komt, die innovatie zouden moeten bevorderen. Men moet kijken naar de impact, zodat er niet onbewust regels worden opgesteld die innovatie onderdrukken.’

    ‘Onze leden komen wel uit de chemiesector, maar het gaat ons erom wat in het algemeen belang zou zijn’

    Hudig benadrukt dat het voorzorgsbeginsel ‘totaal niet in conflict is’ met het innovatieprincipe. ‘Het gaat er alleen om dat als nieuwe dingen vreemd zijn, dat niet meteen een reden is om alle nieuwigheid te beteugelen. Bijvoorbeeld in beleid rond nanotechnologie, farma en milieu. Het gaat erom hoe je naar de zaken kijkt.’ Dat veel ERF-leden chemiebedrijven zijn, staat volgens hem los van het soort rapporten dat het ERF publiceert. ‘ERF is helemaal niet sectorgevoelig. Onze leden komen wel uit de chemiesector, maar het gaat ons erom wat in het algemeen belang zou zijn.’

    Opschalen

    Met de brief van de twaalf ceo’s gaf het ERF het startschot voor een grote Europese lobbycampagne. In 2014 wordt het nieuw verkozen Europees Parlement geïnstalleerd en treedt een nieuwe Europese Commissie aan. Vrijwel meteen krijgt ook de net verkozen Commissievoorzitter Jean-Claude Juncker een brief van het ERF, ditmaal verstuurd door 22 ceo’s: onder andere vliegtuigbouwer Airbus en chemiebedrijf DSM hebben zich aangesloten. De brief benadrukt dat het innovatieprincipe de Commissie kan helpen bij het realiseren van ‘uw visie voor Europees economisch herstel’. Ook verzoekt het ERF om een ontmoeting ‘om een bijdrage te kunnen leveren aan het proces van uitwerken hoe dit het beste gestalte kan krijgen’.

    Vice-president Jyrki Katainen reageert mede namens Juncker: de Commissie heeft interesse voor de ideeën van het ERF. Het verhaal over innovatie en doeltreffende regelgeving past naadloos in het beeld dat de nieuwe Commissie wil uitdragen. Ze gaan akkoord met een ontmoeting.

    In het voorjaar van 2015 vinden vervolgens drie gesprekken plaats tussen het ERF en vertegenwoordigers van het onderzoeks- en innovatiedepartement van de Commissie (RTD). Dat leidt al direct tot een eerste succes: Eurocommissaris Carlos Moedas (RTD) bekent kleur in een toespraak op een Brussels congres en noemt het innovatieprincipe. ‘Hoe zorgen we ervoor dat regelgeving is gebaseerd op zowel een innovatieprincipe als een voorzorgsbeginsel?’, vraagt hij zich hardop af.

    Het is een doorbraak voor de lobby. Nog diezelfde dag stuurt het ERF opnieuw een brief naar de Commissie om te pleiten voor een ‘innovatiecultuur’ die wordt gedreven door het innovatieprincipe. Ditmaal zijn werkelijk alle zwaargewichten aan boord: ook Markus Beyrer en Brian Ager hebben de brief ondertekend. Beyrer vertegenwoordigt BusinessEurope, veruit de grootste lobbyorganisatie in Brussel, waarin alle belangrijke nationale werkgeversverenigingen (zoals het Nederlandse VNO-NCW) zijn verenigd. BusinessEurope is een gerespecteerde gesprekspartner; beleidsmakers onderhouden er doorgaans goede banden mee. Ager is van de European Round Table of Industrialists (ERT), een van de oudste en meest illustere lobbyclubs in Europa. Zij vertegenwoordigen alleen de allergrootste bedrijven en beperken zich tot de grote lijnen van het Europees beleid. Zo gaven ze in de jaren tachtig de voorzet tot het instellen van één Europese interne markt en hebben ze zich ingezet voor de invoering van de euro.

    Ambtenarij

    Een Commissie-ambtenaar die zeer gecharmeerd is van het innovatieprincipe, is de Nederlander Robert-Jan Smits, indertijd topambtenaar bij het RTD. Hij vindt het belangrijk dat dit nieuwe beginsel wordt doorgevoerd en is daarom graag bereid vragen te beantwoorden. ‘Het innovatievraagstuk speelt al jaren,’ vertelt hij tijdens een telefoongesprek. ‘Je kent toch de uitdrukking “the US innovates, China imitates, Europe regulates”? Zo was het ook. Want als er Europese regelgeving gemaakt werd, werd er vooral gekeken naar het voorzorgsbeginsel. Maar te veel regelgeving kan innovatie kapotmaken.’

    Wil je als land iets geagendeerd hebben, dan is zo’n voorzitterschap een geweldige gelegenheid

    Smits vertelt dat het hem stoorde dat baanbrekend onderzoek via het Europese onderzoeksprogramma Horizon werd ondersteund, maar die innovaties vervolgens niet in de praktijk konden worden gebracht, vanwege wetgeving van collega’s op andere departementen. ‘Dan bleek er plotseling een regel te zijn die nieuwe medicijnen in de weg staat,’ zegt hij. ‘Daarom is het belangrijk dat je goed kijkt hoe het met gerelateerde Europese wetgeving zit, en de wetgever er in een vroeg stadium bij betrekt. Dat is de reden dat ik het innovatieprincipe destijds gestimuleerd heb.’

    Smits heeft naar eigen zeggen goed contact met Markus Beyrer van BusinessEurope, die zich heeft aangesloten bij het streven van ERF. Dat blijkt een uitgelezen kans voor de lobby. Het jaar erop – de eerste helft van 2016 – zou Nederland namelijk voorzitter zijn van de Raad van de Europese Unie, wat inhoudt dat ons land de vergaderingen leidt wanneer de ministers uit de lidstaten bijeenkomen. Wil je als land iets geagendeerd hebben, dan is zo’n voorzitterschap een geweldige gelegenheid.

    Nederland

    Smits vertelt dat hij ter voorbereiding van dat voorzitterschap regelmatig sparde met zijn Nederlandse tegenspeler: toenmalig staatssecretaris Sander Dekker van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. ‘Het Nederlands voorzitterschap kwam op een goed moment,’ zegt Smits. ‘Sander Dekker wilde iets doen op het gebied van Open Science. Daar past het innovatieprincipe prima in en Sander bleek erg geïnteresseerd. Dus het kwam mooi uit om het principe op deze manier te embedden. Dankzij Sander hebben we het op de politieke agenda weten te zetten.’

    Bij verscheidene gelegenheden gaat het Nederlandse kabinet inderdaad de boer op met het plan. Eind januari 2016, als het Nederlandse voorzitterschap net van start is gegaan, is er een informele bijeenkomst van de Raad voor Concurrentievermogen in Amsterdam met onder andere Dekker en Eurocommissaris Moedas. Op de agenda staat ook het innovatieprincipe.

    Twee maanden later, in maart, spreekt premier Rutte persoonlijk de achterban van BusinessEurope toe. Hij refereert aan een recent werkdocument van de Commissie over betere regelgeving, waarin het innovatieprincipe wordt genoemd. Rutte: ‘Ik steun met name één van de plannen: het innovatieprincipe. Dit principe vraagt om het standaard beoordelen van de impact van voorgestelde nieuwe wetgeving aan innovatie. Volgens mij moeten we de komende jaren het innovatieprincipe prominenter positioneren, om de EU-economie sterker en wendbaarder te maken.’ Juichend twitterde BusinessEurope: ‘Fijn om te horen dat de Nederlandse premier Rutte het innovatieprincipe bepleit.’

    De steun van de Nederlandse regering voor het innovatieprincipe is destijds evenwel nooit aan de Tweede Kamer meegedeeld. In de aanloop naar de cruciale vergadering van de Concurrentieraad van 26 mei 2016 wordt de Nederlandse volksvertegenwoordigers niets verteld over het voornemen dit principe in de Europese regelgeving te verankeren, laat staan dat ze worden ingelicht over de link met het voorzorgsbeginsel. Er werd slechts aangekondigd dat het kabinet voorstander is van innovatievriendelijke wet- en regelgeving. Een debat over de inzet van de Nederlandse regering op dit terrein, blijft zodoende uit. Het kabinet heeft vrij spel.

    De Concurrentieraad

    Binnen Europa probeert Nederland intussen steun te werven voor het innovatieprincipe. In een toelichtend gesprek vertellen Nederlandse ambtenaren van Economische Zaken aan FTM en aan lobbywaakhond CEO dat er nog een zogenaamd ‘ontbijtseminar’ is georganiseerd met BusinessEurope, ERT en het ERF, dat plaatsvond op 7 april. Omdat veel ambtenaren van andere lidstaten onbekend waren met het innovatieprincipe, moest de bijeenkomst duidelijkheid scheppen over dit instrument, eens temeer daar sommige ambtenaren zich afvroegen of dit principe het voorzorgsbeginsel niet zou ondermijnen. Volgens de Nederlanders was dat echter geenszins de bedoeling.

    BusinessEurope benadrukt dat dit innovatieprincipe het voorzorgsbeginsel niet zal ‘wegnemen’

    Om de laatste twijfel definitief weg te nemen, stuurt BusinessEurope daarna nog een brief aan Henk Kamp, destijds minister van Economische Zaken. De brief is gedateerd op 24 mei 2016, twee dagen voor de vergadering van de Raad voor Concurrentievermogen plaatsvindt waar Kamp en Dekker samen met de afgevaardigde bewindslieden uit de andere lidstaten een klap op het innovatieprincipe willen geven. ‘We roepen de ministers op om het concept van een innovatieprincipe te steunen en de verdere ontwikkeling ervan binnen het institutioneel kader van de EU verder te promoten,’ schrijft Markus Beyrer. Hij benadrukt dat dit principe het voorzorgsbeginsel niet zal ‘wegnemen’. Integendeel, volgens de werkgeverslobby kunnen de twee principes samen juist zorgen voor ‘een meer gebalanceerde kijk op risico’s en benefits’, met ‘betere regels en meer innovatie tot gevolg’.

    Het laatste duwtje valt in goede aarde. Op 26 mei besluit de Concurrentieraad dat ‘bij het overwegen, ontwikkelen of het bijwerken van EU-beleid of regelgeving, het “Innovatie Principe” toegepast moet worden, wat betekent dat er rekening gehouden moet worden met de impact op onderzoek en innovatie’. Ook roept zij de Europese Commissie op om, samen met de lidstaten, het gebruik ervan ‘verder te determineren en de potentiële impact te evalueren’. In een voetnoot voegt de Raad toe dat in dit kader gedacht moet worden aan het voorzorgsbeginsel. De opmerkelijke constructie van de voetnoot is volgens de ambtenaren van Economische Zaken op advies van juristen gekozen om duidelijk te maken dat het innovatieprincipe strikt genomen niet dezelfde juridische status heeft als het voorzorgsbeginsel. Het eerste is een beleidsuitgangspunt, het laatste is vastgelegd in EU-verdragsrecht.

    Een paar dagen later stuurt Kamp het verslag van de besluiten van deze bijeenkomst naar de Tweede Kamer. Daarin wordt – voor het eerst in de context van de Nederlandse politiek – melding gemaakt van het ‘innovatieprincipe’, dat volgens Kamp ten doel heeft om ‘innovatie in impact assessments en besluitvorming’ beter mee te wegen. Over de link met het voorzorgsbeginsel wordt met geen woord gesproken – zelfs niet in een voetnoot. Het Nederlandse parlement blijft stil.

