© Cortés

Veiligheidsbeleid is een Haagse echoput

    Nederland zou naar Amerikaans model een nationale veiligheidsraad moeten installeren. Dit stelt de Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid (WRR) in haar nieuwe rapport over veiligheids- en defensiebeleid. Follow the Money las het 218 pagina’s tellende werk en trof naast een Haagse echoput een hard oordeel aan over de koers van de afgelopen tijd.

    Moet er meer of minder geld naar Defensie — en zo ja, hoeveel? Dit soort vragen worden vooral besproken aan de onderhandelingstafel tijdens de formatie. De Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid (WRR) beoogt met haar nieuwe rapport, getiteld ‘Veiligheid in een wereld van verbindingen: een strategische visie op het defensiebeleid’, het debat te stimuleren voor een ‘toekomstbestendig Nederlands veiligheids- en defensiebeleid’. Één van de aanbevelingen van dit rapport is het oprichten van een Nationale Veiligheidsraad naar Amerikaans model, om op deze wijze kennis en kunde in Nederland bij elkaar te brengen. 

    Maar welke kennis en kunde wordt hier dan precies bij elkaar gebracht? Follow the Money spitte het rapport door en concludeerde dat het verder kijken dan de Haagse neus lang is vooralsnog de grootste uitdaging blijft. Want zonder kritische geluiden van buitenaf is het risico dat ons veiligheidsbeleid een Haagse echoput wordt niet alleen levensgroot maar ook levensgevaarlijk. 

    Is het raadplegen van bronnen in eigen kring daadwerkelijk de beste methode?

    Naast politieke en maatschappelijke urgentie voor een rapport als deze, is ook de wetenschappelijke tak van de internationale betrekkingen volop in ontwikkeling. Dankzij de vrije toegang tot kwalitatief hoogstaande data en de opkomst van interdisciplinaire samenwerking worden theoretische en methodologische inzichten vanuit de economie, psychologie en politicologie steeds vaker gecombineerd. 

    Juist in deze spannende wetenschappelijke tijden is de bronvermelding in het WRR-rapport over onze veiligheidsstrategie daarom zo opvallend. Zo zijn er in verhouding relatief weinig wetenschappelijke publicaties (uit zogeheten peer reviewed journals). Ondertussen is er een overdaad Haagse bronnen: de Adviesraad Internationale Vraagstukken; het Hague Centre for Strategic Studies en aanverwante publicaties van de diens directeur Rob de Wijk; het Instituut Clingendael en aanverwante publicaties van diens medewerkers; Kamerstukken; en niet te vergeten de WRR zelf — allemaal komen ze voorbij.

    Dit is, gelet op de aanleiding voor dit WRR-rapport, nogal interessant. Want als wij de wijdverspreide ontevredenheid over de vormgeving van het strategisch beleid van Nederland te lijf willen gaan, is het raadplegen van bronnen in eigen kring dan daadwerkelijk de beste methode? Is het niet precies in déze Haagse kring de afgelopen jaren spaak gelopen?

    Beleidsbingo

    Dat het rapport een typerende Haagse productie betreft, verklaart ook direct het taalgebruik. Allereerst is er sprake van een hypercorrect vocabulaire: de WRR stoot mensen en groeperingen klaarblijkelijk niet graag voor het hoofd. Zo wordt ISIS ‘Daes’h’ genoemd, omdat Islamitische Staat zou suggereren dat de staat Islamitisch is — en, zo valt te lezen op pagina 27, ‘islamitische geleerden [hebben] duidelijk afstand genomen van de aanduiding Islamitisch.’ Ook wordt er gesproken van een ‘Algemene Veiligheidsraad’ in plaats van het meer voor de hand liggende maar mogelijk iets te militant klinkende ‘Nationale Veiligheidsraad’.

    Ten tweede maakt het rapport zich meerdere malen schuldig aan volstrekt onduidelijke maar heel gewichtig klinkende beleids-hocus-pocus. Zo valt op pagina 33 te lezen dat Figuur 2.2 (zie boven) ‘een indicatie [geeft] van het belang van economische veiligheid op basis van meertalige MetaFore-benadering van The Hague Centre for Strategic Studies.’ Wat deze zogenaamde ‘MetaFore benadering’ precies inhoudt, op welke sleutelwoorden deze is gebaseerd, waar de percentages precies vandaan komen en wat het  — behalve een mooie staafdiagram — aan de discussie toevoegt, blijft voor de nietsvermoedende lezer volstrekt onduidelijk.

    Daarnaast wordt er onnodig veel gestrooid met veelal Engelse termen. Je kunt je afvragen wat hier de analytische meerwaarde van is. Zo stelt het rapport: ‘in een interdependente wereld is flow security — het veiligstellen van mondiale stromen, infrastructurele knooppunten en systemen — van eminent belang.’ 

    Na enige semantische ontcijfering rijst de vraag in hoeverre ‘flow security’ wezenlijk nieuw is. Politieke entiteiten willen toch altijd hun aansluiting op handel- of informatiestromen zeker stellen? Zo valt op basis van deze definitie het argument te maken dat met de opiumoorlogen in de 19e eeuw en de Engels-Nederlandse oorlog in de 17e eeuw de betrokken staten ook hun ‘flow security’ wilden veiligstellen. Wat deze term bijdraagt aan de analyse, blijft dus onduidelijk.

    "Het beleidsverhaal draait letterlijk 180 graden wanneer je globalisering ziet als een schaalvergroting"

    Geen existentiële bevraging

    In het eerste hoofdstuk valt men direct met deur in huis door te stellen dat de wereld wezenlijk is veranderd. Hoewel het altijd een goed begin is om de aannames direct kenbaar te maken, mag je van de WRR toch wat meer existentiële bevraging verwachten.

    Zo wordt in hoofdstuk 4 geconstateerd dat het veiligheidsbegrip is verruimd, want naast de eerder genoemde ‘flow security’ zijn ook thema’s als ‘klimaatverandering, energievoorzieningszekerheid, ICT, [en] polarisatie/radicalisering’ geselecteerd (p. 92). Hier wordt het betrekken van meerdere beleidsterreinen onder de noemer ‘veiligheid’ dus gezien als een onvermijdelijke consequentie van een wezenlijk veranderde wereld. 

    Oftewel: omdat alles met elkaar in verbinding staat, kunnen we haast niet anders dan zaken zoals radicalisering en klimaat ook onder de veiligheidsparaplu te scharen. Het beleidsverhaal draait letterlijk 180 graden wanneer je globalisering ziet als een schaalvergroting. Dat er op dit moment meer connecties tussen mensen, staten en organisaties onderling bestaan dan pak ‘m beet 100 jaar geleden, betekent niet per se dat de onderliggende voorwaarden voor het ontstaan — of de afwezigheid — van relaties binnen dit netwerk zijn veranderd.

    Beleidsmedewerkers willen niet meer tijd besteden aan een rapport dan aan een gemiddeld Wikipedia-artikeltje

    De aan- of afwezigheid van samenwerking is één van de kernvragen binnen internationale betrekkingen en veiligheid. Want onder welke voorwaarden stemt wie met wie mee in de VN veiligheidsraad? Onder welke omstandigheden werkt terreurorganisatie A samen met terreurorganisatie B? Onder welke voorwaarden werken landen militair samen, of juist niet? 

    Het maakt dus veel uit of je denkt dat het netwerk de mens verandert, of de mens het netwerk, of allebei. En als dat laatste het geval is, komen we uit op hele andere vragen. Wat zijn bijvoorbeeld de risico’s als we steeds meer beleidsterreinen in de veiligheidssfeer betrekken — een fenomeen dat in de literatuur bekend staat als ‘securitisatie’? Waar trekken we de grens? Kortom: als het enige gereedschap wat je hebt een hamer is, gaat dan niet alles op een spijker lijken? 

    Het onvoldoende bevragen van de eigen aannames is een fundamenteel probleem en laat vooral zien waar het zwaartepunt ligt. De manier waarop dit rapport geschreven is, zegt namelijk niet zozeer iets over de kennis en kunde van de scribenten. Het zegt eerder iets over het publiek waarvoor dit rapport geschreven is: het rapport dient vooral pragmatisch en praktisch te zijn, want de Haagse realiteit leert dat de meeste beleidsmedewerkers niet meer tijd willen besteden aan een rapport dan aan een gemiddeld Wikipedia-artikeltje.

    Stevige nota met stevige kritiek

    Dat de Haagse WRR met een Haagse productie komt voor met name Haags publiek, is tegelijkertijd eigenlijk het enige grote kritiekpunt dat valt te maken bij dit rapport. Zo zijn de diverse uitwerkingen van strategie op pagina 86 zorgvuldig opgesteld en wordt er onderscheid gemaakt tussen bijvoorbeeld strategie als een proces, of als formulering van realistische doelen.

    Ook de ruime aandacht voor de strategische positie van het Caribisch gebied in hoofdstuk 5 leest als een verademing. De grondige historische case die hiermee wordt gepresenteerd is temeer het bewijs dat in Den Haag voornamelijk historici zich bezighouden met internationale betrekkingen.

    De WRR uit stevige kritiek op de huidige strategienota’s

    Het hierop volgende hoofdstuk 6, dat met name beschrijft wat voor soort krijgsmacht er in deze omgeving in Nederland nodig is, leest dan ook als een stevig onderbouwde beleidsnota. Mensen die met name zijn geïnteresseerd in onze krijgsmacht doen er goed aan meteen naar dit hoofdstuk door te bladeren: het is de tijd meer dan waard deze zorgvuldig door te nemen. 

    Eveneens stevig is de kritiek van de WRR op de huidige strategienota’s. Daarover valt te lezen: ‘teksten die in algemene zin waarden en belangen tot uitdrukking brengen, dwingen nog niet vanzelf tot het maken van keuzes. Te algemene formuleringen zijn weinig bruikbaar.’ Oftewel: Nederland heeft zich er de afgelopen jaren met een Jantje van Leiden afgemaakt door zo vaag en algemeen mogelijk te blijven. Op die manier hoeven er in ieder geval geen politieke knopen worden doorgehakt.

    WRR hakt knopen door

    Deze noodzakelijke knopen hakt het WRR rapport wél door. Hoewel het is gebaseerd op een discutabele aanname (‘Nederland is onveiliger’), is de aanbeveling om interne en externe veiligheidsvraagstukken beter met elkaar te laten integreren een bittere noodzaak. 

    Dankzij het internet kan tenslotte de portemonnee ook vanuit het buitenland digitaal gerold worden en opereren criminele netwerken – mede dankzij globalisering – makkelijker over de grens. De toename in grensoverschrijdende activiteiten zorgt ervoor dat deze eerder regel dan uitzondering zijn geworden.

    "Het oprichten van een nationale veiligheidsraad naar Amerikaans model is geen overbodige luxe"

    Je veiligheidsapparaat hierop uitrusten is niet meer dan logisch. Met het oog hierop is het oprichten van een nationale veiligheidsraad naar Amerikaans model eveneens geen overbodige luxe. Op deze wijze kunnen diverse instellingen zoals de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding, Defensie en Buitenlandse Zaken samenkomen om informatie uit te wisselen. Zeker met de laatste terreuraanslagen waaruit het gebrek aan informatie-uitwisseling door diverse diensten eerder een vaststaand risico lijkt, is dit een aanbeveling die voldoet aan de eisen van onze tijd.

    Dito het oprichten van een ‘planbureau’: bezuiniging en reorganisatie op reorganisatie is geen enkele organisatie aan te bevelen. In veiligheidssectoren als Defensie en Politie duurt het door de specifieke kennis en kunde en stuk langer voordat de gevolgen van — achteraf gezien toch niet zo wijze — bezuinigingen zijn hersteld.

    Naast het dempen van sterke schommelingen in het veiligheidsbudget (door het wisselen van een kabinet) en het voorkomen van reactief en ad hoc beleid brengt zo’n planbureau nog een ander voordeel met zich mee. Zo kan door het garanderen van langdurige stabiliteit ook een zekere mate van collectieve veiligheidskennis op peil worden gehouden, waardoor men zich niet al te snel hoeft laten te verrassen. 

    Men kan zich afvragen of de wereld niet onveiliger lijkt omdat alle middelen om onszelf zeker te stellen zijn wegbezuinigd

    Toch is het de vraag wie deze collectieve kennis op peil gaat houden. Uit de bronnen die de WRR heeft geraadpleegd heeft lijkt de Nederlandse veiligheidswereld vooral graag bij elkaar in Den Haag om raad te vragen. Dit is zonde: als er één instituut in Nederland is dat het zich zou kunnen (en vooral moet willen) veroorloven om zich los te maken van de Haagse denktank-palooza, dan is het de WRR wel.

    Eerste stap richting frisse wind?

    Toch kan dit rapport een eerste stap zijn voor Den Haag om ter verandering zichzelf eens kritisch te bevragen. Hoewel Haagse denktanks elk jaar hard roepen dat de wereld onveiliger wordt, kan men zich ook afvragen of de wereld niet onveiliger lijkt omdat wij alle middelen om onszelf zeker te stellen hebben wegbezuinigd. Ook is het de vraag of de wereldwijde ontwikkelingen de alarmistische taal uit Den Haag over een steeds onveiliger Nederland rechtvaardigen.

    Aangezien onzekerheid niet te meten valt, rijst de vraag hoe men erin slaagt om toch ieder jaar weer te concluderen dat de onzekerheid toeneemt. Ook de Haagse denktank-wereld is niet gevrijwaard van de ‘als je het maar vaak genoeg herhaalt, wordt het vanzelf waar’-valkuil. 

    Daarnaast kun je je ook afvragen in hoeverre Haagse denktanks er niet baat bij hebben om elk jaar te roepen dat de wereld onveiliger en onzekerder wordt? Hoe minder onveilig en onzeker onze wereld, des te lager de behoefte aan advies van dure deftige denktanks.

    Desondanks staat de basisaanbeveling van de WRR als een huis: het Nederlandse veiligheidsbeleid dient een stevige boom te zijn die sterk geworteld is en kan meebewegen indien het veiligheidswind eens een andere richting op waait.

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Dieuwertje Kuijpers

    Gevolgd door 751 leden

    Geopolitiek junkie. Statistiek-pieler. Niet geïnteresseerd in politieke poppetjes, wel in mechanismes die deze voortbrengen.

    Volg Dieuwertje Kuijpers
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren