Een van de grootste melkveehouderijen van Nederland. In 2008 stonden er nog 1300 koeien in de Limburgse megastallen; in 2020 waren dit er al zo’n 2250.

Een van de grootste melkveehouderijen van Nederland. In 2008 stonden er nog 1300 koeien in de Limburgse megastallen; in 2020 waren dit er al zo’n 2250. © Vincent van den Hoogen / HH

In 11 grafieken: hoe de Rabobank miljoenen verdient aan schaalvergroting in de landbouw (en buiten schot blijft nu de rekening op tafel komt)

Binnen het ministerie van Landbouw circuleren plannen om honderden boeren uit te kopen en desnoods te onteigenen. Dat onthulde NRC Handelsblad. Het moet de stikstofcrisis bezweren en de landbouw verduurzamen. De kosten voor de operatie kunnen oplopen tot 17 miljard euro. Dat geld zal grotendeels stromen naar de Rabobank, die de schaalvergroting en intensivering in de landbouw jarenlang heeft aangejaagd.

Dit stuk in 1 minuut
  • De belangrijkste ontwikkeling in de Nederlandse landbouw van de afgelopen decennia, is die van schaalvergroting en intensivering. Boerenbedrijven worden groter en ze houden per bedrijf steeds meer vee.
  • Die intensivering is grotendeels gefinancierd door de Rabobank. Die bank adviseerde haar agrarische klanten decennialang om uit te breiden.
  • Het gevolg hiervan is een groeiende schuldenberg bij de boeren en een groeiende berg leningen aan de agrarische sector bij de Rabobank, dat over die leningen rente ontvangt. Een flink deel van de jaarlijkse winst van de bank komt uit de agrarische sector. 
  • De berg leningen is echter zó groot geworden, dat de Rabobank hier nauwelijks nog op kan afschrijven. Na decennialange intensivering moet de landbouw nu geëxtensiveerd worden. En het is de belastingbetaler die daar de kosten voor zal dragen.
Lees verder

De tuin van melkveehouders Majella en Dirk-Jan Schoonman staat deze nazomerdag nog in volle bloei. Teunisbloemen, goudsbloemen, zonnebloemen, Japanse anemonen, prikneus, een grote hortensia, kattenstaart, wilde rozen, zinnia, cosmea, koeienoog. Er zijn bramen, uien, rode kool, een grote tamme kastanje, tomaten, zoete puntpaprika's, appelbomen, frambozenstruiken en een enorme hoeveelheid wilde kruiden. 

De boerderij met rieten dak is gebouwd in 1850 en is al vijf generaties in de familie. Aan de hal bij de voordeur hangen foto's van de ouders en grootouders van Dirk-Jan Schoonman, die hier ook al boerden. 

Vierendertig jaar geleden stapte Dirk-Jan bij zijn vader in het bedrijf. Ze waren heel gewone boeren. Op ongeveer 25 hectare grond hadden ze zo'n veertig melkkoeien. Daarmee waren de Schoonmans een gemiddelde Nederlandse veehouderij. 

Sindsdien is er op het erf niet veel veranderd. De stal is nog dezelfde, want de Schoonmans vervangen eigenlijk alleen iets als het stuk is en écht niet meer te repareren valt. Zo bleken onlangs de betonnen mestroosters in de stal door te rotten. Daar hebben ze nu nieuwe voor in de plaats gelegd. Maar verder ziet alles eruit zoals het er ruim drie decennia geleden ook al uitzag: hardwerkende boeren op een flinke lap grond met een bloeiende tuin aan de rand van de Achterhoek, tussen zo'n vijftig melkkoeien. 

En toch zijn de Schoonmans inmiddels atypische boeren geworden. Aan hen ligt dat niet, Dirk-Jan en Majella zijn gewoon zichzelf gebleven. Het ligt aan de wereld om hen heen. Was hun veehouderij ruim dertig jaar geleden iets groter dan gemiddeld, vandaag is het een kleine jongen. 'Mijn neef heeft onlangs een nieuwe stal laten bouwen', vertelt Dirk-Jan. 'Hij heeft daar nu tweehonderd melkkoeien staan.'

Schaalvergroting en intensivering zijn al jaren de grote constante in de agrarische sector. Het aantal boerenbedrijven is sinds 2000 bijna gehalveerd, terwijl de totale hoeveelheid bewerkte grond en de omvang van de veestapel in vergelijking nauwelijks zijn veranderd.

Het gemiddeld aantal koeien per boerenbedrijf is dan ook geëxplodeerd. In 2000 hield een gemiddelde melkveehouder zo'n 50 koeien; in 2020 waren dat er 105. 

Ondertussen steeg de gemiddelde melkproductie de afgelopen 20 jaar van bijna 7400 tot ruim 9000 kilo per koe per jaar, onder meer het gevolg van fokprogramma's met een steeds hogere melkproductie als doel, een dieet dat steeds beter op een maximale melkproductie wordt afgestemd en efficiëntere melktechnieken en -robots. Zowel het aantal koeien per bedrijf als de hoeveelheid melk per koe steeg de afgelopen jaren dus enorm. 

Een belangrijke oorzaak van deze intensivering is de melkprijs: die is gekelderd. In 1980 werd voor een kilo melk 26 eurocent betaald; veertig jaar later is dat 34 eurocent. Dat is een stijging van 28 procent, maar daar staat tegenover dat de inflatie over diezelfde periode volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) 235 procent bedraagt. Gecorrigeerd voor inflatie levert een kilo melk de boer dus nog maar half zoveel op als 40 jaar geleden.

En dus breidden de meeste boeren uit. Het idee daarachter volgt de logica van schaalvergroting: bij een hoger aantal koeien, dalen de gemiddelde kosten per koe en levert de melk gemiddeld meer op. Althans, dat is de boodschap waarmee talloze veevoedergiganten, zuivelverwerkers en financiële instellingen de agrarische sector decennialang hebben bestookt. De boer zou moeten groeien om te kunnen overleven en zijn bedrijf eventueel aan een zoon of dochter te kunnen overdoen.  

Maar een melkveehouderij uitbreiden is natuurlijk niet gratis. De steeds grotere melkveehouderijen hebben betere machines en tractoren nodig, grotere stallen, meer land om de mest te kunnen uitrijden en computers en robots die het welzijn van de dieren in de gaten houden. Zelfs het recht om een koe te houden — of beter gezegd: het recht van een melkveehouder om fosfaat te mogen uitstoten — kost sinds 2018 geld.

De boeren hebben het geld daarvoor zelden op de plank liggen, dus moeten ze het lenen. Van oudsher kloppen ze daarvoor aan bij één bank: de Rabobank, die ​​in 1972 is ontstaan uit een fusie tussen de Coöperatieve Centrale Raiffeisen-Bank en de Coöperatieve Centrale Boerenleenbank.

De Rabo heeft van oudsher warme banden met de agrarische sector, en heeft dat nog steeds. Naar eigen zeggen heeft de Rabo een marktaandeel in de Nederlandse food- en agrisector van 85 procent. Van iedere zes boeren zijn er dus vijf klant bij de Rabobank. De Rabobank is zodoende dé financier van schaalvergroting en landbouwintensivering in Nederland geworden. 

‘Talloze keren heb ik hier vertegenwoordigers van de Rabobank op mijn erf gehad,’ vertelt Schoonman. ‘Dan wilden ze weten wat mijn ambitie was. Of ik geen grotere stal wilde bouwen, of ik geen extra melkquotum wilde kopen. Het geld was het probleem niet, dat kon ik zo bij ze lenen.’

Wat heet: niet alleen was geld geen probleem, de bank oefende zelfs druk uit op de boeren om vooral meer te lenen. ‘Grote bedragen lenen is zelfs goedkoper dan het lenen van kleine bedragen’, vertelt Schoonman. ‘Wie een miljoen euro of meer leent krijgt een korting op de rente, omdat de bank stelt dat het per uitgeleende euro dan minder kosten hoeft te maken.’

Het gevolg is een groeiende berg leningen vanuit de Rabobank aan de ‘food en agri-sector’, zoals de bank de post in zijn jaarverslagen omschrijft. De berg groeide van (omgerekend) een kleine 14 miljard euro in 1990 tot ruim 105 miljard in 2020, waarvan 38 procent in Nederland is uitgeleend. De zuivelsector heeft met bijna 22 miljard euro de grootste schuld aan de Rabobank.

In de jaarverslagen van de Rabobank is dus te zien dat boeren zich steeds dieper in de schulden zijn gaan steken om hun beroep te kunnen uitoefenen. Dat blijkt ook uit steekproeven van de Wageningen Universiteit, die ieder jaar van een aantal boeren de actuele balans opmaakt en opschrijft hoe hun financiering in elkaar steekt. Ook daaruit blijkt dat boeren steeds meer schulden met zich mee torsen. Bedroeg de gemiddelde schuld van een melkveehouder aan het begin van deze eeuw zo'n 660.000 euro, in 2019 was dit gegroeid tot ruim 1,3 miljoen. 

Hierin schuilt natuurlijk een risico: de melkprijs implodeert, terwijl de schuldenberg juist groeit. De kans bestaat dat een melkveebedrijf op een gegeven moment niet meer aan zijn verplichtingen kan voldoen.

Nieuwe fosfaatregels en eigen vermogen

Sinds 2018 zijn in Nederland nieuwe fosfaatregels van kracht. Melkveehouders kregen op basis van de omvang van hun bedrijf fosfaatrechten toegekend, die verhandelbaar zijn. Boeren die willen groeien moeten fosfaatrechten bijkopen, boeren die krimpen kunnen fosfaatrechten verkopen.

Fosfaatrechten vertegenwoordigen dus een economische waarde, die daarom bij de melkveebedrijven op de balans staat. Dit verklaart de flinke sprong van het eigen vermogen in 2018.

Lees verder Inklappen

Binnen de regels van het financiële systeem is de Rabobank verplicht om ervoor te zorgen dat dit risico gedekt wordt. De bank kan zijn melkveehouders niet zomaar volproppen met schulden, als het risico bestaat dat die leningen nooit meer worden terugbetaald. Daarmee zou de bank zelf teveel risico lopen.

De risico’s voor de bank lijken echter beperkt. Tegelijk met de groeiende schuldenberg, is de afgelopen jaren namelijk het eigen vermogen van de melkveehouders gegroeid. Ze hebben doorgaans meer bezittingen dan schulden, waardoor de Rabobank in het geval van een faillissement zijn geld terugkrijgt. De melkveehouders zijn solvabel, zoals dat heet, en de solvabiliteit is de afgelopen jaren zelfs licht gestegen. Op papier lijkt het boerenbedrijf dus steeds gezonder. 

Wie echter wat dieper op de cijfers inzoomt, ziet dat deze toenemende solvabiliteit met een enorme ‘maar…’ gepaard gaat. De toename van de waarde van de bezittingen van de gemiddelde boer wordt namelijk vrijwel uitsluitend veroorzaakt door de enorm gestegen grondprijs. Sinds 2001 is de waarde van de grond op de balans van een gemiddelde melkveehouder meer dan verdrievoudigd. 

Alleen: tijdens het dagelijkse werk maakt het helemaal niet zoveel uit wat die grond waard is. Of het land op papier nou 25.000 of 75.000 euro per hectare kost, je rijdt er met dezelfde tractor overheen om er dezelfde hoeveelheid gras vanaf te halen of dezelfde hoeveelheid mest op uit te rijden. Een melkveehouder kan zijn land ook niet zomaar verkopen. Of nou ja: dat kan éénmaal. Als hij stopt met boeren.

De duurdere grond maakt het vooral mogelijk dat de boer steeds meer kan lenen. Hij kan bij de Rabobank een hogere grondwaarde als onderpand inbrengen. Voor de Rabobank zijn de risico's dan op papier beperkt: als de boer failliet gaat, wordt de grond verkocht en de lening terugbetaald. 

Maar zo lang de boer niet failliet gaat, hangen met die hogere lening natuurlijk ook hogere rente- en aflossingsverplichtingen samen. Dat zorgt voor een paradoxale situatie: op papier mag zijn bedrijf dan een flinke waarde vertegenwoordigen, in de dagelijkse praktijk betekenen de hogere verplichtingen dat het inkomen van de melkveehouder juist onder druk staat.

Dat is terug te zien in de cijfers. De gemiddelde melkveehouder is sinds het begin van deze eeuw tweemaal zoveel koeien gaan houden en torst tweemaal zoveel schuld met zich mee. In bovenstaande grafiek is echter te zien dat het inkomen dat hij uit zijn bedrijf haalt juist licht daalt. De melkveehouder loopt door de toenemende schaalvergroting en intensivering steeds meer risico, maar dat leidde de afgelopen twee decennia niet tot een hoger inkomen.

De spreiding is bovendien groot. Een deel van de boeren beurt heel behoorlijk, en verdient in de vette jaren een ton per jaar of meer. Maar voor veel andere melkveehouders is het juist sappelen. De afgelopen twintig jaar is het regelmatig voorgekomen dat zij na een jaar lang hard werken een inkomen overhouden dat onder het wettelijk minimumloon ligt. In sommige jaren verdienden ze zelfs helemaal niets. 

Hierdoor moeten boeren met grote subsidies op de been gehouden worden. Uit onderzoek van de Algemene Rekenkamer blijkt dat het inkomen van een gemiddelde Nederlandse melkveehouder voor meer dan een derde (!) bestaat uit subsidie. En dan nog verdient meer dan de helft van de melkveehouders minder dan modaal. Majella Schoonman: ‘Het is eigenlijk vernederend dat we als boeren al decennia lang afhankelijk gehouden worden van Europese landbouwsubsidies om te kunnen voortbestaan, omdat onze marktpositie het onmogelijk maakt om gewoon van de productprijs te kunnen leven.'

Vanwege de steeds hogere grondprijs kunnen boeren een steeds grotere lening aangaan, waarmee zij investeren in een steeds groter bedrijf. Dirk-Jan Schoonman legt uit hoe de ene lening daarbij leidt tot de volgende: ‘Toen de Rabobank hier kwam met de vraag of ik wilde uitbreiden, heb ik op de achterkant van een sigarendoosje eens uitgerekend wat dat zou betekenen. Ik zou een lening krijgen om meer quotum te kopen. Maar dan zou ik ook een grotere stal nodig hebben, waarvoor ik opnieuw een lening zou moeten afsluiten. Ik zou meer koeien moeten hebben, wat betekent dat ik meer mest moet afvoeren en vaker een loonwerker moet inhuren. Ik heb toen uitgerekend dat ik onderaan de streep maximaal 1 cent per kilo melk extra zou overhouden, tenminste: als alles goed gaat. En daarvoor zou ik dan nóg harder moeten werken, want ik zou een hele zwik extra koeien hebben om te verzorgen. Ik heb die man van de Rabo toen gevraagd: zou jij dit doen?’

Volgens Schoonman maken veel van zijn collega's die berekening niet. ‘Ze staren zich blind op de hogere omzet, en geloven hun bank als die zegt dat ze daarmee extra gaan verdienen en hun bedrijf toekomstbestendiger wordt. Ze hebben bovendien een langjarige relatie met hun accountmanager bij de bank, waardoor ze er van uitgaan dat die met hen meedenkt. Wat ze vergeten is dat ze hun vrijheid verliezen, dat ze tot hun nek toe zijn gefinancierd en dat zij degene zijn die de risico's dragen. Dat ze keihard zullen moeten werken om te voorkomen dat ze in bijzonder beheer terechtkomen.’

De schaalvergroting in de agrarische sector betekent volgens Schoonman bovendien dat boeren zich steeds meer zijn gaan specialiseren in één onderdeel van het boerenbedrijf. ‘Er zijn boeren die het heerlijk vinden om de hele dag tussen de koeien te lopen in de stal, en verder al het werk uitbesteden, zoals het maaien van het gras. Er zijn ook boeren die de hele dag achter hun laptop zitten om uit te rekenen hoe ze hun koeien nog net iets meer melk kunnen laten geven. Begrijp me niet verkeerd: dat is hun goed recht. Maar ik vind het toch wel fijn dat mijn dagen wat afwisselender zijn.’

De schaalvergroting in de agrarische sector heeft zo geleid tot boerenbedrijven met hoge schulden, hoge omzetten, hoge rente- en aflossingsverplichtingen, dunne marges en daardoor lage winsten en lage besteedbare inkomens. Hierdoor zijn de boeren kwetsbaar bij tegenslagen. ‘Ik ken een boer met een paar honderd melkkoeien,’ vertelt Dirk-Jan Schoonman. ‘Hij had een machine die kapot ging, wat 20.000 euro kostte om te vervangen. Maar dat geld had hij niet. De Rabobank wilde hem ook niet helpen, omdat hij al maximaal gefinancierd is. Zijn bedrijf is op papier miljoenen waard, maar een reparatie van 20.000 euro kan hij niet opbrengen.’

Dat de Rabobank van dit systeem profiteert is helder. Vanwege de almaar stijgende grondprijzen kan de bank steeds meer geld aan de agrarische sector uitlenen. Dat geld wordt vervolgens met rente terugbetaald. Daar verdient de bank aan. 

Het valt alleen niet heel precies te becijferen hoeveel de bank hier precies aan verdient. De Rabobank rapporteert in zijn jaarverslag wel het totaal aan leningen aan de food- en agrisector, maar niet hoeveel rente het daarop incasseert en welk deel van de winst uit de agrarische sector komt. ‘De bank rapporteert niet verdisconteerd in mogelijke thema’s hierover', zegt een woordvoerder. 'Een benadering hiertoe is dan ook voor eigen rekening.’ Ook land- en tuinbouworganisatie LTO zegt 'geen zicht te hebben' op de rente die boeren gemiddeld op leningen betalen. 

Volgens de website van de Rabobank kunnen de rentetarieven voor een zakelijke lening uiteenlopen van 1 tot 12 procent. De uiteindelijke hoogte is onder meer afhankelijk van het risicoprofiel van de ondernemer, de waarde van eventueel onderpand, en de omvang van de lening. De lokale bankiers die het contact met de boeren onderhouden, hebben echter geen idee hoe deze variabelen het uiteindelijke rentevoorstel precies beïnvloeden. Een voormalig bankier van de Rabobank omschrijft het model dat de basis vormt voor een rentevoorstel aan een agrarische ondernemer als een ‘black box’: alleen de maker van het model begrijpt helemaal hoe het werkt.

Het is extreem lastig om uit te rekenen wat de Rabobank precies aan zijn boeren verdient

Daar komt nog eens bij dat verschillende soorten leningen op een verschillende manieren gefinancierd worden. De Rabobank trekt op verschillende manieren op de kapitaalmarkt geld aan, zoals leningen bij andere financiële instellingen, spaartegoeden van consumenten of geld van de Europese Centrale Bank. Bij die verschillende kapitaalstromen horen verschillende kosten, en het is niet duidelijk welke potjes met geld precies onder de leningen aan de food- en agrisector liggen. 

En dan zijn er nog de kosten die de Rabobank zelf maakt. De Rabobank gebruikt hier intern 'houten euro's' voor, zoals een oud-bankier het noemt: een interne verrekening om de winstgevendheid van de verschillende bedrijfsonderdelen te bepalen. In de jaarrekening wordt niet gerapporteerd welk deel van de kosten met de leningen food- en agrisector samenhangen. Wel gaan grote leningen doorgaans gepaard met een lagere rente, omdat per uitgeleende euro minder kosten gemaakt hoeven worden. 

Het is dan ook extreem lastig om uit te rekenen wat de Rabobank precies aan zijn boeren verdient. Enerzijds zijn boeren relatief kleine ondernemers, waardoor de kosten per uitgeleende euro relatief hoog zullen zijn. Anderzijds brengen boeren met hun grond onderpand in dat steeds meer waard wordt, waardoor leningen aan de agrarische sector relatief veilig zijn. Daarnaast zeggen verschillende oud-bankiers dat bij het bepalen van de commerciële opslag op de rente meespeelt hoeveel andere producten de boer nog bij de Rabobank afneemt. Hij kan immers ook zijn woonhuis financieren bij de Rabobank, hij kan er het leasecontract voor zijn tractors afsluiten, hij kan zich bij de bank verzekeren en er zijn betaal- en spaarrekening aanhouden. Dit heeft invloed op zijn rentetarief, enerzijds omdat hij toch al met handen en voeten aan de Rabobank gebonden is, anderzijds omdat de bank kan besluiten een relatief lage rente te vragen, omdat het op andere manieren al genoeg aan de boer verdient.

Kortom: het is onduidelijk hoe en wat de Rabobank precies aan zijn leningen aan boeren verdient. Vanwege deze intransparantie adviseert bedrijfseconoom en analist Roel Gooskens de grove benadering: ‘Van iedere euro op de balans van de Rabobank, bestaat 17 cent uit leningen aan de food- en agrisector. Ik denk dat je er gevoeglijk vanuit kan gaan dat dan ook 17 procent van de nettowinst zijn oorsprong vindt in deze sector.’ Beleggingsanalist Sven Hubens stelt dat met deze benadering inderdaad een grove berekening te maken valt, al adviseert hij wel de eenmalige winsten en reserveringen van de nettowinst in een bepaald jaar af te trekken. 

Uit deze grove berekening valt op te maken dat de Rabobank in het coronajaar 2020 ongeveer 300 miljoen euro winst maakte (voor belasting) op haar activiteiten in de food- en agrisector. Over de afgelopen vijf jaar vindt in totaal ruim 3 miljard euro winst zijn oorsprong in deze sector. Voormalig Wall Street-analist Stephen Simpson vermoedt dat dit een ondergrens is: ‘Gezien zijn marktmacht verwacht ik dat de Rabobank op zijn food- en agrileningen een meer dan gemiddelde winst maakt.’

Steeds duidelijker wordt echter dat de toenemende intensivering in de landbouw gepaard gaat met schadelijke neveneffecten. De stikstof die natuurgebieden beschadigt, is voor bijna de helft afkomstig uit de mest en urine van de enorme Nederlandse veestapel. In talloze nationale en Europese akkoorden heeft Nederland beloofd deze stikstofuitstoot te gaan terugdringen — een belofte waaraan bij lange na nog niet is voldaan.

Daarnaast draagt de landbouw bij aan de opwarming van de aarde. Koeien stoten methaan uit, wat een zeer sterk broeikasgas is. Ook staan veel melkveebedrijven in veenweidegebieden, bijvoorbeeld in het Groene Hart. Daar wordt de grondwaterstand kunstmatig laag gehouden, zodat de koeien droge voeten houden en de boeren er met hun zware machines kunnen rijden. Deze lage grondwaterstand veroorzaakt oxidatie van het veen, waarbij opnieuw verschillende broeikasgassen vrijkomen.

Vanwege deze en andere bronnen van uitstoot is de landbouwsector in Nederland goed voor ongeveer 14 procent van de uitstoot van broeikasgassen. In diverse nationale, Europese en mondiale akkoorden en wetten heeft Nederland beloofd deze uitstoot terug te dringen, maar ook aan deze beloftes is nog lang niet voldaan. 

Om deze crises het hoofd te bieden, moet de Nederlandse landbouw extensiveren. Simpel gezegd: de uitstoot moet omlaag, de veestapel moet kleiner en boeren kunnen in de toekomst minder productie uit de beschikbare grond halen. Dichtbij de kwetsbaarste Nederlandse natuurgebieden kan mogelijk helemaal geen landbouw meer plaatsvinden; in andere gebieden zal de maximale productie dalen. 

Dit raakt de inkomsten van boeren. Als zij moeten verdwijnen of hun productie moeten inperken, verdienen zij minder en zijn zij minder goed in staat om hun schulden en renteverplichtingen aan de Rabobank te voldoen.

Dit raakt ook de waarde van die grond. Als een individuele boer failliet gaat, kan de Rabobank zijn grond verkopen en wordt de lening afgelost. Maar als de boer verdwijnt of zijn productie drastisch moet inperken, omdat zijn veestapel aan de omliggende natuurgebieden teveel schade toebrengt, dan komt daar geen nieuwe productie voor in de plaats. De waarde van de grond daalt, waardoor het onderpand van de boer in waarde daalt en de lening risicovoller wordt.

Hoewel de Rabobank decennia goed verdiend heeft aan de intensivering in de landbouw, heeft ze op de balans met een dergelijke extensivering nooit rekening hoeven houden. Bij toezichthouder De Nederlandsche Bank leeft de discussie hierover overigens wel: de laatste jaren bracht DNB meerdere rapporten uit waarin de biodiversiteits- en klimaatcrisis genoemd worden als bedreigingen van de stabiliteit van het financiële systeem.

Tot dusver heeft die discussie echter niet tot extra wet- en regelgeving voor banken geleid, en zijn op de balans geen extra voorzieningen getroffen. Mede hierdoor is het totaal aan uitstaande leningen aan food en agri inmiddels tweeënhalf keer zo hoog als het eigen vermogen van de bank. Alleen aan Nederlandse bedrijven heeft de bank al een berg leningen uitstaan die grofweg gelijk is aan het hele eigen vermogen.

De Rabobank kán simpelweg niet massaal gaan afschrijven op die leningen, nu stikstof- en klimaatcrises de landbouw tot een sanering dwingen. Het zou de winstgevendheid van de Rabobank in gevaar brengen, die dan op andere manieren op peil gehouden zou moeten worden. Aangezien de Rabobank óók de grootste hypotheekverstrekker van Nederland is, lijkt het haast ondenkbaar dat de samenleving hier niet op de een of andere manier de prijs voor betaald. 

Zo wordt een complex probleem zichtbaar, waarbij een partij die de intensivering en schaalvergroting in de landbouw jarenlang heeft aangejaagd (en daarvan heeft geprofiteerd), de dans lijkt te ontspringen nu de negatieve effecten van die intensivering zichtbaar worden en er moet worden gesaneerd. Dát is waarom de verduurzaming van de landbouw zoveel gemeenschapsgeld kost.

Uit de plannen die via NRC Handelsblad uitlekten blijkt dat het opkopen en eventueel onteigenen van enkele honderden tot een paar duizend boeren tot wel liefst 17 miljard euro kan kosten. Dat is grofweg gelijk aan de jaarlijkse uitgaven aan primair en voortgezet onderwijs samen. 

Dat geld gaat naar de boeren die hun bedrijf moeten verlaten of inperken, maar daar zal het niet blijven. De boeren zullen het geld voor een belangrijk deel moeten aanwenden om hun leningen aan de Rabobank te voldoen. En zo stromen er straks miljarden naar de bank die de jarenlange intensivering in de veehouderij heeft aangejaagd en gefinancierd, waarbij de berg met leningen zó hoog is geworden dat ze er zelf niet op kan afschrijven. Als een individuele boer failliet gaat, dan wordt de bank gered door de hoge grondprijs. En als een groot deel van de veehouderij gesaneerd moet worden, dan springt de belastingbetaler bij. 

Reactie Rabobank

We hebben dit verhaal voorgelegd aan de Rabobank ter commentaar. De reactie van de bank luidde als volgt:

‘De landbouw ontwikkelde over de jaren, jaren waarin Rabobank boerenondernemers in de portefeuille had die de bank financierde, en ook vandaag de dag nog financiert bij het ondernemen. De BV Nederland plukte de vruchten van de Nederlandse agrisector sinds de wederopbouw. Dankzij de ontwikkeling die ze doormaakte hebben we er goed van kunnen eten en exporteren, welvaart opgebouwd, werkgelegenheid versterkt, en op innovatief en duurzaamheidsfront ontginningswerk verricht voor de rest van de wereld. Het zijn generaties boeren die dat voor elkaar hebben gekregen. Tegelijkertijd staan een aantal van de ontwikkelingen in die decennia aan de basis van problemen van vandaag de dag. Buitengewoon naar voor de boeren, die het middelpunt vormen van alle debatten hierover. Laat duidelijk zijn: Rabobank erkent de vraagstukken, en heeft en neemt een rol om te komen tot oplossingen.’

Lees verder Inklappen