    De Commissie

    Daarmee was deel één van de lobby geslaagd, de Raad had het innovatieprincipe omarmd. Nu de Europese Commissie nog, en dan kon het Europees Parlement zijn akkoord geven. Maar met topambtenaar Robert-Jan Smits als medestander was de Commissie voor de lobby geen grote hindernis.

    De denktank van de Commissie, het EPSC, publiceert in juni 2016 de strategische nota ‘Naar een innovatieprincipe, bekrachtigd door betere regelgeving’. De nota stelt dat het nieuwe beginsel breed moet worden toegepast om een ‘cultuurverandering’ tot stand te brengen in het denken over innovatie. Hoewel Smits benadrukt dat de denktank zelf zijn onderwerpen bepaalt, erkent hij dat hierover ‘wellicht’ contact is geweest met het kabinet van Commissaris Moedas. Verder werkte Smits mee aan het opzetten van een pilot binnen de Commissie, om nieuwe regelgeving aan dit innovatieprincipe te toetsen.

    De enige tegenslag die Smits ervoer, was de uitkomst van zijn rondvraag bij bedrijven: hij wilde van hen weten welke bestaande Europese regelgeving innovatie in de weg stond. ‘Het verbaasde me dat daar relatief weinig uitkwam,’ vertelt hij. ‘Er was vooral vraag naar nieuwe wetgeving, bijvoorbeeld van bedrijven die bezig waren met hernieuwbare energie en daarom graag de rol van diesel wilden beperken. De oogst was dus eigenlijk beperkt. Ik was daar een beetje teleurgesteld over.’ Desalniettemin liet hij zich niet uit het veld staan. ‘De vraag die ik de bedrijven stelde ging over het terugkijken op regelgeving. Maar het is toch goed dat als er nieuwe wetgeving komt, we voortaan goed nadenken hoe die innovatie eventueel kan beïnvloeden. Denk bijvoorbeeld aan drones, of zelfrijdende auto’s. Dat moet je niet kapot willen reguleren.’

    Inmiddels staat het innovatieprincipe ook in plannen van de Europese Commissie. Afgelopen voorjaar stelde de Commissie in ‘De nieuwe Europese agenda voor onderzoek en innovatie’ voor om het toe te passen bij de voorbereiding van ‘grote wetgevingsinitiatieven’ en meldde dat van lidstaten hetzelfde zal worden verwacht. Voorts is het principe ook al in een van de belangrijkste voorstellen van de Europese Commissie beland: het kader voor de besteding van het budget van het Horizon-programma. Dat kader bepaalt hoe de Europese miljarden voor onderzoek en innovatie besteed moeten worden. In de onderliggende wetteksten van het voorstel is het innovatieprincipe overal terug te vinden.

    Het Europees Parlement

    Nu ligt de bal dus bij het Europees Parlement, de laatste hindernis voor de lobby. Binnenkort wordt er over het Horizon-kader gestemd. De zogenaamde ‘compromisvoorstellen’ van het parlement, die doorgaans op brede steun kunnen rekenen, geven blijk van grote welwillendheid jegens het innovatieprincipe.

    CDA’er Lambert van Nistelrooij is een van de Europarlementariërs die zich enthousiast heeft betoond over de introductie van het nieuwe principe. In een artikel in het parlementaire magazine, onder de kop ‘Europa moet groot denken en risico’s nemen’, betoogde hij eind 2016 dat Europa innovatie te veel door de ogen van het voorzorgsbeginsel bekijkt en er meer volgens het innovatieprincipe gedacht moet worden.

    ‘Voor mij is het één van de knoppen om aan te draaien. De zaken moeten fundamenteel anders’

    Tijdens een gesprek op zijn kantoor in het Europees Parlement licht Van Nistelrooij dat toe. ‘Om te innoveren moeten bedrijven de ruimte hebben om het anders te doen,’ vindt hij. ‘Dus dan moet je die ontwikkelingsruimte creëren.’ Gevraagd of hij heeft overwogen dat het innovatieprincipe misschien niet eens nodig is voor de doelen die hij beoogt, terwijl het mogelijk wél de deur openzet voor minder gewenste ontwikkelingen, antwoordt Van Nistelrooij ‘natuurlijk geen expert’ te zijn en inderdaad nog goed te willen bezien ‘wat de juridische status’ van zo’n principe is. Maar: ‘Voor mij is het één van de knoppen om aan te draaien. Het gaat erom dat de zaken fundamenteel anders moeten. We moeten meegaan in nieuwe initiatieven.’

    Tweede Kamer

    Zo stevent het innovatieprincipe af op een ferme plaats in de toekomstige Europese beleidsvorming. Vanuit de Tweede Kamer wordt er zelfs eind 2016 al een poging gedaan het nieuwe beleidsbeginsel te effectueren. Terwijl het Europese proces rond de introductie van het innovatieprincipe nog in volle gang is, stelt toenmalig Kamerlid Remco Bosma (VVD) schriftelijke vragen aan staatssecretaris Van Dam (Economische Zaken en Landbouw) over nieuwe veredelingstechnieken ‘zoals Oligo Directed Mutagenesis (ODM), Zinc Finger Nuclease Technology, Cisgenesis and Intragenesis, Grafting non-GM scion on GM rootstock, Agro-infiltration, RNAdependent DNA methylation, Reverse Breeding en Synthetic Genomics’.

    Het betreft het soort technieken waarvan de chemiebedrijven die ERF financieren graag zouden zien dat ze sneller worden toegelaten op de Europese markt. Bosma dringt er bij Van Dam op aan dat hij zijn best doet de boel te bespoedigen. De VVD’er beroept zich daarbij op het innovatieprincipe, ‘waarbij naast de afweging van risico’s volgens het voorzorgsprincipe ook de mogelijke voordelen worden bekeken’.

    Van Dam ziet geen reden zijn plannen om te gooien, blijkt uit zijn antwoorden. Volgens hem mogen dit soort nieuwe technieken alleen worden vrijgesteld van Europese regels ‘onder de voorwaarde dat de producten ervan niet meer risico’s met zich meebrengen dan producten van traditioneel veredelde gewassen’. Het eerste proefballonnetje van de lobby loopt sissend leeg.

    Wetenschap

    Niettemin waarschuwt hoogleraar Geert van Calster van de Katholieke Universiteit te Leuven dat het een kwestie van tijd kan zijn voordat het innovatieprincipe daadwerkelijk afbreuk doet aan het voorzorgsbeginsel. Met zijn collega’s Leonie Reins en Kathleen Garnett publiceerde hij in 2016 en in 2018 onafhankelijke onderzoek naar dit nieuwe principe in de Europese Unie. ‘Op het eerste gezicht lijkt het volstrekt ongevaarlijk,’ vertelt Van Calster tijdens een telefoongesprek. ‘Iedereen met gezond verstand is immers voor innovatie. Maar al snel bleek ons dat het de industrie te doen was om de obstructie die zij in het voorzorgsbeginsel zag.’

    Hij bestrijdt het idee dat het voorzorgsbeginsel innovatie in de weg zou staan

    De hoogleraar benadrukt dat bedrijven ten onrechte de indruk wekten dat het voorzorgsbeginsel te pas en te onpas door beleidsambtenaren wordt toegepast, ‘terwijl dat van wetenschappelijk bewijs uitgaat’. Bovendien bestrijdt hij het idee dat het voorzorgsbeginsel innovatie in de weg zou staan. ‘Het innovatieprincipe is in feite overbodig. Er wordt heel veel innovatief wetenschappelijk onderzoek door de EU gefinancierd. Het is iedereen volstrekt duidelijk dat innovatie gesteund moet worden.’

    Hoewel het innovatieprincipe juridisch nog niet dezelfde zware status heeft als het voorzorgsbeginsel, is de opzet van de industrie volgens Van Calster inmiddels deels gelukt. ‘Hun idee was om het innovatiebeginsel in allerlei officiële documenten van de Europese Commissie te schuiven als iets vanzelfsprekends. Je ziet nu dat het begrip inderdaad voorkomt in allerlei documenten, waaruit blijkt dat het principe in beginsel wordt aanvaard. Het is vooralsnog een beetje als een ankerloos schip dat wat ronddrijft, maar in hoe meer documenten je het kunt poneren, hoe meer mensen je ervan kunt overtuigen dat het ook echt een beginsel is. Je merkt nu al dat het steeds meer als een vanzelfsprekendheid wordt gezien.’

    De hoogleraar, die net als zijn collega’s niet door de betrokken EU-instituties is geraadpleegd over zijn onderzoek, waarschuwt voor argeloosheid over het innovatieprincipe. ‘We moeten ervoor waken dat we, door er niet op te reageren, over tien jaar opeens met een beginsel zitten dat het voorzorgsbeginsel echt ondermijnt.’

    Draagvlak

    Volgens topambtenaar Smits betreft de introductie van het innovatieprincipe echter een ontwikkeling die breed wordt gedragen. Voor die uitspraak verwijst hij naar ‘consumentenorganisaties’ zoals patiëntenverenigingen, die er belang bij hebben dat nieuwe technieken snel op de markt komen.

    Bij navraag distantieert evenwel de grootste Europese koepelorganisatie van consumentenbonden zich onmiddellijk van die opvatting. BEUC-voorvrouw Monique Goyens reageert per mail. ‘Het voorzorgsbeginsel is een vangnet voor Europese consumenten,’ schrijft ze. ‘Er bestaat geen bewijs dat het voorzorgsbeginsel obstakels creëert voor het welzijn van consumenten. Integendeel, dit beginsel wordt onderbenut.’

    Ook verwerpt ze het idee dat het voorzorgsbeginsel innovatie belemmert. ‘Het stimuleert die juist. Wanneer wetenschappers twijfelen over de veiligheid van een product of van levensmiddelen, zorgt het voorzorgsbeginsel ervoor dat producenten worden aangemoedigd om duurzamere of groenere alternatieven te onderzoeken, die zowel voordelig zijn voor consumenten als voor de industrie.’ Ze besluit: ‘Dit alles overwegend, denken we niet dat er plaats is voor het “innovatieprincipe” in het onderzoeksprogramma.’

    Reactie kabinet

    In reactie op vragen van FTM hoe de Tweede Kamer is geïnformeerd over de introductie van het innovatieprincipe, wijst een woordvoerder van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat erop dat de toenmalige bewindslieden de volksvertegenwoordigers ervan op de hoogte hebben gebracht dat de kabinetsinzet was om innovatievriendelijke wet- en regelgeving te bepleiten in de EU.

    Hij vervolgt: ‘Hierin ligt ook de kern van hoe het kabinet het innovatieprincipe ziet: als de verwoording van hoe bij het opstellen van regelgeving het belang van innovatie altijd goed mee moet worden meegewogen.’ Het ministerie benadrukt daarbij dat het innovatieprincipe niet als rechtsbeginsel is voorgesteld, maar als instrument om tot betere regelgeving te komen. De woordvoerder: ‘Gezien dit operationele karakter van het innovatieprincipe bestaat er ook geen spanningsveld met het in het verdrag vastgelegde voorzorgsbeginsel.’

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Lise Witteman

    Onze vrouw in Brussel. Volgt lobby's, legt netwerken bloot en bijt politici, belangenbehartigers en bestuurders in de enkels.

    Volg Lise Witteman
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren