Het RIVM-rapport over de uitstoot van de stof PFOA door DuPont in Dordrecht kan de onrust die daarover in de omgeving is ontstaan niet wegnemen. Vast staat nu wel dat de grenswaarden decennialang zijn overschreden. En er staan nog veel vragen open.

    De bevolking van Dordrecht en Sliedrecht is decennialang blootgesteld aan de stof PFOA die chemiebedrijf DuPont heeft uitgestoten. Niet in de mate waarin omwonenden rond een vergelijkbare fabriek in de Amerikaanse stad Parkersburg zijn besmet, maar wel boven de waardes die het RIVM als veilig beschouwd. Gezondheidsschade is niet uit te sluiten. Dat blijkt uit het rapport dat het RIVM deze week heeft overhandigd aan de opdrachtgever, het ministerie van Infrastructuur en Milieu.

    Dat dit onderzoek er is gekomen is het gevolg van de kamervragen die zijn gesteld naar aanleiding van het Follow the Money-artikel ‘Hoe DuPont met teflon een ongekende milieuramp veroorzaakte. Ook in Nederland?’, dat in september 2015 verscheen.
     
    Daarin legden we uit wat er in de VS speelde, wat PFOA eigenlijk is en stelden we de waarschijnlijke vervuiling rond de teflonfabriek van DuPont in Dordrecht aan de kaak.

    Waarom is er nooit onderzoek gedaan naar de impact van de uitstoot van de hulpstof PFOA gedaan, vroegen we ons af. Want daar was alle reden toe: rond 2000 verschenen er in alle belangrijke wetenschappelijke tijdschriften artikelen over de gevaren van PFOA. Rond de Amerikaanse fabriek in Parkersburg, een kopie van die in Dordrecht, speelden verschillende rechtszaken die waren aangespannen door boeren en omwonenden. Het verzwijgen van cruciale informatie leverde DuPont een recordboete op en ook werd het bedrijf gedwongen tot het betalen van een groot epidemiologisch onderzoek en het zuiveren van water. De conclusie dat de Nederlandse toezichthoudende autoriteiten op zijn zachtst gezegd weinig alert hebben gehandeld is moeilijk niet te trekken. 

    Secundaire bronnen, geen eigen onderzoek

    Het omvangrijke RIVM-rapport is gebaseerd op analyse van secundaire bronnen en modellen, niet op eigen onderzoek. Voor de bepaling van de grenswaarden heeft de onderzoeker zich gebaseerd op een aantal wetenschappelijke onderzoeken, met name dierproeven. Hoewel het bestaan van epidemiologisch onderzoek onder mensen wel wordt genoemd, spelen die in het rapport geen rol. Recent Deens onderzoek waarin een verband wordt gelegd tussen PFOA in het bloed en verminderde vruchtbaarheid bijvoorbeeld, komt niet aan de orde. Voor het RIVM lag de primaire focus lag op het vaststellen hoeveel PFOA er precies door DuPont is uitgestoten, in welke mate omwonenden daaraan zijn blootgesteld en hoe zich dat verhoudt met de door het RIVM veilig geachte grenswaarden. 

    Wat staat er in het rapport?

    De belangrijkste conclusie van het RIVM is deze: 

    ‘Uit dit RIVM-onderzoek blijkt dat er mogelijk een langdurige overschrijding van de voor PFOA veilige geachte grens heeft plaatsgevonden, voor de omwonenden in de nabijheid van de fabriek van DuPont/Chemours.’

    Dat is zeker het geval geweest van 1970 tot 2002. In de jaren daarna is de uitstoot van PFOA verminderd en is de blootstelling voor omwonenden onder de door het RIVM veilig geachte grens gebleven. 

    De RIVM is tot die conclusie gekomen door met name de waarschijnlijke blootstelling via drinkwater, voeding en de lucht te berekenen. Dat is een lastige klus: er zijn over de periode voor 1998 geen gegevens omdat PFOA toen nog een totaal ongereguleerde stof was. Uit informatie die Follow the Money heeft gekregen, valt op te maken dat er in de jaren ’80 jaarlijks alleen al in de teflon-fabriek zo’n 6.000 kilo werd uitgestoten, via de lucht en in de Merwede. Het RIVM gaat uit van een worst case scenario van 5.000 kilo per jaar vanaf 1970. 

