Kinderrechters Elvira Devis, Peter Björn Martens en Mirjam van der Kaay.

Gemeenten zouden de jeugdzorg goedkoper en beter regelen. Het tegenovergestelde is gebeurd. Wat ging er mis? Lees meer

De gemeenten zouden jeugdzorg dichterbij, efficiënter en uiteindelijk ook goedkoper gaan regelen. Het tegenovergestelde gebeurde: het aantal zorgaanbieders is gestegen van 120 in 2014, naar zo’n 6.000 nu. En inmiddels ontvangt één op de tien Nederlandse kinderen een vorm van jeugdzorg.

 

In de zomer van 2020 was voor veel gemeenten de maat vol. Ze gaven zoveel geld aan jeugdzorg uit, dat zij het financieel niet meer konden bolwerken. Den Haag moet met meer budget over de brug komen, luidde de boodschap.

Maar is geld het enige probleem? Onder de werktitel "Jeugdzorg in het Rood” doet Follow the Money onderzoek naar de geldstromen in de jeugdzorg. In deze gids loodsen we je langs de belangrijkste bevindingen.

82 artikelen

Kinderrechters Elvira Devis, Peter Björn Martens en Mirjam van der Kaay. © Daniël Niessen

In het hart van een zorginfarct: de rechter kan in een kinderleven het keerpunt zijn

Kinderrechters laveren tussen kinderen, ouders en hulpverleners. Soms kunnen ze de misère voor een kind doen kantelen.

0:00
Audioserie De Kinderrechter

De Kinderrechter

Aflevering 6 van 6

Bekijk audioserie
Dit stuk in 1 minuut
  • Kinderrechters kunnen ervoor zorgen dat zowel ouders als hulpverleners in actie komen, bijvoorbeeld om een uithuisplaatsing af te wenden. Hun tussenkomst kan een eind maken aan jarenlang aanmodderen. 
  • Rechters volgen lang niet altijd het advies van de jeugdbescherming. In dit laatste deel van onze serie In het hart van een zorginfarct zien we hoe de rechters voor twee kinderen een andere oplossing dan een uithuisplaatsing weten te forceren.
  • Deze zomer volgde Follow the Money drie maanden lang drie kinderrechters van de rechtbank Amsterdam. Op voorwaarde dat onze artikelen niet herleidbaar zijn tot andere personen dan de rechters zelf, waren we aanwezig bij zittingen over gezag en omgang, ondertoezichtstelling en uithuisplaatsingen. We volgden alle zaken op de rol. 
  • Voorafgaand aan elke zitting kregen we inzage in de dossiers. Voor aanvang van de zitting maakte de kinderrechter melding van onze aanwezigheid. Had een van de aanwezigen bezwaar, dan verlieten we de rechtszaal. Dit is één keer gebeurd, omdat een vader zich niet prettig voelde bij de aanwezigheid van journalisten.
  • Vandaag Keerpunt in een kinderleven, het laatste artikel in onze serie. Deel 1 is De kinderrechter, deel 2 Het kind en de wachtlijst, deel 3 De ouders, deel 4 Kapotte relaties, en deel 5 Het gaat om het kind.
Lees verder

Schuchter komt de jongen de zaal in. Hij trekt met een been. Kinderrechter Mirjam van der Kaay loopt naar voren en vraagt of hij wil gaan zitten. ‘Wat fijn dat ik jou hier zie,’ zegt ze. 

Ze vraagt naar zijn vakantie, wat hij allemaal ondernomen heeft, hoe het op school gaat. Ze hebben het over het warme weer. Dan komt ze to the point: ‘Wat wil jij het liefst?’

‘Ik wil heel graag bij mijn vader wonen,’ zegt de jongen van 12. Hij vertelt dat zijn moeder ook is meegekomen vandaag. ‘Daar ben ik blij om. Ik heb haar geknuffeld. Ik wil haar heel vaak zien, veel vaker dan nu.’

‘Dat is mooi,’ lacht Van der Kaay. Dan vraagt ze: ‘Hé, wil jij mij verder nog iets vertellen?’

Kleurige voering

‘Dat de jeugdbeschermer heeft gejokt. Hij heeft gezegd dat ik heb gezegd dat mijn vader geen geld heeft. Dat is niet zo. Dat heeft veel spanning bij mij opgeleverd. Ik wil die man niet meer. Hij kwam één keer langs en verder niet.’

De rechter hoort hem aan en stuurt aan op afronding van het gesprek. Ze wijst op haar toga – de jongen, enthousiast: ‘Net als meester Frank Visser!’ – en vertelt waarom ze die draagt: ‘Als ik hier zit mag ik niet laten zien wat ik leuk vind en wat niet. Maar kijk...’ Ze knoopt het zwarte gewaad open en toont hem de kleurige voering. ‘Aan de binnenkant ziet het er zo uit.’ De jongen lacht. 

Ze vraagt of hij het vervelend vindt om even alleen op de gang te wachten. ‘Nee hoor,’ zegt de jongen, ‘ik heb iets te lezen mee.’ 

Al jaren probeert zijn vader het ouderlijk gezag over hem te krijgen, zodat de jongen bij hem thuis kan opgroeien. Vier jaar geleden had moeder een ernstige terugval in haar psychiatrische ziekte. Sindsdien slikt ze medicijnen die lijken te helpen tegen uitbarstingen van woede, maar ze kan nog niet zelfstandig wonen of voor haar kind zorgen en verblijft geregeld in een kliniek. 

De jongen is destijds door de kinderrechter uit huis geplaatst. Hij woont nu bij zijn oma’s: doordeweeks bij de moeder van zijn moeder, en in het weekend bij die van zijn vader. Vader heeft intussen met zijn nieuwe vriendin een baby gekregen en zoekt een woning in Amsterdam, groot genoeg voor een gezin van vier. Dat valt niet mee. 

Familiebarbecue

Vandaag beslist Van der Kaay dus wie de zeggenschap over de jongen krijgt. Dat is geen uitgemaakte zaak, want iedere betrokkene claimt het gezag: de moeder, de vader én de gecertificeerde instelling in de jeugdbescherming. 

Die instelling wil het gezag overnemen, zodat haar stichtingsbestuur een voogd kan aanwijzen voor het nemen van beslissingen voor de jongen: waar hij gaat wonen, naar welke school hij gaat, en als hij ziek is, welke behandeling hij krijgt. Zijn ouders worden dan alleen nog maar over die beslissingen geïnformeerd. 

De bode komt binnen en zegt dat iedereen er is. Vader en moeder, beiden met een eigen advocaat, allebei de oma’s, de vaste hulpverlener van moeder, de onderzoeker van de Raad voor de Kinderbescherming, en de jeugdbeschermer met een collega. ‘Wat fijn om jullie allemaal hier te zien,’ begroet Van der Kaay de aanwezigen. 

Na een korte samenvatting van het dikke dossier vraagt de rechter eerst aan de moeder hoe vaak zij haar zoon nu ziet. ‘We videobellen elke dinsdag,’ zegt ze, ‘en af en toe bel ik tussendoor.’ Ze vertelt dat ze ook wordt uitgenodigd op familiebijeenkomsten. Ze was deze zomer op de familiebarbecue, heel gezellig. Achter haar glimlachen de oma’s. ‘U-huh,’ klinkt het goedkeurend. 

‘Degenen die voor hem zorgen, moeten belast worden met gezag,’ antwoordt de moeder op de vraag wat ze wil voor haar zoon. ‘Voor de rest heb ik er denk ik niet zoveel over te zeggen. Wie bepaalt of ik mijn zoon kan zien of spreken, is vaag voor mij.’

‘Iedereen wacht op elkaar, en ondertussen gebeurt er niets’

De rechter wendt zich tot de jeugdbeschermer: ‘Wat is de bedoeling met de omgang?’ 

Er moet een regeling komen voor de omgang van beide ouders en het kind, zegt de jeugdbeschermer, die deze zaak nog maar acht weken geleden heeft overgenomen van een collega. ‘We moeten goede afspraken maken.’ Dat vindt de rechter te vaag.

‘Met moeder is het in het verleden niet goed gegaan,’ verduidelijkt de jonge vrouw. ‘Van vader hebben we geen compleet beeld gekregen van zijn opvoedvaardigheden. Om beter zicht te krijgen op hoe hij zijn zoon gaat opvoeden, is verlenging van de ondertoezichtstelling van belang.’

‘Bent u daarover al in gesprek gegaan met vader?’ vraagt de rechter. ‘Nee, dat is nog niet gebeurd.’  Van der Kaay zucht. ‘Iedereen wacht op elkaar, en ondertussen gebeurt er niets.’

Ze denkt even na en vraagt dan: ‘Als vader de opvoeding op zich neemt, met de oma’s, is het verlengen van de uithuisplaatsing voor een heel jaar dan wel nodig?’

‘Dat klinkt wel als lang, dan,’ geeft de jeugdbeschermer toe. 

Te vroeg voor iets drastisch

De raadsonderzoeker van de Kinderbescherming wil dat vader het ouderlijk gezag krijgt. Zij was er vier jaar geleden bij, toen de kinderrechter de jongen uit huis plaatste. ‘Het doet me heel erg goed om te zien dat de oma’s naar voren zijn gestapt, dat vader zijn verantwoordelijkheid neemt, en dat het beter gaat met moeder.’

Volgens de raadsonderzoeker probeert de vader het al jaren voor elkaar te krijgen dat zijn zoon bij hem komt wonen. ‘Dat is ook onze voorkeur: vader krijgt gezag. Het heeft altijd onze voorkeur dat een natuurlijk persoon belast wordt met het gezag, en niet een instantie. Voor moeder adviseren wij het gezag te beëindigen. Als zij ook gezag houdt, kan er onduidelijkheid ontstaan.’

Vader vindt het tijd voor een beslissing: ‘Ik heb alles gedaan wat van me gevraagd is’

De advocaat van moeder vindt dat haar cliënt eerst meer tijd moet krijgen om haar leven op orde te brengen. ‘Er gebeurt zoveel tegelijkertijd en formeel gebeurt er juist heel weinig. Ze gaat weer zelfstandig wonen, misschien weer aan het werk. Ze staat er reëel in en wil haar zoon zien. Gezien alle positieve ontwikkelingen is het te vroeg voor dit soort drastische maatregelen. Bij de vorige jeugdbeschermer heeft ze vaak genoeg aan de bel getrokken om meer contact te krijgen met haar zoon. Dat was toen niet mogelijk.’

De Raadsonderzoeker benadrukt dat ze alleen kijkt naar wat het beste is voor de jongen. ‘Er zijn al zoveel mensen betrokken nu. Hij moet niets merken van wat er allemaal gaande is met de volwassenen in zijn leven.’

Vader vindt dat het tijd is voor een beslissing. ‘Ik heb alles gedaan wat van me gevraagd is. Moeder en ik kunnen door een deur, als het goed met haar gaat. We spreken elkaar niet dagelijks, maar ze kan mij berichten over onze zoon en andersom doe ik dat ook.’

De man zegt dat hij met de oma’s heeft afgesproken hoe ze de overgang voor zijn zoon kunnen vergemakkelijken. Op de basisschool heeft hij nog een jaar te gaan. Pas wanneer hij naar de middelbare gaat, komt hij bij zijn vader wonen. ‘Ik wil hem niet weghalen bij alle mensen die hij kent. Die langere overgangstijd geeft de oma’s ook de gelegenheid om weer in hun oma-rol te groeien.’

Op de achtergrond knikken de oma’s. 

Oud zeer

De advocaat van vader wil kwijt dat de vorige jeugdbeschermer ‘veel heeft stukgemaakt, qua vertrouwen in de hulpverlening’. Met de nieuwe die er vandaag bij is, heeft vader nog niet gesproken. 

De rechter spreekt de jeugdbeschermer rechtstreeks aan: ‘Vader heeft doorlopend het gevoel dat hij gediskwalificeerd werd, terwijl hij altijd voor zijn zoon heeft willen zorgen. Dat is wel de rode draad hier. Het is van belang dat u weet dat hier oud zeer zit.’

De oma’s krijgen ook het woord. Eerst de moeder van moeder: ‘We hebben genoeg van dit hele gebeuren, het is zo slopend. Wij zitten op één lijn. Daar komt de jeugdbescherming niet tussen.’ 

De moeder van vader draait zich om naar de nieuwe jeugdbeschermer, zodat die haar in de ogen kan kijken. ‘U bent niet bezig om hulp te verlenen,’ zegt ze. ‘U bent bezig hem te beschadigen. Laat dit gezin met rust.’

De rechter onderbreekt oma door haar te vragen wat ze wil. ‘Moeder is altijd welkom,’ zegt ze. ‘Dat is altijd zo geweest. Het contact wordt nu steeds beter. We zijn een hechte familie, we regelen dat onderling. Daar hebben we geen jeugdbeschermer voor nodig.’

‘Ik kan niet veranderen wat mijn voorganger heeft gedaan,’ reageert de jeugdbeschermer. ‘Wij willen deze nieuwe fase ook.’

Opluchting

Rechter Van der Kaay trekt zich een kwartier terug om na te denken over haar beslissing. Als ze weer op haar stoel zit, regelt ze binnen tien minuten een omgangsregeling voor moeder, die haar zoon elke week een uurtje kan zien bij oma thuis. Moeders vaste hulpverlener van de lokale organisatie voor geestelijke gezondheidszorg zal meegaan en vastleggen hoe die bezoeken verlopen.

‘Heeft iemand bezwaar?’ vraagt de rechter. Niemand zegt iets. 

‘Moeder moet het gevoel hebben: ik ben van betekenis – maar vader neemt voortaan de beslissingen’

‘Oké, dan ga ik nu beslissen op alle verzoeken,’ vervolgt Van der Kaay. ‘Vader krijgt het gezag. Dat betekent dat u, vader, alleen met het ouderlijk gezag wordt belast. U houdt moeder op de hoogte van hoe het met jullie zoon gaat, en van alle belangrijke beslissingen. Dat doet u rechtstreeks met moeder of via de oma’s. Moeder moet het gevoel hebben: ik ben van betekenis. Maar uiteindelijk neemt u de beslissingen.’ Vader zegt dat hij het snapt. 

‘Ik heb veel vertrouwen in deze familie,’ gaat Van der Kaay verder. ‘Jullie zullen dit goed oppakken, dat hebben jullie al die tijd goed gedaan. Daarom wijs ik de ondertoezichtstelling af. Ook omdat er zoveel weerstand tegen is.’ 

De opluchting is hoorbaar. De rechter: ‘Zullen we hem er dan nu bij halen?’ 

Oma doet de deur open en gebaart de jongen binnen. Met spanning op zijn gezicht komt hij de zaal in. Van der Kaay vertelt hem meteen hoe het zit: ‘Je gaat bij je vader wonen. Elke maandag zie je je moeder een uur lang bij je oma. En tot je vader een huis heeft in Amsterdam blijf je bij je oma’s.’

‘Echt?’ vraagt de jongen. Zijn gezicht straalt. 

Zijn moeder loopt op hem af en geeft hem een knuffel. ‘Ik ben blij voor je.’ De oma’s doen dat ook. Vader geeft hem een boks. Knuffelend en lachend loopt de hele familie vrolijk naar buiten. ‘Dankjewel hè,’ roept vader over zijn schouder. 

Terwijl de deur van de rechtszaal langzaam dicht valt, kijken Van der Kaay en de griffier elkaar glimlachend aan. ‘Dat ik vandaag deze uitspraak zou doen, had ik van tevoren niet kunnen bedenken,’ zegt Van der Kaay, terwijl ze de dikke pakken papier bij elkaar raapt. ‘Ik doe dit alleen omdat ik er vertrouwen in heb. Bij deze familie denk ik: het komt wel goed.’

‘Ouders krijgen laatste kans’

Begin oktober heeft ook kinderrechter Peter Björn Martens een zitting die anders loopt dan hij vooraf dacht. 

Zes weken geleden zag het er slecht uit voor de 12-jarige Bianca en haar ouders. Haar vader lag op de operatietafel tijdens de zitting waarin Martens moest besluiten over het uit huis plaatsen van het kind. Ook daarvoor ging hij maandenlang ziekenhuis in, ziekenhuis uit. 

De moeder kreeg het niet voor elkaar om Bianca in haar eentje goed te verzorgen. Haar kleren stonken, ze kwam zonder ontbijt aan op school, áls ze daar al aankwam. Het huis was een puinhoop, Bianca spendeerde veel tijd in bed, op haar telefoon. Er moest iets gebeuren, maar de hulp die Martens het liefst had gehad – een tijdelijk pleeggezin in de buurt en hulp voor beide ouders – was niet voorhanden. 

‘Soms helpt de toga om de boel op scherp te stellen’ 

De jeugdbescherming opperde toen een plaats in een gezinshuis aan de kust, maar daarin ging de rechter niet mee. In plaats daarvan stuurde hij iedereen weg met ‘huiswerk’: Bianca’s ouders kregen zes weken om Bianca elke dag op tijd op school te laten zijn. De jeugdbescherming moest haar uiterste best doen om hulp op de rit te krijgen, van schoonmaak tot opvoeding – alles om een uithuisplaatsing te voorkomen.

Op de dag van de nieuwe zitting in oktober kleeft op het dossier een handgeschreven, onheilspellend geeltje: ‘Ouders krijgen laatste kans + GI  moet op zoek naar pleeggezin in omgeving Amsterdam. Iedereen is opgeroepen.’ 

Maar Martens is vooraf in opperbeste stemming. ‘We kregen gisteren goede berichten.’ Al bij het lezen van de tweede zin in het dossier blijkt waarom: ‘Bianca is elke dag naar school geweest,’ schrijft de jeugdbescherming. Een verheugde Martens: ‘De dreiging van de toga. Soms helpt die om de boel op scherp te stellen. Dit ziet er goed uit.’ 

Gepoetst en geklust

In de kindvriendelijke zittingszaal stappen Bianca’s beide ouders achter de bode naar binnen. Het gezicht van moeder is vertrokken van spanning door de dreigende uithuisplaatsing. 

Martens wil eerst van alle partijen weten hoe het met Bianca gaat. Als de jeugdbescherming aan het woord komt, klinkt de hulpverlener opgetogen. Tegen moeder zegt ze: ‘Je hebt wat meer vertrouwen. We zijn er nog niet, maar je bent vrolijker, rustiger en positiever.’ En tegen de rechter: ‘Het is echt helemaal omgekeerd.’ 

In de voorbije zes weken heeft de jeugdbescherming een barrage aan hulp weten te regelen. Er is gepoetst en geklust in de woning. Moeder heeft hulpverlening toegelaten voor zichzelf en haar dochter, en Bianca stapt zelf op tijd in de bus naar school, samen met een vriendje uit de buurt. De ouders staan beiden onder bewind om van hun schulden af te komen, en er komt een uitkering binnen omdat moeder zich bij de gemeente heeft laten inschrijven. 

De rechter suggereert een nieuwe evaluatie, de jeugdbeschermer stemt meteen toe

Is Bianca trots dat ze zelf met de bus gaat, vraagt Martens. Ja, zeggen beide ouders in koor. En het gaat beter op school. Vader: ‘Ze gaat echt voor haar huiswerk zitten. Maar Engels hè… Ja, yes en no, maar verder kan ik haar er niet mee helpen.’ 

Martens wil weten wat de jeugdbescherming wil. Blijft het verzoek tot aanhouding van de uithuisplaatsing staan? Dat zou betekenen dat Bianca’s gedwongen verhuizing als een zwaard van Damocles boven het gezin blijft hangen. ‘Ik twijfel’, zegt de jeugdbeschermer. Martens suggereert de situatie rond de kerstdagen opnieuw te evalueren. De jeugdbeschermer stemt meteen in.    

De kinderrechter weet genoeg: Bianca blijft onder toezicht staan, maar de uithuisplaatsing is van de baan. ‘Jullie hebben hard gewerkt. Ik sta versteld van deze vooruitgang. Er is genoeg te zeggen over jeugdzorg, maar dit is een succesje. Complimenten!'