© Wikimedia Commons

Red Europa, stop de euro

    De chartale euro bestaat nu 15 jaar. Maar het enthousiasme over de munt houdt niet over. Na het Brexit-referendum klinkt steeds vaker de roep om het opgeven van de euro. Tegenstanders claimen dat de kosten daarvan schrikbarend hoog zullen zijn. Voorstanders beweren het tegenovergestelde. Wie heeft gelijk?

    De euro opheffen? Onbetaalbaar! Althans, volgens degenen die de eenheidsmunt en de huidige structuur van de eurozone tegen elke prijs willen redden. Dat zijn bijvoorbeeld analisten en economen van grootbanken als ING, UBS en, zeer recent nog, Rabobank. Maar hun prognoses zijn sinds het uitbreken van de crisis in 2010 bepaald niet altijd uitgekomen. ING en UBS, waarschuwden bijvoorbeeld in 2010-2011 dat het Griekse bbp met circa 10 procent zou krimpen als Griekenland uit de euro zou stappen. Maar inmiddels is gebleken dat het Griekse bbp een veelvoud daarvan is gekrompen nu het land de eurozone juist niet heeft verlaten. Vanwaar dan deze europropaganda?

    Ook de Europese Commissie (EC) doet er volop aan mee, net als aanvankelijk het Internationaal Monetair Fonds (IMF). Zij produceren keer op keer veel te rooskleurige prognoses voor het herstel van zwakke eurolanden als Griekenland, Portugal, Italië en Frankrijk. Met name de EC roept al sinds eind 2010 dat de eurocrisis voorbij is, terwijl het in werkelijkheid niet beter maar juist slechter gaat in de Zuid-Europese landen — met nu bijna zeven jaar later Italië als laatste dieptepunt.

    Trendmatige ontwikkelingen

    Gaat het licht echt uit in Europa als we afscheid nemen van de euro? Zijn de gevolgen van een Nexit voor onze export echt zo desastreus als wordt beweerd? Of spelen dogmatische ideologie en vrees voor politiek gezichtsverlies bij het esthablishment ook een belangrijke rol?

    Ter herinnering: uit de hoek van de voorstanders kwam ooit de belofte dat de euro en de Europese en Monetaire Unie ons grote welvaart en volledige werkgelegenheid zouden brengen, in 2010. Wat zeggen zij nu, nu de eurozone juist sinds 2010 kampt met economische stagnatie en werkloosheid (vooral jeugdwerkloosheid) en in sommige landen zelfs sprake is van diepe armoede? Om nog te zwijgen over de politieke instabiliteit van dit moment, mede als gevolg daarvan.

    Speelt politiek gezichtsverlies ook een belangrijke rol?

    Om te beoordelen of er niet toch voordelen zitten aan het ontmantelen van onze eenheidsmunt, moet je zo nauwkeurig mogelijk proberen te bepalen hoe hoog de kosten van het opheffen c.q. voortzetten van de euro zouden zijn. Kan dat? Economie is geen exacte wetenschap; oorlogen, natuurrampen en revoluties zijn niet in een model te vangen. We zijn niet eens in staat de impact van de Groningse aardbevingen behoorlijk te berekenen, laat staan dat we met enige mate van zekerheid kunnen voorspellen wat politieke koerswijzigingen voor onze economie betekenen, of —  nog moeilijker — de gevolgen van economische veranderingen buiten de eurozone.

    Trends en scenario's

    Wel kun je in de economische wetenschap spreken van trendmatige ontwikkelingen in bepaalde scenario’s. Zo'n scenario is bijvoorbeeld het ‘doormodderscenario’ met de euro. Of: het ophouden daarmee — dit alles onder gelijke omstandigheden (ceteris paribus).

    De interpretatie van dergelijke scenario’s vraagt om de inzet van gezond verstand, gecombineerd met een flinke dosis financieel-economische kennis. Voor een zinvolle vergelijking moet een basisscenario als referentiepunt dienen. Het ligt voor de hand om voor dit referentiepunt het meest waarschijnlijke scenario te kiezen: het doormodderscenario.

    Onder de huidige omstandigheden blijken de gangbare rekenmodellen niet te voldoen

    Onder de huidige omstandigheden blijken de gangbare rekenmodellen niet te voldoen, gezien de immer te optimistische voorspellingen en de uit de hand gelopen economische situatie. Modellen gaan uit van min of meer stabiele situaties, maar die zijn er in de eurozone niet — zeker niet in zwakke eurolanden. Daar komt bij dat de zwakke en sterke eurolanden economisch helemaal niet naar elkaar zijn toegegroeid, zoals voorspeld. Integendeel: de kloof is groter geworden. Hierdoor is het voor de ECB in de praktijk ook ondoenlijk om passend monetair beleid te voeren, zoals vorige week nog door DNB-president Klaas Knot gememoreerd. Dus one-size-fits-none in plaats van one-size-fits-all, hetgeen (dus ook volgens Knot) betekent dat we in de rampzalige situatie zijn beland dat de eurozone thans monetair gezien stuurloos is.

    Een belangrijk uitgangspunt voor een faire kosten-batenvergelijking is: voor het uittreden uit de euro hoeven we geen rekening te houden met reeds gemaakte kosten die boekhoudkundig nog niet zijn genomen, de zogenaamde ‘verzonken’ kosten (sunk costs). Die kosten zullen namelijk in beide scenario’s uiteindelijk genomen moeten worden. Denk vooral aan de onvermijdelijke afboeking van slechte (staats)leningen tot een houdbaar niveau en aan de daarmee gepaard gaande herkapitalisatie van Europese systeembanken. Bij een vergelijkende studie naar een mogelijke ontmanteling van de euro als eenheidsmunt gaat het om de daadwerkelijke toekomstige kosten en baten.

    Interne devaluatie versus monetaire devaluatie

    De kern van de europroblematiek is het vasthouden aan een eenheidsmunt, zonder wisselkoersmechanisme en zonder landenspecifiek rentebeleid. Dat betekent enerzijds dat zwakke eurolanden internationaal niet meer kunnen concurreren omdat de euro voor hen te duur is, anderzijds dat de sterke landen overschotten produceren op de lopende rekening omdat de euro voor die landen, vooral Duitsland en Nederland, juist te goedkoop is. Omdat de arbeidsproductiviteit in Zuid-Europese landen achterblijft bij die van Noord-Europese landen worden Zuid-Europese producten te duur om te exporteren naar Noord-Europa en elders.

    In de praktijk hebben we al jaren kunnen zien dat de euro als eenheidsmunt in grote delen van de eurozone groei vertraagt en krimp bevordert. Niet alleen in Zuid-Europa, maar ook in een land als Finland. Dit wordt het beste geïllustreerd door het feit dat in de mondiale crisis de eurozone-economie veel sterker krimpt en het, zeker vergeleken met de mondiale groei, veel trager groeit. Ook na hervormingen blijft in Spanje de werkloosheid onacceptabel hoog.

    Inmiddels dreigt ook Italië onderuit te gaan. Frankrijk is nog niet eens begonnen aan het door de EC gewenste hervormingstraject; het land krijgt — alweer — respijt van de EC na een beroep op de noodtoestand als gevolg van de terroristische aanslagen. Omdat Noord-Europa relatief goedkoper werd, stegen de importen in de Zuid-Europese landen ten koste van de eigen productie. Bovendien kampt de zuidelijke periferie met vraaguitval door de gedaalde koopkracht ten gevolge van de daar doorgevoerde loondalingen.


    "We hebben al jaren kunnen zien dat de euro als eenheidsmunt in grote delen van de eurozone groei vertraagt en krimp bevordert"

    Interne devaluatie

    Deze situatie wordt onhoudbaar en zal meer geldtransfers vanuit Noord-Europa gaan vergen: een vicieuze cirkel. Hoe komen we daaruit?

    ‘Brussel’ heeft — naast de noodzakelijke hervormingsmaatregelen van de publieke en de private sector in de probleemlanden — gekozen voor interne devaluatie in die landen. Men wil de fors aangetaste internationale concurrentiepositie in die landen herstellen door middel van loonsverlagingen. De prijsverlagingen zullen na verloop van tijd vanzelf volgen. Een lange, moeizame weg en onvermijdelijk ook een inhumane, zoals we in Zuid-Europa hebben kunnen zien aan de bijwerkingen van dit beleid: massa-faillissementen, massawerkloosheid, armoede, vraaguitval en negatieve inflatie. Extra pijnlijk omdat dit onnodig is geweest.

    De economen Stockhammer en Sotiropoulos, beiden verbonden aan de Londense Kingston University, hebben naar dit beleid van ‘interne’ devaluatie in Zuid-Europa uitgebreid onderzoek gedaan. In een artikel hierover merken zij op dat de kosten ervan voor Griekenland, Italië, Spanje en Portugal vergelijkbaar zijn geweest met die van de Grote Depressie in de jaren '30, en dat de economische en sociale gevolgen enorm zijn. Het Internationale Rode Kruis is tot dezelfde conclusie gekomen.

    Prijsverlagingen zullen na verloop van tijd vanzelf volgen

    Deze economen stellen daarom dat de keuze voor forse inflatie in de surpluslanden via loonsverhoging aldaar verstandiger zou zijn. Zo zou men de grote kloof in internationale concurrentiekracht tussen de noordelijke en de zuidelijke eurolanden kunnen overbruggen. Geen ‘interne’ devaluatie in Zuid-Europa maar ‘interne’ revaluatie in landen als Nederland, Oostenrijk en (vooral) Duitsland.

    Maar dat ook een forse ‘interne’ revaluatie nogal schadelijke bijwerkingen heeft, daar weten wij in Nederland door de Wisselverlieszaak alles van: structureel koopkrachtverlies en een structurele aantasting van het (reële) bbp.

    Bovendien zou de excessieve inflatie in de kernlanden regelrecht in strijd zijn met de belangrijkste ECB-doelstelling van ‘prijsstabiliteit’ en dat zou voor Duitsland (en Nederland) onacceptabel zijn. Dus kan men concluderen dat de oplossing van de eurocrisis noch in ‘interne’ devaluatie noch in ‘interne’ revaluatie gezocht dient te worden. Dan resteert de herinvoering van wisselkoersen op nationaal vlak binnen de eurozone, hetgeen voor de Zuidelijke landen ‘monetaire’ devaluatie ten opzichte van de Noordelijke landen weer mogelijk maakt. Dit met als doel de onderlinge kloof in internationale concurrentiekracht in korte tijd en dus op de noodzakelijke korte termijn te kunnen overbruggen.


    "Monetaire devaluatie kan de economische en sociale crisis in de Zuidelijke landen relatief snel oplossen"

    Vanaf de jaren negentig heeft de ervaring geleerd, bij bijvoorbeeld monetaire devaluaties in Zuid-Amerika en Azië, dat sociaal-economische crises binnen enkele jaren werden opgelost.  Waarbij de terugbetaalcapaciteit op staatsleningen groter wordt, zelfs als deze staatsleningen gewaardeerd waren in buitenlandse valuta ten opzichte waarvan werd gedevalueerd. Die landen verkeerden in min of meer identieke situaties aan die van de Zuidelijke landen in Europa.

    Ook buitenlandse investeringen gewaardeerd in buitenlandse valuta ten opzichte waarvan gedevalueerd wordt, nemen ondanks monetaire devaluatie logischerwijze toe in waarde. In plaats van een negatief rendement in de vorm van verliezen en faillissementen, kunnen er namelijk weer gezonde, zwarte cijfers worden geschreven. Banken profiteren uiteraard als eersten van een krachtig economisch herstel in de devaluerende landen, want ook zij kunnen in de gewone bedrijfsuitoefening weer mooie, zwarte cijfers schrijven.

    Banken profiteren als eerste van een krachtig economisch herstel

    Aangezien de waarde van de investeringen groter wordt, nemen de ‘gezonken’ kosten van de noodzakelijke herkapitalisatie van banken in het scenario van de ontmanteling van de euro ook nog eens af.  De gemaakte winsten, toegevoegd aan het eigen vermogen van de banken maken de noodzaak tot herkapitalisatie kleiner.

    Monetaire devaluatie lost de economische en sociale crisis in de Zuidelijke landen niet alleen relatief snel op, maar zorgt er ook nog eens voor dat de ‘gezonken’ kosten lager uitvallen.

    Beproefd economisch proces

    Welke devaluaties en revaluaties kunnen we verwachten in geval van opheffen van de euro en invoering van nieuwe nationale valuta? Een goede indicatie daarvoor geeft een studie naar koopkrachtpariteiten, door Morgan Stanley (zie onderstaande grafiek). Koopkrachtpariteit is een manier om, vanuit een bepaald stabiel basisjaar, de prijsontwikkeling van verschillende landen met elkaar te vergelijken op basis van een zorgvuldig geselecteerd aantal economische parameters. Via deze methodiek wordt dan vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de werkelijke onderlinge valuta-wisselkoers afwijkt van de onderling evenwichtige dus ideale wisselkoers. In het verleden zijn ook alle wisselkoersaanpassingen binnen het voormalige Europese wisselkoersstelsel doorgevoerd op basis van koopkrachtpariteiten-analyse.

    Het opheffen van de one-size-fits-all-systematiek is uiteindelijk niets anders dan het gelijktijdig devalueren/revalueren van een aantal nationale munten ten opzichte van elkaar, en wel zo dat elk land weer een economisch juiste en dus eerlijke wisselkoers krijgt. Dit is een proces dat in diverse arrangementen, zoals het Europese Monetaire Stelsel (EMS) en de ‘slang-in-de-tunnel’, in de decennia vóór de invoering van de euro regelmatig plaatsvond. Deze ‘slang in de tunnel’ voorzag in een mechanisme om de wisselkoersschommelingen (de slang) te beheersen binnen nauwe fluctuatiemarges ten opzichte van de dollar (de tunnel). Het gaat hier dus niet om een nieuw en onbekend proces, maar om een economisch proces waar allang ervaring mee is opgedaan. Het verschil met eerdere devaluaties is dat de correcties naar het nagestreefde economisch evenwicht nu wat groter zijn, omdat wisselkoersaanpassingen tussen de eurozonelanden zo lang zijn uitgebleven.

    Kosten en baten: de trends

    Na herstel van een wisselkoersmechanisme zullen de devaluerende landen in één klap weer  internationaal concurrerend worden, waarmee in de eurozone dan weer evenwichtige en eerlijke verhoudingen ontstaan. De aan de onderkant van de eurozone weggevloeide productie naar (de inmiddels niet meer zo) lage lonen landen kan deels teruggehaald worden naar de eurozone. De totale eurozone-economie zal hierdoor met name aan de onderkant substantieel groeien.

    De sterke eurolanden — lees: vooral Duitsland en Nederland — kunnen ook rekenen op aantrekkende vraag naar hun hoogkwalitatieve producten en diensten. De door de eurocrisis opgetreden vraaguitval in Zuid-Europa wordt immers gedeeltelijk ongedaan gemaakt en er komt met de investeringen en groei uit die landen een inhaalvraag naar de producten van de kernlanden, zoals machines uit Duitsland.

    Sterke eurolanden kunnen rekenen op aantrekkende vraag naar hun hoogkwalitatieve producten en diensten

    Als gevolg van de ruilvoetwinst daar, neemt de koopkracht in Nederland behoorlijk toe. En zeker in Duitsland. Het binnenland-gerelateerd bbp in deze landen zal derhalve eveneens toenemen. En omdat Nederland en Duitsland innovatieve en kwalitatief-hoogwaardige producten exporteren en daarbij nauwelijks concurrentie ondervinden, kunnen ze, zoals we al eerder zagen, prima uit de voeten met een voor ons evenwichtige en daarom hogere wisselkoers. Wat Duitsland betreft dringt de parallel met het West-Duitse Wirtschaftswunder en de keiharde Duitse Mark van na de Tweede Wereldoorlog tot aan de Duitse eenwording zich op.

    De wisselkoersen kunnen worden aangebracht bijvoorbeeld op nationaal vlak waarbij de ge(her)introduceerde nationale valuta al dan niet parallel aan de euro zullen functioneren, of door een splitsing van de eurozone in een Noordelijk en Zuidelijk deel. Maar de verstandigste en meest eenvoudige manier om, in de gegeven omstandigheden, wisselkoersen te introduceren is ‘The Matheo Solution (TMS)’ waarbij de wisselkoersen worden ingevoerd op basis van de rekeneenheid-functie van geld terwijl de euro als gemeenschappelijk en enig chartaal en giraal betaalmiddel gewoon kan worden behouden (evenals alle voordelen van de euro). Een voorafgaande Verdragswijziging is bij de TMS-optie ook niet noodzakelijk. Op FTM is over TMS al het nodige is geschreven. Laatst nog hier.

    Wisselproblemen

    De overgang naar nieuwe nationale valuta geeft vanzelfsprekend omwisselproblemen. In welke valuta moeten de saldi worden gedenomineerd? Zijn de contracten in euro’s gesteld, dan is de vraag welke valuta van toepassing is in de nieuwe situatie. Alle binnenlandse contracten gaan één op één over naar de nieuwe valuta (Lex Monetae) en geven dus geen probleem, maar grensoverschrijdende contracten mogelijk wel.

    Bij de introductie van nieuwe nationale valuta moet er daarom wellicht tijdelijk worden gerekend met een soort ‘schaduw-euro,’ die bijvoorbeeld het bbp-gewogen gemiddelde is van de nieuwe nationale valuta. Bij The Matheo Solution treden deze problemen overigens niet op, aangezien het TMS ‘voorschrijft’ dat alle bestaande en nieuwe internationale contracten gewaardeerd blijven in 'euro'.

    Wellicht moet er tijdelijk worden gerekend met een soort ‘schaduw-euro'

    Daarnaast moeten we niet vergeten dat de transferunie die de eurozone nu in feite is, de sterke eurolanden vele tientallen miljarden per jaar kost. Diverse onderzoeken (Centrum für Europäische PolitikMatthias Elbers, professor Graafland, Bernard Connolly, Lombard Street, Jacques Sapir) noemen bedragen tussen de 108 miljard en 300 miljard euro. Per jaar. Het Nederlandse aandeel daarin wordt door het Centrum für Europäische Politik geschat op 15,7 procent. We praten dan in het gunstigste geval over een bedrag van bijna 17 miljard euro per jaar; en in het ongunstigste geval over een bedrag van ruim 47 miljard euro, elk jaar opnieuw. Deze transferkosten kunnen we dus vermijden door de euro te ontmantelen of, in het geval van TMS, te flexibiliseren. Maar zelfs als we uitsluitend uitgaan van het aandeel dat Nederland heeft in de totale economie van de eurozone (dat overigens tevens de basis vormt voor onze bijdrage aan de Europese noodfondsen van 6,3 procent) zijn de transferkosten torenhoog: minimaal 7 miljard euro per jaar en maximaal 18,9 miljard volgens genoemde onderzoeken.

    Hiertegenover staan natuurlijk uittredingskosten, al zijn deze relatief beperkt en in het geval van introductie van TMS zelfs vrijwel nihil. De bedragen zijn hoe dan ook peanuts vergeleken met de jaarlijkse transferkosten in ons basisscenario: doormodderen met de euro.


    "De euro kan zelfs uitgroeien tot een krachtige wereldreservemunt"

    Laten we er gemakshalve van uitgaan dat deze kosten de helft bedragen van de totale kosten van het omwisseltraject van de gulden naar de euro. In het geval van Nederland praten we dan over éénmalig nog geen 3 miljard euro. Voor de eurozone als geheel over éénmalig 46 miljard. De kosten die gepaard gaan met het omwisselen van geld kunnen volgens dezelfde aanname worden geraamd op 1,2 miljard euro voor Nederland en 19 miljard voor de eurozone als geheel. Relatief peanuts dus. Bij The Matheo Solution, waarbij de euro de enige valuta kan blijven, is een aanpassing van de software-systemen bij detailhandel, bankensector en overige sectoren het enige dat nodig is. Kosten voor de aanmaak van munten en bankbiljetten, en distributie van het chartale geld, vervallen. Valutaspeculatie wordt voorkomen. Met TMS kan de euro zelfs uitgroeien tot een krachtige wereldreservemunt. De ECB zal hier een uitsluitend coördinerende rol gaan vervullen, in samenspraak met de centrale banken van de eurozone lidstaten. Daarmee komt vanzelf een einde aan het politieke monetaire beleid van de ECB van de afgelopen jaren.

    Baten 

    De baten van het stopscenario ten opzichte van het doormodderscenario zijn derhalve deze: direct economisch herstel - op eigen kracht - in de probleemlanden met aantrekkende werkgelegenheid, aantrekkende economische groei in de overige eurolanden, Duitsland incluis; lagere gezonken kosten; wegvallen Noord-Zuid transferkosten; gezondere staatsfinanciën; hogere belastingopbrengsten bij winstbelasting en inkomenstenbelasting, wat leidt tot minder werkloosheids- en bijstandsuitkeringen. Kortom: meer welvaart in alle eurolanden.

    De ontmanteling van de eenheidsmunt pakt voor Nederland direct zeer goed uit

    De invoering van een N/Z-euro of beter nog een terugkeer naar nationale munten, al dan niet volgens de ‘TMS-formule’, zal direct financieel, economisch én sociaal voordeel opleveren voor zowel de eurozone in zijn geheel, als voor de individuele lidstaten afzonderlijk. De kosten-baten analyse van het ontmantelen van de eenheidsmunt ten opzichte van het basisscenario van ‘doormodderen’ pakt juist voor een land als Nederland — met zijn open economie en de functie als ‘de poort van Europa’ — direct uitermate goed uit.

    Niets dan voordelen dus, zeker voor Nederland. Het licht gaat niet uit. Integendeel, het is een investering die zichzelf snel terugbetaalt — zeker als Brussel en de Eurogroep eens serieus The Matheo Solution tegen het licht zouden gaan houden.

    Over de auteur

    Jean Wanningen

    Jean Wanningen (Weert, 1957) is een veelkleurige persoonlijkheid. Ging na ‘verkeerde’ studies bij een gerenommeerde investmen...

    Lees meer

    Volg deze columnist

    Dit artikel krijg je cadeau van Follow the Money.

    Diepgravende onderzoeksjournalistiek kost tijd en geld. Steun ons en

    word lid