    Drinkwater

    Het drinkwater in Nederland is van hoge kwaliteit. De blootstelling aan PFOA in Dordrecht via drinkwater is bij lange na niet zo ernstig als in de VS. Het gehalte PFOA in het drinkwater is heel erg laag en wijkt nauwelijks af van andere gebieden, stelt het RIVM. Vergelijkbare data worden echter niet gemeld in het rapport. Waterleidingbedrijven zijn (nog) niet verplicht om hun product daarop te testen. 

    Toch valt er wel iets af te dingen op de nogal rooskleurige analyse van het RIVM. Het instituut heeft de historische blootstelling via drinkwater berekend op basis van metingen die zijn gedaan in 2014-2015. Dat zegt echter helemaal niets: DuPont heeft eind 2012 het zogenoemde ‘GenX’ in gebruik genomen, waardoor DuPont fluoropolymeren kan maken zonder het gebruik van PFOA. Dat overigens ook omstreden is en niet zo veilig als Chemours, dat in de zomer van 2015 eigenaar werd van de chemische tak van DuPont, suggereert.

    Die metingen zeggen dus niets over de vervuiling van het drinkwater in de periode vanaf 1970 tot pakweg 2012. Het RIVM stelt echter onomwonden: 

    ‘Rond de fabriek is geen sprake van een verhoogde blootstelling van omwonenden aan PFOA via drinkwater.’ 

    Dat is natuurlijk fijn om te horen, maar hoe zat het vroeger? Het RIVM stelt dat het met PFOA verontreinigde oppervlaktewater niet wordt gebruikt voor de winning van drinkwater, maar het is niet duidelijk of dat altijd zo is geweest. De kans bestaat dat er verontreinigd water terecht is gekomen in gebieden waar wel drinkwater, of water voor de glastuinbouw, wordt gewonnen. 

    Dat die mogelijkheid niet valt niet uit te sluiten, blijkt ook uit het RIVM-rapport. Bij de beperkte metingen die zijn gedaan is namelijk naar voren gekomen dat in een ander drinkwatergebied veel hogere PFOA-concentraties (tot 20 keer hoger) worden gemeten. Het RIVM beveelt dan ook aan ‘om in het intrekgebied van de drinkwaterwinningen ten noorden van de Merwede metingen naar PFOA te doen in individuele winputten.’ Waar die PFOA-vervuiling vandaan komt is op dit moment nog onduidelijk. Die specifieke drinkwaterbron is niet bij het onderzoek betrokken, omdat Dordtenaren hun water uit andere bron krijgen. Het wordt wel door anderen gedronken. 

    Bij de vaststelling van de historische blootstelling via drinkwater valt dus niet uit te sluiten dat het RIVM de werkelijke inname onderschat.

    Onfrisse lucht

    Voor omwonenden is de belangrijkste blootstelling aan PFOA in de periode 1998-2012 (over de periode daarvoor zijn geen gegevens beschikbaar) via de lucht geweest. Om vast te stellen hoeveel dat is geweest, heeft de RIVM een rekenmodel gebruikt dat de verspreiding berekent. Dat is gebeurd op basis van gegevens die de Omgevingsdienst en DuPont/Chemours ter beschikking hebben gesteld. Ook de gegevens waarover de Omgevingsdienst beschikt zijn door DuPont aangeleverd. 

    De belangrijkste informatie is dus afkomstig van bronnen die zelf op verschillende manieren betrokken zijn geweest bij de uitstoot: hetzij als vergunningverlener/toezichthouder, hetzij als de veroorzaker. Dat hoeft natuurlijk niet per definitie tot fouten of onjuiste informatie te leiden, maar DuPont heeft op dat gebied niet echt een schoon trackrecord. In het kader van dit onderzoek kwam bij de analyse van gegevens naar voren dat het bedrijf jarenlang PFOA heeft geloosd bij de productie van kunstrubber. Ook in het verleden zijn er verschillende affaires geweest, onder meer rond de niet gemelde uitstoot van hexafluorpropeen.  

    PFOA komt vrij als gas bij een droogproces en vormt daarna aerosolen, kleine deeltjes die in de lucht zweven. De RIVM heeft de concentraties rond Dordrecht berekend op basis van de meteorologische omstandigheden in de jaren 1998-2003. Op die manier zijn twee zones vastgesteld waarin de grenswaarden zijn overschreden.  


     

    De emissies in de periode daarvoor moeten aanzienlijk hoger zijn geweest, concludeert de RIVM aan de hand van de schaarse gegevens die wel beschikbaar zijn. Voor de periode 1998 - 2012 heeft RIVM drie blootstellingsscenario’s gebruikt. Het zijn indicaties, omdat er eenvoudigweg nooit metingen van PFOA zijn gedaan.

    Gezondheid

    Wat betekent dit concreet voor de gezondheid van de omwonenden? Dat is lastig te bepalen. Het RIVM vergelijkt de berekende bloedserumconcentraties (dus niet de feitelijk gemeten) met de vastgestelde gezondheidskundige grenswaarde, 89 ng/ml. Die is afgeleid van wat internationale instanties, zoals onder meer de Amerikaanse milieu-autoriteit EPA en de Europese voedselveiligheidsautoriteit EFSA, daarover zeggen. Maar de EPA ligt op dit moment in de VS onder vuur, juist vanwege de golf van PFOA-vervuiling die het land overspoelt. Ook de EFSA wordt vaak bekritiseerd vanwege de nauwe banden die haar onderzoekers hebben met de chemische industrie. Hoewel er veel kennis aanwezig is, is hun oordeel niet heilig. 

    Uit deze vergelijking blijkt dat in het verleden in de zones dicht bij het bedrijf waarschijnlijk langdurige overschrijdingen (tot maximaal 25 jaar) van de gezondheidskundige grenswaarde voor PFOA zijn voorgekomen. In deze periode hadden de omwonenden bijvoorbeeld een verhoogd risico voor leververgroting. Vanaf ongeveer 2002 zijn de berekende bloedserumconcentraties van omwonenden in de zone direct rond het bedrijf lager dan de gezondheidskundige grenswaarde voor PFOA in bloedserum. ‘De berekende bloedserumconcentratie voor dit moment (2016) brengt geen toxicologisch risico met zich mee,’ stelt het RIVM. Dat stelt gerust, maar dat kan ook bijna niet anders omdat PFOA vanaf 2012 niet meer werd gebruikt. 

    In Zuid-Holland Zuid zijn – in tegenstelling tot het gebied rond de Amerikaanse teflonfabriek in Parkersburg – nog geen epidemiologische analyses gemaakt

    Volgens het RIVM zijn de kankerrisico’s, zoals op nier-en zaadbalkanker, verwaarloosbaar. Tegelijk erkent het instituut dat er in zijn risicobeoordeling nogal wat onzekerheden zitten. Terwijl een wetenschappelijk comité in de zaak rond het Amerikaanse Parkersburg heeft vastgesteld dat er een verband is tussen blootstelling aan PFOA, nier-en teelbalkanker en enkele andere ziektes, spreekt het RIVM van een mogelijk verband. Het hanteert daarmee de mildere classificatie van de Wereldgezondheidsorganisatie. Opmerkelijk is dat DuPont nooit beroep heeft aangetekend tegen de conclusies van dat comité. 

    Voorbarig optimisme

    RIVM's conclusie dat er ondanks de langdurige blootstelling boven de grenswaardes sprake is van een verwaarloosbaar gezondheidsrisico, lijkt nogal voorbarig. Niet alleen omdat het aantal meldingen van ernstige gezondheidsklachten door zowel ex-werknemers als omwonenden aanzwelt. Hun verhalen zijn weliswaar aangrijpend, en vaak ook schokkend omdat ze duidelijk maken dat de veiligheidscultuur bij DuPont minder goed was dan men de buitenwereld wilde doen geloven. Maar ze zijn te anekdotisch om als een wetenschappelijk verantwoord bewijs te kunnen worden beschouwd. 

    Het RIVM is te voorbarig, omdat er in Zuid-Holland Zuid – in tegenstelling tot het gebied rond de Amerikaanse teflonfabriek in Parkersburg – nog geen epidemiologische analyses zijn gemaakt. Bekend is wel dat de regio het hoogste percentage kankergevallen heeft van Nederland, maar er is in die regio relatief veel chemische industrie, met gevolgen voor onder meer de luchtkwaliteit. 

    Wat er dus nodig is om wel relevante concluderende uitspraken te doen, is een analyse van op zijn minst de ziektes en aandoeningen die nu met PFOA in verband worden gebracht. Omdat het leggen van een onomstotelijk verband jarenlang, soms wel decennia, kan duren, is het niet meer dan redelijk om ook andere mogelijke verbanden daarbij te betrekken. 

    Bij de redactie van Follow the Money zijn bijvoorbeeld verschillende meldingen van omwonenden binnengekomen die zeggen te maken hebben met vruchtbaarheidsproblemen. Deens onderzoek heeft uitgewezen dat er een verband is tussen verminderde vruchtbaarheid bij zowel vrouwen als mannen naarmate ze meer PFOA in hun bloed hebben. Uit ander onderzoek blijkt weer dat PFOA ook een hormoonverstorende werking kan hebben. Inderdaad: vast staat dat nog niet, maar het ligt voor de hand om ook dergelijke aandoeningen te bij het onderzoek te betrekken. Het vormt hoe dan ook bruikbaar statistisch materiaal voor de toekomst. 

    Impliciet erkent het RIVM dit tekort aan informatie overigens wel. In de conclusie beveelt het immers zelf ‘een nadere evaluatie van alle epidemiologische informatie’ aan. Die moet uitwijzen of er mogelijk verdere klachten of aandoeningen zijn die nadere aandacht behoeven voor de omwonenden van DuPont/Chemours. Daarnaast zou een steekproef (bloedonderzoek) onder omwonenden helderheid verschaffen en mogelijk ook onrust kunnen wegnemen. 

    Bloedwaarden van (ex-)werknemers werden door toxicoloog Martin van de Berg 'schokkend' genoemd

    Als reactie op het rapport en de kamervragen die over PFOA zijn gesteld, kondigt minister Sharon Dijksma van Infrastructuur & Milieu nieuwe stappen aan. Ze zegt de 'ongerustheid en onzekerheid' weg te willen nemen.  

    Een heel ander verhaal is dat van de (ex)-werknemers van DuPont. Het RIVM-onderzoek heeft hen buiten beschouwing gelaten, omdat ze duidelijk afwijken van omwonenden. Hun bloedwaarden werden door toxicoloog Martin van de Berg 'schokkend' genoemd. Inmiddels heeft Chemours, rechtsopvolger van DuPont, aangekondigd de bloedonderzoeken van werknemers te zullen betalen. Het ministerie van Sociale Zaken zal de uitslagen in de gaten houden. 

    Belangrijk gevolg van het RIVM-rapport is ook dat Dijksma wil dat drinkwater in de toekomst op de aanwezigheid van PFOA zal worden getest. Eindelijk. 

     

     

    Over de auteur

    Arne van der Wal

    Gevolgd door 321 leden

    Mede-oprichter van Follow the Money. Houdt zich onder meer bezig met technologie-ontwikkeling en de voedingsindustrie.

    Lees meer

    Volg deze auteur en blijf op de hoogte via e-mail

    Volg deze auteur
    Dit artikel zit in het dossier

    Chemours & DuPont

    In de Verenigde Staten wordt de PFOA-vervuiling door het Amerikaanse chemiebedrijf DuPont omschreven als een van de grootste...

    Lees meer

    Volg dit dossier en blijf op de hoogte via e-mail

    Volg dossier
    Verbeteringen of aanvullingen?   Tip de auteur Annuleren