De EU investeert honderden miljarden in verduurzaming. In dit dossier leggen we de belangen bloot. Lees meer

In 2019 presenteerde de Europese Commissie de Europese Green Deal: een ambitieus plan om de economie van de Europese Unie in een rap tempo te vergroenen. Een van de doelstellingen: in 2050 moet de EU volledig klimaatneutraal zijn. De plannen zullen onze economie ingrijpend veranderen.

In dit dossier analyseren we de belangen achter de groene ambities, volgen we de strijd om het geld en zoeken we uit wie er aan het langste en kortste eind trekken.

31 artikelen

© Fenna Jensma

Burgers hebben hoop en visie nodig voor de energietransitie, zegt hoogleraar omgevingspsychologie

1 Connectie

Organisaties

IPCC
39 Bijdragen

Hoewel het een halve minuut voor twaalf is, kunnen we het tij nog keren en de klimaatdoelen halen, stelt gedragspsycholoog Linda Steg. Ze schreef mee aan het meest recente rapport van het IPCC over klimaatverandering. Burgers zijn meer geneigd iets voor het klimaat te doen dan we vaak denken, blijkt uit haar onderzoek. Maar dan moeten bestuurlijke hobbels en praktische barrières wel uit de weg worden geruimd. ‘Zonder acceptatie en gedragsverandering van de burgers komt de energietransitie niet van de grond.’

De energietransitie is een ongekende opgave. Het landschap gaat veranderen, nieuwe technologie wordt ontwikkeld en burgers moeten hun energieverbruik en consumptiegedrag aanpassen. En niet te vergeten: het wordt duur. De omvang van deze opgave kan burgers moedeloos maken.

Toch zijn veel mensen bereid te veranderen, maar dan moeten ze er wel bij worden geholpen, stelt gedragswetenschapper Linda Steg. Ze doet al jaren onderzoek om te begrijpen wat burgers stimuleert om milieuvriendelijker te leven. Ze kijkt naar het gedrag van individuen, maar ook naar de wisselwerking tussen beleid, technologie en persoonlijke motivatie. ‘Zonder acceptatie en gedragsverandering van de burgers komt de energietransitie niet van de grond,’ zegt ze. Aan Follow the Money legt ze uit wat daarvoor nodig is: in eerste plaats een overheid die het goede voorbeeld geeft.

De hoogleraar omgevingspsychologie aan de Rijksuniversiteit Groningen is een vooraanstaand wetenschapper in haar vakgebied. Thomson Reuters noemde haar al acht keer ‘een van ’s werelds meest invloedrijke wetenschappelijke geesten'. In 2020 ontving ze de Stevinpremie van de NWO voor ‘de enorme impact die [ze] met haar onderzoek heeft op het internationale klimaatbeleid en de strijd tegen klimaatverandering’. Ze schreef mee aan het meest recente rapport van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) en zit in een expertgroep die minister Rob Jetten van Economische Zaken en Klimaat adviseert over het Nederlandse energiesysteem in 2050.

Beter stikstofbeleid is lang door zachte heelmeesters uitgesteld

De energietransitie en klimaatverandering zullen het leven van burgers ingrijpend veranderen. Waarom is zowel bij overheden als bij het IPCC pas redelijk recent aandacht voor de burger?

Klimaatverandering werd lang als een technisch, natuurwetenschappelijk probleem gezien. In het rapport van dit voorjaar, waaraan ik meeschreef, besteedde het IPCC voor het eerst expliciet aandacht aan het burgerperspectief. Dat was ingegeven door vragen van landen die zeiden: ‘We weten dat klimaatverandering bestaat, we weten wat we ertegen kunnen doen, maar hoe krijgen we dat voor elkaar?’

Bestuurders ontdekken gaandeweg dat alleen een impactanalyse of een technologische ontwikkeling niet volstaat. Er zitten ook gedragsaspecten aan, dat is niet helemaal hetzelfde als draagvlak, daarom heb je gedragswetenschappers nodig.

U zit in een expertteam dat de overheid moet adviseren. Dat is dit jaar opgericht, terwijl het bedrijfsleven al jaren in Den Haag lobbyt voor wat het nodig heeft voor de energietransitie. Moet dat expertteam nu achteraf goedkeuren wat overheid en bedrijfsleven al hebben afgesproken?

