Rijkdom, productie en inkomen

    We worden steeds rijker? Nee hoor, helemaal niet! Een voorstel voor een bescheiden verandering van de CBS-statistieken.

    Volgens veel economen worden Nederlanders steeds rijker. Af en toe is er een misschien een bescheiden dipje van de economie – maar over de wat langere termijn gezien stijgt de productie per bewoner van ons land als een speer. Sinds 1969 is het “Bruto Binnenlands Product (BBP) per capita”, de door economen gebruikte maatstaf, zelfs meer dan verdubbeld!  

     

    We hebben meer en betere auto’s, meer en betere computers, meer en beter hoger onderwijs en vaak betere huizen en, inderdaad, wat minder soldaten. Het gaat, volgens dit soort gegevens, dus goed met ons op economisch gebied! Tenminste, als we naar het “BBP per capita” kijken. 
     
    Productie en inkomen
    Toch kunnen hier vraagtekens bij gezet worden. En dan heb ik het niet over de nadelen van de groei, zoals files, toenemende energieverbruik of de schandalen in het grootschalige hoger onderwijs. Het gaat dan om de simpele vraag:
     
    “Als we twee keer zo rijk zijn, hoe kan het dan dat een modale alleenverdiener rond 1970 een huis kon betalen en een gezin kon onderhouden en ook nog op vakantie naar Spanje kon, terwijl men daarvoor nu, anno 2011, anderhalfverdiener moet zijn?”
     
    Als we twee keer zo rijk zijn, dan zou dat toch makkelijker moeten zijn geworden, in plaats van moeilijker? Het antwoord op deze vraag is opmerkelijk eenvoudig. We zijn namelijk helemaal niet twee keer zo rijk! Sterker nog – het inkomen per huishouden ligt maar enkele procenten hoger dan rond 1970 (grafiek 1). 
     
    Grafiek 1: Bruto Productie per inwoner en beschikbaar inkomen per huishouden (Bron: CBS Nationale Rekeningen)


     Dit zijn geen ‘krietiese’ alternatieve berekeningen die allerlei onaangename zaken zoals files en milieuproblemen van de productie aftrekken – deze gegevens komen uit dezelfde CBS-tabel als de gegevens over het “BBP per capita”. We kijken alleen niet naar ‘de productie per persoon’ maar naar het ‘inkomen per huishouding’ – iets dat door instellingen als het Centraal Planbureau of het Centraal Bureau voor de Statistiek (tenminste, als het om de Nationale Rekeningen gaat) merkwaardigerwijs niet wordt gedaan. ‘Merkwaardigerwijs’, omdat alle noodzakelijke gegevens daarvoor nu al in diezelfde rekeningen aanwezig zijn.
     
    ‘Merkwaardigerwijs’, ook omdat een door de Franse president Sarkozy ingestelde commissie, met zeer gezaghebbende economen als nobelprijswinnaar Stiglitz en Sen, de volgende twee aanbevelingen vooraan in hun verslag zetten:
     
    “Recommendation 1: When evaluating material well-being, look at income and consumption rather than production;
    Recommendation 2: Emphasise the household perspective” 
     
    Met andere woorden: kijk ook – en vooral! - naar het inkomen per huishouden. Wat dus uitermate eenvoudig kan, door de nota bene in dezelfde tabel staande gegevens in de Nationale Rekeningen met elkaar te combineren. Zo gauw men naar deze gegevens kijkt blijken er dramatische verschillen te zijn die tot een heel andere visie op de welvaartsontwikkeling na (in dit geval) 1969 leiden. 
     

    Van links naar rechts Fitoussi, Stiglitz en Sen.
     
     Er zijn nog meer redenen om wat meer aandacht aan het inkomen en wat minder aan de productie te geven. De hypothecaire schuld wordt, ten onrechte, door de economen van het IMF en De Nederlandsche Bank uitgedrukt als percentage van het BBP in plaats van als percentage van het -veel lagere- beschikbare inkomen van huishoudens – terwijl ook hier het gezond verstand zegt dat de tweede maatstaf de betere is terwijl het grote verschil (ongeveer de helft) aangeeft dat het ook empirisch van belang is (Knibbe, 2009).
     
    Waarom deze verschillen?
    Een belangrijke vraag is natuurlijk waar het grote verschil tussen productie en inkomen door wordt veroorzaakt. Een deel van het antwoord is (rekenkundig) heel eenvoudig: het aantal huishoudens groeide veel sneller dan het aantal inwoners van Nederland (grafiek 2).
     
    Grafiek 2: Gemiddeld aantal personen per huishouden (Bron: CBS)

     
    Daarnaast zijn er een aantal wat ingewikkeldere oorzaken. Inkomen is netto, productie is bruto. Met “bruto” worden de afschrijvingen bedoeld: een deel van de productie is nodig om te de slijtage van vrachtwagens; winkelkarretjes; melkkoeien; bedrijfsgebouwen en andere kapitaalgoederen op te vangen. Dit deel van de productie is niet beschikbaar voor het inkomen. Omdat er vandaag de dag veel moet worden afgeschreven op computers en software zijn de afschrijvingen in de loop van de tijd gestegen. Ook houden bedrijven vaker winst in. Niet al het inkomen komt dus uiteindelijk bij  huishoudens terecht, een deel blijft in de bedrijfskassen zitten.
     
    Verder is er het verschil tussen ‘binnenlands’ en ‘nationaal’. Bij het berekenen van de binnenlandse productie kijken we naar wat er tussen Sas van Gent en Delfzijl is geproduceerd -- naar de geografische entiteit Nederland. Bij het ‘nationaal inkomen’ kijken we naar wat er door Nederlanders in Nederland is verdiend. Netto schieten we er wat dat betreft bij in: de posten ‘inkomens uit het buitenland’ en ‘inkomensoverdrachten aan het buitenland’ zijn, per saldo, negatief. Er zijn meer buitenlanders die hier hun geld verdienen -en dus wel bijdragen aan de binnenlandse productie maar niet aan het nationaal inkomen- dan andersom. 
     
    Al met al zorgen deze factoren er, per saldo, voor dat het verschil tussen bruto productie en beschikbaar nationaal inkomen sterk toenam. Dit verklaart samen met de stijging van het aantal huishoudens vrijwel het hele verschil. Het lijkt mij dan ook gewenst dat dit verschil, vooral vanwege de enorme omvang ervan, duidelijk wordt gemaakt in de berichtgeving over de economie, ook door het CBS. 
     
    Consumeren zonder inkomen
    Dat we nauwelijks rijker zijn dan vroeger betekent niet dat de consumptie van gezinnen ook lager of gelijk is aan die in 1969. Een deel van de consumptie van huishoudens, zoals onderwijs, wordt namelijk collectief gefinancierd. 
     
    Toch is ook de particuliere consumptie, ondanks de bescheiden groei van het inkomen per huishouden, aanzienlijk toegenomen. Wat ons noopt een volgende vraag te stellen: waar kwam dat geld dan vandaan? Natuurlijk weten we daar allemaal het antwoord op. Een paar jaar geleden namen huishoudens elk jaar netto (!) nog zo’n 40 miljard aan hypothecair krediet per jaar op, oftewel ongeveer €7.000,- per jaar per huishouden. In sommige jaren was dit bijna een kwart van het beschikbare inkomen van huishoudens (grafiek 3)! In 2005 was de toename van de schulden zelfs €56 miljard! Ter vergelijking: het overheidstekort zal dit jaar ongeveer €27 miljard bedragen. Tsja, hoe heeft het zover kunnen komen.
     
    Grafiek 3: Toename van de schuld als percentage van het beschikbare inkomen van huishoudens (Bron: CBS Sectorrekeningen)

     
    Conclusie
    De economen Fitoussie, Sen en Stiglitz hebben gelijk. Wanneer we naar ‘het inkomen per huishouden’ kijken dan zien we een totaal ander beeld van de welvaartsontwikkeling dan wanneer we naar ‘het BBP per capita’ kijken -- een minder florissant beeld. Een beeld dat aangeeft dat we de toenemende productie voor een groot deel hebben gebruikt om, om de Dalai Lama te citeren, ‘met steeds minder mensen in steeds grotere huizen’ te gaan wonen. Eenzame oudjes in luxe appartementen. Willen we dat? En willen we de consumptie en de huizenbouw blijven financieren met geleend geld, iets wat op de langere termijn niet houdbaar is? Daar zijn fraaie eindejaarsbeschouwingen over te schrijven. 
     
    Uiteindelijk zijn we rijk zat – het gaat erom hoe we die rijkdom gebruiken. Als het CBS en het CPB wat meer naar de inkomens per huishoudens gaan kijken, dan krijgen we daar een beter inzicht in. Meer nadruk op de huishoudens, meer nadruk op inkomensvariabelen, meer nadruk op (de financiering van) de consumptie. Fitoussi en consorten zijn in die zin wat ouderwetse economen dat ze de financiering van de consumptie niet noemen. Maar hier geldt iets vergelijkbaars voor. De schulden van de Nederlandse huishoudens worden door het IMF en De Nederlandsche Bank als percentage van het BBP uitgedrukt, in plaats van wat natuurlijk beter is, als percentage van het inkomen van huishoudens. Bij deze dus de aanbeveling dat het CBS en het CPB in de nationale rekeningen de eerste twee aanbevelingen van bovengenoemde economen gaan opvolgen en dat ook De Nederlandsche Bank meer naar inkomensgegevens gaat kijken – de basisgegevens zijn er al. 
     
    Literatuur:
    Centraal Bureau voor de Statistiek, Tijdreeksen Nationale Rekeningen, http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/macro-economie/methoden/dataverzameling/revisie/tijdreeksen-nationale-rekeningengegevens-na-revisie-2001.htm 
     
    Fitoussi, J.P., A. Sen en J. Stiglitz (2009), Report by the Commission on the Measurement of EconomicPerformance and Social Progress. http://www.stiglitz-sen-fitoussi.fr/documents/rapport_anglais.pdf  
     
    Knibbe, M (2010), Wonen als last. Een voorstel voor aanvulling van de financiële stabiliteitsindicator voor de schuldenpositie van huishoudens van De Nederlandse Bank met een inkomensgerichte indicator. http://www.huizenmarkt-zeepbel.nl/pdf/wonen-als-last.pdf 

     

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Merijn Knibbe

    Nog steeds vindt Knibbe de conjuncturele ontwikkeling tussen, zeg, 1919 en 1924 of de verschrikkelijke misoogst van 1830 (die...

    Volg Merijn Knibbe
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren