Zittingszaal rechtbank Amsterdam.

Gemeenten zouden de jeugdzorg goedkoper en beter regelen. Het tegenovergestelde is gebeurd. Wat ging er mis? Lees meer

De gemeenten zouden jeugdzorg dichterbij, efficiënter en uiteindelijk ook goedkoper gaan regelen. Het tegenovergestelde gebeurde: het aantal zorgaanbieders is gestegen van 120 in 2014, naar zo’n 6.000 nu. En inmiddels ontvangt één op de tien Nederlandse kinderen een vorm van jeugdzorg.

 

In de zomer van 2020 was voor veel gemeenten de maat vol. Ze gaven zoveel geld aan jeugdzorg uit, dat zij het financieel niet meer konden bolwerken. Den Haag moet met meer budget over de brug komen, luidde de boodschap.

Maar is geld het enige probleem? Onder de werktitel "Jeugdzorg in het Rood” doet Follow the Money onderzoek naar de geldstromen in de jeugdzorg. In deze gids loodsen we je langs de belangrijkste bevindingen.

82 artikelen

Zittingszaal rechtbank Amsterdam. © Daniel Niessen

In het hart van een zorginfarct: het kind en de wachtlijst

Is een kind na een uithuisplaatsing beter af? In de jeugdzorg anno 2022 is dat lang niet zeker. Aan alles is gebrek: aan plekken, hulp, geld, jeugdbeschermers. Daardoor worden sommige kinderen aan hun lot overgelaten. Voor de kinderrechters van de rechtbank Amsterdam zijn dat de moeilijkste zaken.

0:00
Audioserie De Kinderrechter

De Kinderrechter

Aflevering 2 van 6

Bekijk audioserie
Dit stuk in 1 minuut
  • Kinderen die zich thuis niet veilig kunnen ontwikkelen, plaatst de kinderrechter onder toezicht of, in ernstige gevallen, uit huis. Ze komen dan onder verantwoordelijkheid van een van de vijftien ‘gecertificeerde instellingen’ van de jeugdbescherming. Maar bij deze instellingen en bij de andere partijen in de jeugdbescherming (Veilig Thuis en de Raad voor de Kinderbescherming) loopt de boel volledig vast. 
  • Door geld- en personeelsgebrek is er vaak geen tijdige, of geen adequate, hulp beschikbaar voor onder toezicht gestelde en uit huis geplaatste kinderen. Dit brengt ze soms in situaties waarin ze juist verder kunnen ontsporen
  • In de nasleep van het toeslagenschandaal, waarin 1675 kinderen uit huis zijn geplaatst, klinkt bovendien extra kritiek op de jeugdbescherming. Ook het functioneren van kinderrechters ligt onder vuur: ze zouden onvoldoende luisteren naar kinderen en ouders, en te zwaar leunen op de standpunten van de jeugdbeschermers.
  • Follow the Money volgde drie maanden lang drie kinderrechters van de rechtbank Amsterdam. Op voorwaarde dat onze artikelen niet herleidbaar zijn tot andere personen dan de rechters zelf, waren we aanwezig bij rechtszaken over gezag en omgangondertoezichtstelling en uithuisplaatsingen
  • We volgden alle zaken op de rol. Voorafgaand aan elke zitting kregen we inzage in de dossiers. Voor aanvang van de zitting maakte de kinderrechter melding van onze aanwezigheid. Had een van de aanwezigen bezwaar, dan verlieten we de rechtszaal. Dit is één keer gebeurd, omdat een vader zich niet prettig voelde bij de aanwezigheid van journalisten.
  • Vandaag Het kind en de wachtlijst, het tweede artikel in onze serie In het hart van een zorginfarct. Deel 1 is De kinderrechter.
Lees verder

‘Niet schrikken, je spreekt met de kinderrechter. Wist je dat er vandaag een zitting is? Nee? Waar ben je nu? O, bij je vriend. Ja, dan snap ik dat je nu niet naar de rechtbank kan komen. Als ik nu een datum voor een paar weken later afspreek met je, ga je er dan wel zijn?’
[..]
‘Ja, dat is zeker belangrijk. Als ik een beslissing over jou neem, vind ik het belangrijk dat ik jou kan zien en spreken. Nu moet ik beslissen of ik je ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing ga verlengen. Volgende week lopen die af. Het gaat er nu over of die langer moeten duren.’
[..]
‘Ja. Maar ik heb ook nog wel vragen voor jou.’
[..]
‘Nou ja, dat weet je niet, of het allemaal geen zin heeft. Ik heb ook wel gezien…’
[..]
‘Nou, dan probeer ik het een andere keer nog wel. Dag.’

Mirjam van der Kaay legt de hoorn op het telefoontoestel en zucht. ‘Ze zegt: ik praat met iedereen, niemand helpt me. Niks werkt.’

Blinde beslissing

‘Ze’ is een meisje van 16 jaar, dat niet meer thuis woont, uit elke instelling wegloopt, niet meer naar school gaat, geen uitzicht heeft op werk en niet op haar vader kan rekenen. Haar moeder is overleden toen ze nog klein was. 

Sinds bij de rechtbank het verzoek binnenkwam om haar langer onder toezicht te stellen van een zogeheten gecertificeerde instelling (GI) in de jeugdzorg, is ze door haar gedrag al door twee instellingen weggestuurd. Inmiddels brengt ze de meeste tijd door bij haar vriend, met wie ze een knipperlichtrelatie heeft. 

Over dit meisje moet de kinderrechter vandaag beslissen. Ze is onder toezicht gesteld, en via een ‘machtiging uithuisplaatsing’ bij haar vader weggehaald. Gaat Van der Kaay die uithuisplaatsing verlengen? Maar bij welke organisatie? Het meisje zit nu op een crisisplek in een instelling voor begeleid wonen, daar kan ze niet blijven. Als de rechter de termijn van de uithuisplaatsing verlengt, doet ze dat blind: ze heeft geen idee waar de tiener dan terechtkomt. 

Naast de kinderrechter en de griffier is er één persoon komen opdagen: een vertegenwoordiger van de jeugdbescherming. Deze vrouw kent het meisje niet. Ze vervangt de vaste gezinsmanager, die een paar maanden geleden van de radar is verdwenen. Waarom blijft onduidelijk. 

‘Goed dat u bent gekomen,’ zegt Van der Kaay tegen de vrouw. ‘Het zou een heel verkeerd signaal zijn geweest als dit meisje als enige op de zitting zou zijn verschenen.’ 

De vrouw zegt dat de jeugdbescherming niet genoeg mankracht heeft om het meisje een vaste contactpersoon toe te kennen. Dat landt slecht bij de rechter. ‘We zien haar gedrag veranderen omdát ze geen vaste vertrouwenspersoon heeft. Juist dit meisje met haar wegloopgedrag moet iemand hebben waarop ze kan bouwen. We moeten helder krijgen wat er met haar is, waarom ze telkens wegloopt. Dat lukt niet als niemand in contact is met haar. Brengt u dit alstublieft over naar uw organisatie: dit kan zo niet.’

Jeugdbescherming en jeugdhulp

De kinderrechter beslist op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming over gezag, omgang, voogdij of ondertoezichtstelling in situaties waarin (de ontwikkeling van) een kind gevaar loopt. 

Is het de verwachting dat de ouders met verplichte hulp en binnen afzienbare tijd zelf weer voor hun kind kunnen zorgen, dan verzoekt de Raad een ondertoezichtstelling. Zo’n ondertoezichtstelling is niet vrijblijvend: ouders moeten de hulp die daaruit volgt accepteren. Jaarlijks staan zo’n 32.000 kinderen onder toezicht. Dit aantal bleef de afgelopen jaren ongeveer gelijk.

Uithuisplaatsing en voogdij

In ernstige situaties verzoekt de Raad de kinderrechter om een machtiging uithuisplaatsing. Verreweg de meeste uit huis geplaatste kinderen komen terecht bij familie of vrienden van het gezin, in een pleeggezin of in een gezinshuis.

Vraagt de Raad om een voogdijmaatregel, dan kan de kinderrechter de verantwoordelijkheid voor een kind overdragen aan een andere volwassene (een voogd), of aan een ‘gecertificeerde instelling’. De rechter beëindigt in zulke gevallen vrijwel altijd het ouderlijk gezag. 

Voor onder toezicht gestelde en uithuisgeplaatste kinderen zijn er gecertificeerde instellingen (GI’s). Daar zijn er vijftien van: drie landelijke, waarvan één voor minderjarige, alleenstaande vluchtelingen, en twaalf regionale. 

De gecertificeerde instelling wijst per kind een jeugdbeschermer aan. Die houdt toezicht op de thuissituatie en regelt de hulp die nodig is. De gecertificeerde instelling is de enige instantie die de kinderrechter kan vragen om verlenging van een ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing. 

Jeugdhulp

De gemeenten zijn sinds 2015 verantwoordelijk voor het faciliteren en financieren van jeugdhulp aan kinderen met een verstandelijke beperking, psychische problemen en opvoedproblemen. 

Er is jeugdhulp ‘zonder verblijf’ voor kinderen die thuis wonen, denk aan begeleiding of therapie aan huis, op school of bij de aanbieder van jeugdhulp. 

Onder jeugdhulp ‘met verblijf’ vallen pleeggezinnen, logeerhuizen, zorgboerderijen en (gesloten) instellingen.

Lees verder Inklappen

De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing met één maand. Over de rest beslist ze niet: dat komt een maand later wel. ‘Daarvoor weet ik nu onvoldoende.’ 

Buikpijnzaken

Van dit soort zaken krijgt ze buikpijn, zegt Van der Kaay later. ‘Wat hebben we dit meisje nu te bieden? Veel te weinig.’

Enkele weken later staat ook rechter Peter Björn Martens voor zo’n ‘heel lastige’ beslissing: gaat hij een jong meisje voor een tweede keer uit huis plaatsen? De nu 12-jarige Bianca brengt vanaf 2017 haar tijd voornamelijk door in bed, met haar telefoon. School bezoekt ze sporadisch: haar moeder houdt haar zonder goede reden thuis. 

Vader gaat na een hersenbloeding ziekenhuis in, ziekenhuis uit. Vanaf dat moment loopt het mis, of, zoals Martens dat zegt: ‘raakt de continuïteit in het gezin weg’. 

Armoede alleen is geen reden voor uithuisplaatsing, het gaat om de vraag: is het thuis goed genoeg?

Het gezin moet rondkomen van 1000 euro per maand: te weinig om van te leven. Het aanvragen van een aanvullende uitkering is niet bij de moeder opgekomen, waardoor de financiële zorgen zich opstapelen. Sinds de jeugdbescherming zich ook nog met het gezin bemoeit, ervaart ze nog meer stress. Als de hulpverleners bellen of aan de deur staan, geeft de moeder niet thuis. 

‘Armoede alleen is nooit een reden voor uithuisplaatsing,’ verduidelijkt Martens. ‘Dat dit meisje geen schoon beddengoed heeft, dat haar kleren niet gewassen worden, dat ze een keer Tena Lady meekrijgt als ze ongesteld wordt in plaats van maandverband, daar gaat het uiteindelijk niet om. Is het goed genoeg, dat is de vraag.’ 

Eerder besloot Martens al dat het niet goed genoeg was. Eind vorig jaar gaf hij een machtiging om Bianca drie maanden lang uit huis te plaatsen. In het crisispleeggezin ging ze voor het eerst in jaren weer eens naar de tandarts, stonden er drie maaltijden per dag op tafel, werd haar kleding gewassen, was Bianca zelf schoon én ging ze naar school. Het meisje bloeide op, al miste ze haar ouders wel. 

‘Geen excuses’

Na drie maanden moest ze er weg. Om haar niet opnieuw in een vreemd gezin te plaatsen, ging ze terug naar huis onder toezicht van een jeugdbeschermer. Die zag weinig verbetering en besloot na een half jaar opnieuw een uithuisplaatsing te verzoeken. Daarover gaat het vandaag. Martens weet: ‘Als dit kind nu uit huis gaat, komt het misschien helemaal niet meer terug.’ 

Bianca is meegekomen naar de zitting. Vooraf vraagt Martens haar hoe het gaat, en wat zij wil. Als het meisje weer op de gang zit, komen haar moeder, haar advocaat en de jeugdbeschermer binnen. Vader ligt in het ziekenhuis. 

‘Ze moet naar school, geen excuses,’ zegt Martens kalm maar streng tegen de moeder. Aan de jeugdbeschermer vraagt hij welke hulp er al is ingezet. Die somt drie instanties op die het gezin bijstaan. Niet genoeg: ‘Eigenlijk moet er dagelijks iemand in de ochtend de ouders ondersteunen om Bianca op tijd naar school te krijgen. Maar die hulp is niet beschikbaar.’ 

Zijn er familieleden of vrienden die kunnen helpen, wil Martens weten. ‘Nee, er is nauwelijks netwerk,’ antwoordt de jeugdbeschermer. 

Martens, tegen de jeugdbeschermer: ‘Het is een best pittige beslissing die u van mij vraagt. Hoe ziet u het?’ 

‘Er is nu geen plek in Amsterdam,’ antwoordt de jeugdbeschermer. ‘Ik kijk naar een gezinshuis verder weg, waar meerdere meiden van deze leeftijd wonen. In de weekenden en in de vakanties kan ze dan naar haar ouders.’ 

Niet ideaal, vindt de rechter, want dan moet Bianca niet alleen haar vertrouwde buurt achterlaten, ze moet ook van school wisselen. Martens vraagt door: ‘Waar bent u bang voor als ik de uithuisplaatsing niet toeken?’ 

‘Binnen hun kunnen doen de ouders alles, maar het is niet voldoende om het meisje veilig te laten opgroeien’

‘Bianca ligt in bed en zit op haar telefoon, ook midden op de dag. Ook als ze weten dat ik kom, ligt er geen schoon beddengoed op bed. Ze is alleen maar op haar kamer. Thuis leert ze weinig.’

Martens: ‘Is het de bedoeling om toe te werken naar een terugkeer naar huis?’ 

Gezin onder water

Als hulpverlening kan starten, als het beter gaat met vader, dan krijgt dit gezin misschien meer structuur. Een hulpverlener die het gezin over een paar maanden kan helpen met de opvoeding en praktische zaken, is ook aanwezig. ‘Binnen hun kunnen doen ze alles, maar het is niet voldoende om Bianca veilig te laten opgroeien,’ luidt haar oordeel. 

Inmiddels lopen de tranen over de wangen van moeder. 

Haar advocaat: ‘Dit gezin staat onder water. Wij kunnen ons dat niet voorstellen. Deze ouders kunnen haar geen prinsessenleven bieden, zoals kennelijk gewenst wordt – ziekte hoort bij het leven. Een uithuisplaatsing is te voorbarig, want nog niet alles is ingezet.’ De advocaat denkt dat het aanvragen van toeslagen genoeg financiële armslag zal bieden om de stress te verlichten. 

‘Als we niet uit huis plaatsen wordt het een herhaling van zetten,’ pareert de jeugdbeschermer. ‘Bianca gaat even naar school, maar daarna gaat het weer mis.’ 

De moeder krijgt het woord. ‘Jij hebt nooit vertrouwen gehad in ons,’ zegt ze door haar tranen heen tegen de jeugdbeschermer. Ze snikt. 

Martens: ‘Ik vind het een hele lastige, zeg ik eerlijk. Geld is nooit een reden voor een uithuisplaatsing. Het gaat nu niet goed genoeg. Ze komt niet op school. Tegelijk is er geen pleeggezin in de buurt en kan de hulpverlening pas over een paar maanden beginnen. Ik ga deze zaak aanhouden.’

Hij richt het woord tot de moeder: ‘Bianca moet naar school. U gaat het maar laten zien. Ik wil van u een succesverhaal als we hier over zes weken weer zijn, ik wil horen dat Bianca iedere dag naar school is geweest.’

‘Iedereen heeft huiswerk, dank voor uw komst’

De kinderrechter vraagt of iemand Bianca wil binnenlaten, zodat hij zijn beslissing aan het meisje kan vertellen. Het meisje komt binnen, legt haar telefoon op tafel. Haar staartje piept boven de rugleuning uit. ‘Luister Bianca, ik ga nog geen beslissing nemen. Je blijft nog twee maanden thuis wonen. Ik heb tegen je moeder gezegd dat je iedere dag naar school moet.’ 

Het meisje knikt. ‘Zelf de wekker zetten,’ zegt Martens. ‘Begrijp je wat ik zeg?’ Weer gaat het staartje op en neer. ‘Wat vind je ervan?’ 

‘Niks,’ zegt ze. 

‘Hoeft ook niet,’ zegt Martens. En tot de zaal: ‘Iedereen heeft huiswerk. Dank voor uw komst.’ 

Weer niets bereikt

Een maand later moet rechter Mirjam van der Kaay beoordelen of de jeugdbeschermer in de zaak van de 16-jarige tiener, die telkens wegloopt, haar huiswerk gedaan heeft. Eerder kwam voor dit meisje slechts een vervangende vertegenwoordiger van de jeugdbescherming opdagen. 

Deze keer hoopt Van der Kaay de tiener zelf in de rechtszaal te zien. Maar als de bode aankondigt wie er op de gang staan, zit het meisje daar niet bij. Twee mensen zijn gekomen. Een medewerker van de jeugdbescherming – een andere dan de vorige keer – en de hulpverlener die haar begeleidt in de instelling waar ze nu woont. Ze nemen plaats tegenover Van der Kaay. 

De hulpverlener vertelt de rechter dat het meisje in weerwil van de afspraken de vorige avond niet thuis heeft geslapen maar bij haar vriend. Daardoor is het niet gelukt samen met haar naar de rechtbank te reizen. Hij stond om half elf op station Lelylaan, maar alleen. ‘Dat past dus in een patroon van aantrekken en afstoten.’ 

Van der Kaay merkt op dat dit patroon verergerd is sinds haar vaste jeugdbeschermer uit beeld verdween. Ze wil weten of de jeugdbeschermer die in de rechtszaal aanwezig is zich nu over het meisje ontfermt. ‘Nee,’ zegt de vrouw. ‘Ik werk voor de bureaudienst.’ Dat betekent dat het meisje een telefoonnummer heeft gekregen dat ze kan bellen als er iets is, in plaats van een vaste jeugdbeschermer. 

Dat maakt de zaken er niet beter op, geeft de vrouw toe. ‘Met een collega houd ik me fanatiek bezig met haar, zodat ze in ieder geval twee vaste gezichten heeft. Maar dit meisje heeft twee kanten. Het is lastig om contact met haar te krijgen en houden. Het contact is er als het haar uitkomt, en het is heel fragiel.’

‘Dit meisje zakt weg, er is niet veel tijd meer – wat gaat er gebeuren om dit patroon te doorbreken?’

Van der Kaay hoort het hoofdschuddend aan. ‘Hoelang moet dit nog duren? We moeten realistisch zijn nu. Dit meisje zakt weg, er is niet veel tijd meer. Wat gaat er gebeuren om dit patroon te doorbreken?’

‘We hebben een instelling nodig met een lange adem, die toestaat dat ze de regels breekt, want dat doet ze nu eenmaal,’ zegt de jeugdbeschermer. ‘Ze mag in ieder geval bij ons blijven,’ zegt de hulpverlener. ‘Ja, tot ze een keer te vaak niet komt opdagen,’ zegt de rechter. 

Coach

De jeugdbeschermer denkt via de leerplichtzaak die eraan komt vanwege het vele schoolverzuim, aan een coach voor het meisje te kunnen komen. ‘Dat wilde leerplicht eerder niet, ze vonden het nog te vroeg,’ zegt ze. Zo’n coach is qua hulp weliswaar aan de lichte kant, maar: ‘Als we nu meteen opschalen, rent ze weer weg. We proberen haar tempo te volgen.’

‘Haar tempo volgen?,’ herhaalt Van der Kaay. ‘Dat moet niet te lang duren. Kijk, die ondertoezichtstelling vind ik niet zo ingewikkeld, die moet worden verlengd. De uithuisplaatsing vind ik wel ingewikkeld. Ik weet nu nog steeds niet waar ik een machtiging voor geef. En dat ze toegewezen is aan de bureaudienst kan gewoon niet, in zo’n zaak. Een vast persoon is heel belangrijk.’

Omdat het meisje ook niet terug naar huis kan, sluit Van der Kaay de zitting af door de uithuisplaatsing met drie maanden te verlengen. Verder volgen veel ‘hopelijks’. Hopelijk kan deze jeugdbeschermer van de bureaudienst haar vaste begeleider worden. Hopelijk zit het meisje over drie maanden nog steeds bij deze instelling. Hopelijk lukt het om een ingang te vinden voor contact. Hopelijk krijgt ze die coach.

De jeugdbeschermer en de hulpverlener knikken instemmend. ‘Wat we nodig hebben, is dat dit meisje kenbaar maakt waar haar motivatie ligt,’ zegt de jeugdbeschermer.

Van der Kaay: ‘Maar wat als ze dat zelf niet weet?’