© Katja Fred

Banken melken het mkb leeg en komen ermee weg

5 Connecties
90 Bijdragen

Al tien jaar laten banken het mkb opdraaien voor hun financiële tegenvallers. Dat kostte het mkb tot nu toe miljarden. Tweede Kamerleden stelden hier in 2015 vragen over en de minister maande de banken tot ‘zelfregulering’. Wat heeft dat 5 jaar later opgeleverd?

Frederique vraagt door

Luister naar de podcast bij dit artikel

Frederique de Jong in gesprek met auteur Thomas Bollen

Dit stuk in 1 minuut
  • Banken voeren sinds de crisis stelselmatig opslagverhogingen door bij hun mkb-klanten. Daardoor gingen ondernemers onverwacht veel meer betalen voor hun financiering. De schade voor het mkb loopt in de miljarden.
  • Banken berekenen hun hogere kosten als gevolg van nieuwe bankregels door aan het mkb. Volgens experts mag dat niet: ‘In dit geval lijkt het erop dat banken hun eigen winstmarges te laag vonden, en dat is geen goede onderbouwing voor opslagen.’ 
  • In 2015 werden hierover al Kamervragen gesteld. De minister van Financiën antwoordde dat banken de verhogingen beter moesten onderbouwen maar zette verder in op ‘zelfregulering’.
  • 5 jaar later is er weinig veranderd aan deze praktijken en lijkt de gang naar de rechter de enige oplossing.

 

Lees verder

'In totaal hebben we de ING al meer dan 5 miljoen euro teveel aan rente betaald. Wij voelen ons maatschappelijk verplicht om dit niet zomaar naast ons neer te leggen. Dat geld was anders naar de zorg gegaan.'

Aan tafel zitten de bestuursvoorzitter van een grote zorginstelling en zijn financieel adviseur. Tussen 2007 en 2009 sloot hun zorgorganisatie leningen af bij de ING met een looptijd van 10 tot 20 jaar. De rente op de leningen bestond uit twee componenten: het variabele euribor-tarief, plus een renteopslag van 0,35 procent — waarmee de bank zich indekt tegen het klantspecifieke risico dat het zorgbedrijf de lening niet zou kunnen terugbetalen. Omdat de zorginstelling geen enkel risico wilde lopen op stijgingen van het variabele tarief sloot ze met de bank ook nog een apart contract af om dat risico af te dekken. Zo zouden de rentelasten voor de instelling over de gehele looptijd voorspelbaar zijn.

Althans: dat was de afspraak. Maar vanaf 2009 begon de ING ineens met het eenzijdig verhogen van de renteopslagen. In 2012 betaalde de zorginstelling ruim 1 procent renteopslag, in 2014 1,5 procent en in 2019 bijna 1,75 procent; 1,4 procentpunt meer dan oorspronkelijk overeengekomen. Op een lening van pakweg 100 miljoen euro is dat dus 1,4 miljoen te veel – per jaar.

Desgevraagd gaf de ING te kennen dat de renteopslagen stegen vanwege verhoogde risico's in de zorgsector, maar de bank kwam nooit met een deugdelijke onderbouwing op de proppen. De zorgbestuurder vindt het bovendien een vreemde redenering dat zijn instelling zou moeten opdraaien voor verhoogde risico’s bij andere bedrijven: ‘Sinds 2012 is onze organisatie financieel veel sterker geworden. De risico's voor de bank zijn dus kleiner geworden dan voorheen, maar de opslagen die ze ons in rekening brengen zijn hoger. Als andere zorginstellingen of ziekenhuizen in de financiële problemen komen, moet de ING dat met hen oplossen. ING schuift nu haar eigen ondernemersrisico op ons af. Dat is toch heel oneerlijk?’

Mkb-ondernemer Jeanine Brands maakte iets soortgelijks mee. Na de crisis werden de opslagen op haar bedrijfskredieten stapsgewijs verhoogd, terwijl dat voorheen nooit gebeurde. Ze begrijpt niet hoe de bank haar binnenvaartbedrijf zo heeft kunnen behandelen: ‘Met onze rederij stonden we volgens de accountmanagers van de ING in hun top 3 van mkb-bedrijven. Daarmee werden we gepaaid, maar daar koop je dus helemaal niets voor. Ik wil gewoon uitleg van het waarom, maar die krijg ik niet.’ Tot grote frustratie van Brands begon de ING ondertussen wel gewoon de eenzijdig verhoogde opslagen af te schrijven van haar rekening. 

Algemene voorwaarden als vrijbrief voor prijsverhogingen

Voor ‘gewone bedrijven’ geldt dat de prijsafspraken die ze voor een langlopend contract maken, bindend zijn. Je kunt als bedrijf niet zomaar halverwege een contractperiode de prijs verhogen bij bestaande klanten. Ook niet wanneer je op die manier je eigen commerciële tegenvallers of hogere kostenposten kunt rechttrekken.

Toch is dat precies wat de ING en andere grootbanken na de kredietcrisis deden. Juist toen de economie op zijn gat lag, nota bene door toedoen van de financiële sector, verhoogden banken de renteopslag van bestaande klanten. Voor de kredietcrisis werden zulke opslagverhogingen zelden in de praktijk gebracht, maar vanaf 2009 kwam daar verandering in.

Banken baseerden zich daarbij meestal op één zinnetje uit de standaardcontracten die bij het afsluiten van een lening werden opgesteld. Daarin stond dat de banken tussentijds rentetarieven en risico-opslagen van leningen mogen herzien. In de algemene bankvoorwaarden werd vervolgens uitgelegd onder welke ‘bijzondere omstandigheden’ dat zou gebeuren, maar ook daarin werd niet exact gespecificeerd op welke gronden dat wel of niet mocht.

Midden in de crisis gingen banken die vaagheid ineens gebruiken als vrijbrief om de opslagen van kredietnemers jaarlijks te verhogen. Terwijl de variabele marktrente daalde, zagen de kredietnemers dat dus niet of nauwelijk terug in hun financieringskosten. Sterker nog: ze gingen vaak meer betalen dan voorheen. 

‘De ene keer spraken ze over een risico-opslag, dan weer over een liquiditeitsopslag’

Voor die bedrijven kwam dat als een onaangename verrassing. Wanneer ze om onderbouwing vroegen, werden ze doorverwezen naar de algemene bankvoorwaarden. Ook de bestuursvoorzitter van de zorginstelling kreeg maar geen volledig antwoord. De ING droeg volgens hem telkens andere redenen aan voor de verhogingen: ‘De ene keer spraken ze over een risico-opslag, dan weer over een liquiditeitsopslag of een verhoogd debiteurenrisico. Uiteindelijk is nooit goed onderbouwd, laat staan gekwantificeerd waarop die waren gebaseerd.’

Zelfregulering

In 2015 publiceerde FTM een serie artikelen over talloze eenzijdige prijsverhogingen die de Nederlandse grootbanken (in elk geval ABN Amro, de Rabobank, de ING en Van Lanschot) doorvoerden. FTM rekende toen uit dat de schade voor het bedrijfsleven in de miljarden loopt.

Vooral het mkb was hier de dupe van: de Unilevers en Shell van deze wereld ontsprongen de dans vanwege hun omvang. Bij het afsluiten van een lening maken deze écht grote bedrijven — net zoals ze dat met de Belastingdienst doen — individuele afspraken met hun bank. Die worden door hun advocaten tot in de kleinste details uitonderhandeld en vastgelegd in maatwerkcontracten. Maar voor mkb'ers en semipublieke organisaties wordt zulk maatwerk niet geleverd.

‘Na de crisis gingen banken op zoek naar manieren om de marges te verbeteren. Dat is waarom deze opslagverhogingen sindsdien grootschalig zijn doorgevoerd,’ vertelt een oud-bankier die tot en met 2015 werkzaam was bij ABN Amro op dit vlak aan FTM. 

Mede door de publicaties van FTM kaartten Arnold Merkies (SP) en Henk Nijboer (PvdA) de opslagproblematiek in 2015 aan in de Tweede Kamer: ‘Het MKB incasseert nu de klappen van een crisis die is veroorzaakt door de banken,’ stelde Merkies destijds. De Kamerleden maakten er een punt van dat banken niet uitleggen waarop de opslagverhogingen zijn gebaseerd. Toenmalig minister van Financiën Jeroen Dijsselbloem (PvdA) antwoordde dat hij, net als toezichthouder Autoriteit Financiële Markten (AFM), van banken verwachtte dat ze goed uitleggen waarom een opslag in rekening wordt gebracht of wordt verhoogd. Dit ‘zodat de klant weet waar hij aan toe is.’ 

Ondernemers kunnen eigenlijk nergens terecht met dit probleem

Maar uit de gesprekken die FTM 5 jaar later voerde met mkb-bedrijven blijkt niet dat banken ook maar iets hebben ondernomen om te voldoen aan de verwachting van de minister. FTM vroeg het ministerie van Financiën daarom wat er sinds de Kamervragen van 2015 is ondernomen om de opslagverhogingen door banken aan banden te leggen. Het ministerie antwoordde dat er in 2016 een publieke consultatie heeft plaatsgevonden over de bescherming van zzp’ers en mkb’ers bij financiële diensten en producten: ‘De toenmalige minister [Jeroen Dijsselbloem (PvdA), red] heeft naar aanleiding van die consultatie besloten dat hij in eerste instantie wil inzetten op verbetering van de positie van kleinzakelijke klanten door middel van zelfregulering.’ 

Het ministerie en de AFM wijzen wat betreft de invulling van die zelfregulering eensgezind op één concreet initiatief: de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) kent sinds 1 juli 2018 een Gedragscode Kleinzakelijke Financiering. Die code schrijft voor dat banken op verzoek van de klant een toelichting moeten geven voor opslagverhogingen.

Maar, zo lezen we op de website van de NVB: ‘De Gedragscode is van toepassing op financieringsaanvragen van ondernemers met een omzet tot €5.000.000. Aanvragen van ondernemers met een hogere omzet of financieringen van vóór 1 juli 2018, vallen buiten deze Gedragscode.’ 

De Gedragscode is dus alleen van toepassing op de allerkleinste kleinbedrijven die recent een lening hebben afgesloten. Zowel de zorginstelling als de binnenvaartonderneming vallen op beide gronden buiten de code en zijn er op geen enkele manier mee geholpen. Dat geldt eigenlijk voor alle financieringen waarop deze problematiek van toepassing is: het zijn vooral leningen die ruim voor 2018 zijn afgesloten, toen de marktrente hoger was en de banken mkb’ers daarbovenop bescheiden renteopslagen in rekening brachten.

Ondernemers kunnen verder eigenlijk nergens terecht met dit probleem. Het mkb wordt niet beschermd door consumentenorganisaties en op dit punt kan de AFM ook niets voor ze betekenen. Die antwoordt op vragen van FTM: ‘De AFM beschikt niet over een wettelijk mandaat om toezicht te houden op mkb-financiering.’ 

Geluk bij een ongeluk

Een specifieke groep klanten ontspringt de dans: zij die naast een lening ook een rentederivaat hadden gekocht én onder het Uniform Herstelkader (UHK) vallen. Dat zit zo: het derivatendrama was een groot bancair schandaal. Het ministerie van Financiën tikte uiteindelijk de banken en de falende toezichthouder AFM op de vingers en liet een schaderegeling (het UHK) opstellen door een onafhankelijke commissie

Hoogleraar risicomanagement Theo Kocken (VU) was een van de drie leden van die commissie. Zij maakten het terugdraaien van de onverantwoorde renteopslagen onderdeel van de compensatieregeling. Maar voor alle klanten die geen derivaat hadden of niet binnen de omvangcriteria van het UHK vallen, waaronder ook woningcorporaties, gemeenten, zorginstellingen en scholen, gold dat niet. Zij ontvingen dus geen compensatie en betalen nog steeds elke maand teveel aan hun bank. Kocken: ‘We konden deze praktijk alleen aanpakken als er een derivaat tegenover stond. Als dat niet het geval was viel het buiten de opdracht van de derivatencommissie.’

Lees verder Inklappen

Van de agenda gevallen

Nadat minister Dijsselbloem voor een oplossing tevergeefs vertrouwde op de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB), was het in de politieke arena akelig stil rondom dit onderwerp. ‘Het is bij ons van de agenda gevallen,’ melden zowel de SP als de PvdA in eerste instantie aan FTM. Kamerlid Roald van der Linde (VVD) van de vaste commissie Financiën ziet geen aanleiding om in te grijpen. ‘Ik heb de afgelopen jaren weinig klachten over die opslag gekregen.’ Hij maakt zich wel zorgen over het gebrek aan concurrentie tussen de Nederlandse banken. 

Kamerlid Mahir Alkaya (SP), die de oorspronkelijke vragensteller Arnold Merkies opvolgde in de commissie Financiën, blijkt wel kritisch op de opslagverhogingen (nadat FTM hem erop attendeert dat er sinds 2015 eigenlijk niets veranderd is): ‘Wij zijn in Nederland in een onrechtvaardig stelsel terecht gekomen van verliesvrij kapitalisme voor grote financiële instellingen. De banken strijken grote winsten op bij meevallers, maar tegenvallers worden linksom of rechtsom doorberekend aan hun klanten. Dat zijn vaak echte ondernemers die wél waarde toevoegen aan de economie, of in dit geval zelfs zorginstellingen.’ Hij is van plan de minister opnieuw te vragen deze praktijken aan te pakken. ‘Deze abrupte en ongegronde opslagverhogingen moeten stoppen.’

Risicoloos ondernemen

Maar zover is het nog lang niet. Want terwijl de minister er vanuit ging dat zelfregulering de positie van kleinzakelijke klanten zou verbeteren, hebben banken vooral de losse eindjes voor zichzelf aan elkaar geknoopt. De onderbouwing voor banken om opslagen te verhogen is in de nieuwste versie van de Algemene Bankvoorwaarden, die in 2017 werd ingevoerd, flink uitgebreid. Ook in de ‘bepalingen voor kredietverlening’ van de individuele banken zijn aardig wat regels toegevoegd. Daarmee bestaat er weliswaar meer duidelijkheid over de voorwaarden, maar bovenal hebben de banken op deze manier hun bewegingsvrijheid om tarieven eenzijdig aan te passen flink uitgebreid. 

Ter vergelijking: in de ‘algemene bepaling van kredietverlening’ van de ING uit 2007 staat dat opslagen verhogen alleen plaatsvindt ‘indien bijzondere omstandigheden, zoals verslechtering van de kwaliteit van de kredietnemer, daartoe aanleiding geven.’ Een decennium later geven de Algemene Bankvoorwaarden van ING de bank beduidend meer speelruimte: ‘Wij kunnen een tarief steeds wijzigen [..] Tariefswijzigingen kunnen bijvoorbeeld volgen uit markt-omstandigheden (sic), verandering van uw risicoprofiel, ontwikkelingen op de geld- of kapitaalmarkt, uitvoering van wet- en regelgeving of maatregelen van onze toezicht-houders (sic).’

 ‘De opslag voor persoonlijk risicoprofiel hoort bij de klant, de rest hoort echt voor risico van de bank te komen.’

Ook ABN Amro breidde zijn ‘algemene bepalingen voor ondernemerskrediet’ zodanig uit dat de bank op basis van de nieuwste tekst niet alleen op basis van ‘het risicoprofiel van de klant’, maar ook bij ‘veranderingen in de markt’, of zelfs bij hogere kosten van de bank zelf, de tarieven eenzijdig mag verhogen. 

De ING antwoordt op vragen van FTM: ‘Renteopslagen worden veroorzaakt door diverse redenen: inkopen van geld middels leningen bij andere banken is in de afgelopen jaren bijvoorbeeld duurder geworden voor alle banken. Mede als gevolg van Basel III (en recente Europese besluitvorming) moeten banken ook meer kapitaal en liquiditeiten aanhouden. Dit zorgt voor hogere kapitaalkosten en meer behoefte aan liquiditeit. Met andere woorden, de verhoging van de opslag heeft niet altijd te maken met een hoger risicoprofiel van klanten.’

Hoogleraar economie Sweder van Wijnbergen (UvA) veegde in 2015 de vloer aan met de redenering dat banken tegenvallende resultaten bij andere klanten of hogere financieringskosten in de renteopslagen mogen versleutelen: ‘Dat de politiek dit soort verhalen accepteert is onbegrijpelijk.’ Volgens Van Wijnbergen worden de hogere opslagen bij goede bedrijven gebruikt om verlies op slechte bedrijven goed te maken. ‘Terwijl er voor een opslagverhoging een individuele aanleiding moet zijn.’ Hoogleraar risicomanagement Theo Kocken (VU) onderschrijft die analyse: ‘De opslag voor persoonlijk risicoprofiel hoort bij de klant, de rest hoort echt voor risico van de bank te komen.’

FTM legde de casus voor aan hoogleraar financiële markten Arnoud Boot (UvA). Die zegt dat hogere kosten doorberekenen aan klanten, omdat banken zelf meer eigen vermogen moeten aanhouden of omdat ze extra compliance maatregelen moeten nemen, niet mag. ‘Het argument van strengere regels voor banken mag niet gebruikt worden, want dat is niet klantspecifiek. In dit geval lijkt het erop dat banken hun eigen winstmarges te laag vonden, en dat is geen goede onderbouwing voor opslagen.’ 

Waarvoor is de speelruimte voor banken in financieringscontracten wel nuttig?

Boot legt ook uit waarom de discretionaire bevoegdheid van banken wel degelijk nuttig is, tenminste, ‘als die niet misbruikt wordt.’ Bancaire contracten contrasteren met financiële marktcontracten, waarin alle details zijn dichtgetimmerd. Boot: ‘Neem bedrijfsobligaties, die worden verkocht aan duizenden investeerders en de condities zijn van te voren bepaald, die kun je niet zomaar heronderhandelen.’ Dat is bij bancaire contracten wel het geval. ‘Bancaire contracten zijn veel minder precies en staan vol met vage clausules. Dat geeft de bank speelruimte; het laat ruimte voor bancaire discretie. Dankzij die bevoegdheid kunnen banken beter aansluiten op de behoeftes van de klant.’ Dat is volgens Boot nuttig omdat ze soms nog niet precies weten hoe de bedrijfsrisico’s in elkaar steken en omdat de omstandigheden van de markt fundamenteel kunnen veranderen. ‘Deze speelruimte geeft banken de mogelijkheid om condities van leningen aan te passen onder exceptionele omstandigheden. Die flexibiliteit zorgt ervoor dat banken eerder bereid zijn om krediet te verstrekken, dat ze anders niet verstrekt hadden.’ 

De speelruimte moet volgens Boot wel op een integere manier gebruikt worden en is beperkt tot de veranderingen in de omstandigheden van de klant en de sector waarin die actief is. ‘Dat de risico’s van een sector hoger worden ingeschat moet je natuurlijk wel hard kunnen maken en het moet een gebruikelijke wijze van opereren zijn.’ 

Lees verder Inklappen

De grenzen van bancaire speelruimte

Hoe banken hun speelruimte in het verleden hebben gebruikt, is volgens Boot cruciaal als indicatie voor de grenzen ervan. ‘Als de bank ineens heel andere argumenten gebruikt om de rente aan te passen dan voorheen gebruikelijk was, dan had de klant dat niet kunnen weten en had hij dat contract misschien wel helemaal niet afgesloten. Daarom is dat niet toegestaan.’ 

Volgens Boot, Kocken en Van Wijnbergen mag het niet, maar in de praktijk zetten banken tegenvallende financieringskosten (als gevolg van strengere bankregels) gewoon door naar mkb-klanten – terwijl dat voor de kredietcrisis nooit gebeurde. Dat werd in 2015 bevestigd door een oud-werknemer van de Rabobank. Ook de oud-accountmanager van binnenvaartschipper Brands bevestigde in een getuigenverhoor dat deze praktijken bij de ING voorheen niet gebruikelijk waren. 

De verhoging van de liquiditeitsopslagen zijn daarbij ook nog eens eenrichtingsverkeer, want financieringsmeevallers steken banken gewoon in eigen zak. Hoewel ING-bestuursvoorzitter Hamers zich in augustus beklaagde over de lage rentes die het verdienmodel van banken onder druk zouden zetten, zien we dat niet terug in de cijfers die de ING deze week presenteerde. De winst over 2019 was 4,8 miljard, een stijging ten opzichte van vorig jaar. Ook de rentemarge ging omhoog. Dat komt omdat de rente die de ING op spaargeld uitkeert nu nagenoeg 0 procent is, terwijl kredietnemers nog steeds hogere rentes betalen.

ING-cfo Tanate Phutrakul zei in een gesprek met analisten dat de ING de lagere financieringskosten niet doorgeeft aan haar klanten, zo schreef Het Financieele Dagblad in oktober 2019. Kredietnemers moeten dus wel meebetalen als het de bank tegenzit, maar het motto ‘eerlijk zullen we alles delen’ geldt klaarblijkelijk niet meer als het de bank meezit. 

Naar de rechter

De zorgbestuurder overweegt een rechtszaak aan te spannen tegen de ING. Binnenvaartondernemer Jeanine Brands is al een procedure gestart. Op 12 december 2019 drong de ING erop aan, als voorwaarde voor de verlenging van de bestaande financiering, de procedure in te trekken. ‘Omdat er anders geen sprake zou zijn van wederzijds vertrouwen, en dat zou betekenen dat ING niet langer ons bedrijf wilde financieren.’

Door dit dreigement werd Brands gedwongen op zoek te gaan naar een andere bank voor haar bedrijfsfinanciering, zodat ze haar procedure kan voortzetten. Brands: 'We hebben alles geprobeerd om er op een andere manier uit te komen maar op een gegeven moment heb je gewoon geen keuze meer. Of je moet alles weerloos accepteren, of je stapt naar de rechter. Daar ben je dan ruim 28 jaar een alom geprezen klant voor.’ 

ING wilde niet ingaan op specifieke vragen van FTM: ‘ING kan geen uitspraken doen over specifieke klantrelaties, specifieke klachten van klanten of informatie delen over lopende rechtszaken.’

Het juridische gevecht tussen het mkb en de banken

Andere gedupeerden gingen Brands voor met een gang naar de rechter. De Rabobank en de ING leden in 2018 gevoelige nederlagen in vergelijkbare zaken. De rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelde dat de Rabobank niet zomaar de opslagen mocht verhogen, maar rekening moet houden met de belangen van de klant – ook al staat in het contract expliciet dat ‘de bank de opslag altijd kan wijzigen.’

Het Hof van Amsterdam bekrachtigde in de zaak van modebedrijf Blosh B.V. tegen de ING het eerdere oordeel, waarin de rechtbank Amsterdam van de hand wees dat de Algemene Bankvoorwaarden de bevoegdheid zouden geven aan de bank om opslagen eenzijdig te verhogen ‘indien, kort gezegd, haar kosten en rendement haar daartoe aanleiding geven.’

Maar de strijd is nog zeker niet gestreden. De ING wijst erop dat de bank in het najaar van 2019 twee rechtszaken heeft gewonnen. In de zaak van Beheermaatschappij Stierman, bij de Kamer van Koophandel ingeschreven als een beheermaatschappij voor eigen onroerend goed, werd verjaring toegekend. Maar de rechtbank Amsterdam liet doorschemeren dat het ook zonder die verjaring twijfelachtig is of de zaak van Stierman zou slagen, omdat de herziening van tarieven wordt genoemd in het contract. 

Ook in de andere zaak vond de rechtbank Amsterdam dat enkel de opslagverhogingen door de ING, ‘waartoe zij op grond van de tariefafspraak bevoegd was,’ onvoldoende grond waren om ‘te oordelen dat ING onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de eiser en dat zij in strijd met haar contractuele zorgplicht heeft gehandeld.’ De eiser en zijn advocaat, Jan Michiel Wagenaar, vinden dat vonnis onbegrijpelijk en zijn in hoger beroep gegaan. Wagenaar: ‘ING heeft sinds 2010 jaarlijks exorbitante opslagverhogingen doorgevoerd, van een oorspronkelijke 1,25 procent naar 4,96 procent opslag. De bank maakte het verhogen van de opslag een standaardpraktijk en gaf voor iedere verhoging een zeer algemene en summiere onderbouwing: "De nieuwe opslag houdt rekening met een eventueel gewijzigd risicoprofiel en met de omstandigheden op de geldmarkt."’

Opvallend is dat rechter M.L.S. Kalff van de rechtbank Amsterdam in deze twee zaken heel anders oordeelt over de rechtmatigheid van de opslagverhogingen dan zijn collega’s van de meervoudige kamer deden in de zaak van Blosh BV. In deze twee recente zaken vindt de rechtbank wel dat de toenmalige Algemene Bepalingen en Bankvoorwaarden van de ING voldoende legitimiteit verschaften om de opslagverhogingen door te voeren – terwijl die ook in deze gevallen niets te maken hadden met het individuele risico van de klant, maar met het doorberekenen van de hogere kosten van de bank zelf. Een grond die volgens de hoogleraren die FTM raadpleegde onrechtmatig is. Dat zulke opslagverhogingen voor de kredietcrisis nooit plaatsvonden, benoemt de rechtbank evenmin.

Lees verder Inklappen

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Over de auteur

Thomas Bollen

Gevolgd door 3806 leden

Onderzoekt als financieel econoom de 'economische religie' om nuttige inzichten van dogma's te scheiden.

Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
Annuleren