Er zitten allemaal onafhankelijke mensen in het expertteam, iedereen is op persoonlijke titel benoemd. Ik ga er vanuit dat ze ook dingen durven te zeggen die niet zo lekker liggen.

Maar het ministerie kan nog steeds zeggen: ‘Leuk advies, maar we doen er niks mee.’

Dat kan altijd. We hebben geen garantie dat ze onze adviezen zullen implementeren, maar dan hebben ze wel iets uit te leggen, want dat zou heel onverstandig zijn. Dan heeft de burger nog minder vertrouwen.

Heeft u het idee dat u er vanuit uw vakgebied iets in de melk heeft te brokkelen?

Er is veel belangstelling voor gedragsverandering. Maar ik worstel er zelf mee hoe ik mijn invloed het beste kan laten gelden. Hoe kan ik voorkomen dat mijn betrokkenheid een verplichte oefening achteraf wordt? Veel projecten en consortia moeten nu verplicht gedragswetenschappen meenemen in hun plannen, maar tot nu toe gebeurde het regelmatig dat ze alle technologie en ingrepen al hadden bedacht en pas op het einde bij ons kwamen met de vraag: ‘Kun jij ervoor zorgen dat mensen het willen?’

Veel mensen maken zich zorgen over het klimaat, en doen zelf van alles om duurzamer te leven. Daar kun je veel beter op inspelen

Onze expertise wordt nu gelukkig vaker in een vroeger stadium ingeschakeld. Collega's zitten in andere groepjes die het ministerie adviseren, mede omdat het ministerie die kennis zelf onvoldoende in huis heeft. Dat benadrukte minister Jetten ook tijdens een bijeenkomst met de IPCC-auteurs.

Is het een probleem dat het ministerie die kennis ontbeert?

Ja. Er zitten vooral juristen en economen bij ministeries: die hebben een mensbeeld dat niet altijd overeenkomt met wat wij psychologen waarnemen. Zij denken bijvoorbeeld dat mensen extreem gevoelig zijn voor prijzen, maar mensen kiezen niet altijd voor de goedkoopste optie – anders zouden veel mensen geen auto meer hebben, want die zijn hartstikke duur. Als het prijsverschil tussen producten niet groot is, spelen andere motivaties mee en kiezen mensen soms toch voor de duurdere opties. Het ligt dus niet zo simpel. 

Moraliteit en milieuoverwegingen spelen een belangrijke rol. Veel mensen maken zich zorgen over het klimaat, en doen zelf van alles om duurzamer te leven. Daar kun je veel beter op inspelen.

Maar met campagnes als ‘Een beter milieu begint bij jezelf’ wordt de last op de schouders van de burgers gelegd. Is dat terecht?

Vaak wordt de indruk gewekt dat de burger nu aan zet is, maar uit het IPCC-rapport bleek dat het niet een kwestie is van óf de burger, óf de industrie, óf de overheid. Iedereen moet iets doen. En allemaal tegelijkertijd. 

Onze individuele bijdrage is gering, maar wat burgers doen speelt wel een rol. Ze kunnen druk uitoefenen op bedrijven en overheden door anders te stemmen of door bedrijven te boycotten: ze kunnen zelf hun gedrag veranderen. Maar wat burgers doen, wordt ingeperkt door de keuzes die bedrijven en overheden maken. Daarom moet je zo’n verandering vanuit een systeemperspectief bekijken.

Welke rol kan de overheid daarin spelen?

Een heldere visie van de overheid zou helpen: dit is waar we met z'n allen naartoe gaan. En dat is meer dan roepen dat we in 2050 klimaatneutraal moeten zijn, want dan weet nog steeds niemand hoe dat moet gebeuren. Zo’n visie betekent dat alle partijen zekerheid krijgen. Pas wanneer bedrijven weten welke investeringen zich zullen terug betalen, zullen ze hun activiteiten omzetten. Dat geldt ook voor burgers. Die willen niet het gevoel hebben nu keuzes te maken die later nadelig blijken, bijvoorbeeld doordat de overheid toch een ander energiesysteem gaat stimuleren.

Gaat zo’n visie gepaard met harde keuzes?

Ja. Dat is tot nu toe natuurlijk vaak niet gedaan. Het is pappen en nat houden. 

Volgens u gaat het niet alleen om praktische keuzes en geld, maar ook om morele keuzes. Hoe zit het met de moraal van de overheid?

Zij zou het goede voorbeeld dienen te geven. Maar integendeel: de overheid probeert zelf de regels te ontduiken. Voormalig minister van Infrastructuur en Waterstaat Cora van Nieuwenhuizen (VVD) zei indertijd over de discussie over het vliegveld Lelystad: ‘We verzinnen wel een list.’ Dat is zo slecht. Daarmee wek je de suggestie dat als je om een regel heen kunt manoeuvreren, dat ook mag. Bovenal geeft het een verkeerd signaal: zo belangrijk is het doel van de maatregel blijkbaar niet. Want als je eromheen kunt bewegen, dan kunnen we op de oude voet doorgaan. Zo doe je af aan de urgentie.

Vindt u dat politici mensen het idee geven dat we er nog onderuit kunnen? 

Precies. De lobby van de boeren is daarop gericht. Ze zoeken hun toevlucht in mogelijke innovaties om hun gedrag niet te hoeven veranderen. Bedrijven die nu worden aangesproken, doen deels hetzelfde. Steenwolfabrikant Rockwool zegt bijvoorbeeld: ‘Maar wij komen met innovaties. Het komt wel goed – later.’ Precies wat de boeren ook zeggen.

Maar uit de IPCC-rapporten blijkt dat hoe langer je wacht, hoe minder opties je hebt en hoe duurder alle ingrepen worden. Dat zie je inderdaad bij de stikstofcrisis. Beter stikstofbeleid is lang uitgesteld door zachte heelmeesters.

Ook de overheid zet in op technologie: waterstof is het nieuwe redmiddel. Schept dat niet een uitvlucht, in de zin dat je niet veel hoeft te doen?

De boodschap moet helder zijn: met techniek alleen kunnen we de klimaatdoelen niet halen. Maar als we alleen duurzame energiebronnen willen gebruiken, heeft dat veel implicaties, want dan staat ons landschap straks vol windmolens en zonnepanelen. Daarom veronderstellen bijna alle scenario’s van het IPCC een vraagreductie: we moeten krimpen. Want hoe minder reductie, hoe meer technieken en installaties in het landschap nodig zijn om de doelen te halen. Dat vinden mensen ook niet acceptabel, dus is het belangrijk om die afweging te maken. Alleen op waterstof vertrouwen kan ons niet redden.

Wat willen burgers zien bij de overheid?

Daadkracht. Heldere keuzes. Daarmee laat je burgers merken dat je iets belangrijk vindt. Uit onderzoek blijkt dat we over het algemeen denken dat anderen het milieu minder belangrijk vinden dan wij. Dat kan ons ervan weerhouden om iets te doen. Mogelijk onderschatten de overheid en de burgers elkaars bereidheid om iets te doen, waardoor iedereen op elkaar blijft wachten en er te weinig gebeurt.

Ons onderzoek maakte duidelijk dat mensen die zich sterk met een groep identificeren, de doelen van zo’n groep overnemen. Als jij bij een bedrijf werkt dat je leuk vindt en dat heel duurzaam onderneemt, ben je vervolgens meer geneigd om milieuvriendelijker te handelen. 

Benadrukken dat je iets vanwege het milieu doet, is zodoende wezenlijk. Daarmee wordt dat verankerd als een algemeen maatschappelijk doel.

Voor een visie heb je lef nodig. Durven politici dat aan?

Er zijn leiders die dat doen, maar niet veel. Stikstof-minister Christianne van der Wal (VVD) probeerde het. Ze had een duidelijke boodschap: het moet. En jullie kunnen hoog of laag springen, maar dit gaat hoe dan ook gebeuren. Alleen was onvoldoende duidelijk hoe ze die doelen wilde behalen.

Rechts is niet anti-milieu, ze zijn tegen sterke sturing van de overheid, en zijn bang dat milieubeleid hun vrijheid inperkt

We hebben politici nodig die visionair zijn. Iemand als Frans Timmerman kan het beleid goed beargumenteren, maar hij neemt ook duidelijk stelling. Zulke leiders zijn belangrijk, want ze kunnen de maatschappij meenemen.

Politici zijn vaak bezorgd dat stellige uitspraken in hun nadeel uitpakken, en de kiezers zal afstoten.

Wellicht onderschat Rutte de mate waarin mensen zich zorgen maken over het milieu, en het belangrijk vinden om het milieu te beschermen. Dat terwijl twee eerdere milieuministers van de VVD, Ed Nijpels en Pieter Winsemius, zich juist sterk in hebben gezet voor een goed milieu. En zij kregen de VVD mee. 

Uit ons onderzoek blijkt dat er slechts een heel kleine groep niet in klimaatverandering gelooft. Rechts is niet anti-milieu, ze zijn tegen sterke sturing van de overheid, en zijn bang dat milieubeleid hun vrijheid inperkt. Je moet het goede frame vinden om hen in beweging te krijgen.

Maar de kleine minderheid schreeuwt vaak het hardst. Wat moet je daarmee? 

Je kunt duidelijk maken dat het een minderheidsstandpunt is, en hen niet steeds prominent in beeld brengen, want daardoor krijgt de rest van de bevolking het idee dat het een grote groep is. 

Dat is ook om een andere reden belangrijk. Populisten schetsen nu twee toekomstscenario’s: óf we doen iets aan klimaatverandering, en dan hebben we een ellendig leven, want we mogen niks meer; óf we doen niks en dan blijft alles bij het oude. Maar dat klopt niet. Wanneer we niets doen, blijft niets wat het is. Dus de echte vraag is: in welke toekomst wil je leven? Je moet die twee perspectieven heel duidelijk naast elkaar zetten. 

Zijn het niet alleen hoogopgeleiden en welgestelden die het zich kunnen permitteren iets aan duurzaamheid te doen?

Zij hebben vaak de grootste opgave: ze consumeren meestal veel meer dan mensen uit de lagere inkomensgroepen, die een veel lagere milieu-impact hebben. Maar het is niet aanlokkelijk om tegen een hoogopgeleide te zeggen ‘Ga op dezelfde manier leven als mensen die het minder goed hebben.’

Daarom moet je het positieve verhaal brengen, want het betekent niet dat we niets meer mogen. We weten uit onderzoek dat mensen veranderingen vaak te negatief inschatten. We hebben een status quo bias: bang voor wat we verliezen, terwijl we de voordelen van verandering onderschatten.

Betekent dat dat je die voordelen eerst zelf moet ondervinden?

Ja, daarom zijn voorbeeldprojecten belangrijk. Overheden moeten proeven en pilots durven op te zetten. Vleesliefhebbers denken bij een vleesloze maaltijd snel aan groenten en aardappels met een kaal plekje op hun bord. Je moet hen dus zelf laten ervaren hoe een veganistische of vegetarisch maaltijd eruit kan zien. 

Je moet mensen niet dwingen, maar hun bereidheid om duurzaam te handelen, is groter dan we denken. Veel mensen geloven dat klimaatverandering ernstige gevolgen zal hebben, maar weten niet hoe ze die moeten tegengaan. En vaak zijn er grote belemmeringen; die moet je wegnemen.

Op welke belemmeringen doelt u?

Vaak wordt gedacht: burgers beïnvloeden vergt een informatiecampagne. Maar dat is naïef, want kennistekort is zelden de enige barrière. Je kunt niet tegen iemand met een minimuminkomen zeggen: ga je huis isoleren. Daar heeft zo iemand het geld niet voor, en wie in een huurwoning zit, heeft weinig zeggenschap over zijn huis. Niet alle informatie die beschikbaar is, is relevant; en als je die concreet wilt maken, zijn er vaak barrières.

Je moet ook zorgen dat je mensen en bedrijven die het slachtoffer van maatregelen dreigen te worden, perspectief biedt of hen helpt die transitie te maken. Als je geen fossiele brandstof meer wilt, kom je aan het bestaansrecht van Saoedi-Arabië of Qatar. Natuurlijk zullen zij zich verzetten: hun hele businessmodel wordt onderuit geschoffeld. Daar moet je wel iets op bedenken, bijvoorbeeld door hen te betrekken bij een nieuwe groene energiemarkt.

Ziet u al een systemische verandering?

Nee, maar ik zie wel allerlei verschuivingen. Het gaat langzaam, maar we weten dat zulke verschuivingen opeens kunnen versnellen. Kijk hoeveel vegetarische alternatieven er nu voor vlees in de supermarkt liggen en hoeveel kookboeken vegetarisch of veganistisch zijn, hoeveel mensen zeggen dat ze niet langer elke dag vlees eten – dat zijn er veel. De totale consumptie gaat nog niet naar beneden, maar je ziet wel dat er iets gaande is.

Tegelijkertijd zijn omwonenden van grote windparken, die zich vast ook zorgen over het klimaat maken, vaak fel tegen windmolens. Wat gaat daar mis?

Mensen worden geregeld voor een voldongen feit gesteld. Uit onderzoeken blijkt dat acceptatie hoger is als je mensen betrekt bij de besluitvorming, en hun zorgen serieus neemt.. Vaak zijn ze niet tegen windparken an sich, maar tegen dit windpark dáár. Maar als er rekening wordt gehouden met hun zorgen en belangen, vinden ze het wel oké.

Daarom is burgerparticipatie nu een hot topic. Maar vaak mogen mensen alleen aanschuiven om hun verhaal te doen, terwijl geen opvolging wordt gegeven aan hun bezwaren, want van te voren was al bedacht wat er zou gebeuren. Dat is funest.

Als je geen windenergie wilt, moet je simpelweg meer energie gaan besparen

Tegelijkertijd: al luister je echt naar de burger, niet alles wat de burger wil, kan ook.

Daarom moet je duidelijk maken wat de keuzes zijn. Ik zag ooit een foto van een demonstrant met een bord ‘Tegen gaswinning, tegen hoge voltage-lijnen, tegen wind!’ Je kunt niet overal tegen zijn. Als je geen windenergie wilt, moet je simpelweg meer energie gaan besparen. Er moeten afwegingen worden gemaakt. Daar kun je de burger bij betrekken, maar die moet zich wel realiseren dat keuzes gevolgen hebben.

Moet dat onderdeel zijn van de overheidsvisie: dit moet er gebeuren, en we vragen jullie hoe we dat zullen invullen?

Voor alles een burgerberaad optuigen is te duur en veel mensen willen ook niet altijd zelf aan de knoppen zitten, blijkt uit ons onderzoek. Maar je kunt wel vragen welke voorwaarden moeten worden vervuld zodat burgers zo’n transitie acceptabel vinden en eraan willen meewerken. 

Je kunt erop uitkomen dat het belastingsysteem moet veranderen of dat duurzame producten goedkoper worden dan niet-duurzame producten; dat is nu vaak niet het geval. Of dat de infrastructuur voor elektrisch rijden moet verbeteren en er meer alternatieve vervoersmogelijkheden nodig zijn.

Toen het recente IPCC-rapport uitkwam, schrok iedereen, maar u zei: je kunt er ook hoop uit putten.

Het is een halve minuut voor twaalf, maar uit dat rapport bleek dat we de klimaatdoelen nog kunnen halen. Maar dan moeten we nu wel met z’n allen aan de bak. Voor burgers is het belangrijk dat er hoop is. Want wie denkt ‘We gaan toch naar de verdommenis’, doet niets meer. Dat is niet alleen slecht voor het klimaat, maar ook voor ons welzijn.

Uit proeven zien we dat mensen niet alleen uit eigenbelang handelen. In Stockholm wilden mensen bijvoorbeeld best meer betalen om met de auto de stad in te komen, omdat het autovrije systeem veel voordelen had. Momenteel zie je dat veel mensen hun energietoelage aan goede doelen overmaken.

Er is dus nog hoop?

Jazeker. Vooral omdat veel mensen zich zorgen maken over klimaatverandering en het milieu, en gemotiveerd zijn om daarnaar te handelen. Maar je moet geen minister-president of minister hebben die zegt ‘We verzinnen een list,’ of dat de snelheidsbeperking echt een ‘rotmaatregel’ is, maar dat we dat voor de boeren moeten overhebben. Nee, we doen het voor het milieu. Dát moet je zeggen.