Wie de goede woorden niet bezit, kan niet helder denken; ons huidige economische denken is daar een perfect voorbeeld van. In deze aflevering legt Niko Roorda uit waarom economie een protowetenschap is – en wat dat betekent.

    Deze week krijg je een wat langere aflevering dan gebruikelijk. Dat is omdat het eerste gedeelte ervan min of meer al eens eerder geplaatst is. Als je mijn publicaties al wat langer volgt, weet je dat ik in januari opnieuw ben begonnen met het boek, nadat de omvang in een eerdere versie behoorlijk uit de hand ging lopen. Deze keer lukt het me goed om de lengte in de hand te houden. Ik heb nu in concept vier hoofdstukken voltooid, en de totale lengte daarvan (in A4 pagina’s in Word) is 120 pagina’s, precies zoals ik mezelf had toegestaan. 

    Met de publicatie van Hoofdstuk 2 begin ik vandaag. Dat hoofdstuk begint, na een korte synopsis, met een beschouwing van impetuswoorden en protowetenschap. De oude getrouwen van dit dossier zullen het eerste gedeelte min of meer herkennen: het verhaal over Newton, enzovoorts. Dat gedeelte eindigt met een formele definitie van ‘impetuswoorden’, en dat komt goed uit, want daarmee geef ik direct een antwoord op de vraag van j kroon naar aanleiding van de aflevering van vorige week: “Wat is een impetuswoord?” Sneller kan ik hem of haar niet met een antwoord bedienen.

    Maar daar blijft het niet bij. Want daarna komen er meer merkwaardige woorden, en dat tekstgedeelte is voor iedereen nieuw. Heb je wel eens gehoord van ‘odyle’? Van ‘Bildungstrieb’? Straks wel, als je dit gelezen hebt. Daarna sluit ik het stuk af met een formele definitie van ‘protowetenschap’ en vergelijk dat met ‘pseudowetenschap’, hetgeen iets geheel anders is.

    Bij beide definities, van impetuswoorden en protowetenschap, heb ik belangrijke nieuwe toevoegingen in vergelijking met de eerste keer toen ik erover schreef. Je vindt ze in twee uitklappers, die interessant voor je zullen zijn als je graag het naadje van de kous wilt weten.

    Nog even een paar opmerkingen naar aanleiding van de reacties in het forum op de vorige aflevering. Mz59 vroeg zich af: “Wordt er aan de theoretische economie niet te veel invloed toegedicht? Ik heb niet de indruk dat economen de wereld regeren.” Daarop is een korte discussie ontstaan waarbij ik ook een duit in het zakje deed. De vraag die Mz59 stelde is uiterst belangrijk. Mijn reactie was onvoldoende om er een gestructureerd antwoord op te geven, en naar mijn idee kan dat ook niet binnen het forum, want daarvoor deze kwestie te complex. Aspecten ervan gaan in de komende afleveringen ter sprake komen. Ik hoef je niet vragen om erover alert te blijven, want dat gaan jullie (tot mijn vreugde) ongetwijfeld doen.

    Braavos gaf een aantal aandachtspunten mee naar aanleiding van het plan dat ik vorige week uiteenzette:

    “1. Worden alle mensen bereikt die ook in de 'echte' wereld een rol spelen?

    2. Een mogelijke invloed van de algoritmes die worden gebruikt in de software op de bevindingen.

    3. De 'veiligheid' van het virtuele systeem met betrekking tot bijvoorbeeld hackers.”

    Dat zijn uitstekende kanttekeningen. Ik ga er terdege rekening mee houden.

    Er waren nog veel meer reacties, het aantal ligt (terwijl ik dit typ, op woensdag, de vaste dag waarop ik de volgende aflevering naar de redactie stuur) al boven de 120. Dank daarvoor! Veel plezier met Hoofdstuk 2.

    Hoofdstuk 2. Protowetenschap en Economie

    Synopsis

    In hoofdstuk 2 definieer ik het begrip ‘protowetenschap’ waarbij ik voortbouw op het werk van anderen. Ik maak de definitie hanteerbaar aan de hand van zeven criteria, met behulp waarvan je kunt vaststellen of een vakgebied een volwassen wetenschap is of nog een protowetenschap.

    Een belangrijk kenmerk van protowetenschappen is het gebruik van impetuswoorden. Ook die definieer ik dus. Vervolgens onderzoek ik het vakgebied ‘economie’ en stel vast dat dat voldoet aan zes van de zeven criteria van een protowetenschap. Het onderzoek naar het zevende criterium moet nog even wachten tot hoofdstuk 3.

    2.1. Impetuswoorden en protowetenschap

    De wetenschap werd geboren op een zaterdag.

    Het was in het jaar 1687, toen de Philosophiæ Naturalis Principia Mathematica werd gepubliceerd. Op 5 juli, en dat was dus een zaterdag. Het belangrijkste boek van Sir Isaac Newton – toen nog geen Sir – heette, vrij vertaald, in het Nederlands Natuurfilosofie op Wiskundige Grondslag. In dat boek formuleerde Newton natuurwetten voor bewegingen en krachten, waaronder de zwaartekracht: wetten die tot op de dag van vandaag op iedere middelbare school in de hele wereld onderwezen worden. Het was een doorbraak: nog nooit eerder was een bepaald vakgebied zo duidelijk in kaart gebracht op basis van feiten. Waarnemingen. 

    Die waarnemingen waren op een systematische manier gedaan, niet alleen door Newton zelf, maar vooral ook door voorgangers zoals Tycho Brahe, Johannes Kepler en Galileo Galilei. Zij bestudeerden de bewegingen van planeten (waaronder de Aarde) en manen (waaronder de Maan). Newton, die door velen beschouwd wordt als het grootste genie aller tijden, gebruikte alle waarnemingsresultaten om zijn beroemde bewegingswetten te formuleren: we noemen ze nog steeds de ‘Drie Wetten van Newton’. Hij introduceerde ook het begrip ‘zwaartekracht’ (‘gravity’), waarmee hij de bewegingen van planeten en manen, en tevens die van vallende of gegooide voorwerpen op Aarde kon doorrekenen. En zelfs ook: voorspellen, met behulp van de wiskundige formules die hij daartoe had opgesteld.

    Daarmee was de oudste wetenschap geboren: die van de natuur- en sterrenkunde. 

    Waarom was de natuur- en sterrenkunde de eerste wetenschap? Waarom niet bijvoorbeeld de biologie of de psychologie? Om een heel eenvoudige reden: het vakgebied van de natuurkunde is het gemakkelijkst.

    Wie een modern boek over bijvoorbeeld de kwantummechanica doorbladert zal dat misschien niet direct zo zien. Maar in de beginnersgebieden van de natuurkunde gaat het over heel simpele dingen. Over een planeet die een jaarlijks baantje om de zon trekt, waarbij beide, planeet en zon, voor de eenvoud worden opgevat als structuurloze stippen in de vrije wereldruimte. Of het gaat over een ronde kogel die de mond van een kanon verlaat, op weg naar een stadsmuur die verbrijzeld dient te worden. De planeetbaan heeft de vorm van een ellips. Die van de kogel een parabool, en dat weten we al honderden jaren, dankzij Newton.

    Dit zijn allemaal kinderlijk eenvoudige processen, als je ze vergelijkt met hoe een plant groeit. Een planeet, beschreven als een stipje, is veel simpeler dan een bloemknop of een mens.

    Newtons boek wordt vaak kortweg de Principia genoemd. Maar de volledige titel laat zien dat Newton zelf niet sprak van wetenschap maar van natuurfilosofie, waaruit blijkt waar de oorsprong ligt van deze nieuwe vorm van menselijke creativiteit: in de filosofie. Op de een of andere manier heeft de wetenschap zich dus ontwikkeld uit de filosofie. Hoe dat in zijn werk ging, is een leerzaam verhaal.

    Vanzelfsprekend werd er al duizenden jaren druk gediscussieerd over natuurkundige onderwerpen. Door Aristoteles (384 – 322 v. Chr.) bijvoorbeeld, die in zijn boek Metaphysica (ca. 330 v. Chr.) stelde dat de planeten in cirkelbanen bewegen omdat dat hun ‘natuurlijk gedrag’ was: ze bevonden zich immers in bolvormige ‘Hemelse sferen’. Deze opvatting bleef gedurende de middeleeuwen fier overeind. En in diezelfde middeleeuwen vermoedden de kanon-experts dat hun kogelbanen uit drie delen bestonden: eerst een recht gedeelte schuin omhoog, vervolgens een stukje van een cirkel, en tenslotte een val recht omlaag. Dankzij deze veronderstelling zullen heel wat vestingmuren overeind zijn gebleven.

    Zulke beweringen werden niet regelmatig empirisch getoetst. Dat was geen wonder, want niet alleen de juiste apparatuur ontbrak daarvoor, ook de interesse. Het testen van vermoedens werd vooral in het hoofd gedaan en niet met de ogen: intuïtie en gevoel voor logica waren de toetssteen, niet de waarnemingen. 

    Om die reden moet de natuurkunde van de klassieke oudheid en de middeleeuwen niet als wetenschap beschouwd worden maar als filosofie: metafysica.

    Tijdens en na de Renaissance kwam daar geleidelijk verandering in. Bijna iedereen kent de verhalen van Copernicus (1473 – 1543), die opschreef dat de planeten weliswaar in cirkelbanen bewegen, maar niet rondom de Aarde maar rondom de Zon. En van Galilei (1564 – 1642), die dat eveneens beweerde, waarvoor hij in een kerkelijk strafproces terechtkwam. Het was ook Galilei die als eerste een telescoop op de hemel richtte en daarbij de kraters op de maan ontdekte, de manen van Jupiter en de ring rondom Saturnus. ‘Ansae’, noemde hij die: ‘handvatten’.

    In diezelfde periode nam de kwaliteit van het werk van de instrumentmakers sterk toe. Daardoor ontstonden verfijnde sterrenkundige apparaten: naast de telescoop ook de quadrant en de sextant, het parallacticum en een sterk verbeterd astrolabium (zie Figuur 2.1). Plus, heel belangrijk: nauwkeurige uurwerken. Met behulp daarvan konden waarnemingen gedaan worden die zeer veel betrouwbaarder waren dan voorheen, zoals de Deen Tycho Brahe (1546 – 1601) bewees.

    Ook de wiskunde maakte in die tijd flinke sprongen vooruit. Het was Johannes Kepler (1571 – 1630), assistent van Brahe, die nieuwe wiskundige methoden toepaste op de jongste waarnemingsgegevens, nadat hij die had gestolen van zijn opdrachtgever. Een van zijn sensationele conclusies was dat de planeten helemaal niet in cirkelbanen bewegen, maar in ellipsen.

    Natuur- en sterrenkunde: impetus

    Ken je het woord ‘impetus’? Alle kans van niet. En dat is geen wonder, want het wordt in onze tijd niet meer gebruikt. Het woord is weggegooid. 

    Aangezien het woord desondanks in dit boek een belangrijke rol gaat spelen, is het handig als je weet hoe het wordt uitgesproken. De klemtoon ligt op de eerste lettergreep, de ‘e’ klinkt als in het woordje ‘de’ en de ‘u’ als ‘oe’.

    In de middeleeuwse natuurkunde, tot Newton, was impetus een kernbegrip. Men puzzelde al heel lang, op zijn minst sinds Aristoteles, over wat er aan de hand was met voorwerpen die in beweging waren. Waren die soms ‘bezield’, ‘geladen’, of wellicht ‘geïnfecteerd’ met iets? Zo ja, met wat dan?

    Joannes Philoponus gaf in de 6e eeuw A.D. als antwoord: met onstoffelijke bewegings-enérgeia. Het woord enérgeia dankte hij aan Aristoteles, en het betekent ongeveer zoiets als werkendheid. Voorbeelden van enérgeia zijn plezier, geluk en beweging.

    In onze huidige tijd zijn wij geneigd om te zeggen dat het vraagstuk naar de geaardheid van bewegende voorwerpen niet is opgelost door er een naam op te plakken, maar Philoponus was er vermoedelijk toch heel tevreden mee. Wat geen wonder was, omdat zoiets voor en tijdens de middeleeuwen wel vaker gebeurde, en zelfs nu nog weleens. Woord bedacht, etiket geplakt, probleem opgelost.

    Philoponus werd in de 11e eeuw geciteerd door Avicenna, die uitlegde dat een in beweging gebracht voorwerp een ‘neiging’ bezit. In de 12e eeuw voegde Nur ad-Din al-Bitruji daaraan een ‘verlangen’ toe, om te verklaren hoe de beweging vanuit een Eerste Beweger in de Hemelse 9e sfeer is overgedragen aan de andere sferen, waardoor alle activiteiten die we thans waarnemen op gang zijn gekomen.

    In de 14e eeuw bracht Jean Buridan de discussie vanuit de Arabische wereld naar christelijk West-Europa. Hij bedacht het woord impetus, als een ‘bewegingshandhavende’ eigenschap van voorwerpen nadat die door een externe oorzaak in beweging gebracht zijn. Impetus, zo schreef hij in of rond het jaar 1362, is een kracht die een voorwerp in staat stelt om te bewegen in de richting waarin de beweger het heeft gestuurd: omhoog, omlaag, opzij of in een cirkel. Giambattista Benedetti bracht daar in 1585 een correctie op aan: hij sloot cirkels uit en beperkte impetus tot rechtlijnige bewegingen.

    Dat was ongeveer de stand van de discussie die Newton aantrof toen hij in de zeventiende eeuw zijn natuurkundige theorieën begon te ontwerpen. Stel je even voor: met alle tot dan toe gevoerde discussies kon men geen enkele berekening uitvoeren. Geen formules, geen wiskunde, niets. En dus ook geen voorspellingen, althans geen kwantitatieve en dus keihard verifieerbare voorspellingen vóórdat een beweging bij wijze van experiment werd uitgevoerd. Het was allemaal nog filosofie: over de (levenloze) natuur, vandaar de terechte naam ‘natuurfilosofie’. 

    Wel is te zien hoe de discussie vorderde. Volgens Aristoteles, die met betrekking tot de natuurfilosofie gedurende meer dan duizend jaar als ontwijfelbare autoriteit beschouwd werd, is het de natuurlijke neiging van voorwerpen in het ondermaanse (op aarde dus) om af te remmen en tot stilstand te komen; voorwerpen die in beweging blijven, hebben daarvoor een voortdurende bewegingsoorzaak nodig. In het bovenmaanse is het daarentegen het natuurlijke gedrag van objecten om in cirkels te blijven bewegen zonder afremmen. Maar gaandeweg, via de discussies van bovengenoemde heren, drong het besef door dat beide beweringen onjuist waren. Het is de natuurlijke neiging van voorwerpen, zowel op aarde als (aldus Benedetti) in de kosmos om in een rechte lijn te bewegen en dat ook te blijven doen, doordat deze voorwerpen impetus bezitten. Juist wanneer voorwerpen afremmen, afbuigen of in een cirkel bewegen, is daarvoor een externe oorzaak nodig.

    Zoals je ziet, legde de ene natuurfilosoof ‘impetus’ uit als een enérgeia, wat lijkt op ons woord ‘energie’ maar niet helemaal hetzelfde betekent. Een ander sprak van een kracht, en een derde noemde het een ‘neiging’. Men was duidelijk nog zoekende, in een speurtocht die moest leiden tot een echt begrijpen van wat beweging nu precies is. In de laatste eeuwen voordat Newton helderheid bracht, kwam men dichtbij: ze waren ‘warm’, zoals wij dat zouden zeggen. 

    Het was Newton die meer dan ‘warm’ was, toen hij ontdekte dat ‘impetus’ feitelijk een vermenging is van een aantal verschillende begrippen, waaronder: kracht; energie; impuls; en traagheid. Toen Newton die woorden bedacht en daarmee impetus uiteenploos in die verschillende begrippen, slaagde hij erin om wiskundige formules te ontwerpen die echt werkten, dat wil zeggen: waarmee hij bewegingen niet alleen kon begrijpen maar ook voorspellen. Doordat Newton de goede woorden kende, kon hij de juiste dingen zeggen en succes bereiken. 

    Vandaar dat hij nuchter opmerkte: ‘Hypotheses non fingo’: ik verzin geen hypothesen. Waarmee hij wilde zeggen: mijn formules zijn afgeleid uit en getoetst aan de werkelijkheid, en het klopt. 

    Dat is de reden waarom Newtons werk beschouwd wordt als het begin van de wetenschap. Daarna was het mengwoord ‘impetus’ overbodig geworden en werd weggegooid.

    In de laatste eeuwen vóór Newton verkeerde het denken in een overgangsfase. Het was niet meer pure filosofie zoals die van mensen zoals Aristoteles en Avicenna, wat men bedreef. Maar het was ook nog geen zuivere wetenschap. Men was ‘warm’, als iemand die in de ochtendschemering de weldra opkomende zon zoekt. Het was de overgangsfase van filosofie naar wetenschap. Het was protowetenschap.

    Protowetenschap wordt gekenmerkt door een aantal goed herkenbare eigenschappen. Ik zet ze straks op een rijtje. Eén ervan is: het gebruik van woorden waarmee je – achteraf beschouwd – ‘warm’ bent, dus in de buurt komt, maar nog niet helemaal goed zit. Je zult zien dat iedere wetenschap, in de proto-fase, zulke woorden bezit. Ik noem ze impetuswoorden. Hier is een formele definitie:

    Een impetuswoord is...

    Een woord waarmee men nog niet de essentie te pakken heeft van wat een bepaald vakgebied inhoudt. Het is een diffuus woord, waarvan het gebruik tot verwarring kan leiden, vanwege een vage of zelfs paradoxale betekenis, die achteraf gezien wellicht in de buurt van een meer succesvolle term ligt of zelfs een vermenging van meerdere van zulke termen is. Bij voortschrijdend inzicht zal het woord weggegooid worden, of op zijn minst opnieuw gedefinieerd.

    Lees verder Inklappen
    Voor de liefhebber, een meer uitgebreide definitie:

    De definitie stelt onder meer dat een impetuswoord “een diffuus woord” is “waarvan het gebruik tot verwarring kan leiden, vanwege een vage of zelfs paradoxale betekenis”. Bij toepassing van de definitie om aan te tonen dat bepaalde woorden impetuswoorden zijn, zal gebruik gemaakt worden van een bewijsvoering door middel van een ‘bewijs uit het ongerijmde’, oftewel een ‘reductio ad absurdum’.

    Volgens Jansen (2006) is dat een “argumentatie waarin een propositie wordt afgewezen op grond van de onaanvaardbare of onmogelijke gevolgen die eruit voort zouden vloeien”. Jansen licht toe, onder verwijzing naar MacCormick (1978, pag. 148):

    Onaanvaardbare gevolgen treffen we aan in argumentatie die ook wel pragmatische argumentatie wordt genoemd. Een bekend voorbeeld is het ‘floodgate’-argument, waarmee wordt betoogd dat een bepaalde rechtsvordering niet moet worden toegewezen, omdat het rechtssysteem anders een onaanvaardbaar grote stroom van soortgelijke zaken te verwerken zal krijgen. 

    Van een onmogelijk gevolg is sprake in de volgende argumentatie, waarin het standpunt luidt dat kunstmatige inseminatie niet kan worden gelijkgesteld aan overspel (en daarom niet mag worden beschouwd als een scheidingsgrond in het Britse recht), en het daarvoor aangevoerde argument dat als kunstmatige inseminatie wel gelijk zou worden gesteld aan overspel, dat zou betekenen dat men overspel zou kunnen plegen met een dode (omdat immers geïnsemineerd kan worden met zaad van iemand die is overleden nadat hij heeft gedoneerd).”

    De af te wijzen propositie waarop Jansen doelt heeft in dit boek betrekking op stellingen van het type ‘A is een geschikte wetenschappelijke term, dat wil zeggen: geen impetuswoord’. Door zo’n stelling tijdelijk voor waar aan te nemen, wordt het mogelijk om te bewijzen dat deze tot een onaanvaardbare of een onmogelijke consequentie leidt (‘ad absurdum’), waaruit dan de conclusie getrokken mag worden dat A een impetuswoord is.

    In de definitie van impetuswoorden verwijst ‘vaag’ naar een onaanvaardbaar gevolg van wetenschapsfilosofische aard. Hoewel woorden in het dagelijks taalgebruik vaak vaag of dubbelzinnig zijn, is dat in de wetenschap niet toelaatbaar, zeker wanneer het gaat om basale woorden die bepalend zijn voor het fundament van het vakgebied. Daartegenover verwijst ‘paradoxaal’ naar een onmogelijk gevolg van logische aard.

    Daarnaast is er een tweede soort onaanvaardbaarheid die in deze argumentatie kan optreden: maatschappelijk onaanvaardbaar, zoals het door Jansen geciteerde voorbeeld van de ‘floodgate’. Naast Jansen (2006) en MacCormick (1978) beschouwen ook onder meer Alexy (1989, pag. 283) en Golding (1984, pag. 38 en 59) maatschappelijke onaanvaardbaarheid als een geldige vorm van ‘absurdum’.

    Maatschappelijke onaanvaardbaarheid van woorden is echter ook te formuleren als een onmogelijk gevolg, door er een stilzwijgend uitgangspunt aan toe te voegen dat de toepassing van wetenschappelijke termen, of meer in het algemeen van wetenschap, niet tot maatschappelijk onaanvaardbare consequenties mag leiden. Dat is evenwel een gevaarlijke argumentatie. Veronderstel dat een conclusie van wetenschappelijk onderzoek zou zijn, dat ‘menselijke ellende niet uitgebannen kan worden’. Deze conclusie zou kunnen worden opgevat als maatschappelijk onaanvaardbaar, waardoor wellicht valide wetenschap verboden zou kunnen worden. Maatschappelijke onaanvaardbaarheid kan daarom alleen worden gehanteerd als criterium voor impetuswoorden, indien op valide wijze aangetoond of tenminste plausibel gemaakt kan worden dat er voor de onaanvaardbaar geachte consequentie alternatieven mogelijk zijn die wel, of althans meer, maatschappelijk aanvaardbaar zijn. Je kunt dan spreken van ‘(vermoedelijk) vermijdbare onaanvaardbare consequenties’ als een reden om een term tot impetuswoord te verklaren.

    Een tweede reden waarom maatschappelijke onaanvaardbaarheid een gevaarlijke term is, is vanzelfsprekend het normatieve karakter daarvan. Niet alleen betekent dit dat de (mate van) onaanvaardbaarheid van plaats tot plaats of van tijd tot tijd kan veranderen; het betekent bovendien dat wetenschap daarmee open komt te staan voor het gevaar van manipulatie en indoctrinatie. Echter: indien op deze gronden de maatschappelijke onaanvaardbaarheid als criterium geheel zou worden verworpen, blijft uitsluitend ‘waardenvrije wetenschap’ over. Dat tot diep in de 20e eeuw gekoesterde wetenschappelijke ideaalbeeld wordt thans als verouderd gezien, onder meer omdat het bijvoorbeeld de geneeskunde als wetenschapsgebied zou verbieden, aangezien de geneeskunde immers expliciet menselijke en maatschappelijke doelen nastreeft. 

    Ook in dit boek wordt uitgegaan van ‘waardenvolle’ wetenschap die een maatschappelijk en ecologisch doel nastreeft, in dit geval: de totstandkoming van intrinsieke duurzaamheid door het uitbannen van structurele onduurzaamheid. Op het onderwerp van de maatschappelijke doelen van wetenschap komt Hoofdstuk 6 in detail terug. 

    In verband hiermee is het belangrijk om nogmaals op te merken dat dit boek geen wetenschappelijk werk is maar een filosofisch werk, dat niet neutraal is maar bepaalde subjectieve doelen nastreeft.

    Tenslotte kan een term ook onaanvaardbaar zijn als uit het gebruik ervan een onvermijdelijke strijdigheid volgt met waargenomen feiten. Vanzelfsprekend kan ook in dit geval sprake zijn van het risico van plaats- of tijdsafhankelijkheid.

    Samengevat, kan de ‘reductio ad absurdum’ als argumentatie met betrekking tot impetuswoorden op meerdere manieren gebruikt worden, namelijk door aan te tonen dat het betreffende woord leidt tot:

    1. Tegenspraak, dus tot paradoxen (hetgeen logisch onaanvaardbaar is);
    2. Vaagheden of dubbelzinnigheden (hetgeen wetenschapsfilosofisch onaanvaardbaar is);
    3. Strijdigheid met waargenomen feiten (hetgeen wetenschappelijk onaanvaardbaar is);
    4. (Vermoedelijk) vermijdbare maatschappelijke consequenties, in dit boek met name (vermoedelijk) vermijdbare structurele onduurzaamheid (hetgeen maatschappelijk onaanvaardbaar is).

    Conclusie en operationele definitie: 

    Een woord is een impetuswoord, indien het aan tenminste één van deze vier criteria voldoet.

    Literatuur:

    Alexy, R. (1989): A Theory of Legal Argumentation. The Theory of Rational Discourse as a Theory of Legal Justification. Clarendon Press, Oxford.

    Golding, M. P. (1984): Legal Reasoning. Alfred A. Knopf, New York.

    Jansen, Henrike (2006): De reductio ad absurdum: argumentatievorm versus argumentatieschema. Tijdschrift voor Taalbeheersing - 28 (2006), nr. 4, 289-301. Retrieved from http://en.aup.nl/wosmedia/1039/taalbeh_2006_nr4.pdf.  

    MacCormick, N. (1978): Legal Reasoning and Legal Theory. Clarendon Press, Oxford.

    Lees verder Inklappen

    Scheikunde: phlogiston

    Zoals in de 17e eeuw de fysica ontstond uit de metafysica, een tak van de filosofie, zo ontstond in de 18e eeuw een volgende wetenschap, de chemie, uit de alchemie. Dat was – terugkijkend – een fraaie mengelmoes van filosofie, religie en magisch denken. Een boeiende impetus-achtige kwestie speelde zich in de protochemie af rond de vraag wat er precies gebeurt als dingen verbranden.

    Zo vermoedde Johann Joachim Becher in 1669 dat stoffen die brandbaar zijn, bestaan uit een mengsel van as en terra pinguis (letterlijk: vette aarde). Tijdens het verbrandingsproces ontsnapt dat laatste in de lucht en blijft de as over. 

    Begin 18e eeuw nam Georg Ernst Stahl deze hypothese over en breidde hem uit: volgens hem was het roesten van metaal in wezen hetzelfde proces als verbranden, alleen veel trager. Dat had hij goed gezien: hij was ‘warm’. De ontsnappende stof noemde hij phlogiston.

    Toen kwam Antoine Lavoisier, die wel de vader van de moderne chemie wordt genoemd. In de jaren tussen 1770 en 1790 liet hij zien dat Stahls veronderstelling niet kan kloppen, want tijdens het roesten wordt metaal niet lichter en blijft zelfs niet gelijk in gewicht: het wordt zwaarder. Lavoisier toonde aan de hand van lange reeksen experimenten aan dat het bij verbranding niet gaat om een stof die ontsnapt maar die juist gevangen wordt, namelijk: zuurstof. Phlogiston was een aardige hypothese, die alleen precies verkeerd om was: een soort ‘antizuurstof’. Dankzij Lavoisier komt ‘phlogiston’ niet meer in de scheikunde voor: het is een impetuswoord, het is afgeschaft.

    Biologie: odyle, transmutatie

    Wedden dat je ook het woord ‘odyle’ niet kent, zelfs niet in een van de andere gebruikte vormen zoals ‘odische kracht’ of ‘önd’? Het is een impetuswoord uit de 19e-eeuwse protobiologie, het is nu verdwenen. En toch wisten nogal wat natuuronderzoekers het zeker: levende, ja zelfs levenloze doch organische materie was geen gewone materie, er was iets extra’s. Dat was het vrij breed aangehangen standpunt voordat de biologie in de 19e eeuw een volwassen wetenschap werd. Het was Karl von Reichenbach (1788–1869) die het woord ‘odyle’ introduceerde: hij leidde het woord af van de naam van de oppergod Odin. Zijn theorie, die ‘odologie’ genoemd wordt, is later toegeëigend door de theosofie en dus in het magisch-religieuze denken terechtgekomen (of gebleven). Reichenbach was niet de enige die aan een soort levensstof dacht waarmee organische stoffen gevuld zijn. Caspar Friedrich Wolff (1733–1794) sprak van ‘vis essentialis corporis’ (essentiële lichaamskracht). Johann Friedrich Blumenbach (1752–1840) gebruikte de term ‘Bildungstrieb’. Hun diverse theorieën worden gezamenlijk vitalisme genoemd. 

    Ook Jöns Jakob Berzelius was een vitalist. In het begin van de 19e eeuw leidde hij uit zijn leer af dat het onmogelijk moest zijn om organische stoffen te vervaardigen uit louter anorganische. Maar dat ging mis, want een aantal jaren later werd ureum, een bestanddeel van urine, wel degelijk uit anorganische stoffen samengesteld. Toen daarna meer en meer organische materialen in het scheikundig lab gefabriceerd werden, was Berzelius’ opvatting niet vol te houden. Natuurlijk gaf niet iedereen spontaan het vitalisme op; meestal sterven achterhaalde theorieën pas uit als hun fanatiekste aanhangers dat eerst zelf doen – en dat duurde even. Zelfs in 1907 deed Henri Bergson nog een nieuwe vitalistische poging met zijn ‘élan vital’.

    Protowetenschap

    Ik heb nu een aantal keren het woord protowetenschap gebruikt, evenals bijvoorbeeld termen zoals protonatuurkunde en biologie. Protowetenschap is zoiets als het ochtendschemergebied tussen filosofie en wetenschap. Dat is een nogal vage beschrijving, en aangezien het woord in dit boek een aanzienlijke rol vervult, is het goed om een nadere definitie te geven. Liefst een definitie die aansluit bij wat anderen hebben geschreven.

    De term wordt door uiteenlopende auteurs gebruikt. Sommigen van hen geven een soort van definitie. De meesten niet: die doen alsof iedereen allang weet waar ze het over hebben, hetgeen doet vermoeden dat ze het zelf ook niet precies weten. 

    Veelal bieden de definities niet veel concreet houvast. Protowetenschap is bijvoorbeeld “het begin van een wetenschap die nog in een klinisch ontwikkelingsstadium verkeert,” (Kennedy, 1995), “waarin er een constante wisselwerking bestaat tussen een snel groeiende verzameling waarnemingen en theorieën die voortdurend worden veranderd om nieuwe ontdekkingen op te nemen.” Of “een discipline die hoopt zich te bewijzen als een wetenschap,” (This, 2008) die “intelligente suggesties levert in plaats van duidelijke antwoorden.”

    “Per definitie beschikt een protowetenschap niet over alle kenmerken van een volledig ontwikkelde wetenschap”, laat Mahner ons weten. Daar schiet je dus niet zo heel veel mee op, net zomin als met “de waarnemingsgegevens zijn onbevestigd en de methodologie is nog onsystematisch”, zoals Kaplan & Barach beweren.

    In plaats van te benadrukken dat protowetenschap een nog onvolwassen soort wetenschap is, kun je het ook omschrijven als iets wat niet langer filosofie genoemd mag worden. Dan wordt protowetenschap zoiets als “de bestudering van normatieve criteria voor het gebruik van experimentele technologie in de wetenschap”, volgens chemiefilosoof Brakel, “die van filosofie verschilt door zich te richten op de praktijk waarin nieuwe concepten en wetten niet worden ‘ontdekt’ maar ‘geconstrueerd’.” Waarmee in elk geval duidelijk wordt dat sommige filosofen van ingewikkelde teksten houden.

    Gelukkig is er één persoon die wat meer duidelijkheid geeft. Het gaat om de befaamde wetenschapsfilosoof Thomas Kuhn, die veel heeft gezegd en geschreven over de ontwikkeling van de wetenschap. Hij is het meest bekend geworden door zijn beschrijving van de zogeheten ‘wetenschappelijke revoluties’, waarvan de Copernicaanse revolutie, waarbij Copernicus het middelpunt van het heelal verlegde van de Aarde naar de Zon, de bekendste is. 

    Slechts bij één gelegenheid gebruikte Kuhn de term ‘protowetenschap’. Tijdens een congres ter ere van hem in 1970 merkte hij op:

    “Er zijn veel gebieden - ik zal ze protowetenschappen noemen - waarin de uitoefening weliswaar toetsbare conclusies voortbrengt, maar die met hun ontwikkelingspatronen desondanks meer lijken op filosofie of kunst dan op de gevestigde wetenschappen. Ik denk bijvoorbeeld aan gebieden zoals scheikunde en elektriciteitsleer vóór het midden van de achttiende eeuw, aan de studie van erfelijkheid en evolutie voor het midden van de negentiende, of aan veel van de sociale wetenschappen vandaag.

    In deze gebieden [...] zijn onophoudelijke kritiek en een voortdurend streven naar een geheel nieuwe start primaire krachten, en dat is ook nodig. Net als de filosofie en de kunsten boeken ze echter geen duidelijke vooruitgang. Ik concludeer dan ook dat de protowetenschappen, net als de kunsten en de filosofie, iets missen dat, in de volwassen wetenschappen, overtuigender vormen van vooruitgang mogelijk maakt. Dat is echter niet iets dat kan worden opgeleverd door een of ander methodologisch voorschrift.”

    Het valt niet mee om een nette formele definitie van ‘protowetenschap’ te geven die concreter is dan de optelsom van het bovenstaande. Maar er is een andere manier om duidelijkheid te brengen, en dat is door een opsomming van kenmerken te geven. Met behulp van zulke kenmerken, die samen protowetenschap goed herkenbaar maken, kun je een operationele definitie geven, dat wil zeggen, een definitie die je in de praktijk kunt gebruiken om vast te stellen of het reëel is om een bepaald vakgebied ‘proto’ te noemen. Ik geef je mijn operationele definitie.

    Definitie. Een protowetenschap is

    Een vakgebied dat zich in een overgangsfase bevindt tussen filosofie (of kunst, religie of magisch denken) en wetenschap, waarbij men nog niet de essentie te pakken heeft van wat dat vakgebied inhoudt. Een protowetenschap is herkenbaar doordat het vakgebied alle of de meeste van de zeven volgende kenmerken bezit:

    1. Er bestaat een veelheid aan scholen die elkaar beconcurreren om de kern van het vakgebied. Daaruit blijkt dat de essentie van het vakgebied nog niet gepakt is.
    2. De heersende paradigma’s zijn – op zijn minst deels - impetuswoorden.
    3. Met behulp van die impetuswoorden worden vragen gesteld en verhalen verteld (‘mythen’) die verwarrend, wazig, tegenstrijdig, paradoxaal zijn of aantoonbaar niet waar zijn.
    4. Er wordt gebruik gemaakt van methoden en technieken die succesvol zijn in andere vakgebieden, maar minder in dit vakgebied. 
    5. Daarbij wordt de werkelijkheid overversimpeld.
    6. Experimenten en andere methoden voor empirische toetsing worden niet of weinig uitgevoerd, en voor zover ze dat worden, zijn de resultaten niet of slecht herhaalbaar.
    7. Er is geen of weinig voorspellende kracht of andere vorm van ‘succes’.
    Lees verder Inklappen

    Meer gedetailleerde gegevens over deze definitie vind je in deze uitklapper.

    Over impetuswoorden heb ik het al gehad. In de rest van dit hoofdstuk neem ik de andere kenmerken onder de loep.

    Protowetenschap is geen pseudowetenschap

    Even een kanttekening. Het is belangrijk om op te merken dat protowetenschap niet mag worden verward met pseudowetenschap. Protowetenschap is in potentie een voorstadium van echte wetenschap, terwijl pseudowetenschap on- of zelfs antiwetenschappelijke prietpraat is die opzettelijk vermomd wordt als wetenschap: bijgeloof, kwakzalverij en in veel gevallen een bewuste poging tot manipulatie en misleiding. Pseudowetenschap wordt enerzijds bedreven vanuit onkritische vormen van geloof of bijgeloof, zoals creationisme en homeopathie. En anderzijds door of in opdracht van partijen die commerciële belangen proberen te verdedigen.

    Kuhn noemde in 1970 als voorbeeld van protowetenschap de studie van erfelijkheid en evolutie voor het midden van de negentiende eeuw. Dat is een mooi aanknopingspunt om eigenschap nummer 1 te onderzoeken: het bestaan van scholen.

    Tenslotte

    Economische scholen! Een boeiend onderwerp. Met tamelijk verbijsterende conclusies, die ik je volgende week ga aanbieden. Verder is het dit weekeinde carnaval, geloof ik. Ik wens je veel plezier of, als je daar (net als ik) niets van begrijpt: toch ook veel plezier.

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Niko Roorda

    Gevolgd door 761 leden

    Niko Roorda is spreker, schrijver en consultant. Hij promoveerde in sociale wetenschappen en is specialist in duurzaamheid.

    Volg Niko Roorda
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren
    Dit artikel zit in het dossier

    Een duurzame economie

    Gevolgd door 1414 leden

    Onze economie is in zijn wezen niet duurzaam. Was ze dat wel, dan zou de wereld er een stuk beter uitzien. Het goede nieuws i...

    Volg